Wat dat "zeker ambt omtrent zeezaken" was, vernemen wij van twee

zijden. In de eerste plaats zegt de meermalen door ons aangehaalde

prof. Thysius: "Maer hij is, terwijlen hij uytter Zee was, niet alleen

een bloote aanschouwer van 't lant geweest, maer heeft ook de Zee

altijdt voor oogen gehadt ende de Directie van des Scheeps-timmeragie

omtrent de Mase met groote eer ende neerstigheydt byghewoont."

Dit is nog niet heel duidelijk. Gelukkig is er een tweede getuigenis

tot ons gekomen, en wel van iemand over wien we eerst iets zeggen

moeten, omdat hij ons in dit hoofdstuk een enkele maal wat uit dien

tijd mede te deelen zal hebben.

Men weet, hoe de geleerde Huig de Groot door middel van een

boekenkist uit het kasteel Loevestein ontsnapt is, en hoe in deze

aardige gebeurtenis zijn vrouw Maria van Reigersbergen de hand

heeft gehad. De Groot was in Parijs gaan wonen, maar omdat zijn

gedachten altijd door naar het vaderland teruggingen, bleef hij veel

belangstellen in hetgeen daar gebeurde. Daarvan nu werd hij getrouw op

de hoogte gehouden door zijn vrouws broeder, wiens naam gewoonlijk als

Nicolaes van Reigersberch gespeld wordt. Hij bekleedde in Holland een

zeer aanzienlijk ambt en stond voortdurend in briefwisseling met zijn

beroemden zwager, een briefwisseling echter die zeer geheim gehouden

werd en in geheimschrift plaats had. Eens is er iets van uitgelekt,

en dat verwekte al een storm van verontwaardiging. Maar voor ons is

het heerlijk om na zooveel jaren een blik in die correspondentie te

kunnen slaan, omdat we daarin weer eens op een andere wijze dan dat

gewoonlijk in de geschiedboeken voorkomt, over personen en toestanden

uit dien tijd hooren spreken en wel door een man, die schier overal

van op de hoogte kon zijn. Wat hij nu over het ambt, dat Tromp te

land bekleedde te zeggen heeft, is wel niet veel bijzonders, maar

we leeren er toch uit, dat de gewezen zeekapitein te Rotterdam bleef

wonen, en dat hij aangesteld was "als directeur over de schepen ten

oorloge van Helvoet varende."

Maar over iets anders geeft diezelfde Nicolaes van Reigersberch

belangrijker bijzonderheden, en wel over de wijze, waarop zich de

nieuwe admiraal, jonkheer Van Dorp, tegenover de Duinkerker kapers

verhield. Terwijl deze vlootvoogd zich aldoor maar ophield met zijn

scheepsmacht, uit vijftien bodems bestaande, op de Fransche kust, waren

de Duinkerker kapers in de maand Augustus van 't jaar 1635 uit hun

havens geloopen en hadden zich naar de Noordzee begeven, waar zij, tot

groote ontsteltenis van de bewoners der visschersplaatsen, die vaders,

broeders en zonen bij onze haringvloot hadden, een groote schade onder

de buizen hadden aangericht. Ja, men vreesde voor erger. Nog meer

haringbuizen dreven in het Noorden rond, en de Duinkerkers wachtten

eveneens onze walvischvaarders en onze koopvaarders op Moscovië

(gelijk men toen Rusland noemde) met des te grooter stoutmoedigheid op,

naarmate "de zee zeer ontbloot (was) van haer behoorlijcke defentie".

In zijn brief van 1 September 1635 komt Reigersberch nader op deze

gebeurtenis terug. Hij had hooren zeggen, dat de Duinkerkers niet

minder dan zestig haringbuizen vernield en zeshonderd Nederlandsche

varenslui gevangen genomen hadden. En wat eigenlijk het sterkste bewijs

was voor de inderdaad schandelijke manier, waarop onze visschers

en koopvaarders, ja zelfs onze kusten, door onze eigen zeemacht

onbeschermd werden gelaten, was het feit dat op den 31 Augustus van dat

jaar op nog geen mijl afstands zeewaarts in van Westkapelle negentien

Duinkerker kaperschepen gelegen hadden. Want--nu eens niet gedacht

aan de ontsteltenis, welke door deze ontdekking bij de kustbewoners

van het eiland Walcheren werd opgewekt--dat rustig daar liggen van

die negentien schepen was wel een bewijs, dat zij van hun strooptocht

in het Noorden hadden kunnen terugkeeren, zonder door onze zeemacht

in dien terugtocht opgehouden of verhinderd te zijn. De admiraal Van

Dorp was eindelijk wel uit het Kanaal de Noordzee ingeloopen; eveneens

waren nog wel vijftien à zestien onzer oorlogsschepen uit Texel en ook

uit de Maas zee in gestevend; doch de aanwezigheid der Duinkerkers in

het Zuidelijk gedeelte der Noordzee op hun terugtocht van het Noorden,

bewees helaas ten duidelijkste, dat wij alweer te laat waren gekomen.

Hoe kwam toch de toestand van ons zee wezen zoo ellendig? Onze

zeelieden waren de beste van de wereld, onze Jantjes streden in Oost en

West en volbrachten wonderen van dapperheid--en vlak bij het vaderland

zelf kon de marine niet eens de visschers en de koopvaarders tegen

de Duinkerker kapers beveiligen! En dat was dezelfde Nederlandsche

marine, die over eenige jaren de groote zegepraal bij Duins zou

bevechten en een twintigtal jaren later onder Michiel de Ruijter aan

de Engelschen de zeeslagen zou leveren, welke schier eenig gebleven

zijn in de geschiedenis! De goede elementen waren er dus, maar het

ontbrak voornamelijk aan eenheid en aan goede leiding.

De zinspreuk der Zeven Vereenigde Nederlanden was, dat Eendracht Macht

maakte. Toch bleef een Zeeuw zich Zeeuw gevoelen, terwijl een Hollander

weer vond, dat hij een heel ander persoon was dan een Groninger, en een

Fries, trotsch op zijn eigenaardigheden, zijn kop niet graag gebroken

zou hebben, waar ook hij zich weer iets heel aparts gevoelde. Als

de nood aan den man kwam, slingerde zich gelukkig nog al tamelijk

spoedig het verbindende koord om de zeven pijlen heen. Maar als het

ergste gevaar voorbij was, begonnen de zeven pijlen, de een voor en de

andere na, zich te roeren, en wrongen net zoolang, tot het knellende

koord een weinig losser begon te zitten.

Denk-je, dat een Hollandsch zeekapitein blindelings de bevelen

van een Zeeuwsch admiraal geliefde op te volgen? Hij dacht er niet

aan! En de Zeeuwsche zeekapiteins, die, omdat Holland nu eenmaal

machtiger was en het meest in de melk had te brokken, meestal onder

een Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland moesten staan,

deden dat ook al niet met een geheele overgave van ziel. De gelukkigste

oplossing daarvoor is de benoeming van Michiel Adriaansz. de Ruijter

geweest, den Luitenant-Admiraal van Holland en West-Friesland voor wien

zich de Zeeuwen man voor man hadden willen doodvechten, den eenige

ter zelfder tijd, tot wien iedere Hollandsche zeeman met eerbied en

vereering opzag.

Zoo stond het ten tijde van jonkheer Van Dorp geschapen met den

naijver tusschen de verschillende zeelieden van de verschillende

provinciën. Doch er kwam nog iets anders bij. De zeekapiteins

waren voor het grootste gedeelte opgekomen uit het dappere zeevolk

dier tijden, zeerobben, die overal heen gezwalkt waren en de

zeevaart werkelijk niet uit een boekje hadden geleerd. Het waren

onversaagde lieden, dappere degens, door tallooze gevaren, avonturen

en scheepsgevechten mannen geworden, die in een oogenblik van groot

gevaar precies wisten hoe ze handelen moesten. Hun lust in hun leven

was áánvallen, áánpakken. Dat ging langs de baren als de Noordwester

zelf: wie weerstaat hem, wie houdt hem tegen? En lieten zij zich dat

niet doen door een vijand, ze lieten zich evenmin de wet voorschrijven

door een admiraal.

Nu ja, er moest nu eenmaal een hoofd zijn. Maar daarom behoefde hij

geen leider te wezen! Waren ze kinderen, zij, die groote, breede,

zware zeekapiteins, waaromheen iets wijds en geweldigs heenging,

alsof ze veel meer plaats innamen dan een landrot! Bevelen? Welke

vrije Fries en Hollander en Zeeuw liet zich dat eigenlijk doen? Als

je kajuitsjongen was, werd-je afgeranseld, maar je spartelde terug

indien er ten minste een vent in je stak. En als je zoo'n zware,

kantige, bruingebrande matroos geworden was, werd-je neergeslagen

door d'n ouwe, indien je z'n zin niet deed, en daarmee was het uit,

of.... je voelde je één met hem, vloog op z'n commando's vlug als een

aap overal heen in het tuig dier reusachtige masten, omdat het losging

tegen den storm of tegen den vijand en d'n ouwe òveral voor stond,

en je door het noodweer zou heenhalen of je dwars door den vijand

heen zou doen slaan. Die ouwe--hij was de ziel van heel het schip,

een kwaaie rakker, zeker, maar die zèlf aan kon pakken; met de eene

hand een onbekwamen matroos een veeg om de ooren, maar met de andere

hand het voorbeeld kon geven hoe men werken moest.

Maar.... denk-je dat d'n ouwe nu op zijn beurt onder één macht ter

wereld wilde staan! Hij zwol er van op, als hij aan zoo iets dacht,

en dan was het een heelen dag onweer aan boord van 't schip. De

jongens zagen wel aan zijn gezicht, hoe d'n ouwe het opnam, als

van het admiraalsschip geseind werd, dat deze kapitein hier en die

kapitein elders heen moest, den vijand aangrijpend op een wijze

gelijk de admiraal dat wilde. D'n ouwe hàd geen bevel noodig. Hij

wist het zelf wel.... en hij bruiste er op los. Maar omdat ieder

het liefst op eigen gelegenheid wilde strijden, en, kon het, straks

enteren, en vechten man tegen man,... waren de pijlen er wel, maar de

samensnoerende band ontbrak. Het tegengestelde gebeurde dan, van wat de

vereenigde pijlbundel tot onderschrift had: de tweedracht verstrooide.

We hebben nu alleen oog gehad voor die dappere en onversaagde

zeekapiteins, gelijk er in onze zeegeschiedenis nog meer vergeten

zijn dan er in opgenoemd worden. Er waren evenwel ook andere,

wien het minder om de eer dan wel om den buit te doen was--al liet

de buit niemand onverschillig--en het liefst van al ter kaapvaart

uitgezeild waren. Viel er meer te verliezen dan te winnen, dan zagen

zij niet in, waarom zij niet heel verstandig een scheepsstrijd zouden

ontwijken. En ook zij bekommerden zich niet bijzonder om de bevelen

van den admiraal. Bleek de vijand hun te sterk, dan zagen zij er geen

schande in terug te wijken en soms een geheelen zeeslag in verwarring

te brengen, gelijk helaas meer dan eens in onze zeegeschiedenis,

zelfs in latere jaren, voorgevallen is. Ook waren er kapiteins, die

voor hun plezier leefden, zich het liefst bij de kust ophielden en

graag een haven opzochten, om daar eens pret te maken; de beruchte

landgangers. Het was voor zulk soort kapiteins, en voor de lafaards,

die er óók onder hen, gelijk onder elke verzameling menschen, gevonden

werden, dat er, volgens de driftige admiraal Witte Corneliszoon de

With, geen hout genoeg in Holland groeide om er voor hen galgen

van te maken. Maar die onstuimige admiraal Dubbel Wit zat op dit

oogenblik nog in Den Briel, waar hij reeder van een haringschuit

was geworden, eens naar zijn boomgaard liep om te kijken of soms

die satansche kwâjongens alweer appelen en peren gestolen hadden,

en tusschen zijn buien van drift en opwinding door, zijn best deed om

diaken van de Groote Kerk te worden, wat maar niet lukken wilde. Hij

had het, evenmin als Tromp, onder zulke omstandigheden op zee uit

kunnen houden. Hij was een van die eerstgemelde zeekapiteins geweest,

maar dan een bijzonder ongemakkelijke. En dacht-je, dat hij nu staan

wilde onder een man als admiraal Van Dorp?

Was hij dan een lafaard, die jonkheer Van Dorp, wien het verbitterd

gepeupel van Veere met steenen wierp, aan wien de visscherbevolking

van Maassluis en Vlaardingen en Den Briel al de schuld gaf van den

ellendigen toestand ter zee?

Ik zou dat niet graag willen beweren. Men kan een man van moed en

kennis en doorzicht zijn, en toch ongeschikt voor zekeren post. Het

ambt van admiraal--Emir al Omra, dat is Heer der Zee--scheen door

zijn eigen aanzien en gewicht mede te brengen, dat het ook zeer

eigenaardig door een man van aanzien en gewicht bekleed werd. Het

lag als 't ware voor de hand, dat de ruwe zeelui den stuggen kop

zeker niet buigen zouden voor een van hun gelijken. De achting en

het ontzag voor een aanzienlijk persoon maken aan den eenen kant het

bevelen gemakkelijker en aan den anderen kant het gehoorzamen niet

zoo moeilijk. Ware jonkheer Van Dorp van kind af aan op zee geweest,

niet voor zijn plezier maar om te leeren door de ervaring, hetzij

als scheepsjongen van zijn vader, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp,

hetzij, zooals later mogelijk was, als adelborst, gelijk de Brielsche

burgemeesterszoon Philippus van Almonde bij Michiel de Ruijter--het

zou waarschijnlijk niet zoo ellendig gestaan hebben tegenover de

Duinkerker kapers. Zijn aanzienlijke afkomst had hem bovendien over

die bergen van bezwaren kunnen heentillen, waar Tromp doorheen heeft

moeten boren en wroeten. Maar bij die naar pek en teer en zeezout

riekende kapiteins stak hij te veel af. Zij wisten meer van den

huidigen toestand van het zeemansvak af. Hij maakte fouten, die door

de visschers op de haringbuizen, door de halfwassen brasems op het

oorlogsschip besproken en belachen werden. En er ging een kreet door

de visschersplaatsen en langs de schepen van oorlog, koopvaardij en

vischvangst, weldra een kreet door heel het land: een pekbroek hebben

we noodig en geen jonkheer!

En al luider en dringender werd die kreet. De Duinkerkers toch werden

hoe langer hoe driester en brutaler. In de maand Mei van 't jaar 1637

schreef Nicolaes van Reijgersberch aan den geleerden Grotius, dat

de gevreesde kapers zich op onze kusten en voor onze zeegaten hadden

vertoond. En dat niet met bescheiden scheepjes, maar zooals op den 19en

Mei met zeven koningsschepen en 7 fregatten. Die veertien bodems lagen

voor Texel voor anker, en.... jonkheer Van Dorp was met twintig schepen

in zee om de Duinkerkers op te zoeken, en nergens had hij ze kunnen

vinden! Dat zal weer heel wat ontevredenheid baren onder het zeevarende

volk, meent Reijgersberch, waarbij nog komt dat de vijand van dag tot

dag de gevangen Nederlanders harder begint te behandelen. Vroeger

zonden de Duinkerkers een gevangen genomen scheepsjongen om niet

naar huis; nu vragen zij maar eventjes honderd gulden voor zoo'n

snuiter. Als losgeld voor een bootsman eischen ze tweehonderd en voor

een schipper van een vischschuit zeshonderd gulden. De zeemacht der

Duinkerkers is al tot ongeveer achttien koningsschepen en tusschen

de dertig en veertig fregatten geklommen, en, als het zoo voortgaat,

zal dat aantal nog wel vermeerderen. Want--en hier voert de raadsheer

iets heel eigenaardigs uit die dagen aan--het bootsvolk gaat dáár

heen, waar buit en voordeelen te behalen zijn. Met andere woorden:

er gingen een partij Nederlandsche zeelui met pak en zak tot de

Duinkerkers over en werden zelf kaper, om het zeevolk van het eigen

land aan te vallen, de schepen van het vaderland aan te randen en

als het kon uit te plunderen.

Welk een toestand!

Dat kon toch heusch zoo niet blijven. En eigenlijk was het ergst nog,

dat we al een tiental jaren geleden dit óók gezegd hadden. Toen was

Van Dorp op zij geschoven en had men "een pekbroek" aan het hoofd

onzer vloot geplaatst, Piet Hein, die het van scheepsjongen af tot

zulk een hoogte gebracht had. Die had de hooge waardigheid aanvaard

op voorwaarde, dat hem een grootere macht dan gewoonlijk zou worden

toegekend, aan de kapiteins had hij instructies gegeven waaraan zij

zich te houden hadden hoe wonderlijk zij er ook van mochten opkijken,

maatregelen had hij genomen om de matrozen beter eten te verschaffen

en in 't algemeen het lot zoowel van hen als van hun meerderen te

verbeteren. Doch.... reeds na twee maanden was Piet Hein gesneuveld,

Van Dorp was weer teruggekeerd, en wel zocht men nu de verbetering

hierin door aan den Stadhouder een zeer groote macht in de zeezaken te

geven, maar in de eerste plaats werd hierdoor alweer de jaloerschheid

van andere machten in den staat opgewekt, en in de tweede plaats

kon men met den besten wil ter wereld de geldmiddelen, noodig voor

het uitrusten van schepen en het beter en regelmatiger betalen van

kapiteins en zeevolk en leveranciers van de scheepsbenoodigdheden,

niet ruimer doen vloeien.

Voor die uitrusting en het betalen der zeelieden moesten de colleges

van admiraliteit zorgen. Daarvan waren er maar eventjes vijf in ons

land, wat niet erg tot de éénheid van uitrusting medewerkte. Het

geld werd gevonden uit de rechten, die geheven werden van de

binnenvallende en uitzeilende schepen. Hoe meer koopvaarders nu

door de Duinkerkers genomen werden, hoe minder de binnenvallende

schepen opbrachten, en, omdat men al meer en meer bevreesd begon te

worden om koopvaardijschepen te doen uitzeilen, nam ook de opbrengst

met het aantal dier schepen af. Hoe langer hoe meer geld had men

noodig, en hoe langer hoe minder werd er opgebracht. Zoo kon men de

kapiteins der oorlogsbodems niet regelmatig betalen, en deze kregen

niet veel vergoeding door de buitgelden. Want buit was er bij de

Duinkerkers niet te halen. Zij hadden geen rijkgeladen koopvaarders,

en als men het geluk had van hen een paar schepen te veroveren,

waren dat bodems, die voor den oorlog waren uitgerust, dus niet veel

opbrachten. Nu zullen we er maar van zwijgen, dat door sommige leden

van een admiraliteits-college nog aanzienlijke sommen verdonkeremaand

waren geworden. Die lieden werden zwaar gestraft; dus zij, die dat

schandelijk voorbeeld wilden volgen, konden er zeker van zijn dat

men op hen ongenadig de algemeene ellende verhalen zou.

Neen, er moest op andere wijze geld voor de vloot worden

verschaft. Konden de admiraliteits-colleges niet meer genoeg opdiepen

uit de convoyen en licenten--gelijk men toen de rechten van inkomende

en uitgaande schepen geheven gewoon was te noemen--dan moesten de

provinciën maar bijspringen.

Goed! zeiden die provinciën, beloofden veel, maar.... betaalden voor

het meerendeel niet. De provinciën, die niet aan zee gelegen waren

en dus dachten in 't geheel geen belang bij de zeevaart te hebben,

bleven het geld, dat zij betalen moesten, doodkalm schuldig. Evenwel,

eenige verschooning hadden zij voor deze zonderlinge handelwijze

zeker wel bij te brengen. Juist in die jaren was de oorlog te land

weder begonnen. Steden werden belegerd en legerscharen werden bij

elkaar getrokken, om den Spanjaard in de Zuidelijke Nederlanden te

bestoken, waartoe we verplicht waren door een verbond, dat we in

't jaar 1635 met Frankrijk gesloten hadden. Van dien oorlog te land

leden de landprovinciën het meest, en die dachten nu: "wel kom: laten

de zeeprovinciën nu maar flink voor de vloot zorgen. Hebben die last

van de Duinkerkers, wij hebben last van allerlei soldaten." Wat bleef

den zeeprovinciën anders over, dan aan eigen verplichtingen te voldoen

en te trachten het aandeel der landprovinciën geheel of gedeeltelijk

voor te schieten, wat meestal ook maar "betalen" beteekende! Hoe meer

nu de zeevaart leed, hoe minder welvarend die zeeprovinciën werden

en des te trager vloeiden de bronnen, waaruit men putten kon voor de

uitrusting en het onderhoud van de vloot. Zoo kwam men, als bij een

cirkel, altijd weer bij het uitgangspunt terecht: de zaken ter zee

moesten beter gaan.

Als het niet goed gaat in een leger, op een vloot, ja, bij een geheel

volk, dan hangt voorzeker wel de verbetering af van de goede gezindheid

der soldaten, der zeelieden, der burgers; doch meestal--de geschiedenis

toont het herhaaldelijk aan--moeten eerst al die goede gezindheden,

die voornemens en plannen als in één brandpunt samen worden gebracht,

om plotseling, en tot verrassing van tijdgenoot en nakomeling, als een

wijdstralend licht over de wereld heen te schitteren. Tot het licht

wendt zich al wat leven heeft, het nietige mugje zoowel als de zichzelf

bewuste mensch. Tot den man of de vrouw, die in zich den wil en de

kracht van een volk samen voelt komen om ze in daden om te zetten,

voelt zich dat volk aangetrokken. De eenvoudige visschersbevolking

onzer kustplaatsen en ook de lieden die tot de Heeren behoorden, welke

"te wijzen" hadden wat de mindere man zou "prijzen"--drukten het door

den kreet: "Een pekbroek aanvoerder van het zeewezen" als bij ingeving

uit, dat de uitkomst in al die ellende verwacht werd van één man.

Wie zou die man zijn?

Tot nu toe had prins Frederik Hendrik jonkheer Van Dorp

gehandhaafd. Dat lijkt op het eerste gezicht heel wonderlijk. In zeker

opzicht zou men dit gevoelen van den Prins hierdoor kunnen verklaren

en zelfs tot op zekere hoogte verontschuldigen door er op te wijzen,

dat Frederik Hendrik in de eerste plaats soldaat was, dat het leger

bovenal zijn hart bezat en dat zijn hoofd vol was van allerlei plannen

met dat leger te volvoeren of door dat leger te bereiken. Maar aan

den anderen kant lag er toch iets flinks in, om niet dadelijk een

bevelhebber te laten vallen, die niet gelukkig was. Wat jonkheer Van

Dorp was, had hij in 't jaar 1625 bewezen, toen hij om zijn dapperheid

in den zeestrijd tegen die van Rochelle door den Franschen koning tot

ridder was verheven, en wanneer men er tegen Frederik Hendrik over

sprak, dat Van Dorp de zee niet van de Duinkerkers zuiveren kon,

had de Prins schouderophalend geantwoord, dat het al moeilijk ging

om een stad van dieven en roovers te zuiveren, hoeveel te meer dan de

onbesloten zee! Door de groote macht in zeezaken, welke men den Prins

had opgedragen, had men tegelijkertijd een groote verantwoordelijkheid

op zijn schouders geladen. Hij was er de man niet naar, om zich die

van den hals te schuiven door de schuld op een minder gelukkigen

bevelvoerder te werpen en dien op te offeren aan hetgeen de waan van

den dag kon zijn. Een Oranje stond daarvoor evenzeer te hoog als een

Jan de Wit, die.... later Maerten Harpertsz. Tromp gehandhaafd heeft

óók al tegen de ongenade van de meening des volks in. Eerst toen de

klachten een vasteren vorm aannamen en tot in de Staten van Holland

doordrongen, achtte de Prins het oogenblik gekomen den admiraal los te

laten, wiens zelfgevraagd ontslag, benevens dat van den vice-admiraal

Liefhebber, door hem werd aangenomen.

En.... nog eenmaal, wie zou thans de man zijn, de krachtvolle

persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen

om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze

vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn

een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen

onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn,

die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had,

maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het

Nederlandsche zeewezen zou worden?

In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den

16den October 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich

in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter

vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal

en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden "de

Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz.,

den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh".

Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te

voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. "in

goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp

tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael", die

zij wenschten, dat spoedig tot deze ambten verheven werden. Maar

als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen

zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz.,

die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de

directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen "om den Vyant

daermede te gaen bespringen in de Kanael".

Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing

een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons

zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot

luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De

eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen

zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral

in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een

man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde,

was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die

stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes

van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

KETENEN VAN GOUD EN EEN METALEN BERG.

Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw · 第 4 / 11 段