Vrai, echt (letterlijk: waar).
la chambre d'à côté, de kamer ernaast.
sont assis, zitten (lett.: zijn gezeten).
ils _prennent_ une tasse de zij _drinken_ een kopje thee
thé, (letterlijk: nemen).
Maman pose son porteplume, Mama legt haar penhouder neer.
un petit-four, een koekje.
j'ai mal aux dents, ik heb tand- of kiespijn.
elle verse, zij schenkt in (lett.: zij giet).
en fumant, terwijl hij rookt (letterlijk:
rookende).
comme les enfants font du wat maken de kinderen een leven.
bruit,
qu'est-ce qu'il y a? wat is er?
chez eux, bij hen.
ils jouent à l'école, zij spelen schooltje.
si fort, zoo hard (sterk).
allons voir _un peu_, laat ons _eens_ kijken (lett.: een
beetje).
ils se lèvent, zij staan op.
pour aller voir les enfants, om naar de kinderen (te gaan)
kijken.
ils s'arrêtent, zij blijven staan.
ils écoutent, zij luisteren.
ils entendent, zij hooren.
le chant est si gai, het liedje is zoo vroolijk.
doucement, zachtjes.
ils s'arrêtent _de_, zij houden op _met_.
ils ne disent plus rien, zij zeggen niets meer.