die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan
te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal
Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de
Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins
opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake
genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of
de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten,
in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel
het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het
Noorden aan Ascue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen,
die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke
bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar
het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen
te vallen.
Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot,
want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een
windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot
van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat
er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten:
wachten en nog eens wachten.
Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen
en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen,
waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover
hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk
te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging
maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze
zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp,
indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze
visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen
der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er
kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een
ontzaglijk groote schade zijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je
het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme
visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder,
hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers
deden tegenwoordig alles maar wat er in d'r hoofd kwam. Daar hadden
ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem--als dat maar een
natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel
was gekomen!--geen Stadhouder meer aangesteld. En toch was er een
Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel
zal hij Stadhouder zijn!...
Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes
daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog
niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat
zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen
van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp,
zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten,
en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.
Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed
wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle
hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten,
dat hem voor Duins had willen drijven. Het is slechts een vermoeden,
hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten
en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.
"All right," zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn,
en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel
van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te
zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze
koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige
briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders
tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te
maken naar Engeland.
Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men
zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen
doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon
was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader
spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet
in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat
minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie
Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar
men had getalmd en getalmd, en nu was dit mislukt, en het schoone
plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen was ook mislukt,
en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar
aan te grijpen, en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te
koelen in beider bloed.
En ook dit zou mislukken.
De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den
bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om,
een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In
plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden
noodig, om er zelf het leven af te brengen.
Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan
te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de
veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid
en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal,
uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had,
uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er
niet één gered had. Weg met zulk een man!
Ja, het schotschrift van 't jaar 1640 had gesproken van de Heeren,
bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar
1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd,
waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig
inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde,
een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze
zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, was nog niet
aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem
II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al
de praatjes over Tromp's Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer
liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den
aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad
er binnen die stad was.
Bij de dominee's had hij een wit voetje, zei het schotschrift.
Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen,
tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door
geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van
de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door
die dominee's.
Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe
de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten,
behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van
admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In 't kort: er was een algemeene
ontevredenheid over Tromp. "Natuurlijk," roept een Engelschman uit,
wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft
gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!
Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag
het opperbevelhebberschap neer te leggen, voor een krijgsraad te
roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich
verplicht zag zich te verdedigen "zoo in persoon als schriftelijk
voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden."
Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet,
gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber,
Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou
komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden
enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand
zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet
het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te
werpen. Welnu, Janmaat heeft partij gekozen. Dergelijke schotschriften
te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg
aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der
zee leefde; aan den man met zijn fortuin,--en toch met zijn ernstig,
diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht
gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover
zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan
hem misdeed.
Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen
aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het,
dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.
Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen
Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik
niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch
ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben,
om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.
Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last,
dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze
uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders,
en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet,
waar het vaderland hem riep.
"Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen," zoo ongeveer
schreef hij aan de Staten-Generaal, "verwekt bij mij geen de minste
bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende
ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben
aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles
wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand
dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van
mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,--dàt
bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver."
En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor
heel de wereld bewezen, wat hij en zijn "kinderen" wel waard waren.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
DRIE MAANDEN OP ZEE.
Voor hen, die het op den 1en December 1652 van het Brielsche havenhoofd
aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van
acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet
minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede
den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar
nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den
tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er
een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan
ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat
Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den
Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook,
dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk
heeft gehandhaafd.
Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen
in het Kanaal zóó hoog aanslaan, dat zij het vergeleken hebben met
het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens
hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den
beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders,
"de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord
leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek
aldaar ganschelijk onbekend." Als voor hun oogen hadden zij in
dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel
àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand
komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in
elkaar werd gezet. "Een nieuw licht," zegt een Engelsch schrijver,
"rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op." En nu zij
in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien
zij "hun grooten tegenstander en leermeester" noemen, waren zij het,
die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden,
welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij
dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen,
"aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp
verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee,
ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen."
In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo
dol niet op Tromp, want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche
koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal
van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de
lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp
den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand
had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige
en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij
toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens
gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting
van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.
Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot
voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde
van den Engelschman.
Er werd--geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men
Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te
halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en
lood aanvulde--in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar
gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van
zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari
1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot
getal koopvaarders naar den Oceaan gebracht, en zou nu honderd en
vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar
het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon
de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen
andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door
den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn
gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel
van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon,
bevel den vijand aan te vallen.
De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste
verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had
reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik
zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor
hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het
met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich
dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten
onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.
Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in
dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote
volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele
voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie
groote Engelsche oorlogsbodems aangevallen werd en niet anders dacht,
of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen,
ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk
heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de
onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het,
die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen,
die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der
drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt
daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling
begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij,
dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met
de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van 't
jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens
een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over
een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De
stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld over dien
woesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen,
zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over
hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein
Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein
meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor
den nieuwen kapitein nog altijd één tegen twee, maar dat duurde
ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat,
weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen,
zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en
wel één er van om het nooit meer na te vertellen.
Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen
strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van
alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was
natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de
zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn
persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de
vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En
toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel
tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt
hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te
maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. "Handen af van
die weerloozen!" rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven,
een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde,
zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers
vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.
Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon
van beide zijden de neiging merkbaar te worden, om wat rust te
nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden
dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van
den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven als de
Driedaagsche Zeeslag.
Want den volgenden dag, den 1sten Maart 1653, werd het gevecht
met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen
aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De
koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel
dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op,
dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen
beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de
oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen--zooals
hij eenmaal de Spaansche vloot van d'Oquendo in het Kanaal had zien
opduiken--en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd,
zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de
leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat,
langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen
naar den vetten buit.
Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra
een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men
wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van
vijand zou onderkennen. Hadden de Britten als leeuwen gevochten,
ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de
twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten
zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel
er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en
hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze
oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.
De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de
Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons
was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de
vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van
Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen,
van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en
de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad
een terugtocht moeten worden, en wel om iets vreeselijks.
Daar ontvangt toch, in den avond van dien 1sten Maart, de
opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee
dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het
ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame
voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot
aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen
was. Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit,
zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging,
en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor
de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij
bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639
voor 't eerst de Spaansche armada uit de zee zag opduiken. Toen,
met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal
zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze
had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.
O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed
steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en
neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige
vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek
hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten
zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart
van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.
Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd
heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve
maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,--toen de Engelschen
omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang
verdedigen zich de Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed
alle aanvallen af,--als er opeens bij de onzen een groote aarzeling
ontstaat.
Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...
Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats
van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft,
dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit
bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare
voorbeschikking kan veranderen.
Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den
dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig
op de vlucht gaat voor den Engelschman?
Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem
althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt,
en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende
schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat
de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze
niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels
in den grond doen boren.
En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.
Nu wringen ze de handen, want... "We zijn geen lafaards, admiraal,
maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich
niet meer verdedigen kan, geen middelen meer heeft om een aanval
af te slaan--o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we
radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer
hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van
schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf
ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te
verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en
we sloegen op de vlucht, admiraal!"
Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der
kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in,
dat het buskruit en de kogels opraakten.