Waar Passepartout er maar niet in slagen kan de taal van het gezond
verstand ingang te doen vinden.
Toen de trein Great-Salt-Lake en Ogden verlaten had, volgde hij een uur
lang eene noordelijke richting tot aan de Weber-Rivier; na
San-Francisco had hij ongeveer negen honderd mijlen afgelegd. Van dit
punt af nam hij zijne westelijke richting weder aan door het gebergte
Wahsatch. Het is in dit gedeelte van het grondgebied, begrepen tusschen
deze bergen en het eigenlijk Rotsgebergte dat de amerikaansche
ingenieurs met de grootste moeielijkheden te kampen hadden. Daarom
heeft het gouvernement der Vereenigde Staten in dit bergachtige
gedeelte een subsidie moeten toestaan van acht en veertig duizend
dollars per mijl, terwijl het slechts zestien duizend dollars voor den
weg op de vlakte gaf: maar de ingenieurs hadden, zooals reeds vermeld
is, de natuur geen geweld aangedaan; zij hebben haar verschalkt, de
moeielijkheden vermeden, en om het meer te bereiken hebben zij een
langen tunnel van veertien duizend voet door den berg geboord. Aan het
Zoutmeer zelf heeft de lijn haar hoogste toppunt bereikt. Van dit punt
af beschrijft het profiel een zeer lange bocht, die tot de vallei van
Bitter-Creek daalt om dan te stijgen tot het punt, waar de Atlantic- en
de Pacific-baan aaneensluiten. De rivieren waren talrijk in deze
rotsachtige landstreek. Men moest over houten bruggen de Muddy, de
Green en andere stroomen passeeren.
Passepartout, die, naarmate hij zijn doel naderde, ongeduldig werd, had
wel gewild dat deze bezwaren achter den rug waren. Hij vreesde voor een
oponthoud; hij duchtte altijd eenig ongeluk en zijn ongeduld stak
zonderling af bij de kalmte van zijn meester. Ook Fix, zijnerzijds,
verlangde zeer dat men deze moeielijke streek achter den rug had. Hij
was bang voor vertraging en vreesde voor ongevallen; hij was nog
begeeriger dan Fogg zelf om den voet op engelschen bodem te zetten.
Ten tien ure kwam de trein te Fort-Bridge aan, dat hij terstond weder
verliet en twintig mijlen verder overschreed hij de grenzen van den
Staat Wyoming—het oude Dakota—de vallei van Bitter-Creek geheel
volgende, waarin een aantal rivieren uitmonden, die het hydrographische
stelsel van Colorado vormden.
Den anderen morgen, den 7den December, vertoefde men een kwartier aan
het station van Green-rivier. Het had den geheelen nacht zwaar
gesneeuwd, en de sneeuw, die vergezeld was van regen, was bijna
gesmolten. Zij kon dus aan den trein niet hinderen. Maar dit slechte
weder verontrustte nochtans Passepartout, daar de opeenhooping van
sneeuw voor de wielen de reis kon vertragen.
„Hoe komt mijn meester er ook toe om in den winter te gaan reizen?”
zeide hij. „Kon hij den zomer niet afwachten? dan zouden zijne kansen
beter zijn geweest!”
Maar op het oogenblik dat hij aan niets dacht dan aan den hemel en het
koude weder, was Aouda in doodelijken angst, die uit een geheel andere
bron voortsproot.
Er waren eenige reizigers uit de waggons gestapt, die nu op het perron
van het station van Green-Rivier heen en weder wandelden, het vertrek
van den trein afwachtende. Onder dezen herkende de jonge vrouw den
kolonel Stamp Proctor, den Amerikaan, die zich tegenover Fogg zoo lomp
gedragen had bij de meeting te San-Francisco. Aouda wilde niet dat hij
haar zag en wierp zich snel achterover. Dit voorval echter maakte
diepen indruk op de jonge dame. Zij had zich gehecht aan den man, die,
hoe koel hij ook was, haar toch dagelijks bewijzen gaf van zijne
genegenheid. Zij begreep ongetwijfeld zelve niet al de diepte van het
gevoel, dat haar redder haar inboezemde. Aan dat gevoel gaf zij nog
altijd den naam van dankbaarheid, maar, buiten haar weten, was het meer
dan dit.
Haar hart kromp dan ook samen toen zij de hooge gestalte herkende van
den persoon, aan wien Fogg vroeg of laat rekenschap van zijn gedrag
wilde vragen. Waarschijnlijk was het slechts het toeval dat kolonel
Proctor in dezen trein had gebracht, maar, hoe het ook zij, hij was er,
en men moest tot elken prijs trachten te verhinderen dat Fogg zijn
tegenstander bemerkte.
Toen de trein zich weder in beweging zette, en Fogg ingeslapen was,
maakte Aouda van het oogenblik gebruik om Fix en Passepartout met den
toestand bekend te maken.
„Is die Proctor in den trein!” riep Fix uit. „Welnu, mevrouw, stel u
gerust: vóor dat hij het mijnheer Fogg lastig maakt, zal hij met mij te
doen hebben. Ik meen toch dat in deze geheele zaak ik het ben, die het
grofst beleedigd werd.”
„En ik zal er ook wel voor zorgen, al was hij driemaal kolonel,” zeide
Passepartout.
„Mijnheer Fix,” hernam Aouda, „mijnheer Fogg zal aan niemand de taak
overlaten om hem te wreken. Hij is man, en hij heeft zijn woord gegeven
om naar Amerika weder te keeren, ten einde den beleediger te vinden.
Zoo hij dus kolonel Proctor bespeurt, kunnen wij eene ontmoeting niet
verhinderen, die misschien betreurenswaardige gevolgen zou kunnen
hebben. Wij moeten daarom zorgen dat hij hem niet ziet.”
„Gij hebt gelijk, mevrouw,” antwoordde Fix, „zulk eene ontmoeting zou
alles in duigen kunnen doen storten. Overwinnaar of overwonnen,
mijnheer Fogg zou toch te laat komen, en....”
„En,” voegde Passepartout er bij, „dat zou juist zijn wat de heeren der
Reform-club hopen. Binnen vier dagen zullen wij te New-York zijn.
Welnu, zoo mijn meester in die vier dagen zijn waggon niet verlaat, dan
kunnen wij hopen dat het toeval hem niet tegenover den verwenschten
Amerikaan zal brengen! Wij moeten dus een middel vinden om dit te
voorkomen.”
Hier werd het gesprek gestaakt, daar Fogg wakker werd en door het met
sneeuwvlokken bedekte raampje naar het landschap staarde.
Eenigen tijd daarna en zonder door zijn meester of Aouda gehoord te
worden, zeide Passepartout tot den inspecteur:
„Zoudt gij waarlijk voor hem willen vechten?”
„Ik zal alle mogelijke moeite doen om hem levend in Europa te brengen,”
antwoordde Fix op een toon, die van onwrikbare kalmte getuigde.
Passepartout voelde eene trilling in zijn aderen; maar zijn eenmaal
gevestigde overtuiging ten opzichte van zijn reisgezel verzwakte er
niet door.
De vraag was thans of er een middel bestond om op de een of andere
wijze Fogg in zijn waggon te houden, ten einde elke ontmoeting tusschen
den kolonel en hem te voorkomen? Dit kon niet moeielijk zijn, want de
gentleman was van nature niet nieuwsgierig of woelig. Ten overvloede
vond Fix zulk een middel uit. Eenige oogenblikken later zeide hij tot
Fogg:
„Wat gaat de tijd langzaam op een spoorweg voorbij, mijnheer.”
„Inderdaad, maar hij gaat toch voorbij.”
„Aan boord der mailboot was het altijd uwe gewoonte een partijtje te
whisten.”
„Ja,” antwoordde Fogg, „maar dat zou hier moeielijk gaan, want ik heb
kaarten noch medespelers.”
„O, de kaarten zouden wij wel kunnen koopen. Men verkoopt van alles in
een amerikaanschen spoortrein. Wat de medespelers betreft, misschien
zou mevrouw wel....”
„Ja zeker, mijnheer, ik whist ook,” antwoordde de jonge vrouw. „Dat
maakt een deel uit van eene engelsche opvoeding.”
„En ik,” zeide Fix, „ik beweer het ook vrij wel te kennen. Welnu, wij
zijn met ons drieën, dus spelen wij met een blinde.”
„Zooals gij wilt, mijnheer,” zeide Fogg, blijde dat hij zijn
geliefkoosd spel weder kon opvatten, zelfs in een spoortrein.
Passepartout werd belast met het zoeken van den stewart en kwam weldra
terug met twee volle spellen, fiches, een leitje en een tafeltje met
laken overtrokken. Niets ontbrak er. Het spel begon. Aouda kon vrij wel
spelen en zij kreeg zelfs nu en dan een complimentje van den ernstigen
gentleman. Wat den inspecteur aangaat, deze was van de eerste kracht en
waardig de tegenpartij van Fogg te zijn.
„Nu,” dacht Passepartout, „zullen wij hem wel binnen houden. Hij zal
zich niet verroeren!”
Ten elf uur bereikte de trein het punt waar de stroomen, die naar de
twee oceanen loopen, zich verdeelen. Het was te Passe-Bridger op eene
hoogte van zeven duizend vijfhonderd tachtig engelsche voeten boven de
oppervlakte der zee; een der hoogste punten van den weg, die door het
Rotsgebergte loopt.
Nog ongeveer tweehonderd mijlen en de reizigers waren eindelijk op die
uitgestrekte vlakte, welke zich tot aan den Atlantischen Oceaan
uitstrekt, en die de natuur zoo geheel geschikt heeft gemaakt voor een
spoorweg.
Op de helling naar de Atlantische zee ontspringen reeds de rivieren,
stroomen of zijstroomen van de Noord-Platte-rivier. De geheele horizon
van het noorden naar het oosten was overschaduwd door die onmetelijke
halfronde gordijn, welke het noordelijke gedeelte van het Rotsgebergte
vormt en waarboven de top van de Laramie zich verheft. Tusschen die
rotsgordijn en den spoorweg strekte zich de onafzienbare vlakte uit,
welke in alle richtingen door rivieren doorsneden wordt. Rechts van den
spoorweg verhieven zich de eerste bergen van den keten, die zich
zuidwaarts kromt, tot aan den oorsprong der rivier de Arkansas, een van
de groote voedingsstroomen van de Missouri.
Ten half een ure zagen de reizigers even het fort Halleck, dat deze
streek in bedwang houdt. Nog eenige uren en de tocht door het
Rotsgebergte zou geëindigd zijn. Men mocht dus hopen, dat de reis door
deze landstreek zonder ongeluk zou worden volbracht. Het had opgehouden
met sneeuwen. Het weer werd koud en droog. Groote vogels vlogen, door
de locomotief verschrikt, op. Men ontmoette op de geheele vlakte wolf
noch beer. Het was een woestijn in al hare naaktheid. Na een goed
ontbijt zetten Fogg en zijne medespelers hun spel weder voort, toen de
locomotief een schel gefluit deed hooren. De trein hield op.
Passepartout stak zijn hoofd uit het raampje, maar zag niets, dat tot
dit oponthoud aanleiding kon geven. Geen enkel station was in het
gezicht.
Aouda en Fix vreesden een oogenblik dat Fogg uit den trein wilde gaan.
Maar de gentleman zeide slechts tot zijn knecht:
„Ga eens zien wat er gebeurt.” Passepartout sprong uit den waggon. Een
veertigtal reizigers hadden den hunne reeds verlater en onder hen was
ook kolonel Stamp Proctor.
De trein had opgehouden voor een omgekeerde roode schijf, die zich
boven den weg verhief. De machinist en de conducteur waren afgestegen
en praatten zeer levendig met den lijn-opzichter, dien de chef van het
station Medicine-Bow, het eerstvolgende station, herwaarts had
gezonden. De reizigers waren nu eveneens genaderd en namen aan dit
gesprek deel. Ook kolonel Stamp Proctor die op hoogen toon sprak en
gebiedende gebaren maakte. Passepartout trad nader en hoorde den
opzichter zeggen:
„Men kan er onmogelijk over. De brug van Medicine-Bow is gebroken en
zou het gewicht van den trein niet kunnen dragen.”
De brug, waarvan sprake was, was een hangende brug over een waterval,
en op een mijl afstands van de plaats waar de trein nu ophield. Volgens
den opzichter dreigde hij op meer dan een punt ineen te storten, daar
er verscheidene koorden gebroken waren, en het was niet te wagen om er
overheen te gaan. De opzichter overdreef dus in het geheel niet, toen
hij zeide, dat men er niet over kon. Bovendien met het oog op de gewone
zorgeloosheid der Amerikanen, zou het, nu zij voor een enkele maal
voorzichtig wilden zijn, eene dwaasheid wezen dit niet te zijn.
Passepartout durfde zijn meester dit niet te gaan mededeelen; hij
hoorde met zijne tanden op elkaar gedrukt en zoo onbeweeglijk als een
standbeeld alles aan.
„Zeg eens,” riep kolonel Proctor, „wij hebben toch geen plan om hier in
de sneeuw wortel te schieten.”
„Kolonel,” antwoordde de conducteur, „men heeft naar het station Omaha
geseind om een trein, maar het is niet waarschijnlijk dat deze te
Medicine-Bow vóor zes uur aankomt.
„Zes uur!” riep Passepartout.
„Ongetwijfeld,” antwoordde de conducteur. „Ook hebben wij dezen tijd
wel noodig om te voet naar het station te gaan.”
„Maar het is maar een mijl hier van daan,” merkte een der reizigers op.
„Ja, een mijl, maar aan den anderen kant der rivier.”
„Én kan men deze rivier met een boot oversteken?” vroeg de kolonel.
„Onmogelijk. De kreek is door den regen gezwollen. Het is een waterval
en wij zouden dus genoodzaakt zijn een omweg van tien mijlen
noordwaarts te maken om eene doorwaadbare plaats te vinden.”
De kolonel gaf aan een reeks van vloeken lucht, deels tegen de
reizigers, deels tegen de conducteurs, en Passepartout, die ook woedend
was, had zeer veel lust om hem daarin gezelschap te houden. Hier had
zich een materieel bezwaar opgedaan, waarop alle banknoten van zijn
meester schipbreuk moesten lijden. Alle reizigers waren dan ook
teleurgesteld, daar zij, behalve hun oponthoud te rekenen, zich
genoodzaakt zagen vijftien mijlen door met sneeuw bedeke vlakte af te
leggen. Er ontstond eene wisseling van uitroepingen en verwenschingen,
die ongetwijfeld Fogg’s aandacht zouden getrokken hebben, zoo hij niet
verdiept ware geweest in zijn spel. Toch was Passepartout genoodzaakt
om hem alles mede te deelen, en met gebogen hoofd begaf hij zich naar
den waggon, toen de machinist van den trein—een echte Yankee, Forster
genaamd—zijne stem verhief en zeide:
„Heeren, er is misschien een middel om verder te gaan.”
„Over de brug?”
„Ja, over de brug.”
„Met onzen trein?” vroeg de kolonel.
„Met onzen trein.”
Passepartout stond stil en verslond de woorden van den machinist.
„Maar de brug is op het punt van in te storten!” merkte de conducteur
aan.
„Dat doet er niet toe,” antwoordde Forster. „ik geloof dat, wanneer de
trein in zijn grootste snelheid over de brug gaat, er alle kans bestaat
dat wij er goed over komen.”
„Drommels!” zeide Passepartout.
Maar een aantal reizigers had dit voorstel reeds goedgekeurd en het
scheen vooral kolonel Proctor zeer aangenaam toe. Deze heethoofd vond
de zaak zeer goed uitvoerbaar. Hij herinnerde zich zelfs hoe eenige
ingenieurs het plan hadden gevormd om een goed aaneengesloten trein in
volle vaart rivieren zonder bruggen te doen passeeren. Bij slot van
rekening schaarden alle belanghebbenden zich aan de zijde van den
machinist.
„Wij hebben vijftig kansen tegen een,” zeide een der reizigers.
„Zestig! ... tachtig! Wel negentig op de honderd,” zeide een ander.
Passepartout was geheel verbijsterd van verbazing; ofschoon hij wel
alles had willen doen om de brug van de Medicine-Bow over te komen,
scheen hem dit toch een weinig al te amerikaansch toe.
„Daar is bovendien nog wel een eenvoudiger middel, en daar denken die
menschen nu in het geheel niet aan!... „Mijnheer,” zeide hij tot een
der reizigers, „het middel, dat de machinist voorstelt, schijnt mij een
weinig gewaagd toe, maar....”
„Tachtig kansen!” antwoordde de reiziger, die hem den rug toekeerde.
„Ik weet wel,” zeide Passepartout zich tot een ander gentleman
richtend, „maar het was toch goed eens even te bedenken....”
„Geen bedenkingen, dat is onnoodig,” antwoordde de aangesproken
Amerikaan, zijn schouders ophalend, „daar de machinist u verzekert dat
men er over zal gaan.”
„Zeer zeker,” hernam Passepartout, „zal men er over komen, maar was het
niet voorzichtiger....”
„Wat! voorzichtiger!” riep kolonel Proctor, dien dit woord, hetwelk hij
toevallig hoorde, deed opspringen. „Met volle vaart zeg ik u! Begrijpt
ge nu? Met volle vaart!”
„Ik weet het ... ik begrijp het....” herhaalde Passepartout, maar
niemand liet hem uitspreken. „Het was toch voorzichtiger, maar daar dit
woord u hindert, het was toch natuurlijk....”
„Wie? wat? hoe? Wat moet hij toch met zijn natuurlijk?...” riep men van
alle kanten.
De arme knecht wist niet meer tot wien hij zich wenden kon.
„Zijt gij bang?” vroeg hem kolonel Proctor.
„Ik bang!” riep Passepartout. „Nu nog mooier! Ik zal aan deze menschen
toonen dat een Franschman even goed Amerikaan kan zijn als zij.”
„Instappen! instappen!” riep de conducteur.
„Ja, instappen,” herhaalde Passepartout, „instappen. En terstond maar!
Maar men zal mij niet beletten te denken, dat het veel natuurlijker
ware geweest, ons reizigers, eerst te voet de brug over te laten gaan,
en dan den trein....” Maar niemand hoorde deze verstandige opmerking en
niemand wilde er de juistheid van erkennen.
De reizigers zaten weder in hun waggon. Passepartout had ook zijn
plaats hernomen, zonder meer over het voorgevallene te spreken. De
spelers waren geheel verdiept in hun whisten. De locomotief floot op
oorverdoovende wijze. De machinist bracht de trein een mijl terug,
achteruitgaande als een springer, die zijn sprong wil nemen.
Vervolgens, na een tweede fluitje, ging de trein weder voorwaarts en
daarop zoo snel mogelijk. Spoedig werd de snelheid verschrikkelijk, men
hoorde niets dan een gesis dat uit de locomotief kwam; de zuigers
sloegen twintig slagen in de seconde, de assen der raderen rookten in
de bussen. Men gevoelde om zoo te zeggen dat de geheele trein vloog met
eene snelheid van honderd mijlen in het uur en niet op de rails drukte.
Hij ging zoo snel, dat hij geen gewicht meer had.
En men ging er over! Het was als een bliksemstraal. Men zag niets van
de brug. De trein sprong, zou men kunnen zeggen, van den eenen oever
naar den anderen en de machinist kon zijn machine niet eer doen
stilstaan dan op vijf mijlen afstand van het station. Maar nauwelijks
was deze aan de overzijde der rivier of de brug stortte werkelijk in,
en viel met een vreeselijk geweld in de Medicine-Bow.