Gold de benoeming, volgens den door den Prins op 27 October 1637

geteekenden lastbrief, slechts voor een jaar, het is later niet noodig

geweest om bij een nieuwe uitrusting ook wederom tot een nieuwe

benoeming van een opperbevelhebber over te gaan. Tromp toch bleek

de man te zijn, om wien men geroepen had. Gelukkiger keuze had men

waarlijk niet kunnen doen. Hij was "een der grootste zeelieden welke

tot op zijn tijd in de wereld verschenen waren." Wees niet bevreesd,

dat deze getuigenis uit Nederlandsche bron komt. Het is veel de

gewoonte in ons landje, dat we dàn eerst gelooven een jongen uit

onze polders opgerezen tot de groote mannen te mogen rekenen, als de

vreemdeling ons daartoe genadig verlof geeft. Bovenstaand getuigenis

is echter geen genadig verlof; het is een royale erkentenis van onzen

grootsten vijand en tegenstander ter zee: den Engelschman, tegen wien

Tromp gesneuveld is, en tegen wien zijn zoon Cornelis met de uiterste

verbittering gestreden heeft. En met dezelfde royaliteit erkennen

de Engelschen, dat Maerten Harpertsz. Tromp in menig opzicht de

leermeester en het voorbeeld der Britsche bevelhebbers is geweest. "Nog

heden ten dagen (worden zijn) bekwaamheden en heldendaden zoo hoog in

Groot-Brittanje geschat, dat men gemeend heeft, te midden der lofspraak

op de vroegere en latere Engelsche zeelieden, aan zijn verdiensten

een opzettelijke hulde te mogen bewijzen, en men hem waardig heeft

geacht zijn beeltenis nevens die der Britsche zeelieden in de galerij

te Greenwich op te hangen."

Dat Tromp een uitnemend zeeman was, weten wij nog uit de dagen van zijn

gevangenschap in Tunis. Werkelijk, de Bassa van Tunis heeft getoond een

scherpzinnig opmerker en een goed menschenkenner te zijn. Maar.... een

goed menschenkenner moest ook de nieuwe opperbevelhebber zijn. Niet

alleen moest hij bekend zijn met de listen en streken der kapers,

maar ook en vooral met de lastige karakters van zijn kapiteins en den

niet gemakkelijken aard van het Nederlandsche zeevolk. Witte de With,

óók een uitnemend zeeman en als krijgsman zeker onverschrokkener dan

Tromp, meende dat men het met bootsvolk zoowel als met gezagvoerder

best en al heel spoedig klaar kon spelen door een grooten mond

open te zetten, te grieven en te beleedigen en vooral de fouten en

gebreken te zien en daarover aan te gaan en op te spelen. Hij heeft

zijn doel gemist. Hoezeer hij in den zeeslag door zijn onstuimigheid

kon meeslepen en zijn jongens bezielen tot daden van voorbeeldeloozen

moed en stoutheid, altijd kwam dat al sterker wordende gevoel van

onwil tegenover hem weer boven, en het groeide aan tot haat. Nooit

is dat scherper uitgekomen dan in den Eersten Engelschen Zee-oorlog,

toen, nadat Tromp voor een wijle in ongenade gevallen was, Witte met

het opperbevelhebberschap werd belast. Toen weigerden de schepelingen

van Tromp's vaartuig Witte aan boord te nemen, en dreigden zelfs de

sloep waarin hij zich bevond in den grond te schieten. Ja, gedurende

het gevecht, dat toen met de Engelschen aan den gang was, weigerden

ook andere schepen hem als bevelhebber op te nemen.

Een geheel andere handelwijze volgde Tromp. Ook hij wist wat bevelen

was, en kon, waar het noodig bleek, ook zelf de handen uit de mouw

steken. Hij was het, die altijd ongedekt in het midden van den strijd

op de gevaarlijkste plaats van het geheele schip stond, maar toch geen

waaghals was. Hij was het, die volgens een bepaald plan handelde,

die alle kansen vooruit naging, alsof het leveren van een zeeslag

het oplossen van een moeilijke som was. Hij was het, die den oorlog

ter zee tot een wetenschap maakte, en daarom een reeks van leerlingen

heeft kunnen opkweeken, die zijn werk voortzetten en voltooiden, toen

hij reeds gestorven was. Hij was een bevelvoerder, die, getuigt een

tijdgenoot "zijn ontzag geheel wist te behouden". Maar met al zijn

groote gaven van verstand, was hij een mensch met een hart, die wist

wat een ander mensch toekwam. Hij zag het goede, en daarvoor verbleekte

het kwade. Hij zag den wil, en dan was de onwil onmacht geworden.

Wij hebben het reeds gezegd, toen wij vertelden van zijn verblijf

aan boord van den zeeroover die zijn vader had vermoord, hoe hij in

de ellende van zijn jonge jaren de waarde had leeren kennen van een

goed woord. Dat woord heeft Tromp nooit achter gehouden, en het bleek

een tooverwoord. Het bootsvolk heeft dat ontzag voor hem gekregen,

dat van oude tijden her voor de leden van een huisgezin bij den man

berustte, die de natuurlijke beschermer en de beste vriend zijner

huisgenooten is: de vader. En het bootsvolk is het ook geweest, dat

aan Maerten Harpertsz. Tromp op ongekunstelde en eerlijke wijze den

naam van Bestevaer gegeven heeft.

Het lastigst viel het de zeekapiteins onder de ééne leiding van

den opperbevelhebber te brengen. Gehéél is hem dat niet mogen

gelukken. Trouwens nog onder Michiel de Ruijter was het de eigen zoon

van Tromp die een enkele maal terugviel in de oude zonde van naar

eigen inzicht in den strijd te handelen. Doch Tromp hield onwrikbaar

vol. Hij had als opperbevelhebber het recht een scheepskapitein,

die zijn bevelen niet opvolgde, desnoods te straffen of tot ontslag

uit den dienst voor te dragen. Het openbaar verzet en de openbare

tegenwerking moesten dus wel verborgen worden gehouden of zelfs

verminderen. Maar.... de stille tegenstand wies daardoor in kracht. Wij

zullen er weldra een woord aan wijden, hoe Tromp beschimpt en gesmaad

werd, hoe men al z'n best deed, om zijn moed en geestkracht af te

tuigen, ja, niet schroomde hem te grieven in zijn oude moeder. Voor

dat opzetten van een plan, dat behandelen van den zee-oorlog als een

wetenschap, was wel het allerminst de man te vinden, die onmiddellijk

in rangorde op hem volgde, nl. de vice-admiraal Witte Cornelisz. de

With. Het is tusschen die twee een enkele maal hoog uitgeloopen. We

hebben dat elders breedvoeriger besproken en verwijzen daar naar. [1]

Hebben we in het voorgaande getracht ten minste iets te doen gevoelen

van de moeilijkheden, waarmede Tromp te maken kreeg en welke hij te

overwinnen had,--naar al die dingen vroegen de kustbewoners niet. Zij

hadden in zooverre hun zin, dat er een pekbroek aan het hoofd der

vloot stond. Nu moest die pekbroek er in de eerste plaats voor zorgen,

dat de Duinkerkers verslagen werden. Want het was volkomen waar,

wat een geschiedschrijver heel eigenaardig uitdrukte: "Hij quam in

een tijdt, in de welcke hij niet behoefde ledigh te staen, vindende

een zee vol Duynkerksche roverij en het dreygen van een oorloghsmacht

uyt Spangien".

Doch ook dat afstraffen der Duinkerkers had niet dadelijk plaats. Geen

wonder. Het instrument, waardoor deze afstraffing moest plaats hebben,

was onze zeemacht, die als het ware op nieuwe grondslagen opgebouwd,

tenminste door en door hervormd moest worden. Nu wij zoo eenigszins

op de hoogte zijn van de bezwaren, welke de nieuwe opperbevelhebber

moest te boven komen, kunnen wij werkelijk niet anders dan ons er

over verbazen, dat reeds den 18den Februari 1639, dat is dus slechts

vijftien maanden nadat hij voor het eerst als de opperbevelhebber was

uitgezeild, voor de haven van Duinkerken een schitterende overwinning

op die beruchte en zeer ervaren kapers behaalde. Hij had toen slechts

elf schepen onder zijn bevel, terwijl de macht der Duinkerkers uit

twintig schepen bestond. En.... het was de voorzichtige Tromp niet,

die zijn kleinere macht tegen een grootere waagde, maar het waren

de stoutmoedige kapers, die hem aanvielen, en dat wel met te meer

stoutheid en verbittering, omdat hij hun in den weg lag. Zij moesten

naar Spanje, waar groote dingen tegenover ons land werden voorbereid,

en nu moest door de Nederlandsche zeemacht heengeslagen worden. Acht

uren achtereen duurde deze bloedige en verschrikkelijke worsteling. En

voor het eerst na vele jaren behaalde de Nederlandsche zeemacht een

overwinning, waarvan de mare langs de zee ging en groote vreugde in

ons land verwekte. Teruggejaagd waren de kaperschepen in de haven van

het roofnest. Maar niet alle! Want het schip van hun vice-admiraal

was op het strand geworpen en in vlammen opgegaan, en, groote glorie,

met twee van de zwaarste schepen der Duinkerkers kwam men als een al

te lang gemist zegeteeken naar de vaderlandsche havens terug.

Dat gaf een gejuich! Tromp kreeg een gouden keten met medaille

en, zegt de kroniekschrijver, de waarde daarvan was tweeduizend

gulden. De Commandeur Banckert kreeg een dergelijk geschenk ter

waarde van achthonderd, en ieder Hopman een van vierhonderd gulden,

terwijl bovendien de twee schepen met geschut en al, en gelijk die

reilden en zeilden, aan bevelhebber en kapiteins "tot een premie en

vergeldingh gelaeten" werden, behoudens het deel dat van den buit

aan den Prins toekwam.

Nog in hetzelfde jaar zouden de geruchten van "het dreygen van

een groote oorloghsmacht uyt Spangien" tot een angstaanjagende

werkelijkheid worden. Een groote Spaansche vloot kwam aangezeild,

alsof het een herhaling gold van den aanslag op de Engelsche en

de Nederlandsche onafhankelijkheid door de Onoverwinlijke vloot,

nu een halve eeuw geleden. Maar de Engelschen behoefden zich nu niet

angstig te maken. Die waren goede maatjes met de Spanjaarden. Mochten,

gelijk voor een-en-vijftig jaar, wederom de stormen opsteken om

de trotsche schepen der aanvallers te verstrooien, dan zouden

er nu schuilplaatsen te over zijn. De Engelsche havens konden

veilige ankerplaatsen aanbieden, en dan was Duinkerken er nog. De

Duinkerkers zelve geleidden de vloot, en, omdat Tromp met dertien

schepen bij kaap Bevezier lag te wachten op wat er uit het Kanaal

zou komen opdagen, Witte de With met vijf schepen omtrent de Cingels

kruiste en Banckert met een dozijn bodems de haven van Duinkerken in

het oog hield, was de Noordzee eigenlijk geheel aan den durf en de

stoutmoedigheid der beruchte kapers overgeleverd, die wel een middel

zouden vinden uit te breken of al vooraf uitgezwermd waren. Zoodat

in die benauwde dagen de Nederlandsche koopvaarders en visschers

maar liever niet uitliepen. Bovendien hadden de Spanjaarden nu geen

admiraal van goud, die, als 't er op aankwam, in een bomvrij kamertje

zou wegkruipen. Het leek wel, alsof men in Spanje profijt getrokken

had van de gevoelige lessen, door den ondergang der Onoverwinlijke

vloot ontvangen. Zelfs--maar hiervan konden de Nederlanders niets

zekers afweten--was de Spaansche admiraal d'Oquendo niet van plan

de Nederlandsche schepen zonder noodzaak aan te vallen. Het doel van

den tocht was in hoofdzaak het transport van een aanzienlijken troep

landsoldaten naar Vlaanderen, opdat, van de Zuidelijke Nederlanden uit,

een krachtige oorlog te land zoowel tegen de Franschen als tegen de

Noord-Nederlanders gevoerd zou kunnen worden.

Het moet een ontzagwekkende aanblik voor de zeerobben van Tromp geweest

zijn, toen zij daar die wolk van zeilen zagen oprijzen uit de zee. Die

macht van zeven-en-zestig schepen, waarvan het admiraalsschip alleen

niet minder dan zes-en-zestig, terwijl de geheele vloot zeventien

honderd kanonnen voerde, met zijn dertien bodems aan te vallen,

leek Tromp een onzinnige waaghalzerij. Dreef de wind de ontzaglijke

Spaansche vloot het Kanaal in, met dienzelfden wind dreef Tromp

achterwaarts, maar dat leek wel op het angstwekkend terugtrekken

van een alles behalve gemakkelijken waakhond, die met omgekrulde

bovenlip zijn blikkerende tanden laat zien, en zijn oogen schijnen het

gunstige oogenblik van den aanval te bespieden. Het waren werkelijk

geen saluutschoten, waarmede de berekenende admiraal den Spanjaard

had ontvangen, en deze voelde zich al dadelijk genoopt de uiterste

omzichtigheid in acht te nemen, al kon men wel even glimlachen over het

kleine getal der schepen van den vijand. En nu de Spanjaard ze met de

oogen telde, kwam hij niet eens meer tot het getal dertien. Dadelijk

toch had Tromp een zijner kleinste en vlugst zeilende schepen met den

gunstigen wind Oostwaarts heengezonden om Dubbel Wit en vervolgens

Joost Banckert op te zoeken, en tot herkenning van de plaats waar

hij zich bevond, loste hij elk half uur een seinschot.

Het is overbekend, hoe de onstuimige Dubbel Wit dadelijk naar die

plaats heenprangde, nu reeds alle bezwaren van wind en wat er verder

nog ongunstig voor hem mocht zijn of mocht komen licht tellende;

hoe hij bij Tromp aan boord klauterde, en maar één raad zoowel als

één woord had: "aanvallen!" en eindelijk hoe hij zich als 't ware

dwars tusschen de Spaansche schepen inschoof, en zoo geweldig te

keer ging, dat zijn vaartuig als in vlammen en rook opging en zelfs

het achtergedeelte in de lucht vloog. De onzen hadden hem al verloren

gegeven, maar dat moest men bij Dubbel Wit niet spoedig doen. Zoo heet

kon het niet toegaan, of hij wist er wel uit te komen, welteverstaan,

als hij zijn vijanden zooveel gegeven en het hun zoodanig benauwd

gemaakt had, dat zij blij waren dezen woedenden zeeleeuw te ontkomen

en niet door of met hem in de lucht of naar den kelder gegaan te zijn.

Verbrand, besmeurd, hinkende en ontoonbaar--maar altijd nog met

die felle oogen stekende en priemende en verschrikkende, meldde

hij zich bij den admiraal aan. Het was in deze oogenblikken, toen

alles in Dubbel Wit nog woelde en bruiste en kookte, dat Tromp een

snauw kreeg van zijn vice-admiraal, dien hij--hoe zou Witte hem dit

ooit hebben kunnen vergeven!--ééne enkele maal van gebrek aan moed

verdacht had. Vóór den slag had Tromp, de hand uitstrekkende naar de

Spaansche vloot met haar honderden en honderden kanonnen zich rijende

naast en boven elkaar, gesproken van "een ijzeren berg", dien men

te bestormen zou hebben, en hij, die de verantwoordelijkheid droeg

voor al de menschenlevens op zijn vloot, en die verantwoordelijkheid

ook gevoelde, had het ernstige met vele diepe rimpels doorploegde

gelaat en de oogen, waaruit in zulke oogenblikken iets scheen te

spreken van het vele leed dat hij in de wereld aanschouwd had,

tot zijn kapiteins gericht. Mocht men met een geringe macht zulk

een overmacht aanvallen? Was het soms geen overmoed, in plaats van

een kalmen mannenmoed, een groot deel van de Nederlandsche zeemacht

te wagen aan een totale vernietiging? "Aanvallen! áánvallen!" had

eerst bits, toen haast sarrend het woord van Dubbel Wit geklonken. En

zweepgeknetter bitste in zijn kort uitgestooten klanken: dat hij in

't vaderland niet voor schelm wilde opgehangen worden, en.... wie

hier week, was immers een schelm, een landverrader, een onwaardige

op de vloot? Toen.... wàs het geschied. En nu.... zoo ontoonbaar als

hij er uitzag, bijna zich niet meer staande kunnende houden en tòch

den kop rechtop, de felle oogen àl maar brandende op den admiraal,

en op zijn beurt de hand, nog licht trillende van de overmatig zware

inspanning, uitstrekkende naar de Spaansche schepen, smeulende, en

in verwarring zich terugtrekkend--nu flitste het van zijn lippen:

"Heb ik den metalen berg gevreesd, admiraal?"

Wij weten het antwoord van Tromp op deze sarrende vraag niet. Wij

kunnen ons voorstellen, dat het rustige oog zich niet nedersloeg. Want

terwijl Dubbel Wit als een ontploffing te midden van de Spaansche

schepen--welke toch slechts een gedeelte der gansche schepenmacht

vormden--nederstortte, schrik en ontsteltenis rond zich verspreidende,

maar toch in een kring die beperkt moest blijven, had de admiraal,

die altijd rekende en berekende en zijn best deed de som zoo op te

lossen als hij zich dat vooruit had voorgesteld, het geheel in het oog

genomen. In die som was de onstuimigheid van Dubbel Wit een groote en

machtige factor geweest. Dankbaar had Tromp er van gebruik gemaakt,

en het opgenomen in en gesteund door zijn groot plan. En nu de som

opgelost was, en voor de twaalf plus vijf schepen der Nederlandsche

zeemacht de reusachtige Spaansche vloot wel niet vluchtte maar toch

terzijde poogde uit te wijken--nu hadden àl de factoren van dat groote

rekenvraagstuk, van den kleinen kajuitsjongen die precies gedaan had

wat hem was bevolen, tot admiraal Dubbel Wit die een schitterende

heldendaad verricht had waarvan men nog na eeuwen zou spreken, hun

werking verricht.

Maar al zei hij het niet, omdat hij stil van aard was en niet

uitbundig,--de man, die thans de hand toestak aan admiraal Dubbel Wit

en, omdat hij zelf een held was, een warm woord van bewondering voor

den driftkop moet hebben overgehad, hij, de aanvoerder, de leider, de

schepper van die eigenaardige manier van strijden, welke eerst bedenkt

en dan doet, hij, Maerten Harpertszoon Tromp was de overwinnaar.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE DAGEN VAN DUINS.

Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16den

September. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want

een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de

lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter

Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21sten September

van deze gebeurtenis "bericht aan de Staet gedaen heeft".

Intusschen had d'Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de

Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om

den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij

niet altijd konden slagen. Zoo was het den 17den September doodstil

weer en mistig; maar nauw klaarde het 's avonds om elf uur wat op

met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den

vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp

bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar

donkerroode vlammen over de zee zouden laten sidderen en trillen,

een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur 's nachts had

men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht

door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer

de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst "hands

off" houden.

Toen het in den morgen van den 18den September begon te dagen, werden

in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats

schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van

Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een

aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die,

onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij

te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.

Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot

10 uur, "wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende

een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden". Na een

krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen

de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek

aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de

veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, "en de gevangens met de

gequetsten mede te nemen". Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over,

om te wachten tot de Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.

Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend,

dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het

bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een

groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En

toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls

langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.

Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die

zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk

dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen

komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende

wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants

felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere

beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei,

waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring

mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den

vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd

waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg

bleef schuilen.

Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit

geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van

Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelsche

vlootvoogd Pennington "met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en

verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te

onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de

vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden."

Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet

gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de

onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet

treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er

zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder

bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen

moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het

zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen

grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier

het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel

van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins

rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer

en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de

Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in

't jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen

de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op

het eiland Ambon op onwettige wijze veroordeeld en ter dood gebracht

waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen

gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.

Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer

niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er

om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk

aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de

goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner

onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond

in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden

velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne

buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar

ware geweest.

Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die

maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had

een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de

eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis

zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche

Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer

zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der

Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken

prins Frederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze

den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.

Hoe invloedrijk ook--toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam

dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen

niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na

een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde

door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording

en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets

vergeet of vergeeft. Het is in die dagen--terwijl de wind al maar

Oostelijk bleef waaien--gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp

verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher,

met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende

dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast

bezwaarden brief in zee.

Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw · 第 5 / 11 段