Maar dan blijft het toch een raadsel, waarom hij onder dat harde lot,

hoe jong hij ook was, standvastig is gebleven, waarom zijn hart niet

verbitterd is, zijn arm kinderhart, zoo ruw verscheurd door zulk een

moord, als onder zijn oogen geschied was. Bedenken we wel, hoe er voor

hem aan geen uitkomst te denken viel. Want met den roover zwierf hij

langs alle zeeën der toenmalig bekende wereld. Hoor, hoe een tijdgenoot

dat mededeelt: "Met dese Engelse Rovers heeft hij twee Jaeren lanck de

zee aan allen oorden doorwandelt, ende is gelijck als een vreemt Gesel

van de gheheele Wereldt jae een inboorlingh geweest. Hij heeft hem

(= zich) nergens ter neder ghestelt maer dwalende altijdt, ende met

sijne Zee geweest driftigh, als nu aen 't Oosten, dan aen 't Westen,

des Sons opganck ende onderganck volghende, dan heeft hij onder de

linie de groote hitte, dan de afgrijselycke ende felle koude om den

noordt geleden, dan met de tempeesten van de woedende zee gestreden,

ende uyt een kleyn wolckjen vreeslycke stormen weten te voorsegghen;

nochtans is hij in een tegenstrevende fortuyn altijt manhaftigh en

gerust geweest."

Manhaftig en gerust... de kleine scheepsjongen onder die ruwe en woeste

gezellen; het vaderlooze jongske onder die mannen van bloed en geweld,

wier ruw-ronde hartelijkheid, indien zij hem die mochten betoonen,

hem een gruwel moest zijn, omdat hij zijn vader niet vergeten kon

en mocht; de kleine Nederlandsche knaap onder de Engelschen, die hem

plaagden met het kikkerland van Jantje Kaas, waaruit misschien goede

boeren, maar toch eigenlijk geen able seamen voor den dag konden komen?

Wordt u het raadsel, waarom Maerten onder al die kwellingen manhaftig

en bovenal rustig kon blijven, nog niet duisterder?

Toch--zoek de oplossing niet verre. Noemde ook niet deze Nederlander

de taal, welke hij niet meer hoorde spreken.... zijn moedertaal?

Het is bij de groote liefde, die Maerten Harpertsz. Tromp altijd

zijn moeder toegedragen heeft, buiten eenigen twijfel, dat de hoop om

nog eenmaal zijn lieve moeder weder te zien, den armen jongen heeft

staande gehouden.

Hoe dikwijls zal hij aan haar gedacht hebben in de bange jaren der

slavernij! Ginder in het nevelige Noorden lag het kleine vaderland,

en dáár, dat wist hij, werd ten minste door één wezen zijn naam nooit

vergeten. Wat zou zij angstig zijn om het lot van man en kind. O,

als hij maar even in haar oor had kunnen fluisteren, dat haar jongen

nog leefde en dat hij haar eenmaal terug hoopte te zien.... later,

als hij groot was en middelen vond om te ontkomen. Wat viel hem bij

die gedachte het ruwe leven, dat hij leiden moest, minder hard! Het zou

immers tijdelijk wezen? En wanneer zijn hart vol werd van angst dat ze

sterven mocht, wanneer het heimwee hem al te sterk werd,.... dan wist

hij een talisman te bezitten, zonder welken niet eene Nederlandsche

moeder uit die groote dagen haar kind de wijde wereld in zond; het

geloof in den almachtigen God, voor wien geen zee te wijd en geen

ellende te diep was. Rustig was de knaap, omdat hij geleerd had,

dat wel de beproevingen, maar niet de verzoekingen van den Heer kwamen.

En met zulk een groote kracht, volbracht in zijn zwakheid, heeft hij,

die eenmaal strijden zou om zijn volk voor het juk der dienstbaarheid

te behoeden, de slavernij leeren kennen. Hij, die bevelen zou over

velen, die het lot van duizenden in zijn hand zou hebben, heeft hier

geleerd wat het is, een rechtelooze ondergeschikte te zijn. Hij,

die er in latere jaren op gesteld was, om te midden van zijn matrozen

zoo eenvoudig mogelijk te leven, deelende in hun moeiten en bezwaren

en zijn zorgen uitstrekkende tot den minsten schepeling,--heeft in

die harde slavernij geleerd wat nood en ellende is. En hij, die vol

vriendelijkheid was voor ieder, die zijn ondergeschikten noch afsnauwde

noch vernederde, maar hen vriendelijk toesprak en niet schroomde tot

Janmaat in diens eigen taal een woord te spreken, dat regelrecht tot

het hart ging,--heeft in zijn kinderjaren dikwijls in de stilte van

den nacht geschreid, omdat hij behoefte had aan één goed woord....

Maar--aan den anderen kant--geen ziekelijke droomer is er uit dien

scheepsjongen gegroeid. Te drommel, wie aan boord van den zeeschuimer

geen aanpakken leerde, geen handige, pootige kerel werd, was kort en

bondig voor de haaien. Want als men hem niet over boord geworpen had,

zou men hem het leven zoo zuur gemaakt hebben, dat hij er zelf op de

een of andere wijze tusschenuit was gegaan. Ruwe bonken waren ze, die

Vrijbuiters, maar zeelui van top tot teen, lui, met wie om te springen

was, als men zelf merg in de knoken had, als men zelf iets in zich

voelde leven van een Jan Couragie. En welk een echte zeeman Bestevaer

Tromp was--wel het is nog eens hartig gezegd, toen de Staten na zijn

dood een landofficier tot vlootvoogd benoemden. "Die vorige admiraal,"

zeide men, en bedoelde er Tromp mee, "dat was een echte pekbroek!"

Welke plannen Maerten moge gekoesterd hebben om te ontkomen, weten we

niet. Tot een uitvoering ervan is het nooit gekomen. Want de roover

zelf werd dit zwervend en ongedurig leven zat, toen hij genoeg meende

te hebben geroofd, om er nu verder aan wal een rustig leventje

van te kunnen nemen. Zoo iets had meermalen plaats bij befaamde

zeeroovers. Zij onderhandelden dan in een of ander land, om daar weder

in genade aangenomen of bij het zeewezen, liefst bij de kaapvaart,

geplaatst te worden. Zij kochten hun pardon, noemde men dat destijds,

en daar boden zij, niet altijd te vergeefs, ontzaglijke sommen voor.

Iets dergelijks had ook met deze zeeroovers plaats. "Naedat sij",

zegt de meer aangehaalde tijdgenoot, "conditiën met den Hertogh van

Savoyen ghemaeckt hadden, (werd hun) een vrye plaets om te herbergen

toegestaen." Maarten werd daar in vrijheid gesteld en heeft zich,

"in sijn gemoet doen alreede groote saken overleggende, wederom naer

zijn Vaderlandt begeven."

VIERDE HOOFDSTUK.

ALLERLEI PLANNEN.

"Vaarwel!" was de afscheidsgroet geweest, welke de vrouw van Harpert

Tromp het wegzeilende schip had nagewuifd, dat haar man en haar zoon

aan boord had. Toen had zij zich naar haar woning terug begeven, om

zich weder geheel te wijden aan haar huiselijke bezigheden en aan de

opvoeding harer kinderen, voor wie zij nu vader en moeder tegelijk

moest zijn.

Nooit waren haar man en haar zoon uit haar gedachten. Zij sprak over

hen met haar kinderen; glimlachend, als die de mondjes er niet over

stil konden houden waar nu toch het schip van vader al kon wezen

en wat hun groote broer nu weer voor aardigs van de verre reis zou

medebrengen; ernstig, als zij de drie zusjes naar bed bracht en dan met

ze bad voor vader en broer, die zoo verre, verre weg waren en omringd

konden zijn door gevaren. Dan nog enkele avond-uren van alleen zijn,

bezig met allerlei huishoudelijke zorgen, tot zij die, moede van den

drukken dag, op zij schoof, om het einde van haar dagtaak te wijden

aan het groote, dikke boek, waar, voor in, de namen van haar en haar

man en van Maerten en de drie zusjes stonden, en achter nog niet

één was Godlof de datum en 't jaar van het overlijden ingevuld. De

jaren eens menschenlevens zijn zeventig, of, als wij zeer sterk

zijn, tachtig, en haar Harpert was nog jong en krachtig. Dan kwam er

plots een angstig gevoel over haar. Stond in dat dikke boek ook niet

geschreven van de stormwinden die waaien en die een bloem in vollen

bloei knakken? O, het leven des menschen is zoo broos! Wie wist dat

beter dan een zeemansvrouw der 17e eeuw? Maar sprak dat dikke boek van

het brooze eens menschen--het gaf tegelijk een troost, een opbeuring,

ja een vastheid en een macht, omdat het van het eeuwige, omdat het

van God sprak. Dan werd het heel stil in de kamer, alleen nu en dan

ritselde een blad van den Bijbel.... En toch dóór die bladen heen zag

moeder de wijde zee, en, als een notendop in die oneindigheid, het

schip waarop zich de twee wezens bevonden, wier lot zij nu biddende

toevertrouwde aan Hem, wiens geest eenmaal zweefde op de wateren....

Maanden gingen voorbij, véle maanden. En er kwam maar geen tijding

van man of zoon.

Och, zoo troostte zij zich, Harpert zal alweer verder gevaren zijn

dan eerst in het plan lag. Hij is ook zoo'n durver, zoo'n ondernemer,

neemaar zijns gelijke moet nog op zee gaan varen! Of wel.... hij zal

weer vracht ingenomen hebben naar andere havens, en aan de vaart zal

hij blijven, tot hem op een goeden dag een gunstige wind naar het

vaderland zal waaien....

Doch de maanden volgden elkaar op, ze werden jaren,.... en geen

tijding van man of zoon.

Ja, nu moest hij toch spoedig komen. Want.... er begon zoetjesaan

gebrek aan verschillende dingen te komen. Kinderen zijn zoo

slijterig.... en de buren behoeven niet te weten, dat er geen geld meer

in kas is! 't Werd hóóg tijd, dat haar man terugkwam. Met de naald had

zij al wonderen gedaan, om de kleertjes van de zusjes fatsoenlijk te

houden; maar nu die dun en versleten raakten, vreesde ze, dat de buren,

die ook al meer en al dringender begonnen te vragen waar Harpert toch

heen voer dat hij zoo lang uitbleef, iets gingen vermoeden.... van wat

niet waar kon zijn. Want, al begon nu het worstelen met den nood en

de ellende.... gelooven dat haar man en haar lieve jongen dood waren,

verdronken of vermoord ginder in verre en vreemde gewesten--dat kòn

ze niet gelooven.

En weer ging ze als tersluiks langs de kaden, turende of nòg al

niet het zoo bekende schip als vol verlangen aanjoeg langs de rivier

de Maas.

"Arme vrouw!" zeiden de menschen; "ze hoopt altijd nog."

En eerbiedig verzweeg men voor haar, dat niemand meer hoop koesterde

op een wederzien van vader of zoon, niemand.... dan zij alleen.

Daar.... op een avond, plotseling, een veertienjarige jonge maat,

maar die veel ouder leek, vóór haar. Bruin verweerde wangen,

vereelte werkhanden, maar.... de heldere, trouwhartige kijkers

van haar zoon. Twee stevige armen, die haar vast omklemmen. Een

vreugdekreet.... een snik.... God had haar het kind teruggegeven

uit harde, lange slavernij, teruggegeven óók om haar troostend

en liefkoozend te vertellen, dat die kloeke vader gestorven was,

gestorven.... en er kwam iets mannelijks over het gelaat van den

knaap--gestorven, ja, maar als een held!...

Nu was er geen denken meer aan, dat Maerten naar die booze zee

terugging. Hij zou nu bij moeder blijven, haar troost en.... haar steun

zijn. Het zou voor hem geen behaaglijk passagieren aan wal wezen, om

eens gezellig uit te rusten van de doorgestane vermoeienissen. En zoo

is het gekomen, dat hij, de toekomstige admiraal, zich het schootsvel

om de lenden bond en in Rotterdam als een timmermansjongen rondliep.

Dat zal toch wel een wonderlijke ambachtsjongen geweest zijn,

die Maerten Harpertsz., een gezel, die den geur van de zee in de

timmermanswerkplaats bracht. Derdehalf jaar had hij geleefd buiten de

geordende maatschappij, de wereld was hem niet wijd genoeg geweest,--en

nu zat hij opgesloten tusschen de wallen van een stad en de muren van

een werkplaats. Een stormvogel in een kooi. Maar déze vogel werd niet

door de wreedheid der menschen in een te eng en benauwend gedeelte

van zijn gebied, dat de wijde wereld was, opgehouden. Hier heeft deze

jonge maat den lust van zijn leven uit eigen hart willen wegrukken,

omdat zijn plicht om voor moeder en de zusjes te zorgen, omdat de

liefde tot zijn moeder, die beefde bij de gedachte ook hèm te zullen

verliezen, hem dit gebood. Wij zouden hier niets van weten, als later

niet zijn benijders het hem als een schande hadden willen toerekenen,

dat hij met het schootsvel voor geloopen heeft en het daarom smalend

overal vertelden en zelfs in boekjes lieten drukken. Een mooie

admiraal--bedoelden zij hier mee--die timmermansjongen in Rotterdam

is geweest. Wij.... dànken die benijders voor hun mededeeling. Zonder

die mededeeling toch zouden wij met een der grootste victories van den

nobelen zeeheld onbekend zijn gebleven, de overwinning toch van zijn

geestkracht op het verlangen naar de zee, dat hem dag noch nacht rust

liet, dat áángroeide met de dagen en weken en maanden en jaren.... en

al dat stille leed heeft hij geleden uit liefde tot zijn moeder.

Het heeft zeker wel een geruime poos geduurd dat Maerten aan wal

doorbracht. Eindelijk schijnt hij van de schaafbank weggehaald te zijn

door een schipper, die het zonde vond, dat zoo'n echte stormvogel zou

vergaan in een kooi. En toen ook moeder had ingezien welk een groot

offer haar jongen uit liefde voor haar bracht, was zij wel de eerste

om zich in waarheid een moeder te toonen, de vrouw, die zichzelf

desnoods zou opofferen voor het geluk van haar kind. En zoo--luchtig

en opgeruimd, happend naar den vrijen wind van den zouten plas, voer

Maerten met dien schipper mee, die Cornelis de Haes heette. Het ging

niet ver. Naar Rouaan. Maar op dat eerste reisje volgde een tweede. En

verder ging het als van een leien dakje.

Een geest van geluk was er over den flinken maat gekomen, die er, met

zijn achttien jaren, wel mocht zijn, en als hij in Rotterdam was, wel

eens een avondje bij zijn moeder verzuimde. Die glimlachte daarover,

stilletjes en in herinnering aan haar eigen jonge jaren. Want ze

wist het heel goed, waarom Maerten zoo dikwijls bij schipper De Haes

aanliep, zelfs toen hij niet meer bij hem voer. Als ze er Maerten

naar vroeg, zei hij, dat hij met den schipper over allerlei zaken

van de zeevaart had te spreken. Maar als moeder dan, zoo of ze het

zonder erg deed, vroeg, of de mooie Dignum er altijd bij zat wanneer

de schipper het over die zeezaken had, kreeg Maerten een kleur tot

achter zijn ooren en wist niet, hoe hij er zich uit zou praten.

Maar toen Maerten het uitgevonden had, dat het op die manier het

gezelligst was om met vader De Haes over de zeezaken te praten,

en op zijn dikwijls lange zeereizen er zich wel eens op betrapte,

dat hij toch eigenlijk meer aan Dignum dacht dan aan vader De Haes

met diens zeezaken erbij--ja, toen was hij al een jaartje ouder, en

de zorgen van moeder waren ook al voorbij. Sapperloot--daar rolden

in die dagen zooveel blanke schijven langs de zee, dat een jonge,

gezonde maat met een paar handen aan zijn lijf er aardig wat van op

kon garen en in den buidel stoppen, welke met vroolijk geklinkklank

op de tafel geworpen werd vlak voor moeder, die de handen ophief

alsof ze er van schrikte, maar die lachte, làchte met heel haar

wezen, en dankbaar de hand streelde van den jongen, die zoo voor

haar zorgde. En vader De Haes gaf zijn dochter ook maar niet aan den

eersten den besten! Maerten moest eerst ruimschoots een vrouw kunnen

onderhouden. En toen hij dat kon.... wel, toen was het bruiloft in

Den Briel. Want daar had de ondertrouw plaats op den 14 April van

't jaar 1624, terwijl het huwelijk bevestigd werd den 7den Mei in de

statige Sint Catharina, dezelfde kerk, waarin eenmaal het "knechtje"

gedoopt was en aangesproken met den naam van Maerten. We hebben ook

een afdruk gegeven, van wat men daaromtrent in het nog bestaande

Trouwboek van Den Briel vindt. We lezen daarin van dien ondertrouw:

"Marten Herpertsz Jonges(el): Luijtenant van Capn Mees den Boer ende

Dignum Cornelis Jonge dr wonen(de) int Noordt-eynde." En terzijde:

"dese sijn bevestigt op den 7n mey".

Men ziet hier uit, dat de jeugdige luitenant ter zee in het register

nog niet als Tromp werd ingeschreven. Dat geschiedde in datzelfde

Trouwboek eerst twaalf jaar later, gelijk men uit den vierden afdruk

lezen kan.

Want Maerten heeft Dignum niet mogen behouden, al is hij toch negen

jaar met haar gelukkig geweest. Hij kocht toen voor haar een graf in

de St. Laurenskerk te Rotterdam, van welks sluitsteen een afbeelding

hierbij gevoegd is, en dacht en hoopte niet anders, of hij zou ook

eenmaal in datzelfde graf rusten. Dat duiden wel de twee wapenschilden

aan, welke gij op dien steen ziet en waaronder nu de naam uitgehouwen

is van M. H. van Tromp. Op het eene ziet men de figuur van een aapje,

dat op een trompje blaast, als zinnebeeld van den bijnaam, dien de zoon

van Harpert als vaderlijk erfdeel door het leven voerde; terwijl als

zinnebeeld van den familienaam van Dignum drie haasjes zijn afgebeeld.

In plaats van hij zelf, werd er zes jaar later zijn tweede vrouw

begraven, ook een Brielsche, met wie hij den 27 Augustus 1634 in

ondertrouw verbonden werd, terwijl de huwelijksbevestiging den 12

September van dat jaar plaats had, mede in dezelfde kerk. Toen was

Tromp kapitein ter zee en woonde te Rotterdam. Die tweede vrouw heette

Alijt Jacobs Arckenbout en bewoonde in de Nobelstraat te Brielle een

deftig huis. Zij was een vrouw van welgestelde familie, met wie de

kapitein een goed huwelijk deed.

Maar uit het huwelijk met Dignum de Haes was hem een zoon overgebleven,

die zich, evenals zijn vader een naam in de rijke zeegeschiedenis

van ons volk verworven heeft. Die zoon heette naar Dignum's vader

Cornelis, en is later geworden de dolle driftkop Cornelis Tromp,

de Kees Tromp der matrozen, de schrik van de Engelschen, en ook

een tijdlang de mededinger en tegenstander van Michiel de Ruijter,

welke beide vlootvoogden eerst in het verschrikkelijke jaar 1672,

het Rampjaar, toen ons land door vier staten tegelijk, waaronder de

twee machtigste van Europa, werd aangevallen, door Prins Willem den

Derden tot heil van het vaderland verzoend werden....

Maar nu zijn we door het vermelden dezer huwelijken zoover van onzen

Maerten afgedwaald, dat wij ons haasten moeten den jongen zeeman, die

zich nog een toekomst heeft te veroveren, op te zoeken. We hebben hem

een reisje naar Rouaan zien ondernemen. We vinden hem terug in het jaar

1617, toen hij in 's Lands dienst trad en wel als kwartiermeester,

waardoor hij een maandelijksch inkomen kreeg van 8 gulden. En het

was bij Moy Lambert, onder wien zijn vader den slag bij Gibraltar

had bijgewoond, dat hij zich aan 's Lands dienst verbond. Het ging

hem onder de bescherming van dezen commandeur al dadelijk heel goed,

want was hij den 25sten Juni 1617 als kwartiermeester aangenomen,

reeds den 18en Augustus 1618 werd hij tot stuurman bevorderd op een

maandgeld van 20 gld.

Het is waar--het was nog altijd wapenstilstand en dus eigenlijk geen

gunstige tijd om op een oorlogsschip te dienen. Maar er waren toch

altijd nog de Algerijnsche zeeroovers, om er een expeditie tegen te

ondernemen, en bij Tunis waren dergelijke aartsvijanden van onzen

handel wel aan te treffen. Op de hoogte van Tunis werd in die dagen

een zeeslag geleverd met de zeeroovers, en van Maerten kon vermeld

worden, dat hij zich daar "manhaftig heeft gekweten".

Doch--ik herhaal het--het was tijdens het Bestand geen goede tijd voor

den oorlogsmatroos. Daarom nam Maerten den 15den Mei 1619 ontslag

uit 's Lands dienst, en probeerde geplaatst te worden op een van

de vele koopvaardijschepen, die naar de landen om de Middellandsche

zee gelegen voeren. Wijl zij daartoe steeds de Straat van Gibraltar

moesten passeeren, werden zij in dien tijd Straatvaarders genoemd. De

jonge man keek eens rond en vond weldra een plaats als stuurman op een

dergelijk vaartuig, "het Tuch-huys" geheeten, waarvan Hendrik Thijsze

van Schiedam de schipper was. Met dat schip deed hij verscheidene

reizen naar de Middellandsche zee, twee jaar lang. Toen begon het

Bestand op een einde te loopen. Nu zou dat vervelende tijdperk, hetwelk

ons land en ons volk weinig plezier had aangebracht, haast om zijn,

en de oorlog, die de Spaansche Oorlog genoemd werd, weer beginnen. En

de jonge man, die als kind van acht jaar den zeeslag bij Gibraltar

had bijgewoond, en honderdmaal had hooren vertellen van dien ouden,

roemrijken tijd, droomde voor zijn toekomst de schoonste droomen.

Het zou zijn laatste reisje zijn als koopvaardijman, zeide hij

tot zijn schipper, toen men den steven wederom naar het vaderland

wendde. Met een vroolijk hart zag hij, hoe het vaartuig de blauwe

golven der Middellandsche zee doorkliefde. Nog enkele dagen en de

Straat van Gibraltar zou bereikt zijn, en dan zouden de golven van

den Oceaan het scheepje dragen naar het Noorden.

Doch eer het zoover was, werd dat scheepje aangevallen en genomen

door de Rifpiraten--en de arme jonge man, met zijn hoofd vol stoute

plannen, was opnieuw een rechtelooze slaaf geworden, maar nu van de

Ongeloovigen, die hem inlijfden bij het zeevolk van hun vloot. En

levenslang zou hij hen moeten dienen in hun rooftochten tegen zijn

geloofsgenooten, ja, tegen zijn eigen volk.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN CHRISTENHOND.

Het was ongeveer een jaar later, dat de Bassa van Tunis, gelijk de

Vorst van dat land door de onzen betiteld werd, zijn voornaamsten

raadsman bij zich ontbood, en tot hem zeide:

"Vizier! Ik dacht, dat ik in mijn dienaren oogen en ooren en

handen had, die overal door heel mijn gebied heen voor mij zagen en

hoorden.... en wisten toe te grijpen ook, indien het noodig was."

De Vizier, die met over de borst gekruiste armen en gebogen hoofd

voor zijn machtigen meester stond, voelde zich een rilling van angst

door de leden gaan. Wat kon er verzuimd zijn, dat zijn meester zulk

een zonderlinge vraag tot hem richtte?

Hij wist niet dadelijk een antwoord te vinden, maar toen de Bassa

op ernstigen toon er bij voegde: "Heb ik goed gedacht, Vizier?" boog

hij nog dieper het hoofd en sprak in deemoed:

"Ja, Heer, dat is zoo!"

"Hoe komt het dan," ging de Vorst met nadruk voort, "dat ik eerst

zeer onlangs van lieden buiten mijn paleis moest hooren gewagen van

dien blanken slaaf op onze vloot, die in zulk een roep van groote

ervarenheid staat?"

Schuchter hief de Vizier de oogen op.

"Zou een dienaar van Allah zich vermeten in tegenwoordigheid van Uwe

Majesteit den naam uit te spreken van een Christenhond?"

Een wolk trok over het gelaat van den Heerscher.

"Heb ik niet telkens en telkens weer door mijne raadslieden hooren

spreken van Simon den Danser, die nu juist tien jaar geleden door

de onzen gevangen genomen en in een Tuneezischen kerker gestorven

is? Zwegen zij van Jan Janszoon van Haarlem, en was mijn rijk niet

vol gerucht van Claes Compaen, den beruchtsten Vrijbuiter van die

allen? Sloten wij geen verbonden met hen als dit noodig was en hebben

onze zeelieden niet voor grof geld van hen het geheim trachtten te

weten te komen van het over-het-kruis-zeilen?"

De Vizier neeg bevestigend.

"Welnu?" ging de Vorst voort, "zijn hunne namen dan die van de

volgelingen van onzen Profeet."

"Zij waren vrijen, Heer!.... En voor den glans Uwer Majesteit kan

immers geen slaaf bestaan?"

Toen klonk het hoog.

"Heb ik niet het wel en wee van iederen onderdaan in mijn hand? De

vrije, die hier binnentreedt, kan mijn paleis als slaaf verlaten. Zou

dan ook niet een slaaf kunnen nederknielen voor mijn troon, om als

een vrije op te staan?"

Ontsteld zonk de Vizier op de knieën.

"Vergeving, Heer! Wie zou met u in het gericht durven treden, wie

kan bestaan voor uw aangezicht?"

Doch de Bassa wenkte hem op te staan.

"Vrees niet, Vizier! Ik ken u als een trouw en mij volkomen toegewijd

dienaar. Maar deel mij nu alles mede van dien blanken slaaf, die

geketend heeft gezeten aan mijn galeien, en nu als een heerscher is

op mijn vloot."

Toen vertelde de Vizier hem een wonderlijke geschiedenis.

Op de slavenmarkt van Tunis was, nu een jaar geleden, een gevangen

genomen Hollander gebracht, een zeeman, die nog jong was. Daarom

had men hem voor den staat gehouden en den aanbrenger een groote

som uitbetaald. Men wist bij ondervinding van welk een ervarenheid

die Nederlandsche waterrotten konden zijn, hoe zij van kind af aan

ingewijd waren in al de geheimen van de zeevaart. Die Nederlanders

waren de beste zeelui ter wereld. Ze waren overal in trek. Toen zij

nog niet eens den zeeweg naar Indië hadden gevonden, voeren zij reeds

op Spaansche en Portugeesche schepen als matroos daarheen. Ook deze

gevangen genomen Nederlander zou allicht meer op de hoogte van het

zeevak zijn dan een gewoon matroos van de vloot van Tunis.

Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw · 第 2 / 11 段