en gerel een dikke vacht kunnen stellen,--één fijne priemsteek moest
hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn,
indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden
tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige
kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in
aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden,
toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde,
voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche
zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek
"een keer" te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën
der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel
een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was
gegrond op de reden, dat zijn moeder "door indispositie soo verre is
geraect ende verswackt, dat sy naer 't oordeel der doctoren wel een
cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon
noch eens te spreecken". Men vindt dit gemeld op den 2den December van
't jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer
grootste historieschrijvers der 19e eeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan
wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef:
"Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot
hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder."
Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal
nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor
de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog
even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We
hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte,
omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En
werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De
aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig
zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?
Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg
mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets
geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men
wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen
besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam
een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst
van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en
nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde,
in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van
een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant,
den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins
van Oranje te wenden.
Den volgenden morgen werd met spanning tegemoet gezien, wat de
Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid,
prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist
hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig
burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van
haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk
in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman,
en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....
Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje
tot onze "kleyne luyden" kent, die juist daarom met aandoenlijke,
de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven
aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering
bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig
besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.
Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het
moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten
naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind
voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter
wereld inniger deelde dan zij?
ELFDE HOOFDSTUK.
IS DE ZEE VRIJ OF NIET?
De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen
oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien
men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang
hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden
gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten
vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk
geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen,
die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken,
of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed
ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij
zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere
kapiteins hun ontslag uit 's lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom
deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van
zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant
was gekomen. Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan
zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin
men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden,
wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven,
die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch
kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch
werd deze op den 9den December 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld,
en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland
en West-Friesland houden.
Wist toen ook iemand ter wereld, dat na den vrede van Munster de
groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen,
waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in
onze geschiedenis geworden is?
En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins
de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de
schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de
overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen
werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar
1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken
begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een
oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid
verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkome
voorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen,
waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.
Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag
op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend
vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders,
een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet
vrije zee.
Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak
uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten
Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.
Kon een natie een deel van de zee ook als deel van "het Rijk"
beschouwen?
"Ja!" zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het
tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt
werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.
"Neen!" zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de
Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken
zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht
van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk "ja" gezegd,
indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij,
evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger, dit recht,
om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.
De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee
voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom
toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te
machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen,
om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel
eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen,
waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden
en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag
deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend
antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en
andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag
gehandhaafd hebben.
En de Nederlanders zeiden ook "ja!" waar het hun dierbare Oost
gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit
over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die
het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, om er een bezoek
te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van
Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd,
was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch
Nederlanders in elkaars bezittingen mochten komen "om hun handel uit
te breiden of land van elkander in bezit te krijgen."
Maar--wat nu al heel zonderling leek,--het is de advocaat der
O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant
"met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders
bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij
schennis der Vrije zee noemen, wanneer de Engelschen in Europa het
nadoen",--terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boek Mare
liberum (d. i. de Vrije Zee) een krachtig "neen!" doet hooren en zoo
duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natie geen
recht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.
Nu, dat "neen!" van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche
haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen
visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen,
volmondig nagezegd.
Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs
uit kunnen worden, of de zee, "vrij" dan wel "gesloten" moest zijn.
Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze
goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al
weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een
deel van de zee als een deel van "het Rijk" mag beschouwen?
En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig
"ja!" tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden
houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel
van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling
voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit
toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neus Mare
Clausum (d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot
Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman
met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch
ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.
Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen
te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging op
Mare Clausum en door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel
met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen
er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van
deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan
meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een
jaargeld van niet minder dan f 500.-- hebben toegelegd, krijgen wij
ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders
zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over
en weer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen,
zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet,
hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen
die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter
zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.
Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit
geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor
te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had
veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van
zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel
voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman
een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon
billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het
Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van
Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?
Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet
bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen
en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren,
waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu
daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren
en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij
zijn eigenwijzen gang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche
volk een loopje nemen--neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.
En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten
Harpertsz. Tromp gekomen, en had in 't jaar 1639 niet alleen een
vloot aangetast in de Engelsche wateren, maar zelfs op de kust
van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist
daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. "De gemeente in
Engeland," zegt Wagenaar zeer eigenaardig, "schijnt er niet rouwig om
geweest te zijn!" Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning,
die niet die Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten,
er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk
het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout
stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor
het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er
een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel
van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen,
ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van
groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier
Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en
machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen
door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein
en aan eigen hulpbronnen eigenlijk arm landje--toen werd ons wederom
behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij,
Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden,
dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel
van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij--wel,
herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan
moesten we er maar om vechten.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
TROMP MOET VOORZICHTIG ZIJN.
"Voorzichtig! Bestevaer Tromp!" zeiden de Staten. En zij drukten hem
op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven
tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen
de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het
meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche
wateren--een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden
uitgebreid--eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel
zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader
de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een
soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil
aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te
zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche
leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een
bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt,
loopt het mis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid
hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van
Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden
óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering
veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar
in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan
een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.
En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de
Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen,
welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit
onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de
regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de "kleyne
luyden" met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede
konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de
talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong
gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige
weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen
Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd
worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of
het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van
een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk, hadden de Heeren
bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en
een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn
Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje
als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook
werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van
een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje,
maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het
verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.
Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche
havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want
nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden
zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die
haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij
bijgeval niet aan boord hadden, wat men contrabande noemde. Dat zulk
een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast,
sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van
Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel
mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet
het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems
van hun eigen natie.
Toch had men uit voorzorg in Tromp's instructie neergeschreven, dat
hij tusschen Duinkerken en Ostende zee houden en liefst maar niet
te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit
voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder
op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat "de Zeemanschap"
van Tromp noodig achtte. "Een reeder,"--aldus zegt zeer terecht
de ons nog wel bekende Joris--"zal zijn schipper niet belasten,
dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals
wel doen". Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en
ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade,
koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking,
die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na
tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd
wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van
nationaliteit. In 't jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs
een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij,
men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche
havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke "gedreven
(wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen
door nood, om te schouwen de peryken van de Zee". Daarom kon Tromp
gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag,
had laten aanzeggen, "dat hij daar niet kwam, dan door den storm en
nood gedreven zijnde". Die Commandeur had nu de juiste verklaring van
dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche
kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.
Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade
hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen
streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden
dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen
aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide
plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den
Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen
voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen,
en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering
van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders
minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden
bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het,
dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het
strijken der vlag.
Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het
bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, "uytgesondert beyde
myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael". Ook
had hij een matroos naar boven gezonden, "die den heer Admirael Blake
selve heeft connen sien opclimmen", om de vlag te strijken en die
reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.
Maar de vlag zelf is niet neergegaan.
Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan
wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij
allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.
"Zoo haest wy binnen schoots quamen"--aldus verhaalt Maerten
Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde--"heeft hy datelick
een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot
geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen 't schip sleepte)
aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn (= kapitein) aen syn boort
te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het
halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door
ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst,
daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende,
dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse
draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en
schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen
(meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt
ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aen
onse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen".
Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten
overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk,
als noodteeken voor zijn andere schepen, "de roode vlagge onder
de Prince" had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering
snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet
meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden
hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een
Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven
zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, "noemden
het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden;
doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste
scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg".
De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een
al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en
de Nederlandsche staatslieden. "Het ware wel te wenschen", aldus
schreef Johan de Witt nog den 8sten Juni 1652, dus ruim een week
na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den
29sten Mei van dat jaar had plaats gehad, "het ware wel te wenschen
dat sulx door de voorsichticheyt van d'een of d'ander der Admiraels
(Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoo daeruyt niet
sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen".
De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade
op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den
voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
TEGENSPOED EN ONGENADE.
Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin
van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan
de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te
mogen koesteren.