van admiraal Dubbel Wit. "Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke
mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de
geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt
of er voor behoeft te vreezen!"
Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam
aangesneld. Tromp had alle mogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden
uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden
zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen
bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben
gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die
masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen
hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen,
maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens
weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden
mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en
daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien
als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de
Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te
meten met den diepverachten Nederlander.
Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door
den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat
de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden
hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen
uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon
ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.
In den nacht van den 20sten op den 21sten October 1639 kwam eindelijk
de wind, die zoolang uit den Oosten gewaaid had, door het Noorden in
't Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den
vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen,
om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk
werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu
handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik
af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag
die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel
van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de
onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin
van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de
batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders,
die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van
het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch
melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij
deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst
op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn,
om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door
een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam
oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin
gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de
dertig schepen, welke onder Witte tegenover de Engelsche vloot lagen,
alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de
hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.
De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen
werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien
in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies
bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden
hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder
achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer
gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs
moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de
ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd
in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van
onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling,
gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen
en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen
kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men
't liefst zelf behandeld wilde worden, en--de liefste behandeling
was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan
zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men
zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over
't land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten--waar
zij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald
werd--dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef
de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben
op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.
De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden
ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het
geheele land. "Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en
toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en
verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde,
door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en
piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar,
kostbaare vuurwerken afgestooken".
Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal
zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het
daar feestelijk of plechtig toeging. 't Was alles heel eenvoudig, en
in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar
stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die
twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje,
hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die
redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over
een vloot waarop een vloek scheen te rusten, over kapiteins die
zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan
't verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst
nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en
de ergernis der landgenooten was.
En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers
toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren
zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten
ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij
waren trefbaar, zij waren niet in alle opzichten de meesters der
Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over
de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een
einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en
aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter
zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders,
die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den
boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij
Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd
durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren
van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.
Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2den
November 1639.
"Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare
Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by
hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht
en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer
hij van hier t'zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh
desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys".
Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den
staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme
hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een
der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? 't Minst van
al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk
door God aan dezen Staat verleend?
Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als
jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van
de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan
zijn vaderland?
Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van
den 2den November 1639, is een waardig tegenhanger van de even
eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor
het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis,
omstreeks den jare 1621.
TIENDE HOOFDSTUK.
LASTERTONGEN EN KLEINZIELIGHEID.
De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen
hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke
doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het
grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche
vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een
dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs
een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden
opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche
gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop
zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af
in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten
te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche
admiraal d'Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij
was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist,
en toen deze uiteenwoei was het door een sterken, fortuinlijken wind,
die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed
bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder
groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk,
dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke
Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen,
die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen
zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.
Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid
van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en
den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige
menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te
over. 't Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien
hadden, dat het niet goed met een pekbroek was gegaan.
Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen
hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun
in deze dagen te hoog met Tromp. Door "treffelijke geschenken",
zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te
beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel
en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een
nieuw wapen begiftigd. Maar--wat zijn benijders wel het meest in de
oogen stak--hij trouwde "een rijcke Joffrou met veel gout".
Deze "rijcke Joffrou" heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd
ten jare 1640 te 's-Gravenhage voltrokken. Zij was "een Raets-heere
dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de
Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van
't Stee".
Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn,
waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook
zoo'n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me
een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien,
door zijn "Lammertongetje," en vooral omdat hij de dominees op
zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem
"rondschieten". De veinsaard! die wist van handjes-geven en van
broeder en "vriendekens" zeggen! Het ging met hem als met Reintje de
Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos
een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want 't
was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks
zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had,
anders was men een ketter en geen goed Patriot.
Men had hem eens moeten gezien hebben, "inde Coetswaghen" toen hij
trouwde! Hij leek wel een "Noortse-Beer!"
Nu--zei Griet Smeers,--'t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel
anders uit!
Of het--antwoordde Trijn Jans.--Ik heb Martens allang gekend, en zijn
vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij
kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d'r hemden,
en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij
tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen:
en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede
placht te spotten!
Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij
daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij
wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had
nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden
het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij
bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat
rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat
wil niet eens de drieduizend gulden betalen, "die zijn moer van zijn
salighe vaers nog wel schuldigh" is!
Ja, Maerten was van "sulcken volckje". In zulk "een mooi geslacht"
kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat
zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare
familie kwam? Och ja, je bent misschien als Marinus Crijnsz. uit deze
t'Samen-Spraeck nog wat "te jongh om alle dinck te weten". Maar als
je een "fris jongman" bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn
Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter
kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis
van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te
worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren
trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....
Hoe menigeen uit de 20ste eeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een
flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort
gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Spreken wij niet
van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben
en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De
eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting
als van die kapiteins, "dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn".
Ja, ziet u--zou een der personen uit onze t'Samen-Spraeck daarop
geantwoord hebben--iemand moet de gal wel overloopen, als hij 't
over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een
afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat
men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker
of zoo iets was. Men wilde een "peckbrouck". En nu men er een had,
was hij "een gemaeckte joncker" geworden, die nu alle gelegenheden
opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.
En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten
gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en
voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het
schip schoot met den steenen kogel, die "noch voor d'Admiraliteytshof
tot Rotterdam hanght". Maerten stond juist aan 't roer en hij kreeg
een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het
roer los en liep tot voor in 't galjoen, en hoewel hem even weinig
deerde als u of mij, riep hij maar:
"Ik ben dood! ik ben dood!"
Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet,
tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze "oudt
varendt Man" u antwoorden, dat de "Courage" niet "metten ouderdom"
komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl
geluk en geen de minste verdienste was.
En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft
aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in
uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp
was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie
van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur
geweest, en toen had hij brood van "verdroncken terwe" voor de
oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager
bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk
geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van
dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op
't honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam
aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten
van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van
kapitein Juijnbol te Rotterdam....
Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal
brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen
naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst,
aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.
Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem
bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch
maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht
overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet
vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een
onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam
het ook zoo hoog niet op: "die lachte daer dan eens om en seyde, wat
mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt
als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid."
Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen
bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen
met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het
andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens
kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk,
in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden
en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel
schaduw achter het nog wijd stralende licht.
Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef
ik dit minder te doen.
Een twaalftal jaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al
die dingen "al oud" waren, en "die nijdige menschen meest dood"--mijn
hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat
men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!--verscheen er
weer een samenspraak over de zaken van den dag, "Een Praatje over den
Ouden en Nieuwen Admiraal", waarin de twee personen, die de schrijver
sprekende invoert, door hem Joris en Govert worden genoemd.
Joris haalt "die oude dingen" nog eens op.
Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig
jaar "Pier Heyn" doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van
Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont met
zijn "Landgangers", dat er veel koopvaarders door den vijand genomen
werden. Tromp echter, die op Piet Hein's schip kapitein was geweest en
toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet
alleen 's lands gage trekken, maar ook daarvoor wat doen moest. Hij
bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de
vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer,
daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp,
die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal
Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de
uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte
nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld,
dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te
gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn
onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn
beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk
bejegend werd, legde hij uit spijt "van dat hij niet en mocht
doen als een eerlyck man toe staet", zijn degen neder en verliet
's Lands dienst.
Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren "over vijf schepen
van de Maze, daer van den Admiraal Dorps Schip er een was". Toen
leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat
Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volk kregen toen de
betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en
de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet
afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap
ter zee "geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde
als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie". Dit baarde zulk
een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en
anderen, dat zij daarover, "alsof sy metten Duyvel compact hadden
gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen,
tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te
brengen". Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets,
zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan
werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en
kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne
boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden,
dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door
wat geest "deze guyten" gedreven werden.
En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan "al de wereld"
bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel
aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder
deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te
land een groote "belgzucht" tegen hem ontstond, omdat zij meenden,
dat men hen voor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd
had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij
vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat
wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, "te weten:
Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie" niet aan Tromp's geslacht
ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen
nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde
huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te
worden, altijd de zeeman is gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche
kringen moest verkeeren.
Kwam hij in Den Haag--zoo ongeveer vertelt ons Joris--waar hij iemand
van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. "Hy en
wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery;
dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten".
Wel.... onze Griet Smeers uit de t'Samenspraeck heeft toch niet geheel
en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader
van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het
hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman
bleef, voor "een Noortse Beer" schold!