Waarin de verschillende ongelukken verhaald worden, die men op een
spoorweg der Vereenigde Staten ontmoeten kan.
Denzelfden avond vervolgde de trein zonder eenigen hinderpaal zijn weg,
reed het fort Sanders voorbij, trok door den bergpas van Cheyenne en
kwam aan dien van Evans aan. In deze streek bereikte de spoorweg zijn
hoogste punt; het was acht duizend een en negentig voet boven de
oppervlakte van den oceaan. De reizigers behoefden slechts tot de
Atlantische zee te sporen over die onbegrensde vlakte, welke door de
natuur tot een effen veld is gemaakt.
Daar was de groote zijtak naar Denver-city, de voornaamste stad van
Colorado. Dit grondgebied is rijk aan goud- en zilvermijnen en meer dan
vijftig duizend bewoners hebben zich hier reeds gevestigd.
Op dat oogenblik had men van San-Francisco af dertien honderd twee en
tachtig mijlen in drie nachten en drie dagen afgelegd. In vier nachten
en vier dagen moest men New-York bereikt hebben. Phileas Fogg was dus
in overeenstemming met de uren van zijn reglement.
Gedurende den nacht liet men het kamp van Walbah links liggen. De
Lodgepole-Creek liep met den weg evenwijdig en volgde de rechtlijnige
grens, die de scheiding uitmaakt tusschen Wyoming (het oude Dakota) en
Colorado. Ten elf ure trok men Nebraska door en ging dicht langs
Sedgwick, hield even te Julesburgh op, dat aan den zuidelijken tak van
de Platte-rivier ligt.
Hier werd den 25sten October 1877 de Union-Pacific-Road ingewijd,
waarvan de hoofd-ingenieur generaal J.M. Dodge was. Daar stonden toen
de twee groote locomotieven stil, met zich voerende negen waggons met
genoodigden. Onder hen was ook de vice-president Thomas C. Durant; daar
hoorde men de toejuichingen van duizenden; daar gaven de Sioux en de
Pawnies een voorstelling van een kleinen indiaanschen oorlog; daar werd
het vuurwerk afgestoken; daar eindelijk verscheen door middel van een
draagbare drukpers het eerste nummer van den Railway-Pioneer. Op deze
wijze werd de inwijding van den grooten spoorweg gevierd, die het
middel is tot vooruitgang en beschaving, dwars door de woestijn
aangelegd en bestemd om de gemeenschap te vormen tusschen de woestijn
en steden, die nog niet bestonden. De fluit der locomotief, nog luider
dan de lier van Amphion, zou ze weldra uit den amerikaanschen bodem
doen verrijzen.
Ten acht ure in den morgen had men het fort Mac Pherson achter den rug.
Drie honderd zeven en vijftig mijlen scheiden dit punt van Omaha. De
spoortrein volgde langs den linker oever de grillige bochten van den
zuidelijken tak der Platte-rivier. Ten negen ure kwam men aan de
belangrijke stad North-Platte, gebouwd tusschen de beide armen van den
grooten stroom, die zich in de nabijheid der stad met elkaar vereenigen
en dan slechts één bedding hebben. Deze groote stroom, waarin vele
rivieren uitmonden, vereenigt zich met de Missouri, een weinig ten
zuiden van Omaha.
Men was den honderd en eersten meridiaan gepasseerd.
Fogg en zijne medespelers hadden het spel hervat. Geen van allen
beklaagden zich over den langen weg. Zelfs niet de blinde. Fix had
eenige guinjes gewonnen, die hij weer op het punt was van te verliezen,
maar hij toonde zich niet minder hartstochtelijk dan Fogg. Gedurende
dezen ochtend waren de kansen dezen gentleman zeer gunstig. De troeven
en de honneurs regenden in zijne hand. Op een zeker oogenblik, toen hij
een fijn berekende methode toepaste en schoppen wilde spelen, hoorde
hij eene stem achter zich zeggen:
„Ik zou ruiten spelen.”
Fogg, Aouda en Fix keken op. Kolonel Proctor was bij hen. Stamp Proctor
en Phileas Fogg herkenden elkander terstond.
„Zoo, zijt gij het, mijnheer de Engelschman!” riep kolonel Proctor,
„zijt gij het, die schoppen wilde spelen!”
„En die ze ook speelt,” antwoordde Fogg kalm, een tien van deze kleur
nederleggende.
„Welnu, ik verkies dan dat het ruiten zal zijn,” hernam de kolonel
driftig.
En hij maakte een gebaar om de gespeelde kaart op te nemen, er
bijvoegende:
„Gij verstaat niets van het spel.”
„Misschien zou ik een ander beter verstaan,” zeide Fogg opstaande.
„Het staat aan u, om er de proef van te nemen, zoon van John Bull,”
antwoordde de ruwe kolonel.
Aouda was bleek geworden. Haar bloed stolde in hare aderen. Zij had
Fogg’s arm gevat, die haar zachtjes terug stootte. Passepartout was
bereid om zich op den Amerikaan te werpen, die zijn tegenpartij met het
meest uittartende gezicht aanzag. Maar Fix was opgestaan en ging naar
Proctor met de woorden:
„Gij vergeet, mijnheer, dat ik het ben, met wien gij te doen hebt; ik
ben het, dien gij niet alleen beleedigd, maar geslagen hebt.”
„Mijnheer Fix,” zeide Fogg, „ik vraag u verschooning, maar dit gaat mij
alleen aan. Bewerende dat ik ongelijk had toen ik schoppen speelde,
heeft de kolonel mij opnieuw beleedigd, en hij zal er mij voldoening
voor geven.”
„Wanneer, en waar gij wilt,” antwoordde de Amerikaan, „en met het wapen
van uwe keus.”
Aouda beproefde te vergeefs Fogg terug te houden. De inspecteur wendde
alles aan, maar zijne pogingen om den twist op hem te doen overgaan,
bleven zonder gevolg. Passepartout wilde den kolonel uit het portier
werpen, maar een teeken van zijn meester weerhield hem. Fogg verliet
den waggon en de Amerikaan volgde hem op de brug.
„Mijnheer,” zeide Fogg tot zijn tegenpartij, „ik heb zeer veel haast om
naar Europa terug te keeren, en een oponthoud zou aan mijne belangen
veel nadeel veroorzaken.”
„Wel, wat gaat mij dat aan?” antwoordde kolonel Proctor.
„Mijnheer,” vervolgde Fogg, „na onze ontmoeting te San-Francisco was ik
voornemens u weder in Amerika op te zoeken, nadat ik mijne zaken in
Europa had afgehandeld.”
„Waarlijk!”
„Wilt gij mij binnen zes maanden rendez-vous geven?”
„Waarom geen zes jaar?”
„Ik zeg zes maanden,” antwoordde Fogg beleefd, „en ik zal zorgen op het
rendez-vous te zijn.”
„Uitvluchten, anders niet!” riep Proctor. „Nu of nooit.”
„Goed,” antwoordde Fogg. „Gij gaat naar New-York?”
„Neen.”
„Naar Chicago?”
„Neen.”
„Naar Omaha?”
„Kan het u schelen? Kent gij Plum-Creek?”
„Neen,” antwoordde Fogg.
„Dat is het eerstvolgende station. De trein zal er binnen een uur zijn.
Hij zal er tien minuten ophouden. In tien minuten kunnen wij eenige
geweerschoten wisselen.”
„Goed,” zeide Fogg. „Ik zal te Plum-Creek uitstappen.”
„En ik geloof zelfs dat gij er blijven zult,” voegde de Amerikaan er
bij met de grootste onbeschaamdheid.
„Wie weet, mijnheer,” antwoordde Fogg, en hij keerde naar zijn waggon
terug. De trein zette zich oogenblikkelijk in beweging.
Daar begon de gentleman Aouda gerust te stellen, door de opmerking dat
de bluffers nooit te vreezen waren. Toen verzocht hij Fix om getuige te
wezen bij het duel dat zou plaats hebben. Fix kon niet weigeren, en
Fogg begon weer even kalm zijn gestoord spel, en speelde schoppen met
de meest mogelijke koelheid en het beste resultaat.
Te elf ure kondigde het fluitje aan, dat men te Plum-Creek was
aangekomen. Fogg stond op en gevolgd door Fix, begaf hij zich op de
brug. Passepartout vergezelde hen met een paar revolvers. Aouda bleef
zitten, bleek als een doode.
Op dit oogenblik werd het andere portier van den waggon geopend, en de
kolonel Proctor verscheen ook op de brug, gevolgd van zijn getuige, een
Yankee van zijn stempel. Maar terzelfder tijd, toen de twee partijen
uit wilden stappen, kwam een conducteur aanloopen, roepende:
„Men stapt niet uit, heeren.”
„En waarom niet?” vroeg Proctor.
„Wij zijn twintig minuten ten achter en de trein staat niet stil.”
„Maar ik moet met mijnheer vechten.”
„Het spijt mij,” antwoordde de conducteur, „maar wij vertrekken
terstond. Hoor, daar luidt de bel reeds!”
De bel luidde inderdaad, en de trein zette zich oogenblikkelijk in
beweging.
„Het spijt mij waarlijk,” herhaalde de conducteur. „In elk ander geval
had ik u kunnen helpen. Maar waarom zoudt gij, daar gij den tijd niet
hebt gehad hier te vechten, die zaak onder weg niet kunnen afdoen.
„Dat zal mijnheer misschien niet naar den zin zijn!” zeide Proctor met
een spottend gezicht.
„Dat is zeer naar mijn zin,” antwoordde Fogg.
„Wij zijn bepaald in Amerika,” dacht Passepartout, „en de conducteur is
een volmaakt gentleman—in zijn land.”
Met deze woorden volgde hij zijn meester.
De twee partijen, gevolgd door hunne getuigen en voorafgegaan door den
conducteur, stapten van den eenen waggon in den anderen en bereikten
eindelijk het achterste gedeelte van den trein. Deze laatste waggon was
slechts door een tiental reizigers bezet. De conducteur vroeg hun of
zij wel voor eenige minuten de plaats voor deze heeren wilden inruimen,
die een zaak van eer hadden te behandelen.
„Wel waarom niet! De reizigers waren zelfs zeer gelukkig aan de twee
heeren genoegen te doen, en zij begaven zich op de brug.
De waggon had een lengte van vijftig voet en was zeer goed voor deze
zaak ingericht.
De partijen konden op elkander aanvallen tusschen de banken door, zich
verschansen en zoo elkander doodschieten. Nooit was er een duel
gemakkelijker te regelen geweest. Fogg en Proctor, beiden van twee
revolvers met zes loopen voorzien, stapten in den waggon. Hunne
getuigen, die buiten waren gebleven, sloten deze dicht. Op het eerste
fluiten der locomotief moesten zij beginnen. Nadat het twee minuten
geduurd had zou er uit den waggon worden gehaald wat er van de twee
heeren zou zijn overgebleven.
Waarlijk er was niets eenvoudiger dan dit. Het was zelfs zoo eenvoudig
dat Fix en Passepartout hun hart hoorden kloppen, alsof het bersten
zou.
Men wachtte het afgesproken sein, toen men eensklaps wilde kreten
hoorde, die met geweerschoten gepaard gingen; maar deze kwamen niet uit
den waggon, waarin de reizigers waren.
De trein werd aangevallen door een bende Sioux. Het schieten strekte
zich uit langs den geheelen trein en uit alle wagens hoorde men
schreeuwen en kermen.
Kolonel Proctor en Fogg, met hunne revolvers in de hand, traden naar
buiten en snelden naar de voorste wagens waar het meest geschreeuwd en
geschoten werd.
Zij hadden begrepen dat de trein werd aangevallen door een bende Sioux.
Deze stoutmoedige Indianen bedreven niet hun eerste heldenfeit;
meermalen reeds hadden zij de treinen aangerand. Volgens hunne gewoonte
wachtten zij niet tot de locomotief stil stond, maar sprongen op de
treden, en honderden van hen wierpen zich dan in de waggons evenals een
clown van een rennend paard springt. Deze Sioux waren allen met geweren
gewapend. Vandaar de geweerschoten, die door de reizigers, welke bijna
allen revolvers hadden, beantwoord werden. Het allereerst hadden de
Indianen zich op de locomotief geworpen. De machinist en de stoker
waren half vermoord door de stokken met looden knoppen. Een der
opperhoofden van de Sioux wilde den trein doen ophouden, maar daar hij
niet wist hoe hij de kruk der machine moest draaien, had hij de
stoomkraan wijd geopend in plaats van haar te sluiten, zoodat de trein
met duizelingwekkende vaart voortrende. Te gelijkertijd hadden de Sioux
de waggons vermeesterd; zij liepen als woedende apen over de
imperialen, trapten de portieren in en streden man tegen man met de
reizigers. Naast de bagagewagens, die zij hadden opengebroken en
geplunderd, lagen de kisten en koffers op den weg verspreid. Het
schreeuwen en schieten duurde voort.
De reizigers verdedigden zich intusschen moedig. Eenige wagens waren
gebarricadeerd en stonden een beleg uit, als beweegbare forten, die
vooruit gingen met een snelheid van honderd mijlen in een uur.
Van den eersten aanval af, had Aouda zich kloek gedragen. Met de
revolver in de hand, verdedigde zij zich heldhaftig, door gebroken
glasruiten schietende, zoo vaak de een of andere wilde zich vertoonde.
Een twintigtal doodelijk getroffen Sioux, die op den weg gevallen
waren, werden door de wielen van de waggons verpletterd als wormen,
evenzoo zij, die op de rails onder de loopbrug waren uitgegleden.
Verscheidene reizigers, zwaar gewond door de kogels of stokken, lagen
op de banken.
Er moest een einde aan komen. De strijd duurde reeds tien minuten en
kon niet dan ten voordeele van de Sioux afloopen. Het station van het
fort Kearney was nog slechts twee mijlen verwijderd. Daar was een
amerikaansche post, maar zoo men dien post gepasseerd was, welke
tusschen Kearney en het eerstvolgende station lag, dan zouden de Sioux
meester van den trein zijn. De conducteur streed aan Fogg’s zijde, maar
een kogel deed hem ineen zinken. Terwijl hij viel, riep deze man:
„Wij zijn verloren, zoo de trein niet binnen vijf minuten stil staat.”
„Hij zal stil staan,” zeide Fogg, die uit den waggon wilde springen.
„Blijf, mijnheer,” riep Passepartout, „dat is mijn zaak.”
Fogg had den tijd niet zijn moedigen knecht tegen te houden, die,
zonder door de Indianen gezien te worden een portier opende en tusschen
de waggons doorgleed. En toen, terwijl de strijd nog altijd
voortduurde, en de kogels hem om de ooren floten, kreeg hij zijn
handigheid en lenigheid van clown terug, kroop onder de waggons door,
zich nu eens vasthoudende aan de assen, dan zich klemmende aan de
boomen, elken haak en uitstekende punt grijpende, en zoo bereikte hij,
dank zij zijne bewonderenswaardige vlugheid, het voorste gedeelte van
den trein, zonder dat iemand hem gezien had of had kunnen zien. Daar,
tusschen den goederenwagen en den tender hangende, haakte hij de
ketting los, schroefde toen, niet dan met veel moeite de haken uit en
de trein, welke nu los was, bleef langzamerhand achter, terwijl de
locomotief met een ongeloofelijke snelheid voortging.
Zijne eens verkregen snelheid volgende, reed de trein nog eenige
minuten door, maar daar men inwendig het remtoestel deed werken, hield
hij eindelijk, op honderd passen afstand van het station Kearney, stil.
Daar kwamen de soldaten van het fort, gewaarschuwd door de
geweerschoten, in allerijl aansnellen. De Sioux hadden hen niet
verwacht en nog vóor de trein geheel stilstond, was de gansche bende
verdwenen.
Maar toen de reizigers elkander aan het station telden, bemerkten zij
dat er verscheidenen ontbraken en onder hen was ook de moedige
Franschman, door wiens kloeke daad men gered was.