VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Fix tot betere gedachten komt.

Phileas Fogg was gevangen. Men had hem op het kantoor van inkomende

rechten van Liverpool gesloten en hij moest daar den nacht doorbrengen,

in afwachting dat hij naar Londen zou worden getransporteerd.

Op het oogenblik der inhechtenisneming had Passepartont zich op den

detective willen werpen. Maar de politie-agenten hadden hem

tegengehouden. Aouda was verbaasd over de brutaliteit van het feit, en

daar zij er niets van wist, begreep zij er ook niets van. Passepartout

verklaarde haar alles. Fogg, die eerlijke en moedige gentleman, aan

wien zij haar leven te danken had, was als een dief in hechtenis

genomen. Over zulk een verdenking was de jonge vrouw in de hoogste mate

verontwaardigd. Tranen welden in hare oogen, vooral bij het besef dat

zij niets kon doen, niets kon beproeven om haar redder bij te staan.

Wat Fix aangaat, hij had den gentleman gearresteerd, omdat zijn plicht

het gebood; of Fogg schuldig was of niet, zou de justitie beslissen.

Maar toen kwam er een vreeselijke gedachte bij Passepartout op, de

gedachte dat hij ongetwijfeld de oorzaak van dit ongeluk was. En

inderdaad waarom had hij het gebeurde voor Fogg geheim gehouden? Waarom

had hij, toen Fix hem zoowel zijn betrekking van inspecteur van politie

als de zending, waarmede hij belast was, had medegedeeld, zijn meester

niet gewaarschuwd? Zoo deze gewaarschuwd ware, zou hij immers aan Fix

bewijzen hebben gegeven van zijn onschuld? hij zou hem zijn dwaling

aangetoond hebben; in alle geval zou hij niet op zijn kosten dien

verwenschten agent met zich genomen hebben, wiens eerste zorg was

geweest hem te arresteeren, zoodra hij den voet zette op den bodem van

het Vereenigde Koninkrijk. Denkende aan zijn schuld en aan zijn

onvoorzichtigheid, doorstond de arme kerel de hevigste kwellingen. Hij

weende dat men medelijden met hem moest hebben. Hij had zijn hoofd wel

willen verbrijzelen.

Aouda en hij waren, ondanks de koude, in de vestibule gebleven. Zij

wilden geen van beiden de plaats verlaten. Zij wilden Fogg nog eenmaal

wederzien. Wat dezen betreft, hij was goed en wel geruïneerd, en dat

juist op het oogenblik dat hij zijn doel zou bereiken. De arrestatie

was zijn ongeluk. Toen hij den 21sten December des morgens twintig

minuten vóor twaalven te Liverpool aankwam, had hij tot kwart vóor

negenen den tijd om zich in de Reform-club te vertoonen;—dus negen uur

en vijftien minuten—en hij had slechts zes uur noodig om naar Londen te

komen.

Op dat oogenblik zou ieder, die in het kantoor der douanen

doorgedrongen was, Fogg gezien hebben, op een bank gezeten even kalm en

onverstoorbaar als altijd. Onderworpen kon men niet zeggen, maar ook

die laatste slag had hem niet kunnen ontroeren, ten minste zoo scheen

het. Woedde in zijn binnenste een verborgen toorn, die te vreeselijker

was, omdat hij dien moest bedwingen, maar die op een gegeven oogenblik

met onwederstaanbare kracht zou uitbarsten? Niemand weet het. Maar Fogg

wachtte daar kalm af.... Wat? Had hij nog eenige hoop? Geloofde hij nog

aan de mogelijkheid van een goeden uitslag, toen de deur zich achter

hem gesloten had?

Hoe het ook zij, Fogg legde zorgvuldig zijn horloge op tafel en volgde

de wijzers met onafgebroken aandacht. Geen woord kwam over zijn lippen,

maar zijn blik was somber en strak. De toestand was vreeselijk en voor

hen, die in zijn hart niet lezen konden, was die toestand deze: als

eerlijk man was Phileas Fogg geruïneerd en tevens was hij gevangen

gehouden als een schurk. Dacht hij nog aan redding? Meende hij nog dat

uit deze gevangenis het ontkomen mogelijk was? Peinsde hij over eene

ontvluchting? Men zou geneigd zijn het te gelooven, want eensklaps

stond hij op en onderzocht hij de kamer. Maar de deur was goed gesloten

en het venster van ijzeren staven voorzien. Hij ging weder zitten,

haalde uit zijn portefeuille zijn reisboek en achter den regel, waarop

geschreven stond:

„21 December, zaterdag, Liverpool,” voegde hij „tachtigsten dag, elf

uur veertig minuten des morgens” en hij wachtte.

Het sloeg een uur op de klok van het gebouw der belastingen. Fogg

constateerde dat zijn horloge twee minuten voorliep.

Twee uur! Zoo hij op dat oogenblik een expres-trein nam, kon hij nog te

Londen en in de Reform-club zijn vóór kwart voor negenen. Hij fronste

even zijn wenkbrauwen.

Drie minuten over half drie hoorde men buiten eenig geraas; deuren

werden geopend. Men onderscheidde de stem van Passepartout en die van

Fix.

De oogen van Fogg schitterden een oogenblik. De deur van het kantoor

werd geopend en hij zag Aouda, Passepartout en Fix, die naar hem

toesnelden.

Fix was buiten adem; zijn haren hingen verward over zijn gezicht, en

hij kon niet spreken.

„Mijnheer,” stotterde hij, „mijnheer ... vergeving ... een ongelukkige

gelijkenis ... dief sedert drie dagen gevangen genomen ... gij ... zijt

vrij....”

Phileas Fogg was vrij! Hij ging recht op den inspecteur af, zag hem

strak aan, en maakte nu de eenige snelle beweging, die hij ooit in zijn

leven gemaakt had of maken zou; trok zijne beide armen naar achter,

bracht ze toen naar voren en met de juistheid van een automaat trof hij

met zijn beide vuisten den ongelukkigen inspecteur van politie.

„Goed geraakt!” riep Passepartout.

Fix, die op den grond lag, zeide geen woord. Hij had slechts zijn

verdiende loon. Maar Fogg, Aouda en Passepartout snelden

oogenblikkelijk heen, sprongen in een rijtuig en binnen weinige minuten

waren zij aan het station van Liverpool.

Fogg vroeg of er een expres-trein gereed stond voor Londen....

Het was tien minuten over half drie, en de expres-trein was vijf en

dertig minuten geleden vertrokken.

Fogg bestelde een extra-trein.

Er waren verscheidene locomotieven, die zeer snel liepen, maar in

verband met den dienst, kon de extra-trein niet vóor drie uur het

station verlaten.

Ten drie ure, nadat Fogg aan den machinist eene premie uitgeloofd had,

snelde de trein in de richting van Londen, met Fogg, Aouda en zijn

trouwen dienaar.

Men moest in vijf en een half uur den afstand afleggen, die Liverpool

van Londen scheidt, wat mogelijk was, zoo de weg overal vrij was. Maar

men had telkens een gedwongen oponthoud—en toen de gentleman aan het

station kwam, stonden alle klokken op tien minuten voor negenen.

Phileas Fogg kwam, nadat hij zijn reis om de wereld volbracht had, vijf

minuten te laat.

Hij had verloren.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 35 / 39 题