VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Passepartout het bevel van zijn meester zich niet tweemaal

laat geven.

Den anderen morgen zouden de inwoners van Saville-Row zeer verwonderd

zijn geweest als men hun verteld had, dat de heer Fogg weder in zijn

woning teruggekeerd was. Deuren en vensters waren gesloten. Geenerlei

verandering had er uitwendig plaats gegrepen.

Inderdaad, nadat zij het station verlaten hadden, had Fogg aan

Passepartout gelast eenige levensmiddelen te koopen, en was toen in

huis gegaan. Zijne gewone kalmte was niet veranderd onder den

vreeselijken slag, die hem trof. Geruïneerd, en door de schuld van dien

stommen inspecteur van politie! Na altijd met vasten tred gedurende de

lange tochten voortgeschreden te zijn, na duizenden hinderpalen

overwonnen te hebben, en nog tijd te hebben gehad om eenig goed te doen

op zijn weg, te moeten buigen voor een brutaal feit, dat hij niet had

kunnen voorzien en waartegen hij ongewapend was, dat was

verschrikkelijk. Van de aanzienlijke som gelds, welke hij bij zijn

vertrek medegenomen had, was nog maar een klein gedeelte over. Zijn

fortuin bestond slechts uit twintig duizend pond, gedeponeerd bij de

gebroeders Baring, en die twintig duizend pond moest hij aan de

Reform-club afstaan. Na zooveel verspild te hebben, zou hem de gewonnen

weddenschap niet veel verrijkt hebben—het is waarschijnlijk dat hij

zich niet wilde verrijken, want hij behoorde tot die menschen, die voor

de eer wedden—doch nu de weddenschap verloren was, was hij geruïneerd.

Maar hij had zijn partij gekozen, en wist wat hem te doen stond. Een

kamer in zijne woning in Saville-Row werd aan Aouda afgestaan. De jonge

dame was wanhopend. Door eenige woorden van Fogg had zij begrepen, dat

deze eenig noodlottig plan koesterde.

Men weet, tot welke rampzalige uitersten de engelsche monomanen kunnen

overgaan, zoo zij door een idee fixe worden beheerscht. Ook sloeg

Passepartout, zonder het te laten merken zijn meester gade. Eerst

echter was hij naar zijne kamer gegaan en had daar de gaspit

uitgedraaid, die nu tachtig dagen brandde.

Hij had in de brievenbus een nota gevonden der gasmaatschappij en hij

begreep, dat het meer dan tijd was om die onkosten te doen ophouden,

waarvoor hij aansprakelijk was.

De nacht ging voorbij. Fogg was naar bed gegaan, maar had hij geslapen?

Wat Aouda betreft, zij had geen oogenblik gerust. Passepartout had als

een hond voor de deur van zijn meester gewaakt.

Den anderen morgen liet Fogg hem bij zich komen en gaf in korte woorden

te kennen, dat hij voor het ontbijt van Aouda moest zorgen. Hij zelf

zou zich vergenoegen met een kop thee en een stuk rundvleesch. Aouda

zou hem wel verschoonen zoo hij niet aan het ontbijt of aan het diné

verscheen, want hij had al zijn tijd noodig om orde op zijne zaken te

stellen. Hij zou niet beneden komen. Tegen den avond vroeg hij aan

Aouda een onderhoud van eenige oogenblikken.

Passepartout had de lijst zijner werkzaamheden. Daarna behoefde hij

zich slechts te regelen. Toch bleef hij; hij zag zijn kalmen meester

voortdurend aan en kon niet besluiten diens kamer te verlaten. Zijn

hart was vol en zijn geweten liep over van verwijten, want hij

beschuldigde zich meer dan ooit van deze onmetelijke ramp. Ja, zoo hij

Fogg gewaarschuwd had, zoo hij de plannen van Fix had ontsluierd, zou

Fogg ongetwijfeld den agent niet tot Liverpool hebben medegenomen, en

dan....

Passepartout kon niet langer zwijgen.

„Meester! mijnheer Fogg,” riep hij, „vervloek mij. Het is mijne schuld,

dat....”

„Ik beschuldig niemand,” antwoorde Fogg op den kalmsten toon. „Ga.”

Passepartout verliet de kamer en ging naar Aouda, aan wien hij de

plannen van Fogg mededeelde.

„Mevrouw,” voegde hij er bij, „ik zelf kan niets meer; niets. Ik heb

volstrekt geen invloed op den heer Fogg. Gij misschien....”

„Welken invloed zou ik hebben,” antwoordde Aouda. „Mijnheer Fogg staat

onder niemands invloed. Heeft hij ooit begrepen dat mijne dankbaarheid

jegens hem op het punt was over te vloeien? Heeft hij ooit in mijn hart

gelezen? Mijn vriend, gij moet hem geen oogenblik verlaten. Gij zegt

dat hij plan heeft om mij heden avond te spreken?”

„Ja, mevrouw. Het is zeker om u eene goede positie in Engeland te

verzekeren.”

„Wij zullen dan wachten,” antwoordde de jonge vrouw, die in gepeins

verzonk.

Ook dien zondag scheen het huis in Saville-Row onbewoond, en voor de

eerste maal, zoolang hij hier woonde, ging Fogg niet ten half twaalf

ure naar zijn club.

Waarom zou hij ook naar zijn club gaan. Zijne medeleden wachtten hem

immers niet meer. Den vorigen avond toch, den laatsten van den fatalen

termijn, den 21sten December, te kwart voor negenen was Fogg niet in de

Reform-club geweest; zijn weddenschap had hij dus verloren. Het was

zelfs niet noodig, dat hij naar zijn bankier ging om de twintig duizend

pond te halen. Zijne tegenpartij had van hem een quitantie door hem

geteekend; zij behoefde slechts een wissel af te geven op de gebroeders

Baring, die hem zouden uitbetalen.

Fogg behoefde dus niet uit te gaan en hij ging dan ook niet uit. Hij

bleef in zijn kamer en regelde zijne zaken. Passepartout liep

onophoudelijk de trappen van het huis in Saville-Row op en neder. De

uren gingen voor den armen knecht maar niet voorbij. Hij luisterde aan

de deur van zijn meester en begreep dat hij zoodoende volstrekt niet

onbescheiden handelde. Hij keek door het sleutelgat en meende daartoe

het recht te hebben. Passepartout vreesde ieder oogenblik een nieuwe

ramp. Soms dacht hij ook wel eens aan Fix, maar er had een omkeer in

zijn gemoed plaats gehad. Den inspecteur van politie droeg hij geen

kwaad hart meer toe. Fix had zich vergist, zooals iedereen ten opzichte

van Phileas Fogg gedaan had, maar hij had zich ter goeder trouw

vergist, en, hem volgende en arresteerende, had hij slechts zijn plicht

gedaan, terwijl hij, Passepartout.... Die gedachte overstelpte hem en

hij hield zich voor den ellendigsten mensch op aarde.

Toen Passepartout zich eindelijk al te ongelukkig gevoelde om langer

alleen te zijn, klopte hij aan de deur van Aouda, trad hare kamer

binnen, ging in een hoek zitten, zonder een woord te spreken, en zag de

steeds in gepeins verdiepte jonge vrouw aan.

Tegen half acht des avonds, liet Fogg aan Aouda vragen of zij hem kon

ontvangen en eenige oogenblikken later waren hij en Aouda alleen in de

kamer.

Phileas Fogg nam een stoel en zette zich bij den schoorsteen, tegenover

Aouda. Zijn gelaat teekende volstrekt geen ontroering. De Fogg, die was

teruggekeerd, verschilde in niets van den Fogg, die was heengegaan. Hij

was altijd even kalm en onverstoorbaar.

Vijf minuten lang bewaarde hij het stilzwijgen. Toen zijne oogen op

Aouda slaande, zeide hij:

„Mevrouw, vergeeft gij mij, dat ik u naar Engeland gevoerd heb.”

„Ik, mijnheer Fogg? ik....” antwoordde Aouda, het kloppen van haar hart

met moeite bedwingende.

„Sta mij toe mijn zin te voltooien,” hernam Fogg. „Toen ik het plan

vormde om u mede te nemen ver van het land, dat zoo gevaarlijk voor u

was, was ik rijk, en ik wilde u een deel van mijn fortuin geven. Uw

leven zou zoo gelukkig en vrij zijn geweest. Maar nu ben ik

geruïneerd.”

„Ik weet het, mijnheer,” hernam de jonge dame, „en ik vraag u op mijn

beurt: Vergeeft gij het mij dat ik u gevolgd heb en—wie weet! misschien

bijgedragen heb tot uw ongeluk?”

„Mevrouw, gij kondt in Indië niet blijven en uwe veiligheid was niet

verzekerd vóor gij ver verwijderd waart van die Hindoes.”

„Alzoo, mijnheer,” zeide Aouda, „nog niet tevreden mij van een

vreeselijken dood gered te hebben, woudt gij mijn bestaan in Europa nog

verzekeren?”

„Ja, mevrouw,” antwoordde Fogg, „maar de zaak is mij tegengeloopen.

Toch blijft er nog een klein gedeelte van mijn fortuin over en dit

wensch ik ter uwer beschikking te stellen.”

„Maar gij, mijnheer Fogg, wat moet er van u worden?” vroeg Aouda.

„Ik mevrouw,” antwoordde Fogg kalm, „ik heb niets meer noodig.”

„Hoe denkt gij dan over het lot dat u te wachten staat?”

„Zooals ik er over moet denken,” antwoordde Fogg zacht.

„In elk geval zal een man als gij niet ongelukkig worden. Uwe

vrienden....”

„Ik heb geen vrienden, mevrouw.”

„Uwe bloedverwanten....”

„Ik heb geen bloedverwanten meer.”

„Dan beklaag ik u, mijnheer Fogg, want verlaten te zijn is zeer

treurig. Hoe! geen enkel vriendenhart om uw gemoed uit te storten. Men

zegt toch, dat men te zamen het ongeluk lichter dragen kan.”

„Men zegt het, mevrouw.”

„Mijnheer Fogg,” zeide toen Aouda opstaande en hare hand den gentleman

reikende, „wilt gij tegelijk eene vriendin en eene bloedverwant hebben?

Wilt gij mij tot uwe vrouw?”

Fogg stond bij die woorden eveneens op. Het was of er een ongewone

glans in zijn oogen flikkerde en of zijne lippen beefden. Aouda zag hem

aan. De oprechtheid, de flinkheid en de zachtheid van dien schoonen

blik eener edele vrouw, die alles waagt om hem te redden, aan wien zij

alles verschuldigd is, verbaasde hem eerst en ontroerde hem daarna

zeer. Hij sloot even de oogen als om te beletten dat die blik dieper

doordrong.—Toen opende hij ze weder.

„Ik bemin u, mevrouw,” zeide hij eenvoudig. „Ja, waarlijk, bij alles

wat heilig op aarde is, ik bemin u, ik ben geheel de uwe.”

„O!”—riep Aouda, de hand aan haar hart brengende.

Passepartout werd gescheld. Hij kwam terstond. Fogg hield de hand van

Aouda in de zijne. Passepartout begreep alles en zijn breed gelaat

schitterde als de zon in het zenith in de tropische gewesten.

Fogg vroeg hem of het niet te laat zou zijn om den eerwaarden Samuel

Wilson van de Sint-Stephaan-parochie te halen. Passepartout lachte

allervriendelijkst.

„Nooit is het te laat,” zeide hij. „Het is nog pas vijf minuten over

achten.”

„Het zal morgen, maandag zijn?” voegde hij er vragend bij.

„Morgen, maandag?” vroeg Fogg, Aouda aanziende.

„Morgen, maandag,” antwoordde Aouda.

Passepartout liep op een draf heen.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 36 / 39 题