Waarin Passepartout met een snelheid van twintig mijlen in het uur
een cursus in de geschiedenis der Mormonen volgt.
In den nacht van 5 op 6 December, volgde de trein ongeveer vijftig
mijlen de zuid-oostelijke richting; daarop boog hij zich weder evenveel
naar het noorden, het Zoutmeer naderende.
Passepartout begaf zich tegen negen uur in den morgen op de loopbrug om
eens een luchtje te scheppen. Het was koud, de lucht was betrokken,
maar het sneeuwde niet meer. De zon, die in den mist veel grooter
scheen, had het voorkomen van een groot goudstuk en Passepartout was
bezig om de waarde er van in ponden sterling te berekenen, toen hij van
dezen nuttigen arbeid afgeleid werd door de verschijning van een zeer
zonderling wezen. Deze persoon, die te Elko in den trein was gekomen,
was een man van hooge gestalte, donker, met een zwarten knevel, zwarte
kousen, zwarten hoed, zwarte broek, zwart vest, witte das en met
zeemlederen handschoenen. Men zou gezegd hebben dat het een geestelijke
was. Hij ging van het eene einde van den trein naar het andere, en op
het portier van eiken waggon plakte hij met een ouweltje eene
geschreven aankondiging.
Passepartout naderde het portier en las op een van deze biljetten, dat
de eerwaarde „elder” William Hitch, mormoonsch zendeling, gebruik
makende van zijne tegenwoordigheid op den trein no. 48, ten elf ure in
den waggon no. 117 eene conferentie zou houden over het mormonisme—alle
belangstellende heeren tot bijwoning uitnoodigende, ten einde hen te
onderrichten in de geheimen van de Heiligen der Laatste Dagen.
„Daar ga ik zeker heen,” zeide Passepartout, die niets van het
mormonisme af wist, dan dat de veelwijverij de grondslag van de
mormoonsche sekte was.
Het nieuws verspreidde zich oogenblikkelijk door den trein, die een
honderdtal reizigers bevatte. Van dat getal waren er dertig hoogstens
die, aangelokt door deze redevoering, ten elf ure de banken van den
waggon no. 117 innamen. Passepartout zat op de eerste bank der
geloovigen. Noch zijn meester, noch Fix wilden er zich eenige moeite
voor geven.
Op het bepaalde uur stond de „elder” William Hitch op en begon op
driftigen toon, alsof hij dadelijk werd tegengesproken.
„Ik zeg u,” zeide of liever schreeuwde hij, „dat Joe Smith een
martelaar is, en dat zijn broeder Hiram ook een martelaar is, en dat de
vervolgingen door het Gouvernement van de Vereenigde Staten ingesteld
tegen de profeten, ook van Brigham Young een martelaar gaan maken. Wie
durft het tegendeel beweren?”
Niemand waagde het om den zendeling tegen te spreken, wiens
ontboezeming zeer in strijd was met zijn van nature rustig gelaat. Maar
zijn woede was zeker daardoor te verklaren, dat het mormonisme
tegenwoordig aan zulke zware beproevingen was blootgesteld. Het
Gouvernement der Vereenigde Staten toch kon niet dan zeer moeielijk
deze onafhankelijke dweepers tot onderwerping brengen; het had zich
meester gemaakt van Utah, en dit doen gehoorzamen aan de wetten der
Unie, na Brigham Young in hechtenis te hebben genomen als schuldig aan
rebellie en veelwijverij. Van dat oogenblik af verdubbelden de
volgelingen van den profeet hun ijver, en in afwachting dat zij tot
daden zouden overgaan, verzetten zij zich tegen de aanmatigingen van
het Congres.
Zooals men ziet, trachtte de „elder” William Hitch zelfs in den
spoortrein proselieten te maken. Hij vertelde met toenemende
geestdrift, welke uit de verheffing van zijne stem en zijne gebaren
bleek, de geschiedenis van het mormonisme sedert de gewijde oudheid.
Hoe in Israël een mormoonsch profeet uit den stam van Jozef de
jaarboeken van den nieuwen godsdienst gaf en hen aan zijn zoon Morum
naliet; hoe vele eeuwen later eene vertaling van dat kostbare boek
uitkwam in egyptische karakters, door Jozef Smith junior, een boer in
den Staat Vermont, die in 1825 als mystisch profeet opstond; hoe
eindelijk een gezant uit den hemel hem in een vurig bosch verschenen
was en hem de jaarboeken des Heeren ter hand had gesteld.
Op dit oogenblik verlieten eenige toehoorders, die niet veel belang
stelden in dit historisch overzicht, den waggon; maar William Hitch
ging voort met vertellen, hoe Smith junior met zijn vader, twee
broeders en eenige discipelen vereenigd den godsdienst van de Heiligen
der Laatste Dagen stichtte, welke godsdienst niet alleen in Amerika
aangenomen werd, maar ook in Engeland, Scandinavië en Duitschland
volgelingen telde onder de werklieden en onder hen, die vrije beroepen
uitoefenden; hoe in Ohio een kolonie was gesticht; hoe een tempel voor
tweehonderd duizend dollars werd opgericht en een stad gebouwd te
Kirkland; hoe Smith een groot bankier werd en van een eenvoudig
vertooner van mummies een document ontving, dat door Abraham en andere
beroemde Egyptenaren geschreven was
Daar dit verhaal een weinig langdradig werd, nam het publiek hoe langer
hoe meer af; men telde niet meer dan een twintigtal toehoorders.
Maar de „elder” bekommerde zich volstrekt niet over dit heengaan en
vertelde tot in de kleinste bijzonderheden, hoe Joe Smith in 1837
bankroet maakte, hoe de geruïneerde aandeelhouders hem in een teerton
staken en vervolgens in veeren rolden, en hoe men hem eenige jaren
later, geachter en achtenswaardiger dan ooit, te Indépendance in
Missouri terug vond als hoofd van een bloeiende gemeente, die niet
minder dan drie duizend zielen telde, en dat hij toen, door den haat
der heidenen vervolgd, naar het verre westen moest vluchten.
Tien hoorders waren nog gebleven en onder hen de eerzame Passepartout,
die met beide ooren luisterde. Zoo vernam hij hoe na een jarenlange
vervolging Smith weder in Illinois terug kwam, in 1839 aan de oevers
der Mississippi Nauvoo stichtte, waarvan de bevolking tot vijf en
twintig duizend zielen steeg; hoe Smith daar burgemeester, opperrechter
en opperbevelhebber werd; hoe hij zich in 1843 kandidaat stelde voor
het presidentschap der Vereenigde Staten, en hoe hij eindelijk, te
Karthago in eene hinderlaag gelokt, in de gevangenis werd geworpen en
door een bende gemaskerden werd vermoord.
Op dit oogenblik was Passepartout geheel alleen in den waggon en de
„elder” hem strak in het gelaat ziende en door zijn woorden een
magnetischen invloed op hem uitoefenende, herinnerde hem dat twee jaren
na den moord op Smith gepleegd, diens opvolger, de getuigende profeet
Brigham Young, Nauvoo verliet, om zich aan de oevers van het Zoutmeer
te vestigen, en dat daar op dat belangrijke grondgebied, omringd door
vruchtbare landouwen, op den weg der landverhuizers, die Utah
doortrokken om zich naar Californië te begeven, de nieuwe kolonie, dank
zij het mormoonsch beginsel der veelwijverij, eene ontzaglijke
uitbreiding onderging.
„En ziedaar,” voegde William Hitch er bij, „ziedaar waarom wij aan den
naijver van het Congres zijn blootgesteld! Waarom de soldaten van de
republiek den bodem van Utah hebben bezoedeld! Waarom ons hoofd, de
Profeet Brigham Young, gevangen werd genomen in strijd met alle recht!
Zullen wij wijken voor het geweld? Nooit. Verdreven uit Vermont,
verdreven uit Illinois, verdreven uit Ohio, verdreven uit Missouri,
verdreven uit Utah, zullen wij nogmaals een onafhankelijk grondgebied
vinden, waar wij onze tenten zullen nederslaan. En gij, mijn getrouwe,”
voegde de „elder” er bij, op zijn eenigen toehoorder een ernstigen blik
werpende, „zult gij daar de uwe planten in de schaduw van onzen
banier?”
„Neen,” antwoordde Passepartout, op zijn beurt wegloopende, terwijl hij
den echtgenoot van vele vrouwen in de woestijn prediken liet.
Gedurende deze conferentie, was de trein met volle snelheid
voortgestoomd en tegen half een in den middag bereikte hij het
westelijke punt van het groote Zoutmeer. Van daar had men een ruim
uitzicht over dit meer, dat ook den naam draagt van Doode Zee en waarin
een amerikaanschen Jordaan uitloopt. Het is eene prachtige watervlakte,
omsloten door schilderachtige, woeste rotsen met breede kruinen, die
met wit zout zijn bedekt. Voorheen strekte zich de zilveren spiegel
veel verder uit, maar met den tijd zijn de oevers langzamerhand
gerezen, waardoor de oppervlakte kleiner, maar de diepte grooter werd.
Het Zoutmeer is zeventig mijlen lang, vijf en dertig breed en drie
duizend acht honderd voet boven de oppervlakte der zee gelegen. De
visschen kunnen wegens het groote gehalte zout, in dit water niet
leven. Die, welke de Jordaan, de Weber en andere rivieren er in werpen,
sterven dan ook terstond; maar het is onwaar dat de dichtheid van het
water van dit meer zoo groot is, dat een mensch er niet in zwemmen kan.
De omstreken van het meer zijn uitnemend bebouwd; want de Mormonen zijn
ver in het bebouwen van den grond. De stallen en schuren voor de
huisdieren, de koren-, maïs- en gierst-velden, de weelderige weilanden;
tallooze heggen met wilde rozen, boschjes van acacia’s en wolfsmelk
zouden aan dit landschap zes maanden later een bekoorlijk karakter
geven, maar voor het oogenblik was de grond met een dunne laag sneeuw
bedekt.
Ten twee ure kwamen de reizigers te Odgen aan. De trein behoefde eerst
ten zes ure te vertrekken. Fogg, Aouda en hunne twee reisgezellen
hadden dus tijd in overvloed om zich naar de Stad der Heiligen te
begeven, die door een zijtak met Odgen verbonden is. Twee uren waren
voldoende om deze geheel amerikaansche stad te bezichtigen, die gebouwd
is naar het model van alle steden uit de Vereenigde Staten—groote
schaakborden met lange stijve lijnen en met de somberheid der rechte
hoeken, zooals Victor Hugo het uitdrukt. De stichter van de Stad der
Heiligen kon niet nalaten de symmetrie van den stijl der Anglo-Saxers
na te volgen. In dit zonderlinge land, waar de menschen nog niet op de
hoogte zijn van de maatschappelijke instellingen, is alles even groot:
de steden, de huizen en de dwaasheden.
Ten drie ure wandelden de reizigers door de straten der stad, welke aan
den oever van den Jordaan en de eerste krommingen van het
Wahsatchgebergte gebouwd is. Zij zagen weinig of geen kerken, en ook
niet veel monumenten, maar wel het huis van den profeet, de beurs en
het arsenaal; voorts steenen huisjes met veranda’s en galerijen,
omringd door tuinen met acacia’s, palm- en St. Jansbroodboomen. Een
muur van steen en klei was in 1853 om de stad opgericht. In het
voornaamste gedeelte, waar de markt wordt gehouden, heeft men eenige
aanzienlijke hotels, waaronder ook het Gouvernementsgebouw behoort.
Fogg en zijne reisgezellen vonden die stad niet zeer bevolkt. De
straten waren bijna allen verlaten, uitgenomen die waar de tempel is,
maar dien zij niet bereikten, dan na eenige wijken te zijn doorgegaan,
welke met palissaden waren afgezet. Er waren zeer veel vrouwen, wat te
verklaren is door de zonderlinge manier waarop alle mormoonsche
huishoudens zijn ingericht. Men moet evenwel niet denken, dat alle
Mormonen de polygamie zijn toegedaan; men is geheel vrij, maar men moet
wel in aanmerking nemen, dat het de burgeressen van Utah zijn, die er
zoo bijzonderen prijs op stellen gehuwd te wezen, want volgens het
geloof van dit volk, worden in den mormoonschen hemel geen ongehuwde
vrouwen toegelaten. Deze arme wezens schijnen noch gelukkig noch rijk
te zijn. Eenigen van haar, zeker de rijksten, dragen een pakje van
zwarte zijde, van voren open en een eenvoudige kap of doek om het
hoofd. De overigen zijn slechts in katoen gekleed.
Passepartout, in zijne hoedanigheid van ongetrouwd heer, aanschouwde
niet zonder eenige huivering deze mormoonsche dames, op wie de taak
rust te zamen met eenige anderen het geluk van een Mormoon uit te
maken; zijn gezond verstand beklaagde den echtgenoot in de eerste
plaats. Het scheen hem verschrikkelijk toe om zooveel dames beurtelings
door de wisselvalligheid van het leven te moeten leiden; om eene
geheele kudde van haar in het mormoonsche paradijs te brengen, met het
vooruitzicht haar voor de geheele eeuwigheid terug te vinden in
gezelschap van den verheerlijkten Smith, die het sieraad uitmaakt van
dit gelukzalige oord. Ongetwijfeld voelde hij er geene roeping toe, en
hij meende—misschien vergiste hij zich—dat de burgeressen van
Great-Salt-Lake-City op zijn persoon verontrustende blikken wierpen.
Gelukkig duurde zijn verblijf in de Stad der Heiligen niet zeer lang.
Eenige minuten vóor vieren waren de reizigers weder aan het station en
namen zij hunne plaatsen in den waggon weder in. Het fluitje liet zich
hooren, maar op het oogenblik dat de wielen van de locomotief in
beweging kwamen, hoorde men roepen: „Hou op! Hou op!”
Men laat een trein, die in beweging is, niet stilhouden. De heer, die
dit riep, was blijkbaar een Mormoon, die te laat kwam. Hij was geheel
buiten adem. Gelukkig voor hem dat het station deuren noch hekken had.
Hij rende over den weg, sprong op de trede van den laatsten waggon en
viel geheel ademloos op een der banken van een coupé.
Passepartout, die de verschillende momenten van dezen gymnastischen
toer met belangstelling had gadegeslagen, kwam eens een kijkje nemen
hoe de achtergeblevene, waarin hij een levendig belang stelde, er uit
zag, toen hij vernam dat deze een bewoner was van Utah, die de vlucht
had genomen ten gevolge van een huiselijk geschil.
Zoodra de Mormoon weder adem kon halen, vroeg Passepartout hem beleefd
hoeveel vrouwen hij had. Naar de wijze te oordeelen, waarop hij zocht
te ontvluchten, moest hij er zeker een twintigtal hebben.
„Één, mijnheer!” antwoordde de Mormoon, zijn handen ten hemel heffende,
„en dat is genoeg!”