Waarin Phileas Fogg toont op de hoogte van den toestand te zijn.
Een uur later verliet de stoomboot de Henrietta het lichtschip van den
mond der Hudson, voer de Sandy-Hook-kaap om en stak in zee. Zij hield
de richting der kust van Long-Island met de baak van Fire-Island in het
verschiet en zette met snelheid koers naar het oosten.
Den anderen morgen, 13 December, des middags, klom een man op de brug,
die het dek overspande. Men zou denken, dat het kapitein Speedy was.
Deze was het evenwel volstrekt niet, maar Phileas Fogg esq.
Wat kapitein Speedy betreft; deze zat goed en wel achter slot in zijn
hut en schreeuwde op een toon, die overtuigend bewees dat zijne woede
tot den hoogsten top was gestegen.
Wat er gebeurd was, is in korte woorden mede te deelen. Phileas Fogg
wilde naar Liverpool, de kapitein wilde er hem niet brengen. Toen had
Phileas Fogg aangenomen om zich naar Bordeaux te laten brengen, en
gedurende de dertig uren, dat hij aan boord was, had hij zóo goed met
zijne banknoten gewerkt, dat de stuurman, de matrozen, de stokers—eene
samengeraapte equipage, die niet op den besten voet met den kapitein
stond—hem toebehoorde. Dit was de oorzaak, dat Phileas Fogg het bevel
voerde in plaats van kapitein Speedy, dat deze in zijne hut was
opgesloten en de Henrietta koers zette naar Liverpool. Dit alleen bleek
nog uit de wijze waarop Fogg bevelen gaf, dat hij een goed zeeman was.
Hoe dit voorval afloopt, zal men later vernemen. Intusschen Aouda was
zeer ongerust, al liet zij er niets van blijken. Fix was eerst geheel
verbijsterd. Wat Passepartout betreft, deze vond de zaak aanbiddelijk
mooi.
„Tusschen de tien en elf knoopen” had kapitein Speedy gezegd, en
inderdaad de Henrietta legde met deze snelheid de reis af.
Zoo dus de zee niet te onstuimig werd, zoo de wind niet naar het westen
liep, zoo er geen ongeluk aan het vaartuig overkwam, en zoo de machine
niet brak, kon de Henrietta in de negen dagen van den 12den December
tot den 21sten de drie duizend mijlen afleggen, die New-York van
Liverpool scheiden. Intusschen wanneer men aangekomen was, zou de zaak
der Henrietta bij die van den diefstal aan de Bank gevoegd, Phileas
Fogg misschien nog verder brengen dan hem lief was.
Gedurende de eerste dagen ging de tocht uitnemend. De zee was niet zeer
onstuimig, de wind bleef in het noordwesten, de zeilen stonden bij, en
tusschen de schoeners liep de Henrietta als eene ware trans-atlantische
boot voorbij.
Passepartout was verrukt. De laatste daad van zijn heer, waarvan hij de
gevolgen niet wilde inzien, had hem met bewondering vervuld. Nooit
hadden de matrozen vroolijker en handiger passagier aan boord gehad.
Hij was voor de bemanning de vriendelijkheid zelve en verbaasde
iedereen door zijne gymnastische toeren. Aan de schepelingen gaf hij de
mooiste namen en de lekkerste borrels. Zij manoeuvreerden volgens hem
als gentlemen en de stokers stookten als helden. Zijn goed humeur en
zijn spraakzaamheid deelden zich aan allen mede. Hij had het verleden,
de overwonnen hinderpalen en de doorgestane gevaren vergeten. Hij dacht
slechts aan het doel dat men op het punt was te bereiken en somtijds
kookte hij van ongeduld alsof ook hij verwarmd werd door het vuur van
de Henrietta. Nu en dan draaide hij om Fix heen en zag hem aan met
veelbeteekenenden blik, maar zonder een woord tot hem te zeggen.
Tusschen de twee voormalige vrienden bestond niet de geringste
vertrouwelijkheid meer. Bovendien Fix begreep er niets meer van. De
verovering van de Henrietta, het omkoopen van hare equipage, die Fogg,
welke commandeerde als een geboren zeeman, dat alles ging zijn verstand
te boven. Hij wist niet wat hij er van denken moest. Maar een heer, die
begon met een vijf en vijftig duizend pond te stelen, kan wel eindigen
met het stelen van een schip. En Fix geloofde natuurlijk dat de
Henrietta onder het bestuur van Fogg volstrekt niet naar Liverpool
ging, maar naar eenig oord op de wereld, waar de dief, die nu zeeroover
was geworden, rustig in veiligheid was. Men moet erkennen, dat die
onderstelling voor de hand lag en de detective begon ernstig berouw te
gevoelen, dat hij zich in deze zaak had gemengd.
Wat kapitein Speedy betreft, deze bleef maar altijd schreeuwen in zijne
hut en Passepartout die in last had om voor diens onderhoud te zorgen,
moest daarbij de grootste voorzorgen in acht nemen, hoe sterk hij ook
was. Fogg zelf scheen geheel vergeten te zijn dat er nog een kapitein
aan boord was.
Den 13den passeerde men het uiteinde van de kaap New-Foundland. Dit was
een kwaad punt. Des winters vooral heeft men hier vaak met mist en
storm te kampen. Sedert den vorigen avond was de barometer plotseling
gedaald en voorspelde eene aanstaande verandering van weer. Werkelijk
veranderde de temperatuur gedurende den nacht; de koude werd sterker en
terzelfder tijd draaide de wind naar het zuidoosten.
Dit was een nieuwe hinderpaal. Fogg moest, om niet af te wijken, de
zeilen bergen en meer stoom maken. Toch ging het schip zoo snel niet
meer, daar de golven onophoudelijk tegen de zijden sloegen. Het stampte
geweldig, wat zijne snelheid zeer verminderde. De wind nam
langzamerhand toe, en men voorzag reeds het geval dat de Henrietta zich
niet meer op de golven zou kunnen houden. Zoo zij zich bergen moest,
wist men niet waar en alle kansen waren tegen. Het gelaat van
Passepartout betrok evenals de hemel, en twee dagen lang onderging de
arme knecht de doodelijkste kwellingen. Maar Phileas Fogg was een
moedig zeeman, die het hoofd aan de zee wist te bieden. Hij ging altijd
door zonder stoom te minderen. Zoo de Henrietta niet over een golf kon,
ging zij er dwars door heen, zoodat het dek overstroomde, maar zij kwam
er toch. Somtijds lag de schroef uit het water en maalden de schroef
bladen als bezetenen door de lucht, wanneer een berg van water de kiel
boven de golven deed rijzen. Maar de boot ging altijd voorwaarts.
De wind stak echter niet zoo hevig op als men wel gevreesd had. Het was
niet een van die orkanen, die met een snelheid van negentig mijlen in
het uur voorttrekken. Het bleef bij hevige stormvlagen, maar
ongelukkigerwijze blies de wind altijd uit het zuidoosten, zoodat men
geene zeilen kon bijzetten. Toch was het, zooals men zien zal, zeer
noodig dat men den stoom te hulp kwam.
Den 11den December was de vijf en zeventigste dag na het vertrek uit
Londen. De Henrietta had nog geen oponthoud gehad, dat tot ongerustheid
aanleiding gaf. De helft van den overtocht had men achter den rug, en
de slechtste gedeelten waren voorbij. Zoo het zomer ware geweest, zou
men zeker geweest zijn, dat de tocht gelukt was. In den winter was men
blootgesteld aan het slechte jaargetijde, Passepartout zeide niets. Hij
koesterde veel hoop, en zoo de wind hem al tegen was, rekende hij op
den stoom.
Dien dag nu kwam de machinist op het dek, om met Fogg te spreken en had
met hem een lang onderhoud.
Zonder te weten waarom—ongetwijfeld uit een voorgevoel—was Passepartout
zeer onrustig. Hij had wel een zijner ooren willen geven om met het
andere te hooren wat zijn meester zeide. Hij kon echter eenige woorden
opvangen, onder anderen:
„Gij zijt zeker van hetgeen gij daar zegt?”
„Zeker, mijnheer. Vergeet niet, dat wij sedert ons vertrek al onze
vuren deden branden.”
Passepartout, die dit gesprek hoorde, voelde zijne beenen onder zich
wegzinken; Fogg verroerde zich niet.
„Gij begrijpt wel dat ik, zoo ik den tijd te New-York had gehad, mij
dan voorzien zou hebben van kolen, maar herinner u, gij kwaamt om kwart
over achten en ten negen ure zijn wij vertrokken. De Henrietta is er op
ingericht om zoowel met stoom als met zeilen de reis te maken, en
hoewel zij steenkolen genoeg had om rustig van New-York naar Bordeaux
te varen, zij heeft er niet genoeg om met alle kracht van New-York naar
Liverpool de reis te maken.”
„Ik zal er over denken,” antwoordde Fogg.
Passepartout had thans alles begrepen. Hij werd doodelijk ongerust.
Er zouden weldra geen kolen meer zijn.
„O!” dacht hij, „als mijn meester ook dit bezwaar overwint, is hij
bepaald een knappe kerel.”
Toen hij Fix ontmoette, kon hij niet nalaten dezen op de hoogte der
zaak te brengen.
„Gij gelooft dus,” vroeg de inspecteur, terwijl hij op zijne tanden
beet, „dat wij naar Liverpool gaan!”
„Wel zeker.”
„Stommerik!” hernam de inspecteur, terwijl hij de schouders ophaalde en
zich omkeerde.
Passepartout was op het punt om hem opheldering van dat woord te
vragen, waarvan hij trouwens de beteekenis zeer goed begreep, maar hij
overwoog bij zich zelven, dat de ongelukkige Fix toch al teleurgesteld
genoeg moest zijn en zijne eigenliefde zich zeer vernederd moest
gevoelen, omdat hij zoo dom was geweest om een verkeerd spoor te
volgen, dat hem eene reis rondom de wereld had doen maken, en hij
stapte dus maar over de beleediging heen.
Wat stond Phileas Fogg nu te doen? Dit was moeielijk te gissen. Het
scheen evenwel dat de reiziger het wist, want denzelfden avond liet hij
den machinist bij zich komen en zeide:
„Stook zoo hard gij kunt en ga daarmede voort tot alle brandstoffen op
zijn.”
Eenige oogenblikken later stegen er uit de schoorsteenen der Henrietta
weder dikke rookkolommen op.
Het schip ging dus zoo snel mogelijk vooruit, maar de machinist deed
den 18den, twee dagen later, weten, dat er in den loop van dien dag
gebrek aan steenkolen zou zijn.
„Goed,” zeide Fogg. „Laat het vuur even fel branden.” Men bezware
integendeel de veiligheidskleppen.
Tegen den middag van dien dag deed Phileas Fogg, na hoogte genomen te
hebben en te hebben berekend, waar men zich bevond, Passepartout bij
zich komen, en beval hem kapitein Speedy voor te brengen. Men had hem
even goed kunnen gelasten een tijger los te laten en terwijl hij naar
beneden ging, mompelde Passepartout dan ook bij zich zelven:
„De kerel zal bepaald dol zijn.”
En inderdaad eenige minuten later was het of er een bom op het dek
viel. Die bom was kapitein Speedy. Alles kondigde aan dat zij zou
springen.
„Waar zijn wij?” waren de eerste woorden, die hij uitte te midden van
allerlei ontboezemingen van drift, en als de man eenigen aanleg voor
eene beroerte had gehad, zou hij zeker zijn bezweken.
„Waar zijn wij?” herhaalde hij met een gezicht dat dreigde te barsten.
„Op zeven honderd zeventig mijlen van Liverpool, kapitein;” antwoordde
Fogg dood kalm.
„Zeeroover,” riep Andrew Speedy uit.
„Ik heb u doen komen, mijnheer”....
„Zeeschuimer!”....
„Mijnheer,” ging Fogg voort, „ten einde u te verzoeken om uw schip te
verkoopen.”
„Neen, bij alle duivels! neen!”
„Ziet ge, ik zal verplicht zijn om het te verbranden.”
„Mijn schip verbranden!”
„Ja, ten minste het bovengedeelte, want wij hebben geen brandstof
meer.”
„Mijn schip verbranden!” riep kapitein Speedy, die ter nauwernood de
woorden kon uitspreken, „een schip, dat 50,000 dollars waard is!”
„Hier hebt gij er 60,000,” antwoordde Phileas Fogg den kapitein een
tros bankbiljetten voorhoudende.
Dit maakte een onbeschrijfelijken indruk op Andrew Speedy. Op een
Amerikaan maken 60,000 dollars altijd zekeren indruk. De kapitein
vergat oogenblikkelijk zijn toorn, zijne gevangenschap en al zijne
grieven tegen zijn passagier. Zijn schip was twintig jaar oud. Het was
eene schitterende zaak. De bom kon niet meer springen. De heer Fogg had
de lont verwijderd.
„En het ijzeren karkas en de machine, mijnheer. Is de zaak in orde?”
„Geheel in orde.”
Andrew Speedy nam oogenblikkelijk den tros met bankbiljetten aan en
deed die in zijn zak verdwijnen.
Bij dit onderhoud werd Passepartout doodsbleek. Wat Fix betreft, hij
dacht een beroerte te krijgen. Weder werden 12,500 pond weggegooid en
bovendien liet die Fogg het geraamte van het schip en de machine aan
den verkooper, terwijl deze juist de geheele waarde van het schip
uitmaakten. Maar daartegenover stond, dat de diefstal aan de bank vijf
en vijftig duizend pond sterling bedroeg.
Toen Andrew Speedy het geld had opgestoken, zeide Fogg:
„Wat gij ziet, mijnheer, verwondere u niet. Gij moet weten dat ik
twintig duizend pond verlies, wanneer ik den 21sten December, kwartier
voor negenen niet te Londen ben. De mailboot van New-York heb ik niet
kunnen halen en daar gij mij niet naar Liverpool woudt brengen....”
„En daar heb ik zeer goed aan gedaan, bij de vijftig duizend duivels
der heil” riep Andrew Speedy uit, „daar ik er veertig duizend dollars
bij win.”
Toen ging hij op kalmer toon voort:
„Wil ik je eens wat zeggen, kapitein?....”
„Fogg.”
„Kapitein Fogg, er is iets van een Yankee in u.”
Na dit compliment—althans in zijn oogen—aan zijne passagier, wilde hij
gaan toen Fogg hem vroeg:
„Alzoo behoort dit schip nu aan mij?”
„Van de kiel tot den mast, voor zoover het hout is, natuurlijk.”
„Laat al het hout in het binnenste van het schip afbreken en stook met
die stukken,” beval hij.
Men begrijpt hoeveel hout men moest verbranden om den stoom op
voldoende drukking te houden. Dienzelfden dag gebruikte men de
kajuiten, de hutten, de slaapplaatsen en de campagne.
Den volgenden morgen, 19 December, verbrandde men de ra’s stengen en
verschansingen. Men kapte de masten en hakte ze klein. De bemanning
legde daarbij een ongekenden ijver aan den dag en Passepartout hakte,
sneed, zaagde en werkte voor tien. Het scheen dat een geest van
vernieling zich van allen meester had gemaakt.
Den 20sten gingen de valluiken, de verschansingen en een gedeelte van
het dek in het vuur, de Henrietta werd stuk voor stuk gesloopt. Maar
dien dag zag men de Iersche kust en de baak van Fastnet.
Tegen tien uur in den avond was men echter nog niet verder dan de
straat van Queenstown gevorderd. Phileas Fogg had nog vier en twintig
uren om Londen te bereiken, en dien tijd had de Henrietta noodig om te
Liverpool te komen, wanneer zij met vollen stoom voortging. Maar de
stoom zou weldra aan den stoutmoedigen Brit ontbreken.
„Mijnheer,” zeide kapitein Speedy, „ik beklaag u waarlijk, alles werkt
tegen: wij zijn nog slechts voor Queenstown.”
„Zoo,” zeide Fogg, „is dat stadje, waarvan wij hier de lichten zien,
Queenstown?”
„Ja.”
„Kunnen wij de haven binnenloopen?”
„Niet vóór drie uur met hoog water.”
„Dan zullen wij wachten,” zeide Fogg bedaard, zonder dat op zijn gelaat
een spoor te lezen was van zijn vast besluit, dat hij ook dezen
laatsten hinderpaal zou overwinnen.
Queenstown toch is een haven op de Iersche kust, waar de
transatlantische booten de brievenmail afgeven. Die mail wordt naar
Dublin vervoerd door expres-treinen, die steeds gereed staan. Van
Dublin gaan zij naar Liverpool, met extra-stoombooten, die twaalf uren
vóor hebben op de snelste booten der transatlantische maatschappijen.
Van die twaalf uren, welke de amerikaansche mail vóor was, wilde Fogg
ook gebruik maken. In plaats van den volgenden avond met de Henrietta
te Liverpool aan te komen, zou hij er des middags zijn en alzoo den
tijd hebben om vóor kwart voor negenen te Londen te wezen.
Tegen één uur in den morgen kwam de Henrietta met hoog water in de
haven van Queenstown, en Phileas Fogg, na een stevigen handdruk van
kapitein Speedy ontvangen te hebben, liet hem de karkas van zijn schip,
die nog de helft van de koopsom waard was. De passagiers gingen
terstond aan wal. Fix had op het oogenblik een onbedwingbaren lust om
zijn man te arresteeren. Nochtans deed hij het niet. Waarom niet?
Welken strijd voerde hij dan in zijn binnenste? Was hij ten aanzien van
Fogg van meening veranderd? Begreep hij dan eindelijk dat hij zich
vergist had? Toch liet Fix den heer Fogg niet los. Met hem, met Aouda
en met Passepartout, die zich zelfs geen tijd gaf om adem te halen, nam
hij plaats in den trein, die van Queenstown ten half twee ure in den
morgen naar Dublin vertrok, daar met het aanbreken van den dag aankwam
en waarvan de reizigers zich terstond aan boord begaven van een der
stoombooten, wier ruimte bijna geheel door de machines is ingenomen en
die trots alle weer en wind binnen den bepaalden tijd den overtocht
maken.
Ten één ure in den namiddag van den 21sten December zette Phileas Fogg
den voet op de kade van Liverpool, niet ver van den Victoria-toren. Hij
was nog slechts zes uren van Londen verwijderd.
Op dat oogenblik legde Fix zijn hand op Fogg’s schouder en, zijn
mandaat vertoonende, vroeg hij:
„Zijt gij Phileas Fogg?”
„Ja, mijnheer.”
„In naam der koningin, zijt gij mijn arrestant.”