geteekenden lastbrief, slechts voor een jaar, het is later niet noodig
geweest om bij een nieuwe uitrusting ook wederom tot een nieuwe
benoeming van een opperbevelhebber over te gaan. Tromp toch bleek
de man te zijn, om wien men geroepen had. Gelukkiger keuze had men
waarlijk niet kunnen doen. Hij was "een der grootste zeelieden welke
tot op zijn tijd in de wereld verschenen waren." Wees niet bevreesd,
dat deze getuigenis uit Nederlandsche bron komt. Het is veel de
gewoonte in ons landje, dat we dàn eerst gelooven een jongen uit
onze polders opgerezen tot de groote mannen te mogen rekenen, als de
vreemdeling ons daartoe genadig verlof geeft. Bovenstaand getuigenis
is echter geen genadig verlof; het is een royale erkentenis van onzen
grootsten vijand en tegenstander ter zee: den Engelschman, tegen wien
Tromp gesneuveld is, en tegen wien zijn zoon Cornelis met de uiterste
verbittering gestreden heeft. En met dezelfde royaliteit erkennen
de Engelschen, dat Maerten Harpertsz. Tromp in menig opzicht de
leermeester en het voorbeeld der Britsche bevelhebbers is geweest. "Nog
heden ten dagen (worden zijn) bekwaamheden en heldendaden zoo hoog in
Groot-Brittanje geschat, dat men gemeend heeft, te midden der lofspraak
op de vroegere en latere Engelsche zeelieden, aan zijn verdiensten
een opzettelijke hulde te mogen bewijzen, en men hem waardig heeft
geacht zijn beeltenis nevens die der Britsche zeelieden in de galerij
te Greenwich op te hangen."
Dat Tromp een uitnemend zeeman was, weten wij nog uit de dagen van zijn
gevangenschap in Tunis. Werkelijk, de Bassa van Tunis heeft getoond een
scherpzinnig opmerker en een goed menschenkenner te zijn. Maar.... een
goed menschenkenner moest ook de nieuwe opperbevelhebber zijn. Niet
alleen moest hij bekend zijn met de listen en streken der kapers,
maar ook en vooral met de lastige karakters van zijn kapiteins en den
niet gemakkelijken aard van het Nederlandsche zeevolk. Witte de With,
óók een uitnemend zeeman en als krijgsman zeker onverschrokkener dan
Tromp, meende dat men het met bootsvolk zoowel als met gezagvoerder
best en al heel spoedig klaar kon spelen door een grooten mond
open te zetten, te grieven en te beleedigen en vooral de fouten en
gebreken te zien en daarover aan te gaan en op te spelen. Hij heeft
zijn doel gemist. Hoezeer hij in den zeeslag door zijn onstuimigheid
kon meeslepen en zijn jongens bezielen tot daden van voorbeeldeloozen
moed en stoutheid, altijd kwam dat al sterker wordende gevoel van
onwil tegenover hem weer boven, en het groeide aan tot haat. Nooit
is dat scherper uitgekomen dan in den Eersten Engelschen Zee-oorlog,
toen, nadat Tromp voor een wijle in ongenade gevallen was, Witte met
het opperbevelhebberschap werd belast. Toen weigerden de schepelingen
van Tromp's vaartuig Witte aan boord te nemen, en dreigden zelfs de
sloep waarin hij zich bevond in den grond te schieten. Ja, gedurende
het gevecht, dat toen met de Engelschen aan den gang was, weigerden
ook andere schepen hem als bevelhebber op te nemen.
Een geheel andere handelwijze volgde Tromp. Ook hij wist wat bevelen
was, en kon, waar het noodig bleek, ook zelf de handen uit de mouw
steken. Hij was het, die altijd ongedekt in het midden van den strijd
op de gevaarlijkste plaats van het geheele schip stond, maar toch geen
waaghals was. Hij was het, die volgens een bepaald plan handelde,
die alle kansen vooruit naging, alsof het leveren van een zeeslag
het oplossen van een moeilijke som was. Hij was het, die den oorlog
ter zee tot een wetenschap maakte, en daarom een reeks van leerlingen
heeft kunnen opkweeken, die zijn werk voortzetten en voltooiden, toen
hij reeds gestorven was. Hij was een bevelvoerder, die, getuigt een
tijdgenoot "zijn ontzag geheel wist te behouden". Maar met al zijn
groote gaven van verstand, was hij een mensch met een hart, die wist
wat een ander mensch toekwam. Hij zag het goede, en daarvoor verbleekte
het kwade. Hij zag den wil, en dan was de onwil onmacht geworden.
Wij hebben het reeds gezegd, toen wij vertelden van zijn verblijf
aan boord van den zeeroover die zijn vader had vermoord, hoe hij in
de ellende van zijn jonge jaren de waarde had leeren kennen van een
goed woord. Dat woord heeft Tromp nooit achter gehouden, en het bleek
een tooverwoord. Het bootsvolk heeft dat ontzag voor hem gekregen,
dat van oude tijden her voor de leden van een huisgezin bij den man
berustte, die de natuurlijke beschermer en de beste vriend zijner
huisgenooten is: de vader. En het bootsvolk is het ook geweest, dat
aan Maerten Harpertsz. Tromp op ongekunstelde en eerlijke wijze den
naam van Bestevaer gegeven heeft.
Het lastigst viel het de zeekapiteins onder de ééne leiding van
den opperbevelhebber te brengen. Gehéél is hem dat niet mogen
gelukken. Trouwens nog onder Michiel de Ruijter was het de eigen zoon
van Tromp die een enkele maal terugviel in de oude zonde van naar
eigen inzicht in den strijd te handelen. Doch Tromp hield onwrikbaar
vol. Hij had als opperbevelhebber het recht een scheepskapitein,
die zijn bevelen niet opvolgde, desnoods te straffen of tot ontslag
uit den dienst voor te dragen. Het openbaar verzet en de openbare
tegenwerking moesten dus wel verborgen worden gehouden of zelfs
verminderen. Maar.... de stille tegenstand wies daardoor in kracht. Wij
zullen er weldra een woord aan wijden, hoe Tromp beschimpt en gesmaad
werd, hoe men al z'n best deed, om zijn moed en geestkracht af te
tuigen, ja, niet schroomde hem te grieven in zijn oude moeder. Voor
dat opzetten van een plan, dat behandelen van den zee-oorlog als een
wetenschap, was wel het allerminst de man te vinden, die onmiddellijk
in rangorde op hem volgde, nl. de vice-admiraal Witte Cornelisz. de
With. Het is tusschen die twee een enkele maal hoog uitgeloopen. We
hebben dat elders breedvoeriger besproken en verwijzen daar naar. [1]
Hebben we in het voorgaande getracht ten minste iets te doen gevoelen
van de moeilijkheden, waarmede Tromp te maken kreeg en welke hij te
overwinnen had,--naar al die dingen vroegen de kustbewoners niet. Zij
hadden in zooverre hun zin, dat er een pekbroek aan het hoofd der
vloot stond. Nu moest die pekbroek er in de eerste plaats voor zorgen,
dat de Duinkerkers verslagen werden. Want het was volkomen waar,
wat een geschiedschrijver heel eigenaardig uitdrukte: "Hij quam in
een tijdt, in de welcke hij niet behoefde ledigh te staen, vindende
een zee vol Duynkerksche roverij en het dreygen van een oorloghsmacht
uyt Spangien".
Doch ook dat afstraffen der Duinkerkers had niet dadelijk plaats. Geen
wonder. Het instrument, waardoor deze afstraffing moest plaats hebben,
was onze zeemacht, die als het ware op nieuwe grondslagen opgebouwd,
tenminste door en door hervormd moest worden. Nu wij zoo eenigszins
op de hoogte zijn van de bezwaren, welke de nieuwe opperbevelhebber
moest te boven komen, kunnen wij werkelijk niet anders dan ons er
over verbazen, dat reeds den 18den Februari 1639, dat is dus slechts
vijftien maanden nadat hij voor het eerst als de opperbevelhebber was
uitgezeild, voor de haven van Duinkerken een schitterende overwinning
op die beruchte en zeer ervaren kapers behaalde. Hij had toen slechts
elf schepen onder zijn bevel, terwijl de macht der Duinkerkers uit
twintig schepen bestond. En.... het was de voorzichtige Tromp niet,
die zijn kleinere macht tegen een grootere waagde, maar het waren
de stoutmoedige kapers, die hem aanvielen, en dat wel met te meer
stoutheid en verbittering, omdat hij hun in den weg lag. Zij moesten
naar Spanje, waar groote dingen tegenover ons land werden voorbereid,
en nu moest door de Nederlandsche zeemacht heengeslagen worden. Acht
uren achtereen duurde deze bloedige en verschrikkelijke worsteling. En
voor het eerst na vele jaren behaalde de Nederlandsche zeemacht een
overwinning, waarvan de mare langs de zee ging en groote vreugde in
ons land verwekte. Teruggejaagd waren de kaperschepen in de haven van
het roofnest. Maar niet alle! Want het schip van hun vice-admiraal
was op het strand geworpen en in vlammen opgegaan, en, groote glorie,
met twee van de zwaarste schepen der Duinkerkers kwam men als een al
te lang gemist zegeteeken naar de vaderlandsche havens terug.
Dat gaf een gejuich! Tromp kreeg een gouden keten met medaille
en, zegt de kroniekschrijver, de waarde daarvan was tweeduizend
gulden. De Commandeur Banckert kreeg een dergelijk geschenk ter
waarde van achthonderd, en ieder Hopman een van vierhonderd gulden,
terwijl bovendien de twee schepen met geschut en al, en gelijk die
reilden en zeilden, aan bevelhebber en kapiteins "tot een premie en
vergeldingh gelaeten" werden, behoudens het deel dat van den buit
aan den Prins toekwam.
Nog in hetzelfde jaar zouden de geruchten van "het dreygen van
een groote oorloghsmacht uyt Spangien" tot een angstaanjagende
werkelijkheid worden. Een groote Spaansche vloot kwam aangezeild,
alsof het een herhaling gold van den aanslag op de Engelsche en
de Nederlandsche onafhankelijkheid door de Onoverwinlijke vloot,
nu een halve eeuw geleden. Maar de Engelschen behoefden zich nu niet
angstig te maken. Die waren goede maatjes met de Spanjaarden. Mochten,
gelijk voor een-en-vijftig jaar, wederom de stormen opsteken om
de trotsche schepen der aanvallers te verstrooien, dan zouden
er nu schuilplaatsen te over zijn. De Engelsche havens konden
veilige ankerplaatsen aanbieden, en dan was Duinkerken er nog. De
Duinkerkers zelve geleidden de vloot, en, omdat Tromp met dertien
schepen bij kaap Bevezier lag te wachten op wat er uit het Kanaal
zou komen opdagen, Witte de With met vijf schepen omtrent de Cingels
kruiste en Banckert met een dozijn bodems de haven van Duinkerken in
het oog hield, was de Noordzee eigenlijk geheel aan den durf en de
stoutmoedigheid der beruchte kapers overgeleverd, die wel een middel
zouden vinden uit te breken of al vooraf uitgezwermd waren. Zoodat
in die benauwde dagen de Nederlandsche koopvaarders en visschers
maar liever niet uitliepen. Bovendien hadden de Spanjaarden nu geen
admiraal van goud, die, als 't er op aankwam, in een bomvrij kamertje
zou wegkruipen. Het leek wel, alsof men in Spanje profijt getrokken
had van de gevoelige lessen, door den ondergang der Onoverwinlijke
vloot ontvangen. Zelfs--maar hiervan konden de Nederlanders niets
zekers afweten--was de Spaansche admiraal d'Oquendo niet van plan
de Nederlandsche schepen zonder noodzaak aan te vallen. Het doel van
den tocht was in hoofdzaak het transport van een aanzienlijken troep
landsoldaten naar Vlaanderen, opdat, van de Zuidelijke Nederlanden uit,
een krachtige oorlog te land zoowel tegen de Franschen als tegen de
Noord-Nederlanders gevoerd zou kunnen worden.
Het moet een ontzagwekkende aanblik voor de zeerobben van Tromp geweest
zijn, toen zij daar die wolk van zeilen zagen oprijzen uit de zee. Die
macht van zeven-en-zestig schepen, waarvan het admiraalsschip alleen
niet minder dan zes-en-zestig, terwijl de geheele vloot zeventien
honderd kanonnen voerde, met zijn dertien bodems aan te vallen,
leek Tromp een onzinnige waaghalzerij. Dreef de wind de ontzaglijke
Spaansche vloot het Kanaal in, met dienzelfden wind dreef Tromp
achterwaarts, maar dat leek wel op het angstwekkend terugtrekken
van een alles behalve gemakkelijken waakhond, die met omgekrulde
bovenlip zijn blikkerende tanden laat zien, en zijn oogen schijnen het
gunstige oogenblik van den aanval te bespieden. Het waren werkelijk
geen saluutschoten, waarmede de berekenende admiraal den Spanjaard
had ontvangen, en deze voelde zich al dadelijk genoopt de uiterste
omzichtigheid in acht te nemen, al kon men wel even glimlachen over het
kleine getal der schepen van den vijand. En nu de Spanjaard ze met de
oogen telde, kwam hij niet eens meer tot het getal dertien. Dadelijk
toch had Tromp een zijner kleinste en vlugst zeilende schepen met den
gunstigen wind Oostwaarts heengezonden om Dubbel Wit en vervolgens
Joost Banckert op te zoeken, en tot herkenning van de plaats waar
hij zich bevond, loste hij elk half uur een seinschot.
Het is overbekend, hoe de onstuimige Dubbel Wit dadelijk naar die
plaats heenprangde, nu reeds alle bezwaren van wind en wat er verder
nog ongunstig voor hem mocht zijn of mocht komen licht tellende;
hoe hij bij Tromp aan boord klauterde, en maar één raad zoowel als
één woord had: "aanvallen!" en eindelijk hoe hij zich als 't ware
dwars tusschen de Spaansche schepen inschoof, en zoo geweldig te
keer ging, dat zijn vaartuig als in vlammen en rook opging en zelfs
het achtergedeelte in de lucht vloog. De onzen hadden hem al verloren
gegeven, maar dat moest men bij Dubbel Wit niet spoedig doen. Zoo heet
kon het niet toegaan, of hij wist er wel uit te komen, welteverstaan,
als hij zijn vijanden zooveel gegeven en het hun zoodanig benauwd
gemaakt had, dat zij blij waren dezen woedenden zeeleeuw te ontkomen
en niet door of met hem in de lucht of naar den kelder gegaan te zijn.
Verbrand, besmeurd, hinkende en ontoonbaar--maar altijd nog met
die felle oogen stekende en priemende en verschrikkende, meldde
hij zich bij den admiraal aan. Het was in deze oogenblikken, toen
alles in Dubbel Wit nog woelde en bruiste en kookte, dat Tromp een
snauw kreeg van zijn vice-admiraal, dien hij--hoe zou Witte hem dit
ooit hebben kunnen vergeven!--ééne enkele maal van gebrek aan moed
verdacht had. Vóór den slag had Tromp, de hand uitstrekkende naar de
Spaansche vloot met haar honderden en honderden kanonnen zich rijende
naast en boven elkaar, gesproken van "een ijzeren berg", dien men
te bestormen zou hebben, en hij, die de verantwoordelijkheid droeg
voor al de menschenlevens op zijn vloot, en die verantwoordelijkheid
ook gevoelde, had het ernstige met vele diepe rimpels doorploegde
gelaat en de oogen, waaruit in zulke oogenblikken iets scheen te
spreken van het vele leed dat hij in de wereld aanschouwd had,
tot zijn kapiteins gericht. Mocht men met een geringe macht zulk
een overmacht aanvallen? Was het soms geen overmoed, in plaats van
een kalmen mannenmoed, een groot deel van de Nederlandsche zeemacht
te wagen aan een totale vernietiging? "Aanvallen! áánvallen!" had
eerst bits, toen haast sarrend het woord van Dubbel Wit geklonken. En
zweepgeknetter bitste in zijn kort uitgestooten klanken: dat hij in
't vaderland niet voor schelm wilde opgehangen worden, en.... wie
hier week, was immers een schelm, een landverrader, een onwaardige
op de vloot? Toen.... wàs het geschied. En nu.... zoo ontoonbaar als
hij er uitzag, bijna zich niet meer staande kunnende houden en tòch
den kop rechtop, de felle oogen àl maar brandende op den admiraal,
en op zijn beurt de hand, nog licht trillende van de overmatig zware
inspanning, uitstrekkende naar de Spaansche schepen, smeulende, en
in verwarring zich terugtrekkend--nu flitste het van zijn lippen:
"Heb ik den metalen berg gevreesd, admiraal?"
Wij weten het antwoord van Tromp op deze sarrende vraag niet. Wij
kunnen ons voorstellen, dat het rustige oog zich niet nedersloeg. Want
terwijl Dubbel Wit als een ontploffing te midden van de Spaansche
schepen--welke toch slechts een gedeelte der gansche schepenmacht
vormden--nederstortte, schrik en ontsteltenis rond zich verspreidende,
maar toch in een kring die beperkt moest blijven, had de admiraal,
die altijd rekende en berekende en zijn best deed de som zoo op te
lossen als hij zich dat vooruit had voorgesteld, het geheel in het oog
genomen. In die som was de onstuimigheid van Dubbel Wit een groote en
machtige factor geweest. Dankbaar had Tromp er van gebruik gemaakt,
en het opgenomen in en gesteund door zijn groot plan. En nu de som
opgelost was, en voor de twaalf plus vijf schepen der Nederlandsche
zeemacht de reusachtige Spaansche vloot wel niet vluchtte maar toch
terzijde poogde uit te wijken--nu hadden àl de factoren van dat groote
rekenvraagstuk, van den kleinen kajuitsjongen die precies gedaan had
wat hem was bevolen, tot admiraal Dubbel Wit die een schitterende
heldendaad verricht had waarvan men nog na eeuwen zou spreken, hun
werking verricht.
Maar al zei hij het niet, omdat hij stil van aard was en niet
uitbundig,--de man, die thans de hand toestak aan admiraal Dubbel Wit
en, omdat hij zelf een held was, een warm woord van bewondering voor
den driftkop moet hebben overgehad, hij, de aanvoerder, de leider, de
schepper van die eigenaardige manier van strijden, welke eerst bedenkt
en dan doet, hij, Maerten Harpertszoon Tromp was de overwinnaar.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE DAGEN VAN DUINS.
Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16den
September. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want
een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de
lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter
Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21sten September
van deze gebeurtenis "bericht aan de Staet gedaen heeft".
Intusschen had d'Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de
Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om
den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij
niet altijd konden slagen. Zoo was het den 17den September doodstil
weer en mistig; maar nauw klaarde het 's avonds om elf uur wat op
met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den
vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp
bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar
donkerroode vlammen over de zee zouden laten sidderen en trillen,
een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur 's nachts had
men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht
door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer
de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst "hands
off" houden.
Toen het in den morgen van den 18den September begon te dagen, werden
in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats
schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van
Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een
aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die,
onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij
te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.
Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot
10 uur, "wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende
een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden". Na een
krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen
de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek
aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de
veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, "en de gevangens met de
gequetsten mede te nemen". Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over,
om te wachten tot de Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.
Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend,
dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het
bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een
groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En
toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls
langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.
Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die
zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk
dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen
komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende
wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants
felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere
beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei,
waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring
mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den
vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd
waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg
bleef schuilen.
Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit
geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van
Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelsche
vlootvoogd Pennington "met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en
verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te
onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de
vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden."
Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet
gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de
onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet
treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er
zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder
bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen
moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het
zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen
grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier
het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel
van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins
rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer
en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de
Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in
't jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen
de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op
het eiland Ambon op onwettige wijze veroordeeld en ter dood gebracht
waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen
gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.
Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer
niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er
om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk
aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de
goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner
onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond
in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden
velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne
buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar
ware geweest.
Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die
maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had
een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de
eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis
zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche
Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer
zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der
Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken
prins Frederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze
den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.
Hoe invloedrijk ook--toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam
dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen
niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na
een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde
door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording
en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets
vergeet of vergeeft. Het is in die dagen--terwijl de wind al maar
Oostelijk bleef waaien--gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp
verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher,
met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende
dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast
bezwaarden brief in zee.