Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin

juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer

Nederlandsche Zee-oversten der 17de eeuw zoo schitterend konden

uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door

den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden

terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend

en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter,

de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid

gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die

kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid

was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.

"Je moet niet vluchten, jongens!" luidde kalm en bedaard zijn raad,

en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor

zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. "Vluchten is

schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn,

als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt

niet vernederend."

En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden,

en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.

"En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?" vroeg

hij. "Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit

van mijn kinderen zien."

Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de

koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk

had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede

hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn

eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche

aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip

en slechts een paar koopvaarders.

En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.

Toen kwam het bangste oogenblik.

Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn

schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval

op de terugtrekkende Nederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten,

slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware

bewaking was belast.

Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den

vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op

zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.

Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders

en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke

losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele

uitputting van onzen kruitvoorraad.

Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze

vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht

stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale

vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten

deel gevallen.

"Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten," heeft Tromp

verklaard, "dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog

overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den

vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had."

Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche

gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel

zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten

achterna, welke ons den geheelen nacht al vurende bleven volgen,

maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.

Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een

kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller

op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we

admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan

het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk,

eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar

wij den 6den Maart binnen vielen.

De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor

de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee

niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de

Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren

geweest was.

Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles,

wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige

denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel

zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige

zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien

Driedaagschen Zeeslag.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET DOODE PUNT HEEN.

Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging--zong

het liedje--daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die

op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het

woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel

vastklemde... "duijvel, hel noch doot" zouden het kunnen krenken,

en het zou niet behoeven te vreezen, al waren 's werelds machten

één geworden!

Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het

woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders

hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat

was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had

durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten

Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten

had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel,

of we moesten onderdoen voor den Engelschman. Een enkele maal mocht

men een overwinning behalen,--het was een feit dat wij, over 't

geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met

Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren

van de Engelschen. Men voelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en

meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men

verslagen was, niet omdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken

zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in

Jan Salie was veranderd; maar wel omdat de vijand op betere uitrusting

kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze

jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier

te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het

haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld

te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.

Als ge maar "'t saem eendrachtig zijt!" had het heldenliedje uit den

tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig

was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.

Welke praatjes gingen er rond! "Ze willen den oorlog met Engeland niet

doorzetten," werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar

de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden

als zij waren, omdat alles stilstond: de handel, de visscherij en

al de daarmede samenhangende bedrijven. "Neen, de Heeren willen den

oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen

brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!"

Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in 't reine te

brengen?...

O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maar wilden, als

zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog

verklaarden aan de Engelsche koningsmoordenaars. Dan zouden de

koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want

die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden

konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn,

dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon

kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!

Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en

ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde

men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een

veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan

Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich

dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, "dat

hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot

met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren,

versterkt was." En veel luider en in veel sterkere bewoordingen

werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als

Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde:

dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen

had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij

waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook

wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud

van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen

waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door

niet een deel van ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging

van het vaderland, zullen wij kans loopen alles te verliezen.

Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien,

al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere

uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken

roem later geworden is--zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren

te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als

de Nederlanders eerst maar over het "doode punt" zijn gegaan,--dat

er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige

Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed

gelijken.

De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij

alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde

te brengen. Geld en goed werd opgebracht, van alle kanten rees het

zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als

vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de

matrozen, die zij zelf meebrachten.

Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op

het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With,

en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles

betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en

Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert

Junius ging mede. "Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor

of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie

tot u brengen," zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche

boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het

dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.

Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen

zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél

een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om

het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en

zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk

in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt

vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille kracht dier

geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter

van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die

"liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw." Meestal bleef

zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk

was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten

te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in

het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood

was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de

kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar

den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven,

wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het

wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval

te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats,

vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op

te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich

in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te

nemen voor de vloot.

Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts

zestien jaar.

Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou

vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit

meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was het

altijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes,

zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten

dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten,

haar kapitein moest getuigen "dat zij op togten en wachten zich had

gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen."

Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke

schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor

men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13

stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld

met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde

som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten

samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan

hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam

zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun

onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze "zocht men in die dagen, toen er

nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen,"

zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.

Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van

zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon

verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zich

al die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die

een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na

enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: "Hij was een zeeheld, wiens

gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk

zal voortbrengen."

Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.

"Het is zonderling en verdient opmerking," zegt De Jonge, als deze

van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, "hoe somber de

taal van Tromp was." Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk

de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn

onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van

een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der

zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In

zijn plicht... neen, daarin zou hij nooit te kort schieten! Ook niet

in den plicht, "om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlant te

leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten..."

En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de

maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit

twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp

zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee

deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde

men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot, die zich

op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer

gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk

aan te vallen en te vernietigen.

Den 6den Augustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op,

nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen

was, "met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan," zich

met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden

slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in 't gezicht der kust. En

toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken

tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als

't ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee,

den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan

den tijd, toen de admiraal nog "een knechtken" was. De ure naderde,

waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou

sterven voor zijn vaderland....

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN.

Het was Zondag geworden, den 10en Augustus 1653. Het gelui der

kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij

der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het

beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der

klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets

trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans

riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen

Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond

geheiligd. Terwijl ginder op de zee,--nog niet tot rust gekomen van

den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit

en Nederlander verhinderd had--de zonen en de broeders en de bruigoms

en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden,

om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan

zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige,

en de voorgangers Zijn "grooten en verschrikkelijken" naam aanroepen,

opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur

de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid

dreigden neer te zinken--en als hij ze ophief was Israël, maar als

hij die nederliet was Amalek de sterkste!--zoo ondersteunde men door

gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee,

"alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des

zwaards."

Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder

omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De

twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te

vereenigen. Twee dagen geleden, den 8sten Augustus, had admiraal

Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen

bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met 's lands vloot

uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was

geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van

zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden

was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag,

daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid

zou krijgen uit te zeilen.

Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche

vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral

omdat de wind Noord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van

de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.

Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfs na de vereeniging

met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog

beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus

zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals

bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag,

liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen,

en stevende met den wind Zuidwaarts.

Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,--niet

zulke goede zeilers als de overige--door de Engelschen ingehaald

waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had

toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het

aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van

Blake op den 2den Maart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even

vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van

weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige,

beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift,

zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een

oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste

vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.

Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den

8sten Augustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe,

het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee--en een donderbui

was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het

onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder

leeren kennen!--was er een groote onrust gekomen over de bewoners

der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel

der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl

het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?

Hierover waren--aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk

weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht--de gedeputeerden of

afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de

reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig

schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen "hadden daartoe

geen moed," omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen

bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende

schepen.

Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon

loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.

Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen,

en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns

zouden vooruit zeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de

droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, door dezen

loods uitgebracht, bereikten 's lands schepen, op slechts één na,

dat aan den grond geraakte, het ruime sop.

Den volgenden dag, den 9den Augustus, had Witte in den namiddag den

vijand in 't gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal

vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen

gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.

In den morgen van den meergemelden 10den Augustus was het goed

weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het

admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen,

die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het

land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar

gestaan. Toen namen zij afscheid.

Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden

waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en

telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik

bereid om te sterven. En het zou thans voor de laatste maal zijn,

dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, "zijn plicht te

doen," áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het

grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn "lieve vaderlant."

Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze

groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het

Kanaal "schoon geveegd had" van den vijand, was, tijdens een heftigen

aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat

hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris

vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden,

zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam

hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals

Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande

"gelijk in een Overste behoorde," zou sterven.

Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw · 第 9 / 11 段