thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen
heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op
dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het
Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken
zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen
vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend
kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was
de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging
wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één
dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotseling
ziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun
te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden,
hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de
lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden:
"Ik heb gedaan...." Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal,
een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren
heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog,
als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf,
als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber
den vijand het manlijk gelaat toekeerde: "Houdt goeden moed!" En
dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den
Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.
En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des
heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip
te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed
te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar
hij ze ophief naar den hemel,--daar zou het zijn, opdat er macht
uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het
jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen,
en niet het minst in zichzelf!...
Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten
Harpertsz. Tromp gehecht worden. Wel trachtte men den dood van den
admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders,
die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo
onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer
Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.
Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit,
Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op
de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte
zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards
deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was
een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met
klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het
pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden
admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste
verlies kon hersteld worden.
Het zat er bij ons te diep ingeworteld, dat we wèl voor de
tegenspoeden, maar niet voor de Engelschen geweken waren. Daarom
konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die--we
geloofden het voor vast--komen zou. Maar de goede vader van onze
kinderen der zee.... dat hij gestorven was, het wekte een droefheid
op door geheel het land. "Ach!" riep Michiel de Ruijter, "dat ik
gestorven ware voor Bestevaer!"
Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als
van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter
zou blijven leven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja,
het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre
nageslacht.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
TER UITVAART.
En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten
den 2den Augustus hun "compliment van condoleantie" aan "de naeste
Vrunden ofte Gallieerden van Tromp," en den 14den Augustus aan zijn
weduwe. Den 13den Augustus werd er besloten, dat aan Tromp "voor
ordre ende tot kosten van desen Staet" "een honorable Begrafenisse"
zou worden "aengedaen," en dat er, hem ter eere, een Tombe zou
worden opgericht "soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn
meriteerende." Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel
Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de "Heeren"
zouden ook "de laetste uytvaert assisteeren" van den man, die, zooals
het Schotschrift eenmaal zeide, maar van "sulcken volckje" was.
De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn
uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis
over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad, welke van
zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden
was aan het rijke leven van den zeeheld.
Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als
het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den
in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede
"kwalijk" van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd
haar huis geplunderd.
Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf
in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn
laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar
hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan
wal had doorgebracht,--maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten
Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie
woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee
vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met
warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer,
den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten "peckbrouck"
die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee
maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te
hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.
Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef
vereeren, spreekt wel uit een testament van 1634 voor den Brielschen
notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In
zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een
gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, "over sijne Dyensten
den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op
sijn Schip geschoten is geworden." Op die medaille stond aan den
eenen kant "t' vidimus van Sijne Extie Fredrick Hendrik ende aend'
ander sijde secker gedicht, luijdende aldus: Geen Pronck van Goud,
maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts
Heer, Door 't Oorlochsvaren."
De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken
van prof. Anthonius Thysius, die op den 21sten September 1653 in "de
vermaerde Leydtsche Academie" de lijkrede over Tromp uitsprak. "Soo
eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck
ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf
te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn
liggen, opdat sy, die eertijds t' samen hadden gevochten, oock omtrent
de selve plaets souden liggen."
Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den
rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in
dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even
uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als
vergeten neerzit, met de verschrompelde handen gevouwen in den schoot,
die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen,
jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke
Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om
nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had ze toen in de stilte van
den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal
ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af
haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de
blauw-groene wateren der zee,--dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon,
den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.
Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen
voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot
ontnomen.... maar het was toch zoo moeilijk niet geweest als zij
gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar
hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen:
"De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des
Heeren zij geloofd!" Want haar kind was gespaard gebleven en haar
teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannen
maakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij
thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek,
als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden,
en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.
En later?...
God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens
zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots,
wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat
haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak
een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig
over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van
hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere
oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam
dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje
er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...
Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En
haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan
den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid
des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden,
dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was
uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest
dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen
zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af
of toe te doen? Maar nu had ze het begrepen, en ze prees den grijzen
Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd had in dat zalige
kindeke, niet in den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een
kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het
gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken
aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer
zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer
dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen,
telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar
men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.
Maar--al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des
Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was,
dat kon ze niet, dat kòn ze niet!
Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...
En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten
zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad
van Nederland--daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held,
met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van
de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des
levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem
hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van
Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander die uit het volk geboren
is,--een Jan de Witt weeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig
Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten,
werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel,
den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen
kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod
zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der
burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat
deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding
een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs
alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer
getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden
voor den eeuwigen slaap.
Zijn eenig monument--niet door een nageslacht, dat al te ver, veel te
ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar
door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering
opgericht--bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.
Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan
naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders
zouden het vermogen dien gang te verzuimen!
Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die
stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende
Oude Kerk. Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit
de 17de eeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche
Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in
de wereldhistorie te danken hebben.
EINDE.
AANTEEKENINGEN.
De geslachtsnaam van Tromp's vader. Hierover vindt men in
"Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der
Tromp of Tromp" in "Rotterd. Historiebladen," 3e Afd. Genealogische
Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens
aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van
den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijk Van der Wel heette,
zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze:
"dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde
geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n)
lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten,
hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of,
zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet
bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde,
en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op een
trompje te spelen, waardoor hij den bijnaam van Tromp zou verkregen
hebben." Nav. II 1852, p. 140.
Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief
noch van Van der Tromp, Tromper of Trompert sprake is, als Harpert
Maertensz. genoemd wordt, maar steeds van Tromp. Zie H. de Jager:
Geslacht Tromp, p. 2.
Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp. Zijn eerste vrouw
was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den
Heuvel. Zij stierf den 20en Nov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren
te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen
no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en
dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt,
was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en
ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier,
dat de ondertrouw niet den 24en April 1624 plaats had, gelijk in
"het Geslacht Tromp" van H. de Jager (natuurlijk door een druk-
of schrijffout) voorkomt, maar den 14en April van dat jaar.
Tromp's tweede "huisvrouw" was: Aeltgen Jacobs van
Arckenboudt. "Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten
Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth
Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven
op den Briel 10 Sept. 1634" (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot
1). Het huwelijk werd den 12en Sept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook
deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den
grafsteen stierf zij den 13en April 1639 in den ouderdom van 36 jaren.
In 1640 huwde hij ten derden male te 's-Gravenhage met Cornelia
Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter
wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot,
van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.
Uit zijn eerste huwelijk had Tromp: Cornelis, geboren 1629, (den later
zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp), Harper Maertensz. en
Johan Maertensz. Uit zijn tweede huwelijk: Alida, Margaretha en Maerten
(op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk:
Johanna Maria, Adriaen en Maerten Harpertsz., die na zijns vaders
dood geboren werd. (Zie Rott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).
Zusters van Tromp. Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan
de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat
vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed
werd) dat Tromp drie zusters had, n.l. Aeltje, Leentje en Maritgen
Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.
Geboortejaar van Tromp. Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597
opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft
geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling
in: "Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp"
p. 134) "... den 10den Augusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter
ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen." Tromp
nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23sten April), derhalve:
1653-56=1597. Ook in de Rott. Hist. bladen vindt men het jaartal 1597
(in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).
Toch is het geboortejaar niet 1597 maar 1598. Niet alleen geeft
prof. Thysius in zijn Oratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot
(schrijver van de ongepagineerde "Memorie Raeckende het begin,
vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp
enz.," Den Haag 1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist,
het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het
hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor
deze en de andere fac-simile's had de heer J. de Jong Cz. voormaals
leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en
leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds
vroeger openbaar mijn dank betuigde.
Tromp's welstand en zijn huizen. In den tekst is sprake van een
omstreeks 1640 verschenen Schotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld
wordt. Dit pamflet is getiteld: "'t Samen-Spraeck, over de Loffelycke
daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften
Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen..." en nu volgt de opgave
van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz.,
een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man;
diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers,
een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: "Hier naer
Een beter. S. V. P." (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift
gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met
den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is
het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche
Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen
we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.
We vernemen dan, dat de vader van zijn tweede vrouw, n.l. Jacob
Arenszoon Arckenboudt volstrekt niet onbemiddeld was. Hij werd den
27sten Juli 1613 door het Oud en Nieuw Gerecht der stede van den
Brielle tot ontvanger en collecteur van de Verpondingen benoemd,
werd van 1 Oct. 1605 af herhaaldelijk tot Schepen benoemd en was van 1
Oct. 1613 tot 30 Sept. 1614 Oud-Schepen. Hij stierf in 1625, en, daar
hij meer dan eens in het huwelijk trad, moest er boedelscheiding plaats
hebben. Tot de kinderen uit een vorig huwelijk behoorde Tromp's tweede
vrouw, Aeltghen. Later kon haar man, dus Maerten Harpertsz. Tromp, uit
haar erfenis èn een huis in de Nobelstraat (genaamd "het Hemelryck")
èn een huis in het Zuideinde (beide straten in Den Briel gelegen)
verkoopen. Ook was hij in 1633 "reeder en participant van seeckere
haringhbuysch." Een zuster van Tromp ondertrouwde den 8sten Juni 1625
met Egbert Ooms, volgens De Jager: Ooms, joncman van Nieuwegen. In
het Trouwregister staat achter haar naam; jonge dochter, wonende
in de Nobelstraat. Het is mogelijk, maar in die straat zou men geen
menschen gezocht hebben, die "voor de maets waschten". Zijn andere
zuster Maartje of Maritgen huwde met Bastiaen Bastiaensz. Molewater,
en die is dus de zwager van Tromp, de bakker, die hem brood van
"verdroncken terwe" verkocht zou hebben. Het huwelijk had den 8sten
Juli 1631 plaats. Ook zij woonde toen in de Nobelstraat. In 1647 werd
Bastiaen Molewater in de St. Catharinakerk te Brielle begraven. De
fraaie grafsteen, waaronder ook Tromp's zuster ligt, is alweer geen
bewijs voor den geringen staat van Tromp's familie. Men vindt dien
steen dicht bij het in 1711 opgerichte praalgraf van Philippus van
Almonde. Wel is Bastiaen Molewater geen Raad en ook geen Burgemeester
van Den Briel geweest, gelijk De Navorscher 1867 p. 291 ten onrechte
mededeelt. Dat was het geval met den zoon van Bastiaen Molewater
en Maritgen n.l. Harper Molewater. Deze Harper Molewater is raad,
schepen, oud-schepen en burgemeester-thesaurier van Den Briel geweest.
Dat Tromp's vader in 't jaar 1606 te Rotterdam een huis kon
koopen, en na het sluiten van het Bestand, met een "eigen geladen"
koopvaardijschip uit kon varen, getuigt ook niet van zulk een armoede
als het Schotschrift zou doen denken. Over het koopen van dat huis, zie
men Rott. Hist. bladen p. 61, aant. 3, en over Tromp's geboortehuis
en een ander huis door hem in Den Briel bezeten, Navorscher VII
(jaarg. 1857), p. 29 kol. 2 onderaan. Deze laatste berichten steunen
echter meest op overleveringen, zijn van een mij onbekend gebleven T,
en tenminste in één opzicht niet geheel juist. De quaestie is echter
te plaatselijk, om er hier op in te gaan.
Wanneer is Harpert Tromp gesneuveld? Volgens Potgieter reeds 40
dagen na den slag van Gibraltar, dus in 1607; (Verspr. en Nagel,
Werken, Schetsen en Verhalen, I p. 77, uitgave 1875) en G. van Loon
(Nederl. Historiepenningen, II p. 377) geeft het jaar 1608 op. Volgens
de Memorie bleef Harpert in 's lands dienst tot hij den 9den Juni
1610 door het sluiten van het Bestand buiten dienst werd gesteld. Ook
Prof. Thysius zegt, dat hij na het sluiten van het Bestand met een
"eigen geladen" koopvaardijschip uitzeilde, en wel, volgens de Memorie
"nae de Caep de Verde ofte Ginea."
Omtrent Cabo Verde had de noodlottige ontmoeting met de zeeroovers
plaats, bij welke gelegenheid Harpert sneuvelde, wat dus zeker niet
voor 1609 plaats had. Het zal derhalve in 1609, of in 't begin van
1610 geschied zijn.
En dat klopt geheel met een andere opgave. Uit een fragment-rekening
der Admiraliteit op de Maas (medegedeeld in Rott. Hist. bladen
p. 87) blijkt, dat den 26sten Januari 1613 "aen Janneken Barentsdr.,
weduwe van Capiteyn Herpert Maertensz" werd toegelegd de somma van
250 pond "eens voor alle haere pretensien geene uytgesondert welcke
zy ter saecken haeres voorsz. mans diensten den Lande ter zee tot
desselfs overlyden toe hadde uytstaende ende 98 pond over de leste
vier maenden solts daer inne hy slaechs zijnde tegens de zeeroovers
is dootgeschoten." De moeder van Maerten was door de terugkomst van
haar zoon te weten gekomen, dat zij weduwe was. Volgens de Memorie
heeft Maerten den zeeroover omtrent derdehalf jaar gediend. Wanneer
we nu, met den bovengemelden vasten datum van den 26sten Januari 1613,
mogen aannemen dat het verzoek der weduwe in 't laatst van 1612 tot het
College is gericht, zou daaruit volgen, dat Maerten in de tweede helft
van 't jaar 1612 uit zijn slavernij ontslagen is, en dan komt men,
daar 2-1/2 jaar aftrekkend, tot het voorjaar van 1610 als tijdstip,
waarop Harpert gesneuveld is.
De Zeeroover tegen wien Harpert sneuvelde. Potgieter noemt hem Sir
Francis Verney en spreekt van één schip. De Memorie van een "sekeren
welgemant ende gemonteert Engelschen Rover, ghenaemt Capiteyn Hessen,"
en nog van diens "bijhebbende Schepen", prof. Thysius veel stelliger
van een "Engels Rover, die met seven schepen de Zee onvrij maakte."