Waarin Fix tot betere gedachten komt.
Phileas Fogg was gevangen. Men had hem op het kantoor van inkomende
rechten van Liverpool gesloten en hij moest daar den nacht doorbrengen,
in afwachting dat hij naar Londen zou worden getransporteerd.
Op het oogenblik der inhechtenisneming had Passepartont zich op den
detective willen werpen. Maar de politie-agenten hadden hem
tegengehouden. Aouda was verbaasd over de brutaliteit van het feit, en
daar zij er niets van wist, begreep zij er ook niets van. Passepartout
verklaarde haar alles. Fogg, die eerlijke en moedige gentleman, aan
wien zij haar leven te danken had, was als een dief in hechtenis
genomen. Over zulk een verdenking was de jonge vrouw in de hoogste mate
verontwaardigd. Tranen welden in hare oogen, vooral bij het besef dat
zij niets kon doen, niets kon beproeven om haar redder bij te staan.
Wat Fix aangaat, hij had den gentleman gearresteerd, omdat zijn plicht
het gebood; of Fogg schuldig was of niet, zou de justitie beslissen.
Maar toen kwam er een vreeselijke gedachte bij Passepartout op, de
gedachte dat hij ongetwijfeld de oorzaak van dit ongeluk was. En
inderdaad waarom had hij het gebeurde voor Fogg geheim gehouden? Waarom
had hij, toen Fix hem zoowel zijn betrekking van inspecteur van politie
als de zending, waarmede hij belast was, had medegedeeld, zijn meester
niet gewaarschuwd? Zoo deze gewaarschuwd ware, zou hij immers aan Fix
bewijzen hebben gegeven van zijn onschuld? hij zou hem zijn dwaling
aangetoond hebben; in alle geval zou hij niet op zijn kosten dien
verwenschten agent met zich genomen hebben, wiens eerste zorg was
geweest hem te arresteeren, zoodra hij den voet zette op den bodem van
het Vereenigde Koninkrijk. Denkende aan zijn schuld en aan zijn
onvoorzichtigheid, doorstond de arme kerel de hevigste kwellingen. Hij
weende dat men medelijden met hem moest hebben. Hij had zijn hoofd wel
willen verbrijzelen.
Aouda en hij waren, ondanks de koude, in de vestibule gebleven. Zij
wilden geen van beiden de plaats verlaten. Zij wilden Fogg nog eenmaal
wederzien. Wat dezen betreft, hij was goed en wel geruïneerd, en dat
juist op het oogenblik dat hij zijn doel zou bereiken. De arrestatie
was zijn ongeluk. Toen hij den 21sten December des morgens twintig
minuten vóor twaalven te Liverpool aankwam, had hij tot kwart vóor
negenen den tijd om zich in de Reform-club te vertoonen;—dus negen uur
en vijftien minuten—en hij had slechts zes uur noodig om naar Londen te
komen.
Op dat oogenblik zou ieder, die in het kantoor der douanen
doorgedrongen was, Fogg gezien hebben, op een bank gezeten even kalm en
onverstoorbaar als altijd. Onderworpen kon men niet zeggen, maar ook
die laatste slag had hem niet kunnen ontroeren, ten minste zoo scheen
het. Woedde in zijn binnenste een verborgen toorn, die te vreeselijker
was, omdat hij dien moest bedwingen, maar die op een gegeven oogenblik
met onwederstaanbare kracht zou uitbarsten? Niemand weet het. Maar Fogg
wachtte daar kalm af.... Wat? Had hij nog eenige hoop? Geloofde hij nog
aan de mogelijkheid van een goeden uitslag, toen de deur zich achter
hem gesloten had?
Hoe het ook zij, Fogg legde zorgvuldig zijn horloge op tafel en volgde
de wijzers met onafgebroken aandacht. Geen woord kwam over zijn lippen,
maar zijn blik was somber en strak. De toestand was vreeselijk en voor
hen, die in zijn hart niet lezen konden, was die toestand deze: als
eerlijk man was Phileas Fogg geruïneerd en tevens was hij gevangen
gehouden als een schurk. Dacht hij nog aan redding? Meende hij nog dat
uit deze gevangenis het ontkomen mogelijk was? Peinsde hij over eene
ontvluchting? Men zou geneigd zijn het te gelooven, want eensklaps
stond hij op en onderzocht hij de kamer. Maar de deur was goed gesloten
en het venster van ijzeren staven voorzien. Hij ging weder zitten,
haalde uit zijn portefeuille zijn reisboek en achter den regel, waarop
geschreven stond:
„21 December, zaterdag, Liverpool,” voegde hij „tachtigsten dag, elf
uur veertig minuten des morgens” en hij wachtte.
Het sloeg een uur op de klok van het gebouw der belastingen. Fogg
constateerde dat zijn horloge twee minuten voorliep.
Twee uur! Zoo hij op dat oogenblik een expres-trein nam, kon hij nog te
Londen en in de Reform-club zijn vóór kwart voor negenen. Hij fronste
even zijn wenkbrauwen.
Drie minuten over half drie hoorde men buiten eenig geraas; deuren
werden geopend. Men onderscheidde de stem van Passepartout en die van
Fix.
De oogen van Fogg schitterden een oogenblik. De deur van het kantoor
werd geopend en hij zag Aouda, Passepartout en Fix, die naar hem
toesnelden.
Fix was buiten adem; zijn haren hingen verward over zijn gezicht, en
hij kon niet spreken.
„Mijnheer,” stotterde hij, „mijnheer ... vergeving ... een ongelukkige
gelijkenis ... dief sedert drie dagen gevangen genomen ... gij ... zijt
vrij....”
Phileas Fogg was vrij! Hij ging recht op den inspecteur af, zag hem
strak aan, en maakte nu de eenige snelle beweging, die hij ooit in zijn
leven gemaakt had of maken zou; trok zijne beide armen naar achter,
bracht ze toen naar voren en met de juistheid van een automaat trof hij
met zijn beide vuisten den ongelukkigen inspecteur van politie.
„Goed geraakt!” riep Passepartout.
Fix, die op den grond lag, zeide geen woord. Hij had slechts zijn
verdiende loon. Maar Fogg, Aouda en Passepartout snelden
oogenblikkelijk heen, sprongen in een rijtuig en binnen weinige minuten
waren zij aan het station van Liverpool.
Fogg vroeg of er een expres-trein gereed stond voor Londen....
Het was tien minuten over half drie, en de expres-trein was vijf en
dertig minuten geleden vertrokken.
Fogg bestelde een extra-trein.
Er waren verscheidene locomotieven, die zeer snel liepen, maar in
verband met den dienst, kon de extra-trein niet vóor drie uur het
station verlaten.
Ten drie ure, nadat Fogg aan den machinist eene premie uitgeloofd had,
snelde de trein in de richting van Londen, met Fogg, Aouda en zijn
trouwen dienaar.
Men moest in vijf en een half uur den afstand afleggen, die Liverpool
van Londen scheidt, wat mogelijk was, zoo de weg overal vrij was. Maar
men had telkens een gedwongen oponthoud—en toen de gentleman aan het
station kwam, stonden alle klokken op tien minuten voor negenen.
Phileas Fogg kwam, nadat hij zijn reis om de wereld volbracht had, vijf
minuten te laat.
Hij had verloren.