DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Phileas Fogg toont op de hoogte van den toestand te zijn.

Een uur later verliet de stoomboot de Henrietta het lichtschip van den

mond der Hudson, voer de Sandy-Hook-kaap om en stak in zee. Zij hield

de richting der kust van Long-Island met de baak van Fire-Island in het

verschiet en zette met snelheid koers naar het oosten.

Den anderen morgen, 13 December, des middags, klom een man op de brug,

die het dek overspande. Men zou denken, dat het kapitein Speedy was.

Deze was het evenwel volstrekt niet, maar Phileas Fogg esq.

Wat kapitein Speedy betreft; deze zat goed en wel achter slot in zijn

hut en schreeuwde op een toon, die overtuigend bewees dat zijne woede

tot den hoogsten top was gestegen.

Wat er gebeurd was, is in korte woorden mede te deelen. Phileas Fogg

wilde naar Liverpool, de kapitein wilde er hem niet brengen. Toen had

Phileas Fogg aangenomen om zich naar Bordeaux te laten brengen, en

gedurende de dertig uren, dat hij aan boord was, had hij zóo goed met

zijne banknoten gewerkt, dat de stuurman, de matrozen, de stokers—eene

samengeraapte equipage, die niet op den besten voet met den kapitein

stond—hem toebehoorde. Dit was de oorzaak, dat Phileas Fogg het bevel

voerde in plaats van kapitein Speedy, dat deze in zijne hut was

opgesloten en de Henrietta koers zette naar Liverpool. Dit alleen bleek

nog uit de wijze waarop Fogg bevelen gaf, dat hij een goed zeeman was.

Hoe dit voorval afloopt, zal men later vernemen. Intusschen Aouda was

zeer ongerust, al liet zij er niets van blijken. Fix was eerst geheel

verbijsterd. Wat Passepartout betreft, deze vond de zaak aanbiddelijk

mooi.

„Tusschen de tien en elf knoopen” had kapitein Speedy gezegd, en

inderdaad de Henrietta legde met deze snelheid de reis af.

Zoo dus de zee niet te onstuimig werd, zoo de wind niet naar het westen

liep, zoo er geen ongeluk aan het vaartuig overkwam, en zoo de machine

niet brak, kon de Henrietta in de negen dagen van den 12den December

tot den 21sten de drie duizend mijlen afleggen, die New-York van

Liverpool scheiden. Intusschen wanneer men aangekomen was, zou de zaak

der Henrietta bij die van den diefstal aan de Bank gevoegd, Phileas

Fogg misschien nog verder brengen dan hem lief was.

Gedurende de eerste dagen ging de tocht uitnemend. De zee was niet zeer

onstuimig, de wind bleef in het noordwesten, de zeilen stonden bij, en

tusschen de schoeners liep de Henrietta als eene ware trans-atlantische

boot voorbij.

Passepartout was verrukt. De laatste daad van zijn heer, waarvan hij de

gevolgen niet wilde inzien, had hem met bewondering vervuld. Nooit

hadden de matrozen vroolijker en handiger passagier aan boord gehad.

Hij was voor de bemanning de vriendelijkheid zelve en verbaasde

iedereen door zijne gymnastische toeren. Aan de schepelingen gaf hij de

mooiste namen en de lekkerste borrels. Zij manoeuvreerden volgens hem

als gentlemen en de stokers stookten als helden. Zijn goed humeur en

zijn spraakzaamheid deelden zich aan allen mede. Hij had het verleden,

de overwonnen hinderpalen en de doorgestane gevaren vergeten. Hij dacht

slechts aan het doel dat men op het punt was te bereiken en somtijds

kookte hij van ongeduld alsof ook hij verwarmd werd door het vuur van

de Henrietta. Nu en dan draaide hij om Fix heen en zag hem aan met

veelbeteekenenden blik, maar zonder een woord tot hem te zeggen.

Tusschen de twee voormalige vrienden bestond niet de geringste

vertrouwelijkheid meer. Bovendien Fix begreep er niets meer van. De

verovering van de Henrietta, het omkoopen van hare equipage, die Fogg,

welke commandeerde als een geboren zeeman, dat alles ging zijn verstand

te boven. Hij wist niet wat hij er van denken moest. Maar een heer, die

begon met een vijf en vijftig duizend pond te stelen, kan wel eindigen

met het stelen van een schip. En Fix geloofde natuurlijk dat de

Henrietta onder het bestuur van Fogg volstrekt niet naar Liverpool

ging, maar naar eenig oord op de wereld, waar de dief, die nu zeeroover

was geworden, rustig in veiligheid was. Men moet erkennen, dat die

onderstelling voor de hand lag en de detective begon ernstig berouw te

gevoelen, dat hij zich in deze zaak had gemengd.

Wat kapitein Speedy betreft, deze bleef maar altijd schreeuwen in zijne

hut en Passepartout die in last had om voor diens onderhoud te zorgen,

moest daarbij de grootste voorzorgen in acht nemen, hoe sterk hij ook

was. Fogg zelf scheen geheel vergeten te zijn dat er nog een kapitein

aan boord was.

Den 13den passeerde men het uiteinde van de kaap New-Foundland. Dit was

een kwaad punt. Des winters vooral heeft men hier vaak met mist en

storm te kampen. Sedert den vorigen avond was de barometer plotseling

gedaald en voorspelde eene aanstaande verandering van weer. Werkelijk

veranderde de temperatuur gedurende den nacht; de koude werd sterker en

terzelfder tijd draaide de wind naar het zuidoosten.

Dit was een nieuwe hinderpaal. Fogg moest, om niet af te wijken, de

zeilen bergen en meer stoom maken. Toch ging het schip zoo snel niet

meer, daar de golven onophoudelijk tegen de zijden sloegen. Het stampte

geweldig, wat zijne snelheid zeer verminderde. De wind nam

langzamerhand toe, en men voorzag reeds het geval dat de Henrietta zich

niet meer op de golven zou kunnen houden. Zoo zij zich bergen moest,

wist men niet waar en alle kansen waren tegen. Het gelaat van

Passepartout betrok evenals de hemel, en twee dagen lang onderging de

arme knecht de doodelijkste kwellingen. Maar Phileas Fogg was een

moedig zeeman, die het hoofd aan de zee wist te bieden. Hij ging altijd

door zonder stoom te minderen. Zoo de Henrietta niet over een golf kon,

ging zij er dwars door heen, zoodat het dek overstroomde, maar zij kwam

er toch. Somtijds lag de schroef uit het water en maalden de schroef

bladen als bezetenen door de lucht, wanneer een berg van water de kiel

boven de golven deed rijzen. Maar de boot ging altijd voorwaarts.

De wind stak echter niet zoo hevig op als men wel gevreesd had. Het was

niet een van die orkanen, die met een snelheid van negentig mijlen in

het uur voorttrekken. Het bleef bij hevige stormvlagen, maar

ongelukkigerwijze blies de wind altijd uit het zuidoosten, zoodat men

geene zeilen kon bijzetten. Toch was het, zooals men zien zal, zeer

noodig dat men den stoom te hulp kwam.

Den 11den December was de vijf en zeventigste dag na het vertrek uit

Londen. De Henrietta had nog geen oponthoud gehad, dat tot ongerustheid

aanleiding gaf. De helft van den overtocht had men achter den rug, en

de slechtste gedeelten waren voorbij. Zoo het zomer ware geweest, zou

men zeker geweest zijn, dat de tocht gelukt was. In den winter was men

blootgesteld aan het slechte jaargetijde, Passepartout zeide niets. Hij

koesterde veel hoop, en zoo de wind hem al tegen was, rekende hij op

den stoom.

Dien dag nu kwam de machinist op het dek, om met Fogg te spreken en had

met hem een lang onderhoud.

Zonder te weten waarom—ongetwijfeld uit een voorgevoel—was Passepartout

zeer onrustig. Hij had wel een zijner ooren willen geven om met het

andere te hooren wat zijn meester zeide. Hij kon echter eenige woorden

opvangen, onder anderen:

„Gij zijt zeker van hetgeen gij daar zegt?”

„Zeker, mijnheer. Vergeet niet, dat wij sedert ons vertrek al onze

vuren deden branden.”

Passepartout, die dit gesprek hoorde, voelde zijne beenen onder zich

wegzinken; Fogg verroerde zich niet.

„Gij begrijpt wel dat ik, zoo ik den tijd te New-York had gehad, mij

dan voorzien zou hebben van kolen, maar herinner u, gij kwaamt om kwart

over achten en ten negen ure zijn wij vertrokken. De Henrietta is er op

ingericht om zoowel met stoom als met zeilen de reis te maken, en

hoewel zij steenkolen genoeg had om rustig van New-York naar Bordeaux

te varen, zij heeft er niet genoeg om met alle kracht van New-York naar

Liverpool de reis te maken.”

„Ik zal er over denken,” antwoordde Fogg.

Passepartout had thans alles begrepen. Hij werd doodelijk ongerust.

Er zouden weldra geen kolen meer zijn.

„O!” dacht hij, „als mijn meester ook dit bezwaar overwint, is hij

bepaald een knappe kerel.”

Toen hij Fix ontmoette, kon hij niet nalaten dezen op de hoogte der

zaak te brengen.

„Gij gelooft dus,” vroeg de inspecteur, terwijl hij op zijne tanden

beet, „dat wij naar Liverpool gaan!”

„Wel zeker.”

„Stommerik!” hernam de inspecteur, terwijl hij de schouders ophaalde en

zich omkeerde.

Passepartout was op het punt om hem opheldering van dat woord te

vragen, waarvan hij trouwens de beteekenis zeer goed begreep, maar hij

overwoog bij zich zelven, dat de ongelukkige Fix toch al teleurgesteld

genoeg moest zijn en zijne eigenliefde zich zeer vernederd moest

gevoelen, omdat hij zoo dom was geweest om een verkeerd spoor te

volgen, dat hem eene reis rondom de wereld had doen maken, en hij

stapte dus maar over de beleediging heen.

Wat stond Phileas Fogg nu te doen? Dit was moeielijk te gissen. Het

scheen evenwel dat de reiziger het wist, want denzelfden avond liet hij

den machinist bij zich komen en zeide:

„Stook zoo hard gij kunt en ga daarmede voort tot alle brandstoffen op

zijn.”

Eenige oogenblikken later stegen er uit de schoorsteenen der Henrietta

weder dikke rookkolommen op.

Het schip ging dus zoo snel mogelijk vooruit, maar de machinist deed

den 18den, twee dagen later, weten, dat er in den loop van dien dag

gebrek aan steenkolen zou zijn.

„Goed,” zeide Fogg. „Laat het vuur even fel branden.” Men bezware

integendeel de veiligheidskleppen.

Tegen den middag van dien dag deed Phileas Fogg, na hoogte genomen te

hebben en te hebben berekend, waar men zich bevond, Passepartout bij

zich komen, en beval hem kapitein Speedy voor te brengen. Men had hem

even goed kunnen gelasten een tijger los te laten en terwijl hij naar

beneden ging, mompelde Passepartout dan ook bij zich zelven:

„De kerel zal bepaald dol zijn.”

En inderdaad eenige minuten later was het of er een bom op het dek

viel. Die bom was kapitein Speedy. Alles kondigde aan dat zij zou

springen.

„Waar zijn wij?” waren de eerste woorden, die hij uitte te midden van

allerlei ontboezemingen van drift, en als de man eenigen aanleg voor

eene beroerte had gehad, zou hij zeker zijn bezweken.

„Waar zijn wij?” herhaalde hij met een gezicht dat dreigde te barsten.

„Op zeven honderd zeventig mijlen van Liverpool, kapitein;” antwoordde

Fogg dood kalm.

„Zeeroover,” riep Andrew Speedy uit.

„Ik heb u doen komen, mijnheer”....

„Zeeschuimer!”....

„Mijnheer,” ging Fogg voort, „ten einde u te verzoeken om uw schip te

verkoopen.”

„Neen, bij alle duivels! neen!”

„Ziet ge, ik zal verplicht zijn om het te verbranden.”

„Mijn schip verbranden!”

„Ja, ten minste het bovengedeelte, want wij hebben geen brandstof

meer.”

„Mijn schip verbranden!” riep kapitein Speedy, die ter nauwernood de

woorden kon uitspreken, „een schip, dat 50,000 dollars waard is!”

„Hier hebt gij er 60,000,” antwoordde Phileas Fogg den kapitein een

tros bankbiljetten voorhoudende.

Dit maakte een onbeschrijfelijken indruk op Andrew Speedy. Op een

Amerikaan maken 60,000 dollars altijd zekeren indruk. De kapitein

vergat oogenblikkelijk zijn toorn, zijne gevangenschap en al zijne

grieven tegen zijn passagier. Zijn schip was twintig jaar oud. Het was

eene schitterende zaak. De bom kon niet meer springen. De heer Fogg had

de lont verwijderd.

„En het ijzeren karkas en de machine, mijnheer. Is de zaak in orde?”

„Geheel in orde.”

Andrew Speedy nam oogenblikkelijk den tros met bankbiljetten aan en

deed die in zijn zak verdwijnen.

Bij dit onderhoud werd Passepartout doodsbleek. Wat Fix betreft, hij

dacht een beroerte te krijgen. Weder werden 12,500 pond weggegooid en

bovendien liet die Fogg het geraamte van het schip en de machine aan

den verkooper, terwijl deze juist de geheele waarde van het schip

uitmaakten. Maar daartegenover stond, dat de diefstal aan de bank vijf

en vijftig duizend pond sterling bedroeg.

Toen Andrew Speedy het geld had opgestoken, zeide Fogg:

„Wat gij ziet, mijnheer, verwondere u niet. Gij moet weten dat ik

twintig duizend pond verlies, wanneer ik den 21sten December, kwartier

voor negenen niet te Londen ben. De mailboot van New-York heb ik niet

kunnen halen en daar gij mij niet naar Liverpool woudt brengen....”

„En daar heb ik zeer goed aan gedaan, bij de vijftig duizend duivels

der heil” riep Andrew Speedy uit, „daar ik er veertig duizend dollars

bij win.”

Toen ging hij op kalmer toon voort:

„Wil ik je eens wat zeggen, kapitein?....”

„Fogg.”

„Kapitein Fogg, er is iets van een Yankee in u.”

Na dit compliment—althans in zijn oogen—aan zijne passagier, wilde hij

gaan toen Fogg hem vroeg:

„Alzoo behoort dit schip nu aan mij?”

„Van de kiel tot den mast, voor zoover het hout is, natuurlijk.”

„Laat al het hout in het binnenste van het schip afbreken en stook met

die stukken,” beval hij.

Men begrijpt hoeveel hout men moest verbranden om den stoom op

voldoende drukking te houden. Dienzelfden dag gebruikte men de

kajuiten, de hutten, de slaapplaatsen en de campagne.

Den volgenden morgen, 19 December, verbrandde men de ra’s stengen en

verschansingen. Men kapte de masten en hakte ze klein. De bemanning

legde daarbij een ongekenden ijver aan den dag en Passepartout hakte,

sneed, zaagde en werkte voor tien. Het scheen dat een geest van

vernieling zich van allen meester had gemaakt.

Den 20sten gingen de valluiken, de verschansingen en een gedeelte van

het dek in het vuur, de Henrietta werd stuk voor stuk gesloopt. Maar

dien dag zag men de Iersche kust en de baak van Fastnet.

Tegen tien uur in den avond was men echter nog niet verder dan de

straat van Queenstown gevorderd. Phileas Fogg had nog vier en twintig

uren om Londen te bereiken, en dien tijd had de Henrietta noodig om te

Liverpool te komen, wanneer zij met vollen stoom voortging. Maar de

stoom zou weldra aan den stoutmoedigen Brit ontbreken.

„Mijnheer,” zeide kapitein Speedy, „ik beklaag u waarlijk, alles werkt

tegen: wij zijn nog slechts voor Queenstown.”

„Zoo,” zeide Fogg, „is dat stadje, waarvan wij hier de lichten zien,

Queenstown?”

„Ja.”

„Kunnen wij de haven binnenloopen?”

„Niet vóór drie uur met hoog water.”

„Dan zullen wij wachten,” zeide Fogg bedaard, zonder dat op zijn gelaat

een spoor te lezen was van zijn vast besluit, dat hij ook dezen

laatsten hinderpaal zou overwinnen.

Queenstown toch is een haven op de Iersche kust, waar de

transatlantische booten de brievenmail afgeven. Die mail wordt naar

Dublin vervoerd door expres-treinen, die steeds gereed staan. Van

Dublin gaan zij naar Liverpool, met extra-stoombooten, die twaalf uren

vóor hebben op de snelste booten der transatlantische maatschappijen.

Van die twaalf uren, welke de amerikaansche mail vóor was, wilde Fogg

ook gebruik maken. In plaats van den volgenden avond met de Henrietta

te Liverpool aan te komen, zou hij er des middags zijn en alzoo den

tijd hebben om vóor kwart voor negenen te Londen te wezen.

Tegen één uur in den morgen kwam de Henrietta met hoog water in de

haven van Queenstown, en Phileas Fogg, na een stevigen handdruk van

kapitein Speedy ontvangen te hebben, liet hem de karkas van zijn schip,

die nog de helft van de koopsom waard was. De passagiers gingen

terstond aan wal. Fix had op het oogenblik een onbedwingbaren lust om

zijn man te arresteeren. Nochtans deed hij het niet. Waarom niet?

Welken strijd voerde hij dan in zijn binnenste? Was hij ten aanzien van

Fogg van meening veranderd? Begreep hij dan eindelijk dat hij zich

vergist had? Toch liet Fix den heer Fogg niet los. Met hem, met Aouda

en met Passepartout, die zich zelfs geen tijd gaf om adem te halen, nam

hij plaats in den trein, die van Queenstown ten half twee ure in den

morgen naar Dublin vertrok, daar met het aanbreken van den dag aankwam

en waarvan de reizigers zich terstond aan boord begaven van een der

stoombooten, wier ruimte bijna geheel door de machines is ingenomen en

die trots alle weer en wind binnen den bepaalden tijd den overtocht

maken.

Ten één ure in den namiddag van den 21sten December zette Phileas Fogg

den voet op de kade van Liverpool, niet ver van den Victoria-toren. Hij

was nog slechts zes uren van Londen verwijderd.

Op dat oogenblik legde Fix zijn hand op Fogg’s schouder en, zijn

mandaat vertoonende, vroeg hij:

„Zijt gij Phileas Fogg?”

„Ja, mijnheer.”

„In naam der koningin, zijt gij mijn arrestant.”

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 34 / 39 题