"In den jare 1598"--aldus sprak ruim een halve eeuw later ee

MAERTEN HARPERTSZ. TROMP

EEN ZEEMANSZOON UIT DE 17DE EEUW

DOOR

JOH. H. BEEN

VOORBERICHT.

Dit is eigenlijk een geheel nieuw boek. De oorspronkelijke uitgave

verscheen in 't jaar 1895 eerst in Elsev. Geïll. Maandschrift,

daarna, in 't laatst van 1896, als zelfstandige uitgave bij de

Uitgevers-Maatschappij "Elsevier", werd eenige jaren later door den

uitgever Van Looy voor zijn fonds, en in 't jaar 1905 weer door den

tegenwoordigen uitgever aangekocht. Zwerftochten, die wèl bij het

lot van een Zeemanszoon schenen te behooren.

De oorspronkelijke uitgave was een zoeken geweest naar minder

algemeen bekende bijzonderheden over 't leven van den zeeheld. Ik

wilde die verzameling eerst betitelen "Bouwsteenen voor een leven van

M. H. Tromp", maar vond dien titel te pedant, en schreef het boekje

toen zooals het geworden is.

Maar heel dat boekje door kwam ik toch eigenlijk niet goed op slag. Als

je, zonder het eigenlijk nog zelf te weten, verteller bent, en je

gaat tafereelen uit de geschiedenis schrijven, dan hangen nog al de

dikke registers en folianten, die je doorbladerd hebt, aan je manier

van vertellen vast. Tersluiks kijk je naar een paar deskundigen, of

die je al op een fout betrapt hebben, en je doet erg gewichtig met je

vondsten en je aanteekeningen. Daar ben-je nog zoo echt kinderlijk

grootsch op! Dat zou niets zijn, als je er maar gezellig van ging

ophalen.... maar, eerlijk gezegd, je durft niet.

Eerst heb ik m'n behoorlijk in 't pracht geschreven manuscript naar

Prof. Fruin gezonden, en toen die een woordje van sympathie en hoop

voor mijn streven over had--dat ik altijd in dankbare herinnering

zal houden--ging het verhaaltje zijn verderen weg op, en wel naar

Mr. L. J. Plemp van Duiveland, den toenmaligen secretaris der

Elsevier-redactie (waarin nog Dr. Jan ten Brink en H. J. Schimmel

zaten) en zoo kwam het, waar ik het hebben wilde.

Zeker, daar zat wel geestdrift in die schets; maar zij moest ten slotte

opwekken tot het oprichten van een standbeeld voor Tromp en wel te

Rotterdam. Daar zijn er toen geweest, die met mij veel hoop hadden,

dat 't er komen zou. Die tijd is echter voorbij, en we moeten dat nu

maar vergeten.

Nu, na jaren, beweeg ik me als 't ware vrijer tegenover het leven van

Tromp. Ik behoef hem niet meer voor te stellen aan zijn landgenooten,

in de hoop dat ze elkaar eens goedkeurend toeknikken en zeggen:

"jongen, jongen, we moeten er toch eens over gaan redeneeren,

of we voor dien ouden zeeheld temet een monument kunnen opgericht

krijgen". Nu--zit ik op m'n gemak te vertellen van een onzer grootste

zeehelden. Daarom is 't een heel ander boek geworden. Niet meer maak ik

toespelingen op allerlei gebeurtenissen, die ik bekend veronderstelde;

nu houd ik maar, of men alles half of heelemaal vergeten is, en

vertel voor m'n plezier uit het verleden. Soms neem ik iets op, van

wat ik in 't oorspronkelijke verhaal of elders meegedeeld heb, maar

toch niet dikwijls. En ik heb maar gedacht, dat ik voor het jongere

geslacht zat te schrijven. Dat verkeert zelf nog in het heerlijke

heldentijdperk van het leven, en dan wil er nog wel eens aandacht

zijn voor een figuur uit het heldentijdperk van ons volk.

In zoo'n vertelling konden geen verklarende aanteekeningen een plaats

vinden. Toch is deze of gene er mogelijk op gesteld verschillende

bijzonderheden over Tromp, welke anders over vele boeken verspreid

liggen, bij elkaar te hebben. Ik zelf heb daar 't gemak van

ondervonden, en 't heeft me soms heel wat zoeken uitgehaald. Daarom

heb ik de aanteekeningen tot iets geheel zelfstandigs bewerkt. Jeugdige

lezers slaan ze toch over.

De uitgever van dezen tweeden druk, de heer L. J. Veen, wilde voor

dit eigenlijk nieuwe boek ook een nieuwen titel hebben. Ik kon

daartoe niet besluiten. Aan dien titel was ik gehecht geworden. Wat

een echt menschelijke geschiedenis van vertrouwen en tegenslag,

hoop en ontgoocheling is aan het boek verbonden onder dien naam

verschenen! Neen, ik blijf bij de eerste naamgeving, waardoor ik eens

een bescheiden hulde wilde brengen uit zijn geboorteplaats aan een

der nobelste menschen uit onze geschiedenis.

Of "Zeemanszoon" nog meer zwerven zal? Ik weet het niet. Maar,

waar dit verhaal ook heen zwalke, daar--ach, dàt mag ik toch nog wel

hopen!--daar voere het iets met zich mede van de prikkelende geuren der

vrije zee, die, in stillen nacht na zwaren storm, om de geboorteplaats

van den zeeheld bruist van het groote verleden van ons volk.

Brielle, 2 Maart 1908. Joh. H. B.

INHOUD.

Hoofdst. Bladz.

I. De kleine Delftsche vluchteling 1

II. De jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp 15

III. Onder de zeeroovers 25

IV. Allerlei plannen 38

V. Een Christenhond 49

VI. De kapitein van het admiraalsschip 62

VII. Een jonkheer of een pekbroek? 72

VIII. Ketenen van goud en een metalen berg 90

IX. De dagen van Duins 103

X. Lastertongen en Kleinzieligheid 114

XI. Is de zee vrij of niet? 128

XII. Tromp moet voorzichtig zijn 137

XIII. Tegenspoed en ongenade 145

XIV. Drie maanden op zee 153

XV. Over het doode punt heen 167

XVI. Het einde van een heldenleven 176

XVII. Ter uitvaart 185

Aanteekeningen 193

EERSTE HOOFDSTUK.

DE KLEINE DELFTSCHE VLUCHTELING.

De zee!.... Daar droomden onze zeventiend'eeuwsche bengels 's nachts

van, omdat zij er schier heel den lieven dag over hadden hooren

praten. Gelukkig de jongen, wiens vader een zeeman was. Als hij

uit de kleine-kinderkleeren was gegroeid en door het klauteren in

allerlei boomen voldoende bewezen had, dat hij zich met handen en

voeten overal aan vast wist te klemmen--dan voer hij met vader het

zeegat uit, zooals Piet Hein en achtereenvolgens al de gebroeders

Evertsen. Vond de vader of de moeder dat de wereld toch werkelijk

niet zonder landkrabben kon bestaan, dan kreeg men het lieve leven

gaande. Dan liet Michiel de Ruijter heel de Lijnbaan in den steek en

de norsche Witte Cornelisz. de With, die eenmaal als admiraal Dubbel

Wit de schrik van Spanjolen, Britten en Zweden zou zijn, werd voor

en na van verschillende ambachten weggejaagd om eindelijk als een

door iedereen opgegeven sujet de wijde wereld in te gaan.

Zoo ging het in de 17e eeuw, toen ons land wel één groote koopstad

leek en één groote visschersplaats tegelijk. Toen er telkens weer

nieuwe landen opdoken en eilanden, die als geluksoorden werden

afgeschilderd. Die leerde men minder op school van de kaart; die ging

men zelf opzoeken of ontdekken, wat vrij wat gezelliger was. Toen was

er een opgeruimdheid onder de menschen, omdat het hun goed ging. Wat

men ondernam, gelukte, en daarom ondernam men al meer en meer. En al

liep het al eens een enkel keertje mis, of waren er bloedverwanten

of vrienden uitgevaren die men nooit meer terug zag komen, dan was

het aldus beschikt. Men boog zich gehoorzaam en eerbiedig voor de

eenige Macht, waarvoor een vrij Nederlander den stuggen nek boog,

en, verre van ontmoedigd te zijn, ging men, in vol vertrouwen op Gods

leidingen, denzelfden weg op, welken men die verloren bloedverwanten

of vrienden had zien inslaan. En zij, die gespaard waren gebleven en

niet neergezonken waren in het groote matrozengraf, noch een laatste

rustplaats gevonden hadden in een groeve, die in de ijzerhard bevroren

sneeuw moest uitgehakt of onder de brandende zon der keerkringen in

het zand der woestijn, dan wel in den overvruchtbaren Indischen bodem

moest gegraven worden; zij, die ontkomen waren aan de zeeroovers of

het harde lot van een Christenslaaf, en die nu oud waren geworden en

eens een wijle gingen uitrusten van al die avonturen--hadden altijd

den mond vol van die wijde zee en die wonderbare, groote wereld. 's

Avonds schoven zij een bank op hun stoep, en de buren vroegen een

plaatsje en de kinders, jongens zoowel als meisjes, zaten met open

mond te luisteren. Dan werden al die oude dingen opgehaald, die

weer nieuw zouden worden voor menigen toeluisterenden kleuter. En de

moeders hadden het over hun zoons, die nu verre waren van het kleine

vaderland, die, rappe gasten als zij waren, er op uit waren gegaan,

naar de Oostzee om koren te halen, of naar de Levant om wijnen of

vijgen, of die heel en al gezworven waren naar die wonderlijke landen,

waar de peper groeide, en de kruidnagelen en de notemuskaat.

Zoo ging het in de 17e eeuw. Maar reeds in de 16e was het al

begonnen. Toen was er een Delftsche jongen, die zoo'n verlangen had

naar de oneindige zee, naar al dat wonderbare en avontuurlijke, dat

zijn heele ziel er van vervuld raakte. Vader had er geen ooren naar,

en moeder nog minder. Toen--liep hij weg, en zocht ergens in een

zeeplaats een schip op, en 't kon hem niet schelen welke bodem hem

weg zou voeren van het land, waar hij niet meer blijven wilde.

Tegenwoordig zou niet één kapitein zoo'n snuiter zonder toestemming van

diens ouders mee willen nemen, en als hij het deed, zou hij hard kans

loopen met de politie in aanraking te komen. Politie was er toen ook,

maar ... er waren zooveel schepen, er was zulk een uitgebreide vaart,

dat men zeevolk te kort kwam en een schipper al blij was als hij

een jongen aan boord kreeg, al moest die nog alles leeren. Was het

schip eenmaal de haven uit, dan kwam het soms in geen jaren terug,

en, als het terug kwam, stapte een gebruinde, breedgeschouderde boy

er af, zoo gauw de werkzaamheden dat maar toelieten, en zocht vader

en moeder op. En plan had hij een buidel rinkelende geldstukken op de

tafel te werpen om hun toorn te bezweren. Maar .... dat geld en dien

toorn, wie dacht eraan, als hij z'n moedertje om den hals vloog, en

vader, vol trots op zoo'n vierkanten, uit de kluiten gewassen zeerob,

zijn jongen vol warmte de vereelte knuist drukte? De telegraaf, om

gauw de politie van een zeeplaats te waarschuwen op een uitvarend

schip te letten, ja--die bestond niet. En "de rakkers"--zooals men

ook wel eens de gerechtsdienaars noemde,--kwamen niet graag op een

schip. Dat gaf maar haken en oogen. Want de schipper zei, dat hij onder

de rechtspraak van zijn Admiraliteit of de lieve hemel weet welke

andere macht stond, en als de gerechtsdienaar veel praatjes maakte,

kon hij met een handspaak krijgen. Meestal lieten ze hem zelf maar

tobben om in het bootje te komen, dat hem van het ongastvrije schip

naar wal terugvoerde. Dan ging hij klagen bij den Baljuw, en die liet

den Secretaris groote vellen vol schrijven aan een anderen Baljuw

of aan een College van Admiraliteit of nog andere lichamen van macht

en aanzien. Dan vond-je alweer een Secretaris, die ook al vellen vol

schreef en antwoord terug moest hebben. En terwijl de veeren pennen

bleven krassen over het ruige papier van die dagen--was het schip

met het jongmaatje al op weg naar de linie, waar hij gedoopt moest

worden in het groote zeil vol zeewater, of geschoren met het blikken

mes van den zeegod Neptunus.

Bovendien .... onze kleine Delftsche vluchteling had den naam

van zijn vader verzwegen. Dat kon toentertijd gemakkelijker gaan

dan nu. De meeste menschen toch hadden geen familienaam. Als je

vader Jan heette en je zelf óók al als Jan gedoopt was, werd-je bij

verschillende gelegenheden in de registers van de Kerk of het Stadhuis

ingeschreven als Jan Jansz., dat Jan Janszoon beteekende, en zelf

had-je je dan opgegeven als Jan Jansen--zoo sprak-je 't uit. Omdat er

wel honderdduizend Jannen in de Nederlanden waren, bestonden er een

ontzaglijke massa Jan Jansens'. Daar was geen uitzoeken aan. Daarom

begonnen de menschen te spreken van Jan Langejan of Kortejan of

Jongejan, of Jan Jansen van Neeltje Pieters, of Jan Jansen Kortneus of

Houtebeen of van 't Hoekje .... altemaal onderscheidingen om een beetje

den weg in die Jannenwereld te vinden. Zoo had men ook de wereld der

Pietersen, der Leunissen enzoovoort. Als de Justitie een Jan Pietersen

of een Pieter Jansen moest hebben, en er verder geen onderscheiding

bijzette, kon ze gerust de moeite sparen om den naam van dien persoon

op groote biljetten overal aan te plakken. Waarbij nog kwam, dat een

heeleboel menschen niet goed of in 't geheel niet lezen konden. De

meester, die door de weeks de kinderen op school leerde en nu en dan

afranselde met de plak, las die en andere biljetten 's Zondags, vóór

of na den dienst, aan de menschen voor, waaronder zich genoeg Jannen

en Pieten bevonden, maar de gezochte Jan of Piet gewoonlijk niet.

Men gevoelt nu, hoe men zich in die dagen beter kon verbergen dan

nu, zonder zijn naam te verdraaien. En dat had nu juist voor onzen

Delftschen vluchteling moeite kunnen opleveren omdat zijn vader wèl

een familienaam droeg. Naar alle waarschijnlijkheid heette die Van

der Wel. Juist omdat er zoo weinig familienamen bestonden, zou het

jonge kereltje dadelijk naar huis zijn gezonden, als hij verteld had,

dat hij Harpert van der Wel heette. De schipper zou gedacht hebben:

"Sakkerlijsjes, laat ik m'n handen niet branden! De meeste menschen,

die er een familienaam op na houden, zijn heeren, en voor die heeren

moet-je oppassen, want die kunnen bijten en leelijk ook!" Maar toen

de dreumes eenvoudig zei, dat hij Harpert en zijn vader Maerten

heette, zoodat de schipper hem als Harpert Maertensen kon aanspreken

of uitschelden ook, al naar het zoo uitviel,--toen dacht alweer die

schipper: "Nu ja--zoek maar uit! Er zijn meer Maertensen in ons land

dan ik gouden rijders aan mijn zeetochtje zal verdienen!"

De jongen werd aangenomen als koksmaat, kreeg een vaatdoek in z'n

handen om de pannen uit te vegen, een lap om het koper te poetsen,

een bezem om den boel wat te schrobben, en, als hij het niet goed

deed, dadelijk een lik om zijn ooren, want daar waren ze niet zuinig

mee aan boord. Was hij zoo dom om zeeziek te worden, dan werd hij in

den mast gestuurd met een bakje vet voor zijn borst gebonden om het

ijzerwerk wat in te smeren. Die ransige lucht van het vet, en vooral

harde arbeid, waren de twee beste middelen, die de schipper tegen de

zeeziekte in zijn medicijnkast had.

't Ging alles ruw en ongenadig toe aan boord van een schip. Wie er niet

tegen kon, ging dood, of liep weg in de eerste de beste haven. Wie er

doorrolde, en dat gebeurde met de meesten, werd een van die kloeke,

kantige zeerobben, waarvan men zei, dat ons land de beste onder alle

zeevarende volken opleverde.

Jongmaatje bleef altijd niet bij den pot zitten. Bij lange na niet,

hoor! 't Was niet heel den tijd eten en drinken aan boord! Dat ging

zoo tusschen de werkzaamheden door, en die werkzaamheden waren

vele. Jongmaatje moest ook geen kok worden, maar een zeeman. 't

Eene oogenblik zat hij zich in het zweet te poetsen op het koperen

beslag van een trapleuning. Het volgende zat hij in het topje van den

mast. Van duizeligheid mocht hij niet weten. Dan had hij maar bij

moeders pappot moeten blijven, of op zijn jongste zusje in de wieg

passen. Haast zei ik: met zijn zusjes naar de naaivrouw moeten gaan

om te leeren verstellen en breien er bij. Maar.... een zeemansjongen

moest ook zijn eigen spulletjes oplappen: knoopen aanzetten, gaten

in zijn kousen stoppen en den boel wasschen en drogen ook al. Kon

hij dat niet, dan moest hij het maar leeren. En zijn meester daarin

was een matroos met grove werkhanden, die er maar dadelijk meppen

mee uitdeelde, als de les niet gauw begrepen werd. En sapperloot, op

die manier leerde-je 't zoo gauw. Bij die manier van opvoeden kan het

ons heusch niet verwonderen, dat Harpert, die niet doodging en niet

wegliep, maar integendeel veel schik in zijn leven had, binnen korten

tijd opwies tot een flinken, gezonden zeemansjongen, die nog maar één

gebrek had, namelijk dat hij in 't bezit was van zoo'n lastigen naam.

Zeelui houden van kortheid. Een vrind die Cornelis heet en door

zijn moeder suikerzoet als Cor of Corretje wordt aangesproken,

heet aan boord in een ommezientje Kees; maar Harpert kun-je niet

verkorten. Daarom moest hij noodzakelijk een bijnaam hebben, en van

bijnamen houden de zeelui dolveel. Je moet bij hen erg oppassen,

of je krijgt er een, dien je voor heel je leven met je mee door de

wereld draagt. En in dit geval zorgde Harpert er zelf voor, natuurlijk

zonder dat hij er erg in had.

De jongen hield dolveel van muziek. Nu, daar heeft men aan boord

geen hekel aan. Tegenwoordig kan men nog dikwijls hooren, hoe een

schippertje op z'n schuit gezeten de tonen van een harmonica in een

wondermooi gedragen geluid over het water uitzendt. Harpert nu had een

ander muziekinstrument, een trompetje, of, zooals men toen zei, een

trompje. Niet een prachtstuk, maar ik denk zoo'n soort eigengemaakt

dingetje als je nog wel eens hoort bespelen door den maat van een

kermisman, die met den doedelzak rondloopt. 't Is een scherp, mager,

ietwat neusachtig geluid, dat het voortbrengt, goed passend bij het

gezoem van den doedelzak.

Harpert zat er op te blazen, zoo dikwijls hij er even de kans

schoon toe zag. Dit kwam niet dikwijls voor, zoolang het water van

de Noordsche zeeën om zijn schuit spoelde. Maar toen men gekomen was

in de streken van den passaatwind, die altijd éénen kant uitwaait en

het scheepje als slapende voortdrijft, ja, toen kwamen er langere

poozen van rust, vooral 's nachts op de hondenwacht als er niets

viel te doen, en boven het schip zich een sterrenhemel uitspreidde,

gelijk Harpert nog nooit had aanschouwd. Dan knerpte z'n trompje van

allerlei deuntjes, dikwijls door de hersens der matrozen heen. En de

een of ander, die de wacht te kooi had, was er wakker van geworden,

en had gebromd wat hij nu toch voor een gejank hoorde. Een maat,

die door zijn gebrom uit den dut was geschrokken, luisterde even,

en, zich op de andere zij wentelend om weer heerlijk te slapen, zei

hij onverschillig weg: "O, dat's die trompert weer!" en snorkte in

't volgende oogenblik wederom zijn eigen liedje.

Zoo kreeg Harpert den bijnaam van Trompert, of, omdat dit nòg te lang

was, van Tromp--een naam die beroemd zou worden over de zee en over

de landen van Europa. Maar dat kon het jonge matroosje niet weten,

die daar, half liggend en leunend tegen 't een of ander wat hem

steunen kon, z'n oogen naar den hemel vol Oosterschen gloed en rond

hem het stille geruisch der slapende zee, met de vingers beurtelings de

gaatjes van zijn trompje dekkend en ontdekkend, door die wonderwereld

de liedjes deed klagen van het verre vaderland....

Hoe gaarne zouden wij u van de avonturen, welke Harpert Tromp in zijn

jeugd ondervonden heeft, een omstandig verhaal willen doen. Doch er

is ons niets van bekend. We moeten hem voor vele jaren uit het oog

verliezen, tot we hem terugvinden in Den Briel en wel als kapitein

van een klein oorlogsschip, dat met de haringbuizen mee moest zeilen

om die zooveel mogelijk tegen den overval van vijandelijke schepen te

beschermen. Daarom werd zijn vaartuig, dat dus de buizen begeleidde, of

gelijk men toen zei "convoyeerde", zeer eigenaardig een buis-convoyer

genoemd. Den Briel had toen tal van die buizen in zee. De visschers

moesten heel en al naar de kusten van Schotland zeilen. Maar hoe ver

zij ook gingen, onze venijnigste en meest geduchte vijanden wisten hen

wel op te zoeken. Dat waren de onbarmhartige en gevreesde Duinkerker

kapers. Daarover moeten we het nog zoo dikwijls hebben, dat we er

nu het zwijgen maar toe doen. Het zij genoeg hier als onze meening

mede te deelen, dat het een gevaarlijk baantje was kapitein op zoo'n

buis-convoyer te zijn. En nu moet ge door dat woord kapitein geen te

hoog idee van dat baantje krijgen. Ten minste Harperts vrouw zocht

er in die dagen nog wat bij te verdienen, en wel door het wasschen

en stijven van het goed der zeelui, nu eens op een betere wijze dan

de mannen dat op een lange vaart aan boord van het schip zelf konden

doen. Aan land waren zij ook wat meer branie. Ten minste er wordt

medegedeeld, dat de vrouw van den kapitein de kragen steef, welke

de maats wel aan wal, maar zeker niet op zee droegen. Daar ging het

maar met een boezeroen of een rood baaitje, dat los om het lichaam

hing en gewoonlijk de bruin gebrande borst bloot liet.

Uit het voorgaande vernemen we meteen, dat Harpert in Den Briel

getrouwd was. Den 29sten Juni van het jaar 1597 was hij met zijn

aanstaande naar een der Brielsche predikanten gegaan en had dien

medegedeeld, dat hij voornemens was een wettig huwelijk aan te

gaan. De dominee had de veeren pen in den ronden, tinnen inktkoker

gedoopt en gezegd: "Dat 's goed, dat 's best--En nu moet je me eens

precies zeggen, hoe jelui heeten." Toen had de zeeman niet gezegd

dat hij Harpert Tromp heette, want aan een bijnaam of scheldnaam

heeft men toch eigenlijk een hekel. Neen, hij zei dat z'n naam was

Harpert Maertenszoon. Misschien heeft hij er wel bijgevoegd: Van der

Wel, maar dan heeft de dominee het toch niet opgeteekend, gelijk dat

weglaten van een familienaam meer geschiedde. Verder verklaarde hij,

dat hij nog niet getrouwd was geweest, dus een "jonckgeselle" was en

van Delft afkomstig. Zijn aanstaande vrouw heette Jannetje Barents

(de dominee schreef Jannetgen Barens), was al getrouwd geweest en

dus een weduwe en wel van Cornelis Eeuwoutszoon, en beiden waren nu

wonende in Den Briel. Hoe die dominee dat alles opschreef, ziet ge

in den hierbij gevoegden afdruk uit het toenmalige Trouwboek van Den

Briel, terwijl ge op zij leest wanneer de geboden gehouden werden,

en dat het jonge paar den 13den Juli 1597 trouwde.

En nu moet gij met de meeste aandacht den volgenden afdruk eens

aankijken. Er moest bijna een jaar verloopen, eer het ook door

denzelfden dominee neergeschreven werd, want gelijk gij ziet, is het

sprekend hetzelfde schrift. Maar niet in hetzelfde register werd dit

neergesteld. Het was in het Doopregister, dat, evenals het Trouwboek,

niet op 't Stadhuis, zooals tegenwoordig, maar door den dominee

bijgehouden werd. Het vertelt, dat den 3den Mei van 't jaar 1598 een

"knechtgen"--zei men toenmaals--gedoopt werd, het eerste kind--en

wel een zoon--van den kapitein van den Brielschen buis-convoyer. Er

staat letterlijk: "het kindt van Herpert Maertenszoon, ende Jannetgen

Barents", daarna worden genoemd de personen, die als doopgetuigen de

plechtigheid bijwoonden: "Getuijghen Lambrecht Maertenszoon, Jochum

Corneliszoon ende Machtelt Maertens." En dan volgt er, even eenvoudig

als dat van alle kinderen gemeld werd: "Het kint heet Maerten."

Er staat in onzen afdruk een streepje onder dien naam. Dat stond er

oorspronkelijk niet. Met potlood is er dat pas in onzen tijd onder

gezet. De dominee, die plechtig de woorden van het doopformulier

uitsprak, kon toch niet vermoeden, dat de naam Maerten, die thans

door de gewelven der wijde Sint-Catharinakerk in lang uitgehaalden

weergalm herhaald werd, eenmaal in glorie langs de zeeën zou gaan,

en door onze geschiedenis zou blijven weerklinken als die van den

Schepper van het over de gansche aarde befaamde Nederlandsche zeewezen

der groote 17de eeuw.

Ach, het moet maar een eenvoudig huisje zijn geweest, waar onze

onsterfelijke zeeheld geboren is. Het bestaat niet meer. Schande

voor Den Briel, dat men dit gebouwtje niet tot voor de verste tijden

gehandhaafd heeft, zooals men dit in Zaandam deed met het Czaar-Peter

huisje. Het heeft gestaan dicht bij het onaanzienlijk gebouwtje,

waarvan wij hierbij een afbeelding geven, en wel een eindje rechts

daarvan. Door den ouderdom vervallen, en niet beschermd door den

eerbied, dien de Brielsche regeering aan den grootsten Briellenaar

verschuldigd was, is het niet bestand gebleven tegen de stormen. Nog

tegen het einde der 18e eeuw bestond het. Toen werd het door een hoos

omvergeworpen, en de plaats ervan is niet meer kenbaar. Nu verheft

zich daar de achtermuur van het logement "De Nymph". Dit logement

zelf is in de jaren, toen het den grooten zeeheld voor den wind ging,

zijn eigendom geworden. Men beweert dit althans, en in het plafond

vindt men nog overal de lelie, die hij van den Koning van Frankrijk

in zijn wapen gekregen had. Maar treffender zouden wij het vinden,

indien wij een klein, onaanzienlijk huisje den vreemdeling konden

wijzen, den Engelschman die van zijn Nelson, den Franschman die van

zijn Duquesne of d'Estrée spreekt, om dan te zeggen:

"Hier werd een van Neerlands grootste zonen geboren, en zijn naam

was Maerten Harpertszoon Tromp."

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE JEUGD VAN MAERTEN HARPERTSZ. TROMP.

"In den jare 1598"--aldus sprak ruim een halve eeuw later een

Leidsch Hoogleeraar--"heeft den Briel, de uyterste Stadt van Hollandt

(alwaer de Mase door den Rhijn vergroot zijnde, met een wijde mondt

in de Noordt-zee vloeyt) Marten Harpersz. Tromp, voester-Kindt van de

Zee-Mars voortgebracht; onsen Bevelhebber heeft sijn gheboorteplaets

soo na bij de Zee moeten hebben, omdat hij door sijn gebiet dat

woeste Element ter bequamer tijt soude temmen. In die plaets heeft

de Beschermer van de vrijheyt der Zee moeten gebooren werden, daer

de eerste fundamenten van onse vrijheydt geleyt zijn."

Zoo kon deze geleerde, die professor Thysius heette, gemakkelijk

spreken, toen hem het geheele leven van den zeeheld bekend was. De

menschen evenwel, die in de laatste jaren der 16e en de eerste

jaren der 17e eeuw in Den Briel leefden, konden natuurlijk niet

weten wat een merkwaardig kindje in een der achterbuurten van hun

stad geboren was en opgroeide. Wat zouden wij anders, tot in de

kleinste bijzonderheden toe, van zijn jeugd en van het leven zijner

ouders afweten! En bovendien, wat zouden zij hun best gedaan hebben,

om zijn leven gelukkig en het pad, dat hij door het leven gaan zou,

effen te maken.

En juist dat laatste zou glad verkeerd zijn geweest.

Maerten is een groot man geworden, juist omdat hij zoo'n geweldig

harde jeugd gehad heeft, juist omdat hij, door schier onoverkomelijke

moeilijkheden heen, zich met een al kloeker wordend hart een weg

heeft moeten breken en banen.

Dat kunnen wij op onze beurt ook gemakkelijk zeggen, omdat insgelijks

voor ons het leven van den zeeheld geheel voor de oogen ligt. Maar dat

neemt niet weg, dat het de waarheid is, en er daarom een groote troost

in ligt voor ieder jong menschenkind, dat tobben moet om er te komen.

"Houdt goeden moed!" dat is het levens- maar ook het stervenswoord

van den grooten zeeheld geweest, een woord nòg van kracht voor

ieder jong menschenkind dat de taal van Maerten Harpertsz. Tromp

spreekt. Maar dan mag geen Nederlandsche jongen en geen Nederlandsch

meisje ooit vergeten, dat deze zeemanszoon, in leed en voorspoed,

onder omstandigheden zoo ellendig, dat de meesten er onder bezwijken

zouden, en evenzoo onder het vreugde-gelui der torenklokken en het

branden van pektonnen te zijner eere--een vroom en nederig gemoed

bezat, den zegen van zijn stervenden vader meevoerde door de harde

slavernij zijner jongensjaren, en grenzenloos een moeder liefhad,

die hem eenmaal noemde de eenige troost van haar oude jaren.

Wij hebben verteld van de jeugd zijns vaders; dat kunnen wij niet doen

van die zijner moeder. Maar die schade halen wij wel in, omdat wij in

het leven van den zeeheld nog telkens en telkens weer op dat goede,

eenvoudige vrouwtje moeten terugkomen. Door zijn heldenleven, vol

gebruis van de zee en gegrom van kanonnen, komt soms geheel onverwacht

het vriendelijke gelaat van dat moedertje opglanzen. Voor haar is hij,

hoe hoog hij ook opklom, niets anders gebleven dan haar jongen, om

wiens tegenspoeden zij veel geweend had... maar om hem zèlf geweend,

neen, dat had zij nooit.

Het is een hard lot de vrouw van een zeeman te zijn. Dat was het in

die dagen dubbel. Oorlog was het, wáár zich een Nederlandsch schip ook

heenwendde, oorlog met de Spanjaarden, oorlog met de vele zeeroovers,

die zelfs den wijden plas onveilig maakten. En als men dan een zoontje

had, was het lot nog harder. Toen het knaapje grooter werd, wat deed

het anders dan naar het Maarland afdwalen, de plaats waar de meeste der

Brielsche zeeleepers woonden, en waar, binnen de havens, de schepen

aankwamen of wegvoeren, waar altijd een trek was naar de zee. Daar

was hij al spoedig op vaders schip, en de matrozen hadden schik in

den kleinen kleuter, die amper op zijn beenen kon staan en reeds naar

boven keek, alsof hij nu al vond niet hoog genoeg boven de breede

kaaien te zijn. En als 's avonds zijn vader, die zwaar gebouwde man,

bij den haard zat--wat een vreemd, wonderlijk gezicht: of er opeens

een heel stuk van de wijde wereld in moeders vreedzaam huisje was

neergetuimeld!--dan hoorde de kleine Maerten met wijdgeopende oogen

naar al die wonderlijke verhalen van de groote zee. Vader had moeten

zien, hoe hij al scheepjes kon teekenen, en die zei, dat hier een zeil

niet goed zat, en dat de wimpel van den grooten mast een heel andere

richting uitwoei dan het geusje op den boegspriet, en dat was toch wat

al te erg voor een zeemanszoon. Zeemanszoon.... dàt was het, wat vader

zoo met trots kon uitspreken, wat moeder zoo aarzelend kon nazeggen als

het hoofd van haar jongen heel en al vervuld was van booten en zeilen;

dat was het, wat de jeugd van Maerten Harpertsz. Tromp kenmerkte. En

daarin lag ook de oorzaak, dat slechts een klein gedeelte van zijn

jeugd aan wal werd doorgebracht, en voor verreweg het grootste deel

op de zee, ja, op alle zeeën der toenmalige wereld.

Het was den kapitein van den buis-convoyer ten slotte toch niet slecht

gegaan in Den Briel, toenmaals een bloeiende zeeplaats. Want toen

hij in 't jaar 1606 naar Rotterdam vertrok, had hij aldaar een huis

kunnen koopen, dat gelegen was nabij de Gapers-, later de Beursbrug

geheeten. Den 15den Februari van dat jaar was de koop er doorgegaan,

en 't is zeker, dat hij in April al met zijn huisgezin in Rotterdam

woonde. Maerten was toen acht jaar geworden. Reeds op dien leeftijd

ging het kind naar zee.

Het was toch kort voor zijn negenden verjaardag, tegen April van het

jaar 1607, dat zijn vader hem meenam op zijn schip. En niet op een

uitstapje om eens met de zeelucht en het groene water kennis te maken,

maar op een tocht, welke een der grootste ondernemingen van dien tijd

zou zijn: den tocht naar Gibraltar. Daar zou het niet zijn om vijgen

of wijn te koopen, maar daar zouden de kogels fluiten, daar zouden de

zeelieden die opgerezen waren uit onze haringvisschers, daar zouden de

jongens van Willem Beukelszoon bewijzen, dat ze Janmaat gingen worden.

Het schijnt ons haast barbaarsch toe, om een kind van dien leeftijd

op zulk een tocht mee te nemen. De kloeke Harpert, die zielsveel

van zijn kind hield, oordeelde daar anders over, het jongetje zelf

zag zijn verlangen vervuld, en de moeder...? Als een dochter uit ons

Heldentijdperk mocht zij met vochtige oogen afscheid nemen van haar

kind, zij geloofde vastelijk, dat God het aldus voorbeschikt had en

dat noch haar man noch haar kind sterven zou, vóór het vastgestelde

oogenblik daartoe aangebroken was.

Wij spraken daar van den "Tocht naar Gibraltar." Zoo kunnen wij

dien noemen, die met den afloop bekend zijn. Het plan was, om naar

de kust van Portugal te varen, en daar het uitzeilen van een vloot

te verhinderen. Het was daartoe, dat Harpert met eenige andere

Rotterdamsche schepen onder den commandeur Moy Lambert de Maas

uitzeilde, om zich te voegen bij de vloot, die reeds van Texel naar

het eiland Wight gevaren was. Het laatst wat van het vaderland voor

den jeugdigen Maerten hoog boven de geel-grauwe duinen oprees, was

de toren van zijn geboorteplaats, de machtige Heerscher aan den Mond

der Maas. Geen jongen die voor het eerst naar zee gaat, wiens blikken

niet even en als tersluiks afdwalen naar het deinzende strand. Wat

er dan, zelfs in het hoofd van den onverschilligsten boy, gedacht

wordt, wie zal het zeggen? Maar zeker is het, dat zelfs de grijze

Sint-Catharinatoren, die zooveel gezien heeft op de verraderlijke

groene golven der Noordzee, bij het afscheid aan dezen kajuitsjongen

niet voorspeld zou kunnen hebben, dat een dertigtal jaren later al

zijn klokken zouden trillen in welkomstgroet voor den grooten admiraal,

die voor het kleine Nederland de heerschappij ter zee bevochten had.

Uit de geschiedenis kent men wel den zeeslag bij Gibraltar, waar Jacob

van Heemskerck, dezelfde, die een tiental jaren vroeger met Willem

Barendtsz de vreeselijke Overwintering op Nova-Zembla had doorgemaakt,

het leven liet, maar waar de onzen een zege bevochten, waarvan de

tijding zich langs de kusten der Middellandsche zee verspreidde. Bij de

volkeren toch, die aan deze zee woonden, stond de Spaansche zeemacht

als de geduchtste der aarde bekend. En als men nu weet, dat onder die

volkeren zoowel de toenmaals zoo gevreesde Turken, als de zeeroovers

der Noordelijke staten van Afrika, de dusgenaamde Rifpiraten behoorden,

zal men kunnen nagaan van welk een beteekenis het verspreiden dezer

mare was. Vóór dien tijd duldde bijvoorbeeld de Sultan van Turkije onze

vlag niet in zijn wateren, en om er toch te komen--want nergens bleven

onze jongens vandaan!--hadden we van den Franschen Koning Hendrik IV

het recht verkregen zijn vlag te voeren. Nu echter zou onze driekleur

zich vrij ontplooien bij die volkeren, die met heimelijke vreugde

vernamen, hoe de Spaansche zeemacht een leelijken knak gekregen had

door die duivelsche Jantjes uit het Noorden.

Bij dezen zeeslag, waar door de Jantjes met een onbegrijpelijke

stoutmoedigheid en door de Spanjaarden met een groote verbittering

gevochten werd, zoodat men soms bij het omslaan der booten nog in het

water den vijand te lijf ging, was onze kleine Maerten tegenwoordig. Op

zulk een wijze leerde hij voor het eerst onzen aartsvijand kennen. Na

zulk een victorie zag hij de driekleur omhoog gaan, al moest zij

weer dalen als teeken van rouw voor den admiraal, die zijn leven

geofferd had voor het kleine vaderland. Zoo, met de overwinnaars,

kwam de kleuter in dat vaderland terug, en bij zijn moeder.

Het was er verre van, dat zulk een ruwe ervaring haar kind zou

afgeschrikt hebben van de zee. Het tegengestelde was het geval. En het

was met welgevallen, dat Harpert zijn jongen weer mede nam en telkens

weer mede nam. Dat varen bracht ook welvaart mee. Wat alweer goed van

pas kwam, omdat het huisgezin grooter werd. Maerten was het eenige kind

niet meer, al bleef hij de eenige jongen. En voor zijn zusjes werd hij

"de groote broer", tegen wien zij al op begonnen te zien. Maar hij

zelf zag op tegen zijn vader, die een zeeman uit duizenden van zijn

jongen maken wilde, en hem daartoe niet spaarde, maar hem, volgens

getuigenis uit die dagen, in alles onderwees wat tot zijn geliefd

vak behoorde. Niet alleen was hem bij Gibraltar de "Scheepsoorlogh"

geleerd, maar hij heeft, volgens een tijdgenoot, "de raddigheyd van

sijn Lichaem ende leden gheoeffent" en "na dat sijn kindtsheydt konde

begrijpen, bij de Scheepstouwen tot in de opperste marsch te klimmen,

ende vandaer als van een toorn over de onmeetbare zee uyt te sien,

de vlaggen met een uytnemende gauwigheydt af te halen was hem sijn

eerste kinderwerck: dan heeft hij eerst de deelen ende het gebruyk

van allerley Scheepen ende Scheepsgereetschap van buyten geleert,

ende met een driftigen ganck (op sijn Schippers) yders dienst waer

genomen. Hij heeft hem (zich) dan soo aan de Zee gewent, datter hem

verdrietigh was aan Landt te sijn. Hij heeft grouwelycke stormen ofte

Schip-breucken niet gevreest, maer het soute water, daer hij dickwils

van nat is geweest, heeft hem versterckt."

Twee jaren na den geduchten zeeslag bij Gibraltar werd er met Spanje

een wapenstilstand gesloten voor den tijd van twaalf jaar. En

uit was het voordeelig leventje van de oorlogs-kapiteins en hun

bootsgezellen. Zooveel als men maar eenigszins missen kon, werden

ontslagen. Van die bootsgezellen hadden er velen geen lust in, om weer

visscher te worden. Ze gingen over bij de koopvaardij, en de ruwsten en

ongebondensten zochten het avontuurlijke leven van de vrije vaart op,

dat ze ruimschoots vonden bij de beruchte zeeroovers van dien tijd,

van wie de naam van Simon den Danser ons als goed Nederlandsch in

de ooren klinkt. Harpert werd ook uit 's lands dienst ontslagen,

en voer weldra met een "eigen geladen" koopvaardijschip het zeegat

uit, waaruit blijkt, dat 's lands dienst voor den dapperen man zeer

voordeelig was geweest.

Het spreekt vanzelf, dat de nu elfjarige kajuitsjongen van dien

koopvaarder niemand anders dan Maerten was. Dat nieuwe leven zou

vader hem ook weer inleiden. Wat kon die vader al niet in het oog

van zijn kind! En nu zou het gaan naar de negertjes, heel en al

naar de kust van Guinea. Daar was het wel heel gevaarlijk, omdat de

blanken er als ratten aan de moeraskoorts stierven, en de zee was

daar bovendien onveilig ook door zeeroovers, maar... daarom juist was

er een bijzonder voordeelige handel te drijven voor de lui, die moed

en durf hadden. En och ja, wat bekommerde Maerten zich om koortsen

of zeeroovers! Wat al moois zou hij voor zijn moeder en voor zijn

zusjes meebrengen van zulk een verren tocht, en wat zou hij van zulk

een tocht kunnen opsnijden tegen zijn maats aan wal!

Toen werd er van moeder en zusjes afscheid genomen. Vaarwel! klonk

het, en met dat oude, echt Nederlandsche afscheidswoord, ging het

wederom de wijde wereld in.

DERDE HOOFDSTUK.

ONDER DE ZEEROOVERS.

Dat er in de dagen, toen Harpert Tromp met zijn "eigen geladen

Koopschip" naar de kust van Guinea onder zeil ging, meer zeeroovers

in den Atlantischen Oceaan rondzwierven dan gewoonlijk, was voor een

niet gering deel veroorzaakt door de groote afrekening welke omstreeks

dezen tijd de Franschen met de al lastiger wordende zeeschuimers in de

Middellandsche zee gehouden hadden. Niet alleen had Frankrijk groote

schade geleden door hun overmoed, maar ook door de nieuwe manier van

zeilen, welke de Rifpiraten van de zeelieden uit het Noorden begonnen

te leeren. "Het was zorgelijk," zegt een geschiedschrijver dier dagen,

"dat de Christenen aan de Turken de manier leerden van schepen te

regeeren met kruis-zeilen," terwijl het even zorgelijk werd geacht,

dat zij hun het gebruik leerden kennen der vliebooten, terwijl men in

de Middellandsche zee slechts gewoon was met galeiën en brigantijnen

ten oorlog te varen.

Het gevolg van deze afstraffing was geweest, dat een deel der

zeerooversschepen verbrand, maar daarentegen een ander deel her-

en derwaarts verspreid was.

Toch waren deze zeeroovers niet het meest te vreezen voor een Noordsch

koopvaarder. Er voer nog een heel wat gevaarlijker soort Vrijbuiters

langs de zee.

In dien tijd toch, lag er niet zulk een groote afstand tusschen

kaper en zeeroover. Wanneer men met een ander volk op voet van oorlog

leefde, rustte men kapers uit, die niet alleen de vijandelijke kusten

verontrustten, maar ook de visscherij trachtten te verhinderen, en

zooveel als mogelijk was de schepen opvingen, die van en naar het land

des vijands onder zeil waren. Maar een zeeroover verklaarde àlles wat

hem tegenkwam voor vrij buit en gehoorzaamde alleen aan een opperhoofd,

die daartoe gekozen was of zich zelven opgeworpen had. Het bootsvolk,

in het ruwe en vrije leven van de kaapvaart opgegroeid, zag uit den

aard der zaak dit eenigszins fijne onderscheid tusschen kaper en

zeeroover niet zoo helder in. 't Had óók wel eens genomen, wat het

eigenlijk niet mocht aanraken. Werd een kaper gesnapt, dan werd hij

over boord gegooid, en een zeeroover werd aan de ra opgeknoopt; maar

het omgekeerde had ook wel plaats. Nu, verdrinken of opknoopen... dat

was toch eigenlijk zusje en broertje, en voor sterven waren geen van

die ruwe klanten erg benauwd. Het kan ons daarom niet verwonderen,

dat, toen de wapenstilstand met Spanje gesloten was, vele zeerobben,

zoowel Nederlandsche als Spaansche, en niet minder van andere natiën,

liever als zeeroover een wel gevaarlijk maar voordeelig en ongebonden

leventje gingen leiden, dan op een andere meer moeilijke en verbonden

manier aan den kost te moeten komen. Ook moet men niet denken, dat het

alleen kleine luiden waren, die onder de zwarte vlag gingen varen. De

geschiedenis verhaalt onder meer van eenen Sir Francis Verney, "die in

korten tijd in Engeland wel driemaal honderdduizend gulden doorgebracht

had van zijn ouderlijk erfgoed," en toen niet als de Verloren Zoon

tot berouw en inkeering kwam, maar zich bij de zeeroovers voegde. Het

zal nu ook duidelijk zijn, dat dit soort zeeroovers, die in de kunst

van de zeevaart en het oorlog-voeren door en door thuis waren, veel

gevaarlijker was dan het ander soortje, hetwelk in Algiers, Tunis of

Marokko thuishoorde. Het meeste van dit goedje nu, blank of bruin,

schuimde gewoonlijk de Middellandsche zee af, waar het wemelde van

rijkgeladen koopvaardijschepen.

Harpert had daarom wel mogen wenschen, dat de Franschen hun afstraffing

nog een poosje uitgesteld hadden, dan zou hij vermoedelijk niet op de

hoogte van Cabo Verde een Engelsch zeeroover ontmoet hebben. Nu was

zijn bodem, hoewel een koopvaardijschip, welbewapend; dat kon in die

dagen niet anders. Vandaar dat men dikwijls hoort van de versterking

eener oorlogsvloot door koopvaardijschepen. Ook waren hij en zijn

mannen met de wapenen volkomen vertrouwd. Maar hoe dapper hij ook

mocht zijn, welk een ervaring hij van een scheepsstrijd mocht hebben,

tegen de overmacht van dezen zeeroover was hij niet opgewassen. Wie

gevoelde dat spoediger dan hij, die door vele jaren van ervaring de

kansen van den oorlog ter zee had leeren overzien?

Doch zich op genade of ongenade overgeven.... dàt had De Lange niet

gedaan op de Zeeuwsche stroomen en evenmin had dat Reinier Claeszen

gedaan in de Spaansche zee; dat dééd geen kind van het volk, dat nog

zoolang niet geleden geworsteld had met den man zonder genade, den

hertog van Alva. Tartend en uitdagend, als in de dagen der Geuzen, als

in de dagen van Alkmaar en Leiden, ging aan boord van schipper Harpert

de driekleur omhoog. En, zijn kind naast zich, stond daar kalm en kloek

de man, tot wien thans allen opzagen, omdat hij voor al die rappe maats

"den ouwe" was, die geen angst mocht hebben; kalm en kloek stond daar,

in volle levenskracht, de Nederlander, wiens stervensure gekomen was.

Maar vader, die alles kon en vermocht, vader, die zoo zelfbewust

overal den blik liet gaan en allen door woord en daad bezielde,

zou het er thans ook wel doorhalen. Zoo dacht de kajuitsjongen,

die streed bij en onder het oog van den afgod zijner jongensjaren.

"Blijf hier bij me, m'n jongen!" had vader gezegd, en hij had hem

aangekeken, even maar, met een blik, waarin zijn ziel lag.

Vreeselijke, bange oogenblikken waren gekomen. De roovers hadden

vaders schip geënterd en het was hun gelukt over te springen. Kreten,

aanmoedigingen en vervloekingen, vroolijke kwinkslagen van den altijd

opgeruimden zeeman en gekerm van gewonden--dat alles werd nog steeds

beheerscht door die eene kalme stem. En zoolang die stem nog weerklonk

en bemoedigde en bezielde,.... zoolang de schipper nog stond op zijn

post, kon niemand den moed verloren geven.

En strijdend al zijn best, worstelt de kajuitsjongen met de roovers,

die het vooral begrepen hebben op die ééne plaats, waar de schipper

zich bevindt. Met hooggekleurde wangen doet hij zijn plicht, dien

hij geleerd heeft van Gibraltar af door zooveel gevechten heen,

telkens even opziende tot dien grooten, zwaren man, hem telkens even

toesprekende of aanrakende, als om kracht en moed en vooral hoop te

behouden, hoop op een zegepraal....

Daar zinkt een zwaar lichaam neer op de met bloed bevlekte planken. Een

kreet van "Vader, Vader!" een druk van de hand als ten afscheid voor

altoos, een laatsten blik op zijn kind, dat hij niet meer beschermen

kan; een schor geluid, misschien een vaarwel, of een aanbeveling van

zijn kind aan Gods eeuwige barmhartigheid.... dan verslapt de hand

en de trouwhartige oogen breken. En nu.... niet in klagen breekt de

arme jongen uit. Maar zijn oogen flikkeren; en het zwaard oprapend,

dat den gestorven held ontvallen is, roept hij zijn maats toe, die

bij het sneuvelen van den schipper terugdeinsden:

"Lafaards!.... zul-je m'n vader niet wreken?"

Al verstikken nu tranen zijn stem en ziet hij alles als door een nevel

heen, hij werpt zich op de roovers, één ding biddende en hopende:

te sterven voor zijn armen vermoorden vader.

Arm kind, wat vermocht hij tegen zulk een overmacht! Op zijn

wanhoopskreet waren de enkelen, die overgebleven waren van de

dappere bemanning, toegesneld, om weldra bloedend neer te zinken op

het dek, of, ontwapend, zich overgegeven te zien aan de genade van

den overwinnaar.

En de arme Maerten?

Als spelenderwijze had men hem zijn wapen ontrukt en hem, gebonden of

op een andere wijze onschadelijk gemaakt, hier of daar heengeschopt,

om over het welp van den leeuw het oordeel van den hoofdman te

hooren. Met het bloed van een kind bevlekte zelfs de ruwste dier

mannen zich niet graag. In verordeningen uit deze dagen, en wel

voor onze matrozen in den worstelstrijd op leven en dood met de

Duinkerker kapers, vindt men wel degelijk een dergelijke bepaling,

b.v., dat men allen de voeten moest spoelen, behalve dezen en genen,

en daaronder de scheepsjongens. Is het daarom, dat de hoofdman het

ook na de victorie niet over zich verkrijgen kon den elfjarigen knaap

over boord te werpen? Of was het in driesten overmoed, dat hij zich

tot voetveeg uitkoos het kind, wiens vader hij vermoord had, het welp

van den leeuw? Wie zal het zeggen! Maar zeker is het, dat het kind

niets vuriger verlangde dan te sterven, dan naast zijn vader neer te

zinken in het groote matrozengraf.

Zoo werd Maerten Harpertsz. Tromp de slaaf van den zeeroover.

En bij dien zeeroover schijnt hij een alles behalve aangenaam leven

gehad te hebben. "Ende desen onsen Heldt, elf jaren oudt zijnde"--aldus

zegt een tijdgenoot--"(werd) in nauwe ende geweldighe gevanckenisse

overgelevert."

Die arme Maerten! Hoe zou hij ook een oogenblik van den dag hebben

kunnen vergeten, dat hij den man dienen moest, die de moordenaar van

zijn vader was?....

In latere jaren schijnt hij nooit gaarne over dezen tijd gesproken te

hebben. Professor Thysius toch, die niets vergat wat den held beter

deed uitkomen of meer het medegevoel kon opwekken, en daartoe een

grondig onderzoek zal ingesteld hebben, wist niets anders te vertellen,

dan van "de nauwe ende geweldighe gevanckenis," "Maar,"--voegt hij er

bij--"veel sijnder in de vrijheyt dienstbaer; sommige, welckers gemoet

vierigh is, sijn selfs in hechtenisse vrij; Edele verstanden sijn

de fortuyn ontwassen ende werden door hare deughden opgerecht. Sijn

gemoet was selfs in 't begin van sijne kindtsheydt standvastigh en

achte de saeken, die hem tegen gingen, weynig."

Nu kan men dit alles gemakkelijk zeggen, wanneer men spreekt over de

jeugd van een man, die een wereldberoemden naam verworven heeft. Men

heeft dan reeds op de aarde de oplossing van het sprookje gezien, en

men beschouwt zulk een treurigen tijd in het leven als een oefenschool,

als een tijdperk van beproeving, waaruit de sterkere als overwinnaar

te voorschijn komt, doch waarin de zwakke ondergaat. Van dien zwakke

hoort men dan ook gewoonlijk niet.

Maar--een kind van elf jaar te zijn, en zelf zulk een harden tijd te

doorleven, zonder hoop dat het ooit anders zal worden!....

Maerten Harpertszoon Tromp is een van de beminnelijkste menschen

geweest, van wie de geschiedenis gewag maakt. Altijd vriendelijk,

hulpvaardig, voorkomend, en dat vooral voor zijn minderen. "Bestevaer",

hebben later zijn matrozen hem genoemd, en hij noemde hen zijn

"kinderen". Van niet tot iet gekomen, vergat hij zijn vroegere

standgenooten niet, en, waar hij kon, maakte hij hun lot beter of

ten minste draaglijk. Moeten we juist niet in de harde slavernij,

waarin hij als kind geleefd heeft, de oorzaak hiervan zoeken?

Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw · 第 1 / 11 段