Waarin Phileas Fogg nog eene premie op den koop toegeeft.
Het is tijd mede te deelen, welk een omkeer in de publieke opinie in
het Vereenigde Koninkrijk had plaats gehad, toen men de arrestatie van
den werkelijken dief der bank had vernomen—een zekere James Strand—die
den 17den December plaats had gehad.
Drie dagen vroeger was Fogg nog de schuldige, dien de inspecteur voet
voor voet volgde; maar toen de dief eenmaal gearresteerd was, werd de
gentleman weder de eerlijkste man ter wereld, die mathematisch zijne
zonderlinge reis rondom de wereld volbracht.
Welk een indruk maakte dit, en welk een ophef in de couranten! Allen
die voor of tegen gewed hadden, of de geheele zaak reeds hadden
vergeten, werden als door een tooverroede wakker geschud. Alle
overeenkomsten werden weder geldig. Alle verbintenissen herleefden
weer. Alle weddenschappen kregen nieuwe kracht, en de Phileas
Fogg-actiën rezen.
De vijf medespelers van den gentleman in de Reform-club brachten deze
drie dagen in zekere onrust door. Die Phileas Fogg, dien zij allen
vergeten hadden, verscheen onverwachts weder voor hunne oogen! Waar was
hij nu? Den l7den December, den dag waarop James Strand te Edinburg
gearresteerd werd, was het zes en zeventig dagen geleden, dat Fogg
vertrokken was en men had nog niets van hem vernomen. Had hij den
strijd opgegeven of vervolgde hij zijn weg volgens het overeengekomen
reisplan? Zou hij zaterdag den 21sten December ’s avonds ten kwart voor
negenen als de geest der nauwgezetheid op den drempel der Reform-club
verschijnen?
Wij zullen de spanning niet schetsen, waarin ieder Engelschman
gedurende die drie dagen verkeerde. Men zond telegrammen naar Amerika
en Azië, om maar iets van Fogg te weten te komen. Men ging ’s morgens
en ’s avonds het huis in Saville-Row eens opnemen. Niets. De politie
wist ook niet wat er van den inspecteur Fix geworden was, die zoo
ongelukkig een verkeerd spoor had gevolgd. Dit verhinderde niet, dat
men nieuwe weddenschappen op nog grootere schaal aanging. Phileas Fogg
deelde het lot van het paard, dat aan de laatste barrière is genaderd.
Men taxeerde hem niet meer op honderd, maar op twintig, op tien, ja op
vijf; alleen de lamme lord Albemarle hield zijne actiën op pari.
Dien zaterdagavond was er dan ook een groote menigte naar Pall-Mall en
in de naburige straten gestroomd. Men zou gemeend hebben, dat hier alle
beursmannen waren samengekomen, en onafgebroken voor de deuren der
Reform-club stand hielden. De passage was gestremd; men riep den koers
van „Phileas Foggs” af, alsof het engelsche fondsen waren. De
politie-agenten hadden zeer veel moeite om het volk in bedwang te
houden, en naarmate het uur naderde waarop Fogg moest aankomen, nam de
opgewondenheid met onbeschrijfelijke snelheid toe.
Dien avond waren de vijf partners van den gentleman sedert zeven uur in
de groote zaal van de Reform-club bijeen. De twee bankiers, John
Sullivan en Samuel Fallentin, de ingenieur Andrew Stuart, Gauthier
Ralph, administrateur der Bank, de brouwer Thomas Flanagan, allen zagen
zijne komst met belangstelling tegemoet.
Op het oogenblik dat de klok der groote zaal vijf minuten vóor half
negen aanwees, stond Andrew Stuart op en zeide:
„Mijne heeren, binnen twintig minuten zal de termijn, tusschen Phileas
Fogg en ons bepaald, verstreken zijn.”
„Wanneer is de laatste trein uit Liverpool aangekomen?” vroeg Thomas
Flanagan.
„Ten zeven uur drie en twintig minuten,” antwoordde Gauthier Ralph, „en
de volgende trein komt eerst tien minuten over twaalven aan.”
„Welnu, mijne heeren,” hernam Andrew Stuart, „zoo Phileas Fogg met den
trein van zeven uur drie en twintig was aangekomen, zou hij reeds hier
zijn. Wij kunnen de weddenschap dus als gewonnen beschouwen.”
„Laten wij nog geen uitspraak doen,” antwoordde Samuel Fallentin. „Gij
weet dat onze collega zeer zonderling is. Zijne nauwkeurigheid is
overal bekend. Hij komt nooit te laat, noch te vroeg. Zoo hij hier nog
op het laatste oogenblik verscheen, zou het mij niet verwonderen.”
„En ik,” hernam Andrew Stuart, die altijd zeer zenuwachtig was, „ik zou
het niet gelooven al zag ik het.”
„Inderdaad,” hernam Thomas Flanagan, „het plan van den heer Fogg was
onzinnig. Hoe stipt hij ook moge zijn, hij kon de onvermijdelijke
hinderpalen niet outwijken en een oponthoud van twee of drie dagen
moest zijn geheele reis in duigen doen vallen.”
„Bovendien moeten wij niet vergeten,” voegde John Sulivan er bij, „dat
wij niets van onzen collega vernomen hebben: toch ontbreekt de opgave
der telegrafen niet in zijn reisboek.”
„Hij heeft verloren, mijne heeren,” hernam Andrew Stuart, „hij heeft
het honderdmaal verloren! Gij weet bovendien dat de China—de eenige
mailboot van New-York, die hij kon nemen om op den bepaalden tijd te
Liverpool te zijn—gisteren is binnengeloopen. En ziedaar de lijst der
passagiers, door de Shipping-Gazette medegedeeld; de naam van Phileas
Fogg staat er niet op. Zelfs al namen wij de gunstigste kansen aan, dan
is onze collega op dit uur nauwelijks in Amerika. Ik reken dat hij
minstens twintig dagen ten achter is, en de oude lord Albemarle heeft
ook zijn vijf duizend pond verloren.”
„Dat is wel waarschijnlijk,” antwoordde Gauthier Ralph. „Wij behoeven
slechts den wissel van Phileas Fogg op de gebroeders Baring af te
geven.”
Op dit oogenblik wees de klok tien minuten over half negen.
„Nog vijf minuten,” riep Andrew Stuart.
De vijf leden der Reform-club zagen elkander aan. Men kan licht
begrijpen dat hun hart een weinig sneller klopte, want zelfs voor goede
spelers was het een hoog spel. Zij wilden er echter niets van laten
bemerken, en op voorstel van Samuel Fallentin namen zij plaats aan de
speeltafel.
„Ik zou mijn vijfde gedeelte van de twintig duizend niet willen geven,”
zeide Andrew Stuart, zich nederzettende, „al bood men er drie duizend
negen honderd en negentig pond voor.”
De wijzer wees op dit oogenblik twaalf minuten over half negen.
De spelers hadden de kaarten opgenomen, maar ieder oogenblik keken zij
op de klok. Hoe zeker ze ook waren, nooit had een minuut hen zoo lang
geduurd.
„Dertien minuten over half negen,” zeide Thomas Flanagan, de kaarten
coupeerende, die Gauthier Ralph hem toeschoof. Daarop volgde een
oogenblik stilte. In de groote zaal der club hoorde men geen geluid.
Maar buiten klonk het geraas der menigte, die somtijds luide kreten
uitte. De slinger van de klok gaf elke seconde aan. Ieder speler telde
onwillekeurig de slingeringen.
„Veertien minuten over half negen!” zeide John Sulivan, met een stem,
waarin zekere ontroering hoorbaar was.
Nog één minuut, en de weddenschap was gewonnen. Andrew Stuart en zijn
collega’s speelden niet meer. Zij hadden de kaarten neergelegd.
Op de veertigste seconde niets. Op de vijftigste seconde nog niets!
Op de vijf en vijftigste hoorde men buiten iets als een onweersbui,
handgeklap, hoezee’s en zelfs verwenschingen, die zich al verder
voortplantten.
De vijf spelers stonden op.
Op de zeven en vijftigste seconde werd de deur geopend en de slinger
had de zestigste seconde nog niet aangegeven, toen Phileas Fogg
verscheen, gevolgd door een opgewonden menigte, die den ingang der club
was binnengedrongen. Op zijn kalmen toon, zeide hij:
„Mijne heeren, hier ben ik.”