Waarin Phileas Fogg slechts zijn plicht doet.
Drie reizigers, waaronder Passepartout behoorde, ontbraken.
Waren zij in den strijd gedood? Of waren zij gevangen door de Sioux?
Men wist er nog niets van.
Er waren een aantal gewonden, maar van geen was de wond doodelijk.
Kolonel Proctor was nog het ergst gewond; hij had zich ook moedig
verdedigd. Hij werd met de andere reizigers, wier toestand
onmiddellijke hulp eischte, naar het station gebracht. Aouda was er
zonder eenige wond afgekomen. Phileas Fogg, die ook dapper had
medegevochten, had geen enkelen schram. Fix was licht aan zijn arm
gekwetst. Maar Passepartout ontbrak en Aouda kon hare tranen niet
bedwingen.
Alle reizigers hadden intusschen den trein verlaten. De wielen der
waggons dropen van bloed. Aan de assen en aan de spaken hingen stukken
vleesch. Men zag, zoo ver men zien kon, den witten grond met bloed
bevlekt. De laatste Indianen verdwenen toen in het zuiden, in de
richting van de Republican-rivier. Fogg bleef met de armen over elkaar
onbeweeglijk staan. Hij had een gewichtig besluit te nemen. Aouda, die
naast hem stond, keek hem aan, maar sprak geen woord. Hij begreep dezen
blik. Nu zijn ongelukkige bediende gevangen was, moest hij thans niet
alles wagen om hem aan de handen der Indianen te ontrukken?
„Ik zal hem levend of dood terugvinden,” zeide hij tot Aouda.
„O, mijnheer, ... mijnheer Fogg!” riep de jonge vrouw uit, de handen
van haar reisgezel grijpende en die met tranen bedekkende.
„Levend!” voegde Fogg er bij, „zoo wij geen minuut verloren laten
gaan.”
Door dit besluit offerde Fogg zich geheel op. Hij sprak hier zijn
ondergang uit. Als hij éen dag te laat kwam, miste hij de mailboot te
New-York. Zijne weddenschap had hij dan onherroepelijk verloren; maar
bij de gedachte: „het is mijn plicht” had hij niet geaarzeld.
De kapitein, die in het fort Kearney kommandeerde, was tegenwoordig.
Zijne soldaten—een honderdtal manschappen—hadden zich allen voorbereid
op het geval dat de Sioux een aanval op het station mochten wagen.
„Mijnheer,” zeide Fogg tot den kapitein, „drie reizigers worden er
gemist.”
„Dood?” vroeg de kapitein.
„Dood of gevangen,” antwoordde Fogg. „Wij verkeeren in dit opzicht in
het onzekere en die onzekerheid moet ophouden. Is het uw voornemen de
Sioux te vervolgen?”
„Dat is eene ernstige zaak, mijnheer,” zeide de kapitein. „Deze
Indianen kunnen vluchten tot aan gene zijde van Arkansas. Ik mag het
fort dat mij toevertrouwd is, niet verlaten.”
„Mijnheer,” hernam Fogg, „het geldt hier het leven van drie menschen.”
„Zeer zeker, ... maar mag ik het leven van vijftig wagen om drie te
redden?”
„Ik weet niet of gij het kunt, maar gij moet.”
„Mijnheer,” antwoordde de kapitein, „niemand behoeft mij te leeren wat
mijn plicht is.”
„Goed,” zeide Fogg. „Ik zal alleen gaan.”
„Gij, mijnheer,” riep Fix, die ook naderbij was gekomen, „gaat gij
alleen de Indianen vervolgen?”
„Wilt gij dan dat ik dien ongelukkige laat omkomen, aan wien wij allen
ons leven te danken hebben? Ik zal gaan.”
„Nu dan ... neen, gij zult niet alleen gaan!” riep de kapitein, die
ondanks zich zelven was getroffen. „Neen, gij hebt een te edel hart.”
„Dertig vrijwilligers!” riep hij, „zich tot zijn soldaten wendende.”
De geheele compagnie trad voor. De kapitein had slechts te kiezen uit
zijn dapperen. Dertig soldaten werden er uitgekozen met een ouden
sergeant aan het hoofd.
„Ik dank u, kapitein,” zeide Fogg.
„Veroorlooft gij mij u te vergezellen?” vroeg Fix aan den gentleman.
„Doe zooals gij wilt, mijnheer,” antwoordde Fogg. „Maar zoo gij mij een
dienst wilt bewijzen, blijf dan bij mevrouw Aouda voor het geval dat
mij een ongeluk mocht overkomen.”
De inspecteur werd doodsbleek. Te scheiden van den man, dien hij stap
voor stap met zooveel volharding gevolgd had. Hem in de woestijn te
laten gaan! Fix sloeg den gentleman oplettend gade, en hoe het ook zij,
ondanks zijn voorgevoel en ten spijt van den strijd, dien hij in zijn
binnenste voerde, sloeg hij zijn oogen neder voor diens kalmen en open
blik.
„Ik zal blijven,” zeide hij.
Eenige oogenblikken later had Fogg Aouda’s hand gedrukt en haar zijn
kostbaren reiszak toevertrouwd, en vertrok hij met den sergeant en zijn
weinige manschappen.
Maar vóór hij vertrok had hij tot de soldaten gezegd:
„Vrienden, duizend pond voor u, zoo wij de gevangenen redden.”
Het was twaalf uur ’s middags. Aouda had zich in een wachtkamer begeven
en daar in de eenzaamheid dacht zij aan Phileas Fogg, aan zijn groote
en eenvoudige edelmoedigheid en aan diens kalmen moed. Fogg had zijn
fortuin opgeofferd, en nu zette hij zijn leven op het spel en dat alles
zonder eenige aarzeling, uit plichtbesef en zonder er over te spreken.
Phileas Fogg was in hare oogen een held.
De inspecteur Fix dacht niet evenzoo en hij kon zijn gejaagdheid niet
bedwingen. Hij liep koortsig op het perron heen en weer. Eenige
oogenblikken later en hij was zich zelf weder meester. Toen Fogg
vertrokken was, begreep hij de dwaasheid, die hij begaan had door dezen
te laten vertrekken. Hoe die man, dien hij de geheele wereld door
gevolgd was, had hij van zich laten scheiden. Zijne natuur kreeg weder
de overhand; hij beschuldigde zich zelven, hij behandelde zich zelven
alsof hij de directeur van politie in de hoofdstad ware, een agent
bestraffende op heeterdaad betrapt van onhandigheid.
„Ik ben zeer onhandig geweest,” dacht hij. „De ander heeft hem gezegd
wie ik was. Hij is heengegaan en zal niet wederkeeren. Waar hem nu weer
te vinden? Maar hoe heb ik mij zoo kunnen laten verblinden; ik Fix, die
in mijn zak het bevel tot zijne inhechtenisneming heb! Ik ben bepaald
niets meer dan een stommerik.”
Zoo peinsde de inspecteur van politie, terwijl de uren maar al te
langzaam naar zijn zin voorbij gingen. Hij wist niet wat hij doen zou.
Soms had hij lust om alles aan Aouda te zeggen. Maar hij begreep hoe
hij door de jonge vrouw ontvangen zou worden. Wat zou hij doen? Hij
dacht er zelfs aan de groote vlakte te doorkruisen alleen om Fogg maar
te volgen. Het scheen hem niet onmogelijk dezen terug te vinden. De
voetstappen der soldaten waren nog in de sneeuw zichtbaar!... Maar
weldra zouden zij onder een nieuwe sneeuwlaag geheel bedolven zijn.
Toen werd Fix geheel moedeloos. Hij had een verschrikkelijken lust om
zijn eenmaal gekozen partij op te geven. Juist op dat oogenblik werd
hem de gelegenheid aangeboden om het station Kearney te verlaten en
zijne reis, zoo rijk in moeielijkheden, te vervolgen.
Tegen twee uur toch in den namiddag, toen de sneeuw in groote vlokken
viel, hoorde men een schel gefluit, dat uit het oosten kwam. Eene
groote schaduw, voorafgegaan door fel licht, naderde langzaam,
aanmerkelijk grooter schijnend door den mist, die haar tevens een
fantastisch voorkomen gaf.
Men verwachtte nochtans geen trein uit het oosten. De hulp, die door
middel van de telegraaf gevraagd was, kon nog zoo spoedig niet opdagen
en de trein van Omaha naar San-Francisco passeerde eerst den anderen
morgen. Men vernam echter spoedig wat het was.
De locomotief, die daar langzaam kwam aanstoomen en zoo schel floot,
was die, welke den trein hier had gebracht en nadat zij was losgehaakt,
haar weg met bliksemsnelheid had vervolgd, den bewusteloozen machinist
en den stoker met zich voerende. Zij had eenige mijlen op de rails
geloopen; toen was het vuur verminderd door gebrek aan brandstof, haar
stoom had opgehouden en een uur later, al langzamer en langzamer
gaande, stond zij eindelijk stil op tien mijlen afstand van het station
Kearney.
Noch de machinist noch de stoker waren bij den strijd omgekomen. Na
eene lange bezwijming waren zij weder ontwaakt. De machine stond juist
stil. Toen zij zagen, dat zij slechts met de locomotief zonder andere
wagens in de woestijn waren, begreep de machinist wat er gebeurd moest
zijn. Hoe men de locomotief had losgehaakt kon hij niet gissen, maar
hij twijfelde er niet aan of de trein, die was achtergebleven, kon niet
verder. De machinist aarzelde geen oogenblik ten aanzien van hetgeen
hem te doen stond.
Het voorzichtigst ware geweest de reis voort te zetten en zich naar
Omaha te begeven; daarentegen was het gevaarlijk terug te keeren naar
den trein, die misschien nog door de Indianen werd geplunderd. Toch
besloot hij er toe. Eenige scheppen steenkool deden het vuur weder
herleven; de stoom ontwikkelde zich weder en tegen twee ure in den
namiddag keerde de locomotief naar het station van Kearney terug. Zij
was het, wier fluiten men in den mist had gehoord.
De reizigers waren aangenaam verrast, toen zij haar zagen terugkomen,
vóor het station stilhouden en aan den trein zich vasthechten. Men zou
nu de reis kunnen vervolgen, die op zoo droevige wijze was geschorst.
Toen zij de locomotief zag komen, verliet ook Aouda het station en
vroeg aan den conducteur:
„Gaat gij vertrekken?”
„Terstond, mevrouw.”
„Maar die gevangenen, onze arme reisgezellen ... gij kunt niet
wachten?”
„Ik kan den dienst niet doen stilstaan,” antwoordde de conducteur. „Wij
zijn reeds drie uren ten achter.”
„En wanneer komt de andere trein van San-Francisco?”
„Morgen avond; mevrouw.”
„Morgen avond; maar dat is te laat. Men moet wachten.”
„Onmogelijk,” antwoordde de conducteur, „als gij mede wilt, moet gij
instappen.”
„Ik ga niet mede,” antwoordde de jonge vrouw.
Fix had dit gesprek gehoord. Eenige oogenblikken te voren, toen elk
middel om verder te reizen hem ontbrak, was hij vast besloten Kearney
te verlaten, maar thans, nu de trein daar gereed stond om te
vertrekken, nu hij slechts zijne plaats behoefde in bezit te nemen,
werd hij door een onwederstaanbare kracht aan deze plek gebonden. Het
perron brandde hem onder de voeten en toch kon hij niet besluiten om
het te verlaten. Zijn inwendige strijd begon weder. Hij stikte bijna in
zijne woede over het mislukken van zijn tocht. Hij zou den strijd tot
het einde toe voortzetten.
Intusschen hadden de reizigers en eenige gekwetsten, waaronder kolonel
Proctor, wiens toestand ernstig was, plaats genomen in de waggons. Men
wachtte dat de trein zich in beweging zou zetten. De machinist gaf het
sein, de locomotief bewoog langzaam hare zuigers en verdween weldra,
hare rookwolken vermengende met de sneeuwvlokken.
De avond viel. Het kleine detachement was nog niet teruggekeerd. Waar
zou het thans zijn? Had het de Indianen achterhaald? Had men gevochten
of waren de soldaten door den mist het spoor bijster geraakt? De
kapitein van het fort Kearney was zeer ongerust, ofschoon hij niets van
zijne onrust liet blijken.
De nacht brak aan; het sneeuwde niet zoo sterk, maar de koude nam toe.
De stoutmoedigste blik huiverde voor deze stikdonkere onmetelijkheid.
Een doodsche stilte heerschte op de vlakte. Noch het opvliegen van een
vogel, noch het gedruisch van een wild dier verbrak deze eindelooze
kalmte.
Den ganschen nacht zwierf Aouda, vervuld met de somberste voorgevoelens
angstvol langs de grenzen der woestijn. Hare verbeelding voerde haar
verre weg en zij zag duizenden gevaren. Wat zij gedurende die lange
uren leed is niet te beschrijven.
Fix zat nog altijd onbeweeglijk op dezelfde plaats, maar ook hij sliep
niet. Eens was een man hem genaderd en had hem zelfs aangesproken, maar
Fix had hem weggezonden, nadat hij op diens vragen slechts het hoofd
had geschud. Zoo ging de nacht voorbij. Toen de dageraad aanbrak, rees
de vale schijf der zon boven een mistigen horizon.
Fogg en zijn detachement hadden zich in zuidelijke richting verwijderd.
Het zuiden was en bleef eene woestijn. Het werd zeven uur in den
morgen.
De kapitein was zeer bezorgd en wist niet wat te doen. Moest hij een
tweede detachement zenden om het eerste te hulp te komen? Mocht hij nog
meer menschenlevens opofferen, waar zoo weinig kans bestond om de
andere, die zich terstond opgeofferd hadden, te redden? Zijne aarzeling
duurde echter niet lang. Hij riep een zijner luitenants bij zich en gaf
dezen bevel eene verkenning te doen in zuidelijke richting, toen er
geweerschoten van die zijde werden vernomen. Was het een signaal? De
soldaten snelden allen uit het fort en op een halve mijl afstands zagen
zij een kleinen troep, die in goede orde terugkeerde.
Fogg stapte vooruit en naast hem Passepartout en de twee andere
reizigers, die men uit de handen der Sioux gered had.
Men had een gevecht geleverd op tien mijlen afstands van Kearney.
Weinige oogenblikken vóor de komst van het detachement, hadden
Passepartout en zijne medegevangenen reeds tegen hunne wachters
geworsteld, en de Franschman had er reeds twee met vuistslagen gedood,
toen Fogg en zijne soldaten hem ter hulp snelden.
Redders en geredden werden met kreten van blijdschap begroet en Fogg
keerde aan de soldaten de beloofde belooning uit, terwijl Passepartout,
niet zonder eenige reden, herhaalde:
„Sakkerloot, ik moet zeggen dat ik veel geld aan mijn meester kost!”
Fix zag, zonder een woord te spreken, Fogg aan. De gewaarwordingen, die
in hem oprezen, zouden moeielijk te beschrijven zijn. Wat Aouda
betreft, zij had de hand van den gentleman gevat en drukte deze in de
hare, zonder een woord te kunnen uiten.
Passepartout had intusschen, zoodra hij aankwam, den trein in het
station gezocht. Hij dacht hem klaar te vinden om te vertrekken en
hoopte, dat men den verloren tijd nog zou kunnen inhalen.
„De trein! de trein!” riep hij.
„Vertrokken,” zeide Fix.
„En wanneer passeert de volgende trein?” vroeg Fogg.
„Eerst van avond.”
„Zoo,” zeide de kalme gentleman.