En het was gebleken, dat men hier een zeldzame vangst gedaan had. De

als gewoon matroos ingelijfde Christenslaaf bleek weldra in kennis van

zeezaken de meesters van zijn boot verre te overtreffen. Eerst had hij

schier lusteloos en onverschillig het gewone matrozenwerk gedaan. Daar

was hij immers van kind af aan geheel en al mee vertrouwd. Maar bij

het opkomen van een storm, in oogenblikken van groot gevaar voor

allen, was toch de bekwame zeeman in dien lusteloozen matroos wakker

geworden. Hij zag glad verkeerde maatregelen nemen. Eerst mompelde hij

wat, toen riep hij het uit, en, als hij niet verstaan werd, greep hij

maar dadelijk aan. En, wonder boven wonder, door zijn beleid bleef

het vaartuig behoed voor vergaan. En al meer en meer kwam het uit,

welk een bijzonder ervaren zeeman hij was, die reeds op zijn achtste

jaar het Brielsche zeegat was uitgevaren en er nu drie-en-twintig was,

en van de jaren daartusschen slechts een klein gedeelte aan wal had

doorgebracht. "Hij verstond hem (zich)," zegt een tijdgenoot, "op de

Bochten der oevers, de Capen, de boesemen, de droochten, de diepten

der wateren, de gelegentheyt van de beweegingen der Zee en Landen

in alle wijcken en streecken; het ghebruyck ende den treck van de

zeyl-naelde (dat wil zeggen: het kompas), de kennisse van de linie,

door de welcke een Schip uyt d'een plaets in d'ander gebracht kan

worden, de lengte ende breedte van plaetsen, en eyndelick was hij in

de konst van stueren bovens andere wel ervarene seer wel geoefent". In

't kort: Tromp was "in de zeevaert zoo ervaren gheworden, dat hij

niemant in wetenschap en behoefde te wijcken".

Kan het dan verwondering baren, dat zulk een kranig zeeman langzaam

maar zeker in een goed blaadje kwam te staan bij de Piraten, die,

wat zij ook anders mochten zijn, door en door flinke zeerobben waren?

Nu was ook zijn kunde den Bassa ter oore gekomen, die daarop beval

den jongen Nederlander goed in het oog te houden en voortdurend

berichten van hem te geven. En nadat nu wèl alle oogen en ooren des

Vorsten hem voortdurend omringd hadden, gebeurde het weldra, dat diens

handen hem aanraakten. Dat wil zeggen: hij werd aan wal geroepen,

waar hij nu aan alle kanten vriendelijke gezichten om zich heen zag,

en hem werd te kennen gegeven, dat hij zich voor te bereiden had,

om te verschijnen voor den Bassa.

Die groote dag kwam, en de Frank--, gelijk de Mohammedanen een

Westerling gewoon waren te noemen--, werd voor den machtigen Heerscher

des lands gebracht, die het leven en den dood zijner onderdanen in

den zachten glimlach om de oogen of in den dreigenden rimpel op het

voorhoofd had.

Oostersche pracht en praal omgaven den Vorst, de grooten des lands

omringden hem, gewapende wachters stonden gereed zijn bevelen op te

volgen, en, volgens de gewoonte aan het Hof van een despoot, school

op den achtergrond de scherprechter.

Doch thans trok niet het zonnelicht van 's Vorsten majesteit aller

oogen tot zich. Aller blikken wendden zich tot den Nederlandschen

zeeman, die, de grooten wisten het al, de man der toekomst zou

wezen voor Tunis, en er waren er, aan wier hart reeds de nijd ging

knagen, dat zij weldra achter zouden staan bij den jongen man, die

de gunsteling ging worden van hun Vorst.

Kalm was de jonge zeeman binnengekomen, eerbiedig had hij het

hoofd gebogen voor den Heerscher, toen hief hij dat hoofd weer op,

en stond daar rustig voor den man, die niet zijn leven in de hand

had. Want over dat leven, zoo geloofden vastelijk de Nederlanders

der 17de eeuw, besliste alleen God en die alleen, en alle menschen,

zelfs de Vorsten, hoe hoog ook hun achting en eere mocht toekomen,

waren slechts werktuigen in de hand des Almachtigen.

De edelen keken elkaar even aan. Zij begrepen die kalmte niet. Was

deze Frank dan al zoo zeker van zijn zaak? Doch de scherprechter

stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam in zijn handen.

Even heerschte er een stilzwijgen vol ontzag in de ruime zaal. Toen

sprak de Vorst in de landstaal, welke Tromp had leeren verstaan,

van het welbehagen, dat hij in den jongen zeeman had, en deze sloeg

nu de blikken ter aarde. Immers waarom zou men roemen op gaven,

die alleen van God komen, en niet anders dan te zijner eere gebruikt

mogen worden? Maar toen de Bassa sprak van dat kleine, nu zoo verre

land aan de Noordzee, overtoog een gloed het gelaat van den zeeman.

De Bassa vatte dit verkeerd op. Want hij had er van gesproken, dat

de jonge Nederlander nu een jaar geleden de thuisreis had ondernomen

voornamelijk om in den weder uitbrekenden Spaanschen oorlog roem en

eer te verwerven. En werkelijk--daarvoor behoefde hij zoo verre niet

te gaan, heel en al naar het nevelige Noorden. Hier in het zonnige

Zuiden lagen al dadelijk "eere ende groote vereeringhen" als voor

hem weggelegd. Zou de hand, die zoo krachtig het roer kon vatten,

thans niet toegrijpen?

Maerten Harpertsz. Tromp zag den Bassa aan. Hij begreep niet goed,

wat deze meende. Wat bedoelde de Vorst met dat aanbod, waarna een

onwillekeurige beweging van ontzag door al de aanwezenden was gegaan,

dat aanbod van het Stuurmanschap van zijn schepen?

Hij, Tromp, was een eenvoudig stuurman, en verlangde niets liever

dan weer als zoodanig aan boord te zijn van een Nederlandsch

vaartuig. En Stuurman over al de bodems der Piraten, leider van heel

de vloot.... Mijn hemel, zou de Bassa bedoelen hem admiraal te maken,

hem, den op zijn best vier-en-twintigjarigen zeerob? Dat leek toch

wel onmogelijk? Hij had het zeker verkeerd verstaan. Menig woord van

den in bloemrijke taal sprekenden Vorst was reeds onbegrepen voorbij

hem gegaan, die van de zeelui wel de landstaal, maar van wat nederiger

gehalte geleerd had.

Als in een droom hoorde bij den Bassa voortgaan en zeggen, dat

een Nederlander niet tegen zijn geweten en eigenbelang handelde,

door dienst te nemen bij die van Tunis. Want de oorlog tusschen

de Spanjaarden en Nederlanders was weer uitgebroken, en geen

geduchter vijanden bezat Spanje in de Middellandsche zee dan juist

de Piraten. Immers had het vooruitzicht van het afloopen van het

Bestand de Nederlanders en de Piraten eenigszins nader bij elkaar

gebracht. Wel een samenbrengen als van hond en kat, maar dan toch

tegenover een gemeenschappelijken vijand.

En voelbaar ging als 't ware een onzichtbare vloeistof van genade

en welwillendheid uit tot den Nederlandschen zeeman. Glimlachjes

zonneglansden over de gelaatstrekken der grooten.

Alleen de scherprechter stond onbeweeglijk en het zwaard bleef waakzaam

in zijn handen.

Toen.... toen begreep en doorvoelde Tromp alles. Een angst, een groote

angst kwam over hem. Voor zijn verbeelding ging de eindelooze zee

in al haar heerlijkheid en begeerlijkheid voorbij, en daarop deinde

een vloot, die de schepping zou zijn van één man, een Emir al Omra,

een heerscher der zee. En--hij zou die man zijn!

Een oogenblik duizelde het hem. Het stormde in zijn binnenste. Het was,

of hij ver kanongebulder hoorde, een saluut voor den man, die zijn

macht gevoelde, diep gevoelde, omdat hij een geboren heerscher was....

Maar eensklaps rijst, als uit dezelfde zee, een beeld zijner weinige

kinderjaren voor hem op, zijn moeder die naast hem knielt voor het

avondgebed, zijn vader die in stervenskramp hem de hand drukt en

wiens brekend oog gevestigd blijft hoog op de Prince-vlag die door

den zeeroover omlaag gesleurd zal worden. "Heere mijn God," bidt

hij zachtkens, "leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den

booze". En als vanzelf volgt nu het jubileerende slot: "Want Uwer is

het Koninkrijk, de kracht, en de heerlijkheid"....

Daar heft de Nederlandsche zeeman het hoofd op. Er is een kracht over

hem gekomen, die, hij gevoelt het, niet meer wijken kàn. De Bassa heeft

zijn rede geëindigd, zijn heerlijk aanbod gedaan. En nu, in mildheid en

genade, eindelijk de vraag wordt uitgesproken, waarop ieder het reeds

te voren verwachte antwoord wel weet, klinkt daar opeens, eenvoudig

maar op vasten toon door de stilte dier welwillende verwachting heen:

"Neen, Heer, nooit doe ik dat!"

Een rilling vaart den aanwezigen door de leden,... en nu komt er

leven in dat bronzen beeld, gelijk de scherprechter tot nu toe leek,

en het zwaard is niet meer rustig in zijn handen.

In de hoogste verwondering staart de Bassa den Nederlander aan. Hij

begrijpt niet,... hij meent niet goed verstaan te hebben. Zijn oogen

vragen een verklaring, hoe ook zijn gedachten zich schuil trachten

te houden in de onbeweeglijkheid zijner gelaatstrekken.

Als smeekend heft nu Maerten Tromp de handen op. Doch niet om te

smeeken, maar om te getuigen.

"Heer," spreekt hij als klagend zoo zacht; "ik heb een land, en dat

land heb ik lief. Ik kàn geen ander volk dienen of liefhebben."

En nu plotseling komt het er forsch en rond en eerlijk bij hem uit:

"Heer.... m'n lichaam behoort aan u; ik ben uw slaaf. Ge kunt er mee

doen, wat u goeddunkt; ge kunt het dooden. Maar wat niet aan u behoort,

is mijn trouw, en die is verpand aan het volk, waartoe ik behoor. Ik

heb maar één trouw, gelijk ik maar één woord heb. Ik kàn niet anders

handelen,... en ge zoudt me toch in uw hart moeten verachten, wanneer

ik anders deed."

Zelden of nooit was zulk een manlijk woord uitgesproken voor

het aangezicht van dezen Vorst, gewoon aan slaafsche kruiperij en

oogendienst. In diep nadenken liet hij het hoofd op de borst rusten

en de blik zijner oogen ging schuil onder zijn zware wenkbrauwen.

De aanwezige waardigheidsbekleeders sidderden voor het leven van den

Nederlandschen zeeman, naar wien ook vol verbazing de krijgsknechten

het oog gewend hadden, vergetende, dat hun blikken gewend moesten

zijn naar hun Heer. Niet alzoo de scherp rechter, die vragend opzag

naar zijn Meester.

Daar hief deze het hoofd op.

"Begrijpt gij wel goed, wàt ge weigert, jongeman?"

"Ja, Heer.... en ik dank u voor uw groote welwillendheid."

"En weet-je wel, wat je in je vaderland zijn zult, als ik je in

vrijheid heen liet gaan?"

Tromp knikte bevestigend.

"Ik zal weer stuurman worden op een koopvaarder, of, als ik in 's

lands dienst ga, misschien spoedig wel luitenant."

"Is uw volk zeer talrijk?"

"Neen, Heer.... mijn vaderland is niet groot en mijn landgenooten

zijn niet talrijk."

Toen rees de Vorst van zijn zetel.

"Dat volk zal nog de wereld beheerschen, als al zijn zonen zijn

als gij!"

Verbaasd zagen allen den Bassa aan.

"Jongeman," sprak de machtige Heerscher, die zeer getroffen scheen,

"keer terug tot uw volk, dat ik benijd en gelukkig prijs, nu ik u

heb leeren kennen.... Ge zijt vrij."

"Vrij?!"

Het was een schreeuw van geluk, die over de lippen van Maerten

vlood. Hij strekte de handen uit, maar hij wist niet, hoe hij zich

houden moest aan het hof van een Oosterling. Vrij? Hij zou weer zijn

moeder terugzien, en zijn meisje, de mooie Dignum, die nooit uit zijn

gedachten was geweest; terugzien heel dat kleine, lieve vaderland met

zijn durf, zijn ópkomst, zijn voorspoed; terugzien de groene golven

der Noordzee en de prachtige wolkenluchten boven de eindelooze groene

weilanden!...

In Koninklijke hoogheid en genade strekte de Bassa de blanke, met

kostelijke ringen versierde hand naar hem uit. Toen boog de jonge

zeeman heel diep en raakte in eerbied even de vingertoppen aan. Maar

op de knieën neervallen, gelijk toch van hem verwacht werd, neen,

dat kòn hij niet. De knieval van den Nederlander was alleen een

nederzinken in diepe afhankelijkheid voor God.

En zoo kreeg Tromp van dezen edelmoedigen en hoogdenkenden Vorst de

heerlijke vrijheid terug.

Maar hierbij bleef het niet.

Op Oostersche wijze overlaadde hij hem met geschenken en liet hem

gaan naar het vaderland, waar nog een toekomst gemaakt moest worden,

die hier aan de schoone stranden der Middellandsche Zee versmaad was.

Met een hart, zoo licht als een vogeltje dat uit de kooi ontsnapt is,

zocht Maerten een scheepsgelegenheid op, om naar Nederland terug te

keeren. Daar kwam hij echter niet dadelijk. Eerst geraakte hij in

Londen, en daar vond hij het schip, dat hem regelrecht overbracht

naar Rotterdam, waar hij den 23sten Juli 1622 zich weder in 's Lands

dienst begaf en wel als luitenant onder kapitein Cornelis de Bageijn.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE KAPITEIN VAN HET ADMIRAALSSCHIP.

Het zou, vreezen wij, weinig belang inboezemen, indien we Maerten

Harpertsz. Tromp stap voor stap volgden in de verschillende graden,

welke hij bij ons zeewezen heeft doorloopen, voor en aleer hij

door Piet Hein geroepen werd, om kapitein te worden op diens

admiraalsschip. We zien hem den 1sten (?) Januari 1624 als luitenant

overgaan bij kapitein Bartholomeus Reijmersz. Jonge Boer, in het

Brielsche Trouwboek eenvoudig als kapitein Mees den Boer vermeld,

en die aangewezen was om de Vlaamsche kust te bewaken. In Juni van

dat jaar vroeg zijn oude kapitein Moy Lambert hem zelf, of hij bij

hem terug wou komen, wat wel voor Tromp getuigt. Den 16den Juni

echter werd hij reeds door Prins Maurits aangesteld tot kapitein

over een oorlogsschip van 40 man. Uitblinkend door dappere daden,

verkreeg hij allengs het commando over grootere bodems, en zooveel

prijzen wist hij aan te brengen, dat hij daardoor den aardigen bijnaam

van Maerten Prijs verwierf. Vooral streed hij tegen onze lastigste

en gevaarlijkste vijanden, gelijk de meeste onzer oorlogskapiteins

toen wel moesten doen, en die vijanden waren de Duinkerker kapers,

die onzen handel en zeevaart ontzaglijk veel schade toebrachten. Wil

men daarvan een voorbeeld, dat niet zoo algemeen bekend is?

Omstreeks het jaar, dat Maerten Harpertsz. Tromp als achtjarige

kajuitsjongen het Brielsche zeegat uitzeilde, dus om en bij het

jaar 1607, voeren gewoonlijk uit Den Briel jaarlijks een 40 à 50

tal schepen om labberdaan en kabeljauw, die binnen deze stad gevent,

verkocht en vandaar naar vreemde landen verzonden werden. Bovendien

gingen een goed getal kleinere schepen op de vangst van schelvisch en

andere vischsoorten uit, terwijl 16 à 17 haringbuizen door burgers

der stad werden uitgerust. Omdat die haring in Den Briel afgeslagen

en naar Frankrijk en de landen om de Oostzee gelegen verzonden werd,

waren er verscheidene koopvaarders en schippers gevestigd, zoodat Den

Briel langen tijd "een goede seestadt es geweest." Maar in 't jaar

1637 moest getuigd worden, dat de stad zeer achteruit was gegaan, ja,

nog dagelijks achteruit ging. Er waren niet meer dan 18 of 19 schepen,

die ter visscherij voeren, en maar 3 haringbuizen, waarvan het gevolg

was, dat de bovengenoemde kooplieden er niet meer kwamen wonen, en

dáárvan was alweer het gevolg, dat deze en andere visch weinig meer

in Den Briel verpakt of bereid werd. Van al deze rampen en van dezen

achteruitgang waren de Duinkerker kapers de oorzaak, die namen en

stalen wat ze maar grijpen konden. Zij hadden vele visschers dezer

Stede "geruïneert ende bedorven, mitsgaders de schepen in de gront

gehakt, soo dat de voorzeide Stede 't sedert weijnich jaeren wel de

tweederde parten gedecadeert ende verarmt es".

Zoo als het in Den Briel ging, zag men het ook in andere visschers-

en zeeplaatsen gebeuren. Vlaardingen en vooral Maassluis konden ervan

getuigen. Nu was bovenstaande getuigenis wel van 1637, dus een jaar of

acht later dan waartoe we in ons verhaal pas gevorderd zijn, maar het

gaf toch te juist ook den toestand in de dagen van Piet Hein terug,

dan dat we het niet als een sprekend voorbeeld konden bijbrengen. 't

Was verbazend welk een durf die Duinkerkers hadden. Ze voeren tot op

de kusten van Schotland, om onze haringvisschers aan te vallen, ja,

brutaalweg voeren zij onze rivieren op en namen de koopvaarders, die

uit zouden gaan en natuurlijk op zulk een onbeschaamde en ongehoorde

stoutmoedigheid niet verdacht konden wezen.

We zouden er niet spoedig over uitgepraat komen, indien we in den

breede de schade en de schande wilden nagaan, door de Duinkerker kapers

aan ons volk berokkend. O ja, het is iedereen bekend, dat ze ons den

slaap uit de oogen hielden, dat in den strijd met hen--een strijd op

leven en dood!--onze zeelieden gehard werden, en dat er zonder de

Duinkerkers, eigenlijk geen Janmaat was gekomen. Maar dat eeuwige

gemartel en die beestachtige wreedheid bevielen onzen voorouders

alles behalve. En ik geloof, dat, als men hen op een heldentoekomst

gewezen had, welke zij voor geen gering deel aan die worsteling met

de Duinkerkers verschuldigd zouden zijn, zij zich op zulk een profeet

zeer boos gemaakt zouden hebben.

't Was dan ook om dol te worden, dat altijd op zijn qui vive zijn

tegen die Duinkerker rakkers. En men moest toch dat roofnest passeeren,

wilde men den Oceaan in. De Noordzee werd voor een groot gedeelte ook

al onveilig door hen gemaakt. Gelukkig mochten zij voor den Koning

van Denemarken niet de Sont passeeren, zoodat onze bijzonder talrijke

koopvaardijschepen in de Oostzee althans niet met hen te maken hadden.

Nu zouden misschien onze voorouders het nog aan de Duinkerkers hebben

vergeven, indien zij het alleen op onze koopvaarders gemunt hadden. Die

voeren nu eenmaal uit in de volle zekerheid, dat zij het wel hier of

daar op de wereld met een vijand te kwaad zouden krijgen. Maar dat

men onzen visscherman op zoo'n ten hemel schreiende manier afmaakte,

dàt deed de gal overloopen.

Niet dat voeten-spoelen was het. Daar waren reeds de Watergeuzen eerste

bazen in geweest. En nu ja, op verdrinken rekende iedere zeeman zoo'n

beetje; het hoorde bij het vak. Maar om daar zoo gemoedereerd een

mensch onder in het schip met spijkers door handen en voeten vast te

nagelen of wel door het oor, en dan het schip te doen zinken... het

was een kannibaal te knap af. En dan zoo'n verhaal van twee visschers,

jongens van onze kust, die den vijand het als een genade afvroegen,

om niet zoo beneden in het schip te versmoren, maar van dek af in zee

geworpen te worden, om te sterven met den hemel boven en de zee rond

zich, en die men in antwoord op hun bede kruiselings over elkaar lei,

hun met een hamer groote spijkers door handen en voeten dreef en zoo

gekruisigd met hun schip liet verzinken!....

Wel--dat kon toch zoo niet langer! Hadden we daarvoor een Piet Hein,

die in de West iedereen met ontzag voor onze vlag vervulde, ja, die uit

dezelfde streken een vloot vol zilver en kostbaarheden had gehaald,

wat onzen voorouders eigenlijk nog het best aanstond? Als Piet Hein

zoover van huis er den wind onder hield, leek het niet meer dan een

staaltje van zijn plicht, dat hij eens hier vlak bij een opruiming

hield onder de moordenaars onzer visschertjes.

"Komaan," zei Piet Hein, "dat zullen we er van hebben." En met

een Vivat voor het land en voor den Prins ging het naar het Nauw

van Calais.

Maar dat het geen tochtje was om een Spaansche Zilvervloot door een

beetje bangmakerij en veel brutaliteit te veroveren, niemand die dit

beter wist dan Piet Hein en zijn jongens. Zouden de Nederlanders niet

gaarne toegegeven hebben, dat de Duinkerkers beter zeelui waren dan

zij zelve,--gulweg wilden zij erkennen, dat er zoo niet veel waren in

de wijde wereld. En wat hen wel ernstig moest stemmen op dezen tocht,

het was niet zoozeer de gedachte, dat er geen kwartier gegeven of

gevraagd zou worden, dan wel dat zij een vader of een broer of een

zoon gingen wreken.

Op het schip van Piet Hein was Tromp de kapitein. Dat was meer om de

eer. Want Maerten had meer dan één schip zelf gecommandeerd, en bij

het onafhankelijke, dat al dien zeekapiteins in het bloed zat, kon het

voor hem ook niet geheel onverschillig zijn, of hij alleen baas was op

een bodem dan wel daarop een tweede rol moest vervullen. Toch--Piet

Hein had hem er toe verkozen en Tromp had niet geweigerd. Hij vond

het een eer onmiddellijk onder een man te strijden, die, evenals hij,

van "minne" komaf was, de zoon van een varensman. Beiden hadden harde

slavernij gekend, beiden hadden zichzelven door het leven moeten

worstelen. En Piet Hein, een dier beroemde self-made vlootvoogden van

ons zeewezen, had in Maerten den toekomstigen held ontdekt, die zou

volvoeren hetgeen hij begonnen had doch uit den aard der zaak nooit

kon bereiken, omdat hij de eerste was, die de hoognoodige eenheid

moest brengen in ons zeewezen, wat bij al die kapiteins, die zoo

ongaarne een teugel gevoelden, heel wat voeten in de aarde had. Die

lieden, echte nakomelingen der Watergeuzen, volgden nog zoo graag

hun eigen willetje, en, in plaats van Nederlanders, gevoelden zij

zich Hollanders en Zeeuwen en Friezen en Vlissingers en Enkhuizers,

en noem zelf nog maar een paar dozijn andere namen op....

Als men uitgaat op een expeditie is er geen grooter teleurstelling

dan wanneer men den vijand, dien men wil afstraffen, niet ontmoet. Nu

mochten de Duinkerkers, als zij door een oorlogsschip achterna gezeten

werden, wel eens een toevlucht zoeken achter de banken voor hun haven

en in alleen bij hen grondig bekende wateren,--ze waren nochtans over

het algemeen geen jongens, om spoedig weg te kruipen. Ook ditmaal

gingen zij niet voor ons op zij en de zeestrijd nam een aanvang. Daar

bulderden de kanonnen, daar werd gecommandeerd en gehoorzaamd, met

seinvlaggen gewuifd.... en daar werd geënterd en gehakt en geslagen

en gestooten--al de gruwelen van een zeegevecht. En al onze jongens

vochten voor en met Piet Hein. Althans dat meenden ze. Want rustig en

wel kwamen van het admiraalsschip de bevelen. En toch was het weldra

Piet Hein niet meer, die de bevelen gaf. Stil en roerloos lag hij neer,

de groote man met zijn kleinen, burgerlijken naam.

Het was Maerten geweest, die hem had zien wankelen, die toegesneld was,

om helaas een stervende in den arm te klemmen. O, het was geen tijd tot

klagen of treuren. De jonge man,--die zijn vader stervend naast zich

had zien neerzinken, die zooveel maats, jonge, vroolijke gezellen,

met wie hij moeite en gevaren, maar vooral het lustige leven van den

zeeman gedeeld had, soms nog met een vroolijken uitroep of een kreet

van aanmoediging of een kort vaarwel aan moeder of bruid op de lippen,

had zien omkomen, de jonge kapitein van het admiraalsschip moest

hier wel dadelijk weten, wat hij te doen had. Voor zijn verbeelding

rees misschien het tooneel van den zeeslag bij Gibraltar, toen hem,

achtjarig kind, verteld werd, dat de admiraal gesneuveld was, maar dat

men deze ramp verzwegen had voor het scheepsvolk, om er toch den moed

niet uit te halen. Maar wat de kapitein ook denken of zich herinneren

mocht, het mocht slechts in enkele seconden geschieden. Een blik ten

afscheid, eerbiedig den zwaarsten dienst volbracht, dien een levende

aan een dierbaren doode moet bewijzen: het toedrukken der oogen,

waaraan men niet anders wil terugdenken dan vol ziel, en toen....

Het was de trouwe scheepsmakker geweest, die de driekleur over het

lijk van den vereerden meester en vriend had uitgespreid, maar het

was een held, die zich ophief en zijn sabel deed flikkeren in het

weerlicht der kanonnen. Geen lafheid mocht thans, thans vooral,

den moed der manschappen neerslaan. En voelden onze Jantjes zich

bezield door de onmiddellijke tegenwoordigheid van den held van San

Salvador, den admiraal, die uit hun midden opgerezen was--het was het

vuur van een gewoon scheepskapitein, dat hen bezielde. En de andere

scheepsbevelhebbers, die dachten te strijden onder een beproefd

vlootvoogd, volbrachten de bevelen van een, wien zij weldra zouden

toonen, dat zij hem volstrekt niet hun meerdere achtten.

De slag was geëindigd; de groote moord van Christenen op Christenen

had weer plaats gehad. Vallen wij hen niet hard, waar de Europeesche

Regeeringen onzer dagen meer millioenen uitgeven voor een te wachten

oorlog, dan zij ooit aan een beschaafder en verlichter nageslacht

zullen kunnen verantwoorden. Maar tòch met onze matrozen een zekere

voldoening gevoelende, dat de wreedaardige moordenaar onzer visscherlui

voor ditmaal gevoelig is afgerost,--staren we naar de driekleur van

het admiraalsschip.

Daar, opeens, een rilling van ontsteltenis, een dof gemompel.... Wat

mag er gebeurd zijn, dat de victorieuze driekleur langzaam en als

onwillig daalt? Moest ze niet, nu vooral, hoog wapperen boven de zee?

Dat rood-wit-blauw halfstok nu waaiend--het was als een slag in het

gezicht, iets als een beleediging, een terging. Dat wàs geen victorie!

Maar--niemand wist, en de kapitein van het admiraalsschip wel het

allerminst, dat onder al die mannen er één was, die een tiental

jaren later de driekleur zou opheffen, hoog boven alle zeevarende

natiën, één van wien de gesneuvelde vlootvoogd eenmaal had verklaard,

"dat hij vele kloekmoedige Kapiteins gekend, doch in dezelve altijd

eenigen misslag hadt gevonden, doch nimmer in Tromp, in wien hij alle

de deugden, die in eenen zee-overste vereischt worden, erkende."

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN JONKHEER OF EEN PEKBROEK.

Dat hij nog eens tot zulke groote daden geroepen zou worden, kon wel

het allerminst door Maerten Harpertsz. Tromp vermoed worden, toen hij

het lijk van den gesneuvelden admiraal, dat in de Oude Kerk te Delft

begraven zou worden, naar het vaderland had teruggebracht. Kort daarop

toch nam hij zijn ontslag uit den zeedienst, en nu scheen hij zijn

verdere leven wel aan wal te zullen slijten. Dat hij zijn ontslag uit

's lands dienst nam, lag ten deele hier aan, dat de Groene Draak,

gelijk het admiraalsschip heette, "uit gunst aan een ander gegeven

(werd): 't welk Tromp zoodanig verdroot, dat hij de zee verliet en

daarna zeker ambt omtrent zeezaken aan wal bediende."

Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw · 第 3 / 11 段