Waarin Phileas Fogg een directen strijd voert tegen het noodlot.
De China scheen bij haar vertrek tevens Fogg’s laatste hoop medegenomen
te hebben.
Geen der mailbooten toch die rechtstreeks dienst doen tusschen Amerika
en Europa, noch de Fransche mailbooten, noch de stoombooten van de
Witte-Ster-lijn, noch die van de Compagnie Inman, of de Hamburgsche
lijn konden den gentleman in zijn plannen dienen.
De Pereire van den franschen maildienst vertrok eerst twee dagen later;
bovendien voer zij niet rechtstreeks naar Liverpool of Londen, maar
naar Havre, en de reis van daar naar Southampton zou de laatste kansen
van Fogg hebben verijdeld. Aan de booten van Inman viel niet te denken.
Deze zijn vooral ingericht voor landverhuizers; hare machines zijn
zwak, zij gebruiken evenveel zeil als stoom en hare snelheid is dan ook
zeer middelmatig. Voor de overvaart van New-York naar Engeland zouden
zij meer tijd verreizen dan Phileas Fogg noodig had om zijne
weddenschap te winnen.
Al deze mededeelingen vond de gentleman in zijne Bradshaw. Passepartout
was verpletterd: die vijf en veertig minuten welke men te laat was
gekomen om de mailboot te halen, maakten hem diep rampzalig. Zijne
schuld was het, de zijne alleen, daar hij, in plaats van zijn meester
te helpen, voortdurend hinderpalen op diens weg had opgehoopt. En
wanneer hij in zijn geest alle bijzonderheden van de reis terug zag,
wanneer hij dacht aan het louter weggeworpen geld dat alleen ten zijnen
behoeve noodig was geweest; wanneer hij daarbij overwoog, dat die
ontzaglijke weddenschap, nog vermeerderd met de aanzienlijke kosten van
de reis, die nu noodeloos was geworden, den heer Fogg geheel ruïneerde,
dan verwenschte hij zich zelven.
Fogg deed hem nochtans geen enkel verwijt, de aanlegplaats van de
fransche mailboot verlatende, zeide hij slechts:
„Wij zullen morgen overleggen. Kom mede.”
Fogg, Aouda, Fix en Passepartout trokken den Hudson weder over en
stegen in een rijtuig, dat hen naar het Sint-Nikolaas-hotel in Broadway
bracht. Eenige kamers werden daar ter hunner beschikking gesteld, en de
nacht ging voor Fogg spoedig voorbij, daar hij zeer gerust sliep, maar
hij duurde voor Aouda en de andere reizigers lang, omdat hunne
gejaagdheid hun niet toeliet te rusten.
Den anderen dag zou het den 12den December zijn. Van den 12den ’s
morgens zeven ure tot den 21sten ’s avonds kwart voor negenen was negen
dagen, dertien uren en vijf en veertig minuten. Zoo Fogg dus den
vorigen dag met de China vertrokken ware, een der beste stoomschepen
van de Cunard-lijn, zou hij te Liverpool en te Londen op den bepaalden
tijd zijn aangekomen.
Fogg verliet zijn hotel alleen, na aan zijn knecht bevolen te hebben te
wachten en mevrouw Aouda te verzoeken zich gereed te maken.
Hij begaf zich naar de oevers van den Hudson en onder de schepen, die
voor anker lagen op de kade of op stroom, zocht hij nauwkeurig diegenen
uit, welke op het punt waren te vertrekken. Vele schepen hadden reeds
hunne bestemming en waren klaar om met den vloed in zee te steken, want
in deze groote en bewonderenswaardige haven van New-York gaat er geen
dag om, dat er geen honderd schepen naar alle deelen van de wereld
vertrekken. Maar de meesten waren zeilschepen en konden dus Fogg niet
dienen voor zijne plannen.
De laatste poging van den gentleman scheen dus te mislukken, toen hij
vóor de batterij een scherp gebouwd stoomschip voor anker zag liggen,
dat zich gereed maakte om te vertrekken. Phileas Fogg riep een bootje
aan, sprong er in en bereikte met een paar slagen de scheepstrap der
Henrietta. De kapitein van de Henrietta was aan boord. Fogg klom op het
dek en vroeg naar den kapitein. Deze kwam dadelijk te voorschijn.
Hij was een man van omstreeks vijftig jaar, een echte zeerob, met
groote oogen, verbrand gelaat, rood haar en een ruw voorkomen. Hij had
niets van een beschaafd man.
„Gij zijt de kapitein?” vroeg Fogg.
„Dat ben ik.”
„Ik ben Phileas Fogg, uit Londen.”
„En ik Andrew Speedy, uit Cardiff.”
„Gij gaat vertrekken?”
„Over een uur.”
„Gij gaat naar...?”
„Bordeaux.”
„En uw lading?”
„Alleen ballast, geen lading. Ik ga vracht halen.”
„Hebt gij passagiers?”
„Geen passagiers. Nooit passagiers. Redeneerende en in den weg loopende
lading.”
„Uw schip loopt goed?”
„Tusschen de elf en twaalf knoopen. De Henrietta is goed bekend.”
„Wilt gij mij en drie andere passagiers naar Liverpool brengen?” vroeg
Fogg.
„Waarom niet liever naar China?”
„Ik zeg Liverpool.”
„Neen.”
„Neen?”
„Neen. Ik ben uitgeklaard voor Bordeaux, en ik ga naar Bordeaux.”
„Tot elken prijs?”
„Tot elken prijs.”
De kapitein had gesproken op een toon, die geen tegenspraak gedoogde.
„Maar de reeders van de Henrietta....” hernam Phileas Fogg.
„De reeders—ben ik,” antwoordde de kapitein, „het schip behoort mij
toe.”
„Ik huur het van u.”
„Neen.”
„Ik koop het.”
„Neen.”
Phileas Fogg fronste zelfs het voorhoofd niet. Nochtans was de toestand
zeer ernstig. Te New-York was het niet als te Hong-Kong en de kapitein
van de Henrietta was een gansch ander man dan de patroon van de
Tankadère. Tot dus verre had Fogg alle hinderpalen met geld weten te
overwinnen. Thans leed ook dit middel schipbreuk.
Toch moest er een middel worden gevonden om de Atlantische zee over te
steken met een schip—tenzij men dit niet met een luchtballon wilde
doen, wat zeer gewaagd was en waartoe bovendien thans geen gelegenheid
bestond.
Het scheen intusschen dat Fogg een idee had, want hij zeide tot den
kapitein:
„Welnu, wilt gij mij naar Bordeaux brengen?”
„Neen, al betaaldet gij 200 dollars.”
„Ik bied er u twee duizend.”
„Per persoon?”
„Per persoon.”
„En gij zijt met u vieren?”
„Met ons vieren.”
Kapitein Speedy krabde zich het oor, zoodat hij er bijna het vel
afhaalde.
Acht duizend dollars te verdienen zonder zijn koers te veranderen, dat
was wel de moeite waard om zijn tegenzin voor passagiers te overwinnen.
Passagiers tegen twee duizend dollars het stuk, dat zijn geen
passagiers meer; dat is eene kostbare lading.
„Ik vertrek ten negen ure,” zeide kapitein Speetly droog. „Zijt gij dan
met de uwen hier?”
„Wij zullen ten negen ure aan boord zijn,” antwoordde Fogg even kortaf.
Het was half negen. De Henrietta te verlaten, zich in een rijtuig te
zetten, naar het Sint-Nicolaas-hotel te rijden, terug te keeren met
Aouda, Passepartout en den onafscheidelijken Fix, aan wien hij
welwillend eene plaats aanbood, dit alles deed hij weder met de kalmte,
die hem geen oogenblik verliet.
Toen de Henrietta de haven verliet waren zij alle vier aan boord.
Toen Passepartout vernam wat deze overtocht aan zijn meester kosten
zou, uitte hij een van de gerekte O’s, die den geheelen toonladder
doorliepen.
Wat den inspecteur Fix betreft, deze zeide bij zich zelven dat in elk
geval de engelsche bank niet zonder schade er af zou komen. Immers
wanneer men aannam dat Fogg nog niet eenige zakken guinjes over boord
wierp, dan zou er meer dan acht duizend pond aan den zak met banknoten
ontbreken.