Waarin Passepartout het bevel van zijn meester zich niet tweemaal
laat geven.
Den anderen morgen zouden de inwoners van Saville-Row zeer verwonderd
zijn geweest als men hun verteld had, dat de heer Fogg weder in zijn
woning teruggekeerd was. Deuren en vensters waren gesloten. Geenerlei
verandering had er uitwendig plaats gegrepen.
Inderdaad, nadat zij het station verlaten hadden, had Fogg aan
Passepartout gelast eenige levensmiddelen te koopen, en was toen in
huis gegaan. Zijne gewone kalmte was niet veranderd onder den
vreeselijken slag, die hem trof. Geruïneerd, en door de schuld van dien
stommen inspecteur van politie! Na altijd met vasten tred gedurende de
lange tochten voortgeschreden te zijn, na duizenden hinderpalen
overwonnen te hebben, en nog tijd te hebben gehad om eenig goed te doen
op zijn weg, te moeten buigen voor een brutaal feit, dat hij niet had
kunnen voorzien en waartegen hij ongewapend was, dat was
verschrikkelijk. Van de aanzienlijke som gelds, welke hij bij zijn
vertrek medegenomen had, was nog maar een klein gedeelte over. Zijn
fortuin bestond slechts uit twintig duizend pond, gedeponeerd bij de
gebroeders Baring, en die twintig duizend pond moest hij aan de
Reform-club afstaan. Na zooveel verspild te hebben, zou hem de gewonnen
weddenschap niet veel verrijkt hebben—het is waarschijnlijk dat hij
zich niet wilde verrijken, want hij behoorde tot die menschen, die voor
de eer wedden—doch nu de weddenschap verloren was, was hij geruïneerd.
Maar hij had zijn partij gekozen, en wist wat hem te doen stond. Een
kamer in zijne woning in Saville-Row werd aan Aouda afgestaan. De jonge
dame was wanhopend. Door eenige woorden van Fogg had zij begrepen, dat
deze eenig noodlottig plan koesterde.
Men weet, tot welke rampzalige uitersten de engelsche monomanen kunnen
overgaan, zoo zij door een idee fixe worden beheerscht. Ook sloeg
Passepartout, zonder het te laten merken zijn meester gade. Eerst
echter was hij naar zijne kamer gegaan en had daar de gaspit
uitgedraaid, die nu tachtig dagen brandde.
Hij had in de brievenbus een nota gevonden der gasmaatschappij en hij
begreep, dat het meer dan tijd was om die onkosten te doen ophouden,
waarvoor hij aansprakelijk was.
De nacht ging voorbij. Fogg was naar bed gegaan, maar had hij geslapen?
Wat Aouda betreft, zij had geen oogenblik gerust. Passepartout had als
een hond voor de deur van zijn meester gewaakt.
Den anderen morgen liet Fogg hem bij zich komen en gaf in korte woorden
te kennen, dat hij voor het ontbijt van Aouda moest zorgen. Hij zelf
zou zich vergenoegen met een kop thee en een stuk rundvleesch. Aouda
zou hem wel verschoonen zoo hij niet aan het ontbijt of aan het diné
verscheen, want hij had al zijn tijd noodig om orde op zijne zaken te
stellen. Hij zou niet beneden komen. Tegen den avond vroeg hij aan
Aouda een onderhoud van eenige oogenblikken.
Passepartout had de lijst zijner werkzaamheden. Daarna behoefde hij
zich slechts te regelen. Toch bleef hij; hij zag zijn kalmen meester
voortdurend aan en kon niet besluiten diens kamer te verlaten. Zijn
hart was vol en zijn geweten liep over van verwijten, want hij
beschuldigde zich meer dan ooit van deze onmetelijke ramp. Ja, zoo hij
Fogg gewaarschuwd had, zoo hij de plannen van Fix had ontsluierd, zou
Fogg ongetwijfeld den agent niet tot Liverpool hebben medegenomen, en
dan....
Passepartout kon niet langer zwijgen.
„Meester! mijnheer Fogg,” riep hij, „vervloek mij. Het is mijne schuld,
dat....”
„Ik beschuldig niemand,” antwoorde Fogg op den kalmsten toon. „Ga.”
Passepartout verliet de kamer en ging naar Aouda, aan wien hij de
plannen van Fogg mededeelde.
„Mevrouw,” voegde hij er bij, „ik zelf kan niets meer; niets. Ik heb
volstrekt geen invloed op den heer Fogg. Gij misschien....”
„Welken invloed zou ik hebben,” antwoordde Aouda. „Mijnheer Fogg staat
onder niemands invloed. Heeft hij ooit begrepen dat mijne dankbaarheid
jegens hem op het punt was over te vloeien? Heeft hij ooit in mijn hart
gelezen? Mijn vriend, gij moet hem geen oogenblik verlaten. Gij zegt
dat hij plan heeft om mij heden avond te spreken?”
„Ja, mevrouw. Het is zeker om u eene goede positie in Engeland te
verzekeren.”
„Wij zullen dan wachten,” antwoordde de jonge vrouw, die in gepeins
verzonk.
Ook dien zondag scheen het huis in Saville-Row onbewoond, en voor de
eerste maal, zoolang hij hier woonde, ging Fogg niet ten half twaalf
ure naar zijn club.
Waarom zou hij ook naar zijn club gaan. Zijne medeleden wachtten hem
immers niet meer. Den vorigen avond toch, den laatsten van den fatalen
termijn, den 21sten December, te kwart voor negenen was Fogg niet in de
Reform-club geweest; zijn weddenschap had hij dus verloren. Het was
zelfs niet noodig, dat hij naar zijn bankier ging om de twintig duizend
pond te halen. Zijne tegenpartij had van hem een quitantie door hem
geteekend; zij behoefde slechts een wissel af te geven op de gebroeders
Baring, die hem zouden uitbetalen.
Fogg behoefde dus niet uit te gaan en hij ging dan ook niet uit. Hij
bleef in zijn kamer en regelde zijne zaken. Passepartout liep
onophoudelijk de trappen van het huis in Saville-Row op en neder. De
uren gingen voor den armen knecht maar niet voorbij. Hij luisterde aan
de deur van zijn meester en begreep dat hij zoodoende volstrekt niet
onbescheiden handelde. Hij keek door het sleutelgat en meende daartoe
het recht te hebben. Passepartout vreesde ieder oogenblik een nieuwe
ramp. Soms dacht hij ook wel eens aan Fix, maar er had een omkeer in
zijn gemoed plaats gehad. Den inspecteur van politie droeg hij geen
kwaad hart meer toe. Fix had zich vergist, zooals iedereen ten opzichte
van Phileas Fogg gedaan had, maar hij had zich ter goeder trouw
vergist, en, hem volgende en arresteerende, had hij slechts zijn plicht
gedaan, terwijl hij, Passepartout.... Die gedachte overstelpte hem en
hij hield zich voor den ellendigsten mensch op aarde.
Toen Passepartout zich eindelijk al te ongelukkig gevoelde om langer
alleen te zijn, klopte hij aan de deur van Aouda, trad hare kamer
binnen, ging in een hoek zitten, zonder een woord te spreken, en zag de
steeds in gepeins verdiepte jonge vrouw aan.
Tegen half acht des avonds, liet Fogg aan Aouda vragen of zij hem kon
ontvangen en eenige oogenblikken later waren hij en Aouda alleen in de
kamer.
Phileas Fogg nam een stoel en zette zich bij den schoorsteen, tegenover
Aouda. Zijn gelaat teekende volstrekt geen ontroering. De Fogg, die was
teruggekeerd, verschilde in niets van den Fogg, die was heengegaan. Hij
was altijd even kalm en onverstoorbaar.
Vijf minuten lang bewaarde hij het stilzwijgen. Toen zijne oogen op
Aouda slaande, zeide hij:
„Mevrouw, vergeeft gij mij, dat ik u naar Engeland gevoerd heb.”
„Ik, mijnheer Fogg? ik....” antwoordde Aouda, het kloppen van haar hart
met moeite bedwingende.
„Sta mij toe mijn zin te voltooien,” hernam Fogg. „Toen ik het plan
vormde om u mede te nemen ver van het land, dat zoo gevaarlijk voor u
was, was ik rijk, en ik wilde u een deel van mijn fortuin geven. Uw
leven zou zoo gelukkig en vrij zijn geweest. Maar nu ben ik
geruïneerd.”
„Ik weet het, mijnheer,” hernam de jonge dame, „en ik vraag u op mijn
beurt: Vergeeft gij het mij dat ik u gevolgd heb en—wie weet! misschien
bijgedragen heb tot uw ongeluk?”
„Mevrouw, gij kondt in Indië niet blijven en uwe veiligheid was niet
verzekerd vóor gij ver verwijderd waart van die Hindoes.”
„Alzoo, mijnheer,” zeide Aouda, „nog niet tevreden mij van een
vreeselijken dood gered te hebben, woudt gij mijn bestaan in Europa nog
verzekeren?”
„Ja, mevrouw,” antwoordde Fogg, „maar de zaak is mij tegengeloopen.
Toch blijft er nog een klein gedeelte van mijn fortuin over en dit
wensch ik ter uwer beschikking te stellen.”
„Maar gij, mijnheer Fogg, wat moet er van u worden?” vroeg Aouda.
„Ik mevrouw,” antwoordde Fogg kalm, „ik heb niets meer noodig.”
„Hoe denkt gij dan over het lot dat u te wachten staat?”
„Zooals ik er over moet denken,” antwoordde Fogg zacht.
„In elk geval zal een man als gij niet ongelukkig worden. Uwe
vrienden....”
„Ik heb geen vrienden, mevrouw.”
„Uwe bloedverwanten....”
„Ik heb geen bloedverwanten meer.”
„Dan beklaag ik u, mijnheer Fogg, want verlaten te zijn is zeer
treurig. Hoe! geen enkel vriendenhart om uw gemoed uit te storten. Men
zegt toch, dat men te zamen het ongeluk lichter dragen kan.”
„Men zegt het, mevrouw.”
„Mijnheer Fogg,” zeide toen Aouda opstaande en hare hand den gentleman
reikende, „wilt gij tegelijk eene vriendin en eene bloedverwant hebben?
Wilt gij mij tot uwe vrouw?”
Fogg stond bij die woorden eveneens op. Het was of er een ongewone
glans in zijn oogen flikkerde en of zijne lippen beefden. Aouda zag hem
aan. De oprechtheid, de flinkheid en de zachtheid van dien schoonen
blik eener edele vrouw, die alles waagt om hem te redden, aan wien zij
alles verschuldigd is, verbaasde hem eerst en ontroerde hem daarna
zeer. Hij sloot even de oogen als om te beletten dat die blik dieper
doordrong.—Toen opende hij ze weder.
„Ik bemin u, mevrouw,” zeide hij eenvoudig. „Ja, waarlijk, bij alles
wat heilig op aarde is, ik bemin u, ik ben geheel de uwe.”
„O!”—riep Aouda, de hand aan haar hart brengende.
Passepartout werd gescheld. Hij kwam terstond. Fogg hield de hand van
Aouda in de zijne. Passepartout begreep alles en zijn breed gelaat
schitterde als de zon in het zenith in de tropische gewesten.
Fogg vroeg hem of het niet te laat zou zijn om den eerwaarden Samuel
Wilson van de Sint-Stephaan-parochie te halen. Passepartout lachte
allervriendelijkst.
„Nooit is het te laat,” zeide hij. „Het is nog pas vijf minuten over
achten.”
„Het zal morgen, maandag zijn?” voegde hij er vragend bij.
„Morgen, maandag?” vroeg Fogg, Aouda aanziende.
„Morgen, maandag,” antwoordde Aouda.
Passepartout liep op een draf heen.