Tromp" vindt men daarover: "waarna de jonge (Maerten Harpertsz.) Tromp,
dien Roover wel dardehalf jaar voor Kajuitwachter moest dienen; doch
vond eindelyk middelen om t' ontkomen." De Memorie, dat "hy dien Rover
noch eyndelyck ontspronghen, ofte ontdonckert" is. Toch, Maerten is
den roover noch ontsprongen of ontdonkerd, noch heeft hij middelen
gevonden om te ontkomen. Want Thysius zegt: "totdat de satheyt van de
Zee ende des roofs, de Roovers selfs bevingh, ende nae dat sy conditien
met den Hartogh van Savoyen ghemaeckt hadden, haer een vrye plaets
om te herbergen toegestaen is. Naerdat de Engelse roovende Vloot tot
niet was, heeft hy hem vrygesteld zijnde, in syn gemoet doen alreede
groote saken overleggende, wederom naer syn Vaderland terug begeven."
Hoe lang kan Maerten bij het timmervak gebleven zijn? Aannemende dat
het waar is, wat het Schotschrift hiervan mededeelt--en voor twijfel
daaromtrent zie ik hoegenaamd geen reden--dan rijst de vraag, hoe
lang kan dit leven aan wal geduurd hebben? De Memorie zegt hiervan:
"Ende t' Huys gekomen zijnde, ende als doen een Reys met Schipper
Cornelisz. de Haes ghedaen hebbende op Rowanen, heeft sich den 23sten
Juny Anno 1617 in dienst begheven onder den Capiteyn ende Commandeur
Moy Lambert zal(i)g(er) voor Quartiermeester." Maerten was in 't
laatst van 1612 in Rotterdam teruggekomen. Volgens de Memorie treedt
hij eerst in Juni 1617 in 's lands dienst. In dien tusschentijd wordt
door de Memorie, die zeer regelmatig alle zeetochten van Tromp optelt,
enkel het reisje naar Rouaan gemeld. We mogen dus zijn leven aan wal
zeker wel op drie à vier jaar stellen.
Het verblijf bij den "Bassa" van Tunis. Tegen het afloopen van
het Bestand wilde Tromp naar huis terugkeeren en werd toen, dus in
't laatst van 1620 of 't begin van 1621 door "de Turken" gevangen
genomen. Na zijn bevrijding, is hij "gheraekt nae Londen (zegt de
Memorie) van waer hy met Capitein Adriaen Emmekans zalig(er) ware
overgekomen tot Rotterdam, alwaer hy den 23 Julij 1622 is geworden
Luytenant onder Capiteyn Cornelis de Bagijn." Het verblijf bij die
van Tunis zal dus ruim een jaar geduurd hebben.
Het aanbod van den "Bassa." Thysius zegt hiervan (in de vertaling
van 1653, als "Lyck-Oratie" betiteld) "Den Bassa heeft lange met seer
grooten ernst van onsen Heldt begeert, dat hy doch het Stuyrmanschap
van sijn Schepen wilde aennemen, en heeft hem eere ende groote
vereeringhen belooft, door welcke de broose verstanden der menschen
dickwils wegh gheruckt werden." Het oorspronkelijke (Oratio Funebris
p. 8) heeft hier: "Diu ille summopere ad heröe nostro flagitavit,
ut gubernatorem suarum navium ageret, honores, luculenta praemia,
quibus abripi fragiles mortalium mentes solent, promisit."
Voeding der Schepelingen. De spijzen "bestonden uit hard brood of
beschuit, en zoolang dit verkrijgbaar was, uit gewoon of week brood,
uit vleesch of spek, kaas, stokvisch, haring, gort, witte, groene
of grauwe erwten en boonen. De drank was behalve het water, bier;
van jenever wordt in deze dagen nog geen melding gemaakt." Ook niet
van brandewijn en tabak, doch brandewijn werd spoedig na Tromp's tijd
gebruikt, en tijdens den 2en Engelschen Oorlog werd er zelfs misbruik
van gemaakt. Insgelijks van tabak, die reeds onder Piet Hein gebruikt
moet zijn geworden, want hij verbood het. Met de victualie waren de
scheepsbevelhebbers belast, en wel sedert Karel V. In 1636 besloten
de Staten van Holland een proef te nemen, om dit aan "aannemers of
beleiders" over te laten (in Zeeland bleef het gelijk het was); doch
deze aannemers werden in 1640 weer ter zijde gesteld. De kapiteins
kregen kostgeld, waarvoor zij de manschappen moesten onderhouden,
en wel voor iederen matroos 6 stuivers daags. Bij afwezigheid
hunner echtgenooten, zorgden, zoowel voor de victualie als voor
de koks- en kajuitsgereedschappen voor een zeetocht, de vrouwen
en ook wel de moeders der kapiteins. Dat deed ook de vrouw van
Michiel de Ruijter. Deze admiraal wilde den kapiteins 7 stuivers
daags per man toegelegd zien, doch het bleef nog lang 6 stuivers,
"en menig kapitein heeft er zich wel bij bevonden." Vergelijk De
Jong. Gesch. v. h. Ned. Zeewezen I p. 319 en 699 (noten).
De omgang van Tromp met zijn volk. "Gemeenzaam en vriendschappelijk
van omgang, werd hij door alle zeelieden aangebeden, bij wie hij onder
den naam van Bestevaêr bekend stond, en die hij gewoonlijk zijne
kinderen noemde" (De Jonge 1 p. 517).--"Wat sijn sachtmoedigheydt
en stillen ommeganck met sijn volck, als mede sijn andere deughden
aengaet, daer van weeten sijn bekende meer te spreecken, als wy te
schrijven." (Leeven en Daaden der Doorl. Zee-helden, anno 1683,
p. 547, kol. 2)--"Wonderlyk wist hy zig naar den aart van het
Scheepsvolck, dat hem steeds by den naam van besten Vader begroette,
te voegen. Hy was Bevelhebber en Matroos te gelyk; zonder zyne
agtbaarheid te verwaarloozen, en hier door kon hy alles van zyne
manschap verkrijgen." (Neerlands Heldendaaden ter zee, 1783,
I p. 330). Wanneer prof. Thysius ook mededeeling doet van deze
uitnemende verhouding tusschen Tromp en zijn volk, voegt hij er aan
toe, dat "hy sijn ontsach gheheel wist te behouden"--Ook leefde hij
aan boord eenvoudig: "die kroop slechts met zijn onderkleeren in de
koy, gelijk de Bootsgezellen gewoon sijn. Hy had maar een knecht die
op hem paste, en die hy dan noch tot andere dingen gebruyckte. Hy
had ook maar een kok, die voor hem zelden anders als Scheeps-kost
schafte" (Een praatje van den Ouden en Nieuwen Admiraal, anno 1653,
p. 5). Hiermede komt overeen wat Thysius zegt, waar hij mededeelt, dat
Tromp "dickwils nachten sonder slapen doorbracht, hy ruste nimmermeer
gansch uytgekleet zijnde, hy stondt somtyds in de ontydighe nacht op,
en hy die de opperste-wachter van allen was, sloegh met syn ooghen
het waecken van andere gade." (Oratio p. 19). De krijgstucht in die
tijden eischte, dat "niemand van 't gemeene volk zich des nachts
(vermocht) te ontkleeden, zelfs niet de schoenen uit te trekken. Deze
bepaling, hoe doelmatig ook, om op ieder uur van den nacht het volk
ineens gekleed boven te hebben, was toch, dunkt me, wel wat hard en
zal in rustige tijden of wanneer men in de ruimte was, wel niet met
groote gestrengheid zijn toegepast" (Weruméus Buning, in "de Gids"
van 1881 I p. 16).
De stengen aan de Spanjaarden gegeven. Als De Jonge mededeeling doet
van de stengen, welke Tromp voor de Spanjaarden te Dover liet halen,
en het kruit, dat hij, door bemiddeling van de Engelschen, den vijand
aanbood, zegt hij, op p. 362 noot 1, dat deze bijzonderheden, welke
hij aan het Journaal van Tromp ontleende, onbekend waren. Hierin
vergiste hij zich ten opzichte van de stengen. Reeds in 't jaar 1683
vond men deze bijzonderheid in een gedrukt boek. "Op den sevenden
(van Wijnmaand) quam Capiteyn Dorrevelt slepende een Engelsche Kitz
met Wangen, Rees, Schaelen, en andere behoeften voor de Spaenschen,
die Tromp naer den Spaenschen Admirael toe sond, alsoo die al geklaeght
had, dat men sijn noodige behoefte hem af sneed, waerom hy niet vechten
konde, voor welcke dienst, Dorrevelt van Oquendo met een Pijp Spaensche
Wijn vereert wierd."
De schending van de neutraliteit door de Spanjaarden. "A day or two
after; they fired some shot at Van Tromp's barge, he being him self
in it. What damage the barge suffered does not appear, but on board
one of the Dutch ships a man was killed by a cannon ball, and the
dead body was immediately sent to Sir John Pennington (dat was de
Engelsche vlootvoogd) as a proof that the Spaniards had been the first
violaters of the neutrality of the King's harbour." (Biographical
Memoir of Marten Happertsz. Tromp, enz. in The Naval Chronicle for
1817, Vol. XXXVI from January--June, p. 92. Het woord Happert is geen
drukfout, want het staat boven elke bladzijde van dit opstel. Het is
misschien een kenschetsend voorbeeld van den invloed der eigenaardige
uitspraak van de Engelsche a vóór de r).
Pennington was met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en
verkondigde "dat men sig, ter wederzyde, van vyandelykheden hadt
te onthouden--Dat hy, die zig er het eerst aan schuldig maakte,
de vyand van Grootbrittanje zou zijn, en als zodanig behandeld
worden." (Neerlands Heldendaaden, I p. 338).
Het wapen van Tromp. "Ende nu onlancx den gheluckigen Heldt Martin
H. Tromp van den Koninck van Vrankrijck, een schildt d'argent au
cheuron de gueulles, accompagnée d'un Galioen de sable en pointe,
au chef d'azur, chargé d'une fleur de Lys d'or, ter gedachtenisse
van den victorieusen Zeestrijdt, bij hem op zijne Majesteyts ende
dezer Landen vijanden, verkregen" (Rotterd. Historiebl. a. v. p. 63,
aant. 1). Tromp werd in Januari 1640 Ridder der Orde van St. Michiel,
en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk XIII met een nieuw wapen
begiftigd. Hij werd door Koning Karel I van Engeland den 20en Mei
1643 tot Ridder verheven (Navorscher 1867 p. 290).
Pekbroek. De bepaling, welke Van Dale's woordenboek dienaangaande
bevat, is historisch geheel onjuist. "Pekbroek" is geen scheld-,
maar een eerenaam, de naam van een kind der zee, van een persoon,
die door en door een zeeman is. Moge het, volgens de afleiding,
oorspronkelijk een scheldnaam zijn geweest, dan is het daarmede gegaan
als met de oorspronkelijk als zoodanig bedoelde benaming Geus.
Landgangers waren kapiteins, die er liever hun plezier van gingen
nemen te land, dan op zee hun plicht te doen. Ook bij de Engelsche
zeemacht waren zij niet vreemd, getuige de, in den negenjarigen
oorlog zoo beruchte Engelsche admiraal Torrington, wiens naam het
Engelsche zeevolk verdraaide tot Lord Tarry in town (Lord Blijf in de
stad). Vergelijk Macaulay's Gesch. van Engeland, (vert. van dr. Van
Deventer) 2e druk III p. 218.
Een Engelsche lezing van de ontmoeting tusschen Tromp en Blake. "On
their approach without paying the honour of the flag to the English
Admiral Blake ordered several cannon, without shot, to be fired;
but Van Tromp paid no regard to these warnings, and Admiral Blake
no sooner fired a ball at his main-top-mast head, than he returned
another, that went through the English admiral's flag and taking in
his own and hoisting the red flag for battle, he immediately gave
the first broad side." (Biographical Memoir a. v. p. 95).
Als een teekenend staaltje van de wijze, waarop de Engelsche jeugd
over het eergevoel der Nederlanders leert oordeelen, haal ik hier het
volgende aan uit Captain Marryat's: the Phantom Ship (editie London,
George Routledge and Sons, p. 59). In 1654, peace was signed; the
Dutchman promising "to take his hat off" whenever he should meet an
Englishman on the high seas--a mere act of politeness, which Mynheer
did not object to, as it cost nothing.
Roodrokken. "Er straalt in het Journal van Tromp op meer dan ééne
plaats de haat door, welke de Nederl. zeelieden reeds te dezen tijde
aan de Britsche toedroegen. Hij spreekt op ééne plaats van hen met
zekere verachting, onder den naam van Roôrokken. ""... Captein Fielding
en nog een andere Roôrok."" De Jonge I p. 361 noot.
Cromwell niet de drijver tot den Eersten Engelschen Zee-oorlog. Na de
ontmoeting tusschen Tromp en Blake was de stemming in Engeland zeer
oorlogszuchtig. Een Commissie van onderzoek, waarvan Cromwell lid was,
verklaarde Tromp schuldig. Toch werd de oorlog tegen de eigenlijke
bedoeling van Cromwell doorgedreven. "Want de machtige leider van
den Engelschen staat wenschte geen oorlog met de in godsdienst en
afkomst verwante zusterrepubliek, die hij hoopte te winnen voor zijn
plannen van religieus-politieken aard in Europa." Wel leidde hij met
kracht de oorlogstoerustingen, maar aan den eenen kant om de Engelsche
oorlogsmacht te versterken, en aan den anderen kant om juist daardoor
de Nederlanders van een oorlog af te schrikken. (Zie prof. Blok,
Gesch. v. h. Ned. volk, p. 65 en 66.)
De bezem in den mast. Het was een oude Hollandsche gewoonte om,
als teeken dat men de zee van vijanden schoon geveegd had, een bezem
in den mast te voeren. Dat geschiedde o. a. in de eerste helft der
15e eeuw in een oorlog tegen de Hanzesteden (vergelijk De Jonge I
p. 25). Dat ook Tromp aldus gehandeld zou hebben, wordt door niet één
onzer geschiedschrijvers bevestigd. Het zou ook moeilijk overeen te
brengen zijn "met de zedige en gematigde inborst van den Nederlandschen
opper-bevelhebber." (Zie De Jonge I p. 441). Toch wordt het door
de Engelschen staande gehouden, o. a. gelijk De Jonge mededeelt,
door Hume. Een ander Engelsch geschiedschrijver zegt hiervan het
volgende: "and such was the vanity of Adm. Van Tromp, that he sailed
through the Channel on his way to the Isle of Rhé, with a broom at his
main-top-mast head, intimating that he would sweep the Narrow Seas of
English ships." (Biographical Memoir a. v. p. 97). Daarover hem nog
eens doorvegende, heet het later: "It has been said, that in the midst
of his greatest glory, he constantly evinced a remarkable modesty; but
of this there is perhaps some reason to doubt, in the instance of his
carrying a broom at the mast head, indicative of the ease with which
he would sweep the seas, there surely was no remarkable modesty, but
perhaps we are to consider his modesty in reference only to his private
character, in which it is said he never assumed a higher distinction
than that of a burgher, and father of the sailors." (Idem p. 102).
Het gunstig oordeel der Engelsche geschiedschrijvers over Tromp. Zie
daarover De Jonge I p. 502, II p. 92 v. v. Het is in Biograph. Memoir,
dat men het oordeel vindt, dat "he had been esteemed one of the
greatest seamen that had till then appeared in this world."
Engelsch oordeel over Tromp's ongenade. "This miscarriage of the Dutch
grand fleet, spread a general discontent (too commonly by the case when
a valiant commander is in the least unsuccessful)." Biograph. Memoir
p. 95.
De overmacht van het Britsche zeewezen. "All the successes of the
English--zegt de geschiedschrijver Hume--were chiefly owing to the
superior size of their vessels; an advantage which all the skill and
bravery of the Dutch Admirals could not compensate" (Bij De Jonge I
p. 500, noot 2).
Gebeden. Reeds den 9en Aug. 1653 werd Ds. Lotius door de Staten van
Holland aangezegd, om in de Kloosterkerk "een yverigh Gebedt tot Godt
den Heere" te doen. (Zie Res. Holl. van 9 Aug. 1653).
Dood van Tromp. "De goede Lt. Admiraal Tromp wierd onder het afgaen
van de Hut geschooten; hy, nedervallende, wierdt weder opgenomen,
en op kussens in de Hut nedergelegd, stervende met dese woorden in de
mond: Ick heb gedaen, houd goeden moed. O Heer weest mij en dit arme
volck genadigh." (Leeven en Daaden p. 546).--"Eenigen meenden dat hij
zig, onvoorzigtiglyk, te veel bloot gegeven hadt; zo dat Monk hem,
bescheidelyk, hadt konnen kennen, en hierop zyne Muskettiers gelast,
gelykelyk, op hem los te branden." (Wagenaar XII p. 241)--"Hy is
dan met een kleyne kogel onder syn tepel aen de slincker zijde
tot in 't binnenste van zyn hert doorschooten, seer haestelyck ter
nederghevallen" (Thysius, p. 18).--"In 't Leeven van den Vice-Admiraal
De With leeze ik eenvoudig: Tromp, in het eerste aantreffen, met eenen
kogel, in syn lincker borst, 's morgens omtrend half seven, getroffen,
is, terstond, overleden." (Van Wijn, Naleezingen II, p. 142).
Twee Testamenten van Tromp. In de Navorscher van 1895 p. 29
v. v. werden deze door mij gepubliceerd. Het eerste was van 17
Sept. 1631, het tweede van 26 Jan. 1634, beide, in zijn hoedanigheid
van "Capiteijn ter See," verleden voor den notaris Jan de Bruijne
te Brielle. Uit beide blijkt de liefde tot zijn moeder. Bij het
eerste werd bepaald, dat, dadelijk na zijn overlijden, voor haar
belegd zou worden 1600 gld., waarvan zij gedurende haar leven den
interest (gerekend tegen de penning 16) zou genieten. In het tweede
testament bepaalt hij, dat zijn erfgenamen jaarlijks aan zijn moeder
200 gld. moeten uitkeeren. De keten en medaille, waarvan in den tekst
sprake was, moest altijd in zijn geslacht blijven en verviel telkens
aan den oudsten zoon.
Pensioen aan zijn weduwe. Den 20sten October 1663 werd door de Hoog
Mog. Heeren Staten-Generaal der Vereen. Ned. op het verzoek van Tromp's
weduwe goedgunstig beschikt, n.l. om een levenslang pensioen. "Waerop
gedelibereert ende geconsidireert zynde de sonderlinge goede
notable en getrouwe diensten die de voorn. Lt. Admirael sal(iger)
den Lande veele jaren aan den anderen heeft gedaen ende bewezen, dat
hy oock op den 10 Aug. 1653 in zee met slands vloote valeureuselyk
vechtende syn leven heeft verlooren; Is ten dien insigte goetgevonden
ende verstaen de voorn. weduwvrouwe nae proportie van de gemeene
Cap. weduwen haar leven gedurende, of zoolangh zy weduwe blijft,
mits desen toe te voegen een vijfde gedeelte van het tractement,
't welck de meergem. Lt. Admiraal van de charges bij hem mett'er
doot ontruymt, in syn leven placht te genieten, dogh dewijle die van
verscheijdene nature zijn geweest, soo wordt het gemelte collegie
ter Admt. tot Amsterdam geinjungeert te betalen het vijfde gedeelte
van het Lt. Admrs. Tractement en het collegie ter Admt. tot Rotterdam
gelijk gedeelte van het Tractement van Cap. op een schip van Oorlogh
ter zee, enz." (volgens Rotterd. Historiebl., p. 83, 84).
Daar ik het nog al vreemd vond, dat dit pensioen eerst 10 jaar na
den dood van Tromp aan zijn weduwe werd toegekend--en een drukfout in
Rott. Hist. bladen toch niet tot de onmogelijkheden behoort--wendde ik
mij om inlichting tot het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage. Met
de gewone welwillendheid ontving ik het antwoord, dat de gemelde
beslissing door de Staten-Generaal wel degelijk op den 20 October
1663 genomen werd, en wel naar aanleiding van een request der weduwe,
den 31 Maart 1661 ingediend. Kwam dus het verzoek niet vroeg, de
beslissing werd ook niet spoedig genomen.
AANTEEKENING
[1] Dagen en Daden van Admiraal Dubbel Wit.
End of Project Gutenberg's Maerten Harpertsz. Trom, by Johannes Hendrik Been