VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin men een klein idee van San-Francisco bekomt, op een dag dat

er eene meeting plaats heeft.

Het was zeven uur ’s morgens, toen Fogg, Aouda en Passepartout den voet

op amerikaansch grondgebied zetten—zoo men althans dezen naam mag geven

aan de drijvende kade, waarop zij landden. Deze kade daalde en rees met

eb en vloed, en bracht zoodoende veel bij om het laden en ontladen der

schepen gemakkelijker te maken. Daar liggen een aantal klipperschepen

van allerlei afmeting, stoombooten van alle landen, en daaronder de

stoombooten met verschillende verdiepingen, welke dienst doen op de

Sacramento en daarin uitloopende stroomen. Daar zijn de magazijnen van

alle voortbrengselen van den handel, die zich uitstrekt over Mexiko,

Peru, Chili, Brazilië, Europa, Azië en alle eilanden der Stille

Zuidzee.

Passepartout voelde zich zoo gelukkig toen hij eindelijk den

amerikaanschen bodem bereikte, dat hij een saut périlleux van

bewonderenswaardige kracht maakte, ten teeken van zijne blijdschap.

Maar toen hij op de kade terecht kwam, waarvan de planken vermolmd

waren, ging hij er bijna doorheen.

Onthutst over de manier, waarop hij voet aan wal had gezet, gaf de arme

kerel een verschrikkelijken gil, die een aantal waterraven en pelikanen

deed opvliegen, welke gewoonlijk op de beweegbare kade hunne nesten

maakten.

Fogg was nu ook aan wal gekomen en ging terstond onderzoeken hoe laat

de eerste trein naar New-York vertrok. Eerst ten zes ure ’s avonds. Hij

kon dus den geheelen dag doorbrengen in de hoofdstad van Californië.

Hij bestelde een rijtuig voor Aouda en voor zich zelven. Passepartout

plaatste zich op den bok en het rijtuig, dat drie dollars per rit

kostte, reed naar het International Hotel.

Passepartout kon van zijne hooge zitplaats alle bijzonderheden van deze

groote amerikaansche stad opnemen: breede straten, lage, maar allen in

rijen geschaarde huizen, kerken en tempels, allen in gothisch

anglo-saxischen stijl gebouwd, onmetelijke dokken, entrepôts zoo groot

als paleizen, sommigen van hout, anderen van steen. In de straten

wemelde het van rijtuigen, omnibussen, tramways, en op de trottoirs

versperden niet alleen Amerikanen elkander den weg, maar ook

Europeanen, Chineezen, en Indiërs—in één woord er waren genoeg menschen

om eene bevolking van meer dan tweemaal honderd duizend inwoners eer

aan te doen. Passepartout was over alles wat hij zag zeer verbaasd. Hij

had zich nog altijd de stad van 1849 voorgesteld, de stad der roovers,

brandstichters en moordenaars, die waren afgekomen op de ontdekte

goudmijnen, naar dat onmetelijke pelgrimsoord voor allen, die niets in

de wereld te verliezen hebben, waar men met goudpoeder speelde, met een

revolver in de eene hand en een mes in de andere. Die goede tijd echter

was voorbij. San-Francisco heeft geheel het voorkomen van eene

handeldrijvende stad. De hooge toren van het stadhuis, bestemd om alle

wijken te bespieden en te beheerschen, strekte tot verblijfplaats van

wachters, die den blik lieten gaan over deze menigte van straten en

avenues, zich verdeelend in rechte hoeken tusschen welke een aantal

lommerrijke pleinen zich vertoonen. In de nabijheid strekte zich een

Chineesche stad uit, die zoo mooi was, alsof zij zoo pas uit het

Hemelsche Rijk in een speelgoeddoos was overgebracht. Geen sombrero’s,

geen roode hemden, geen Indianen met veeren, maar zijden hoeden en

zwarte rokken door heeren gedragen, welke allen even groote haast

hadden. Eenige straten, zooals Montgommery-street, de Regent-street van

Londen, de Boulevard des Italiens van Parijs, de Broadway van New-York,

waren versierd met prachtige winkels, die alle voortbrengselen, welke

de wereld oplevert, ten toon spreidden.

Toen Passepartout het International Hotel binnentrad scheen het hem toe

of hij Engeland niet had verlaten. De rez-de-chaussée werd ingenomen

door een groote bar, eene soort van buffet waar elke voorbijganger

gratis iets kon gebruiken. Gedroogd vleesch, oestersoep, beschuit en

kaas, werden er verkocht zonder dat de gebruiker er ooit zijn beurs

voor uit den zak behoefde te halen. Hij betaalde slechts hetgeen hij

dronk, als porto, ale of sherry, zoo hij lust had zich te verfrisschen.

Dit vond Passepartout echt amerikaansch. De restauratie van het hotel

was zeer goed. Fogg en Aouda zetten zich aan tafel en werden in

schotels, waarschijnlijk afkomstig uit Lilliput, door pikzwarte negers

bediend.

Na dit ontbijt begaf Fogg zich, vergezeld van Aouda; naar het bureel

van den engelschen consul om daar zijn paspoort te laten viseeren. Op

de stoep vond hij zijn bediende, die hem vroeg of het niet voorzichtig

zou zijn, vóór zij met den zuider-spoorweg vertrokken, een dozijn

Enfield-karabijnen of Colt-revolvers op te doen. Passepartout had

gehoord van Sioux en Pawnies, die, evenals de spaansche roovers, de

treinen aanhielden. Fogg antwoordde, dat dit eene noodelooze voorzorg

zou zijn, maar hij liet hem vrij om hierin te handelen zooals hij zelf

goeddacht. Daarop vervolgde hij zijn weg naar den engelschen consul.

Phileas Fogg had nauwelijks tweehonderd schreden gedaan, of heel

toevallig ontmoette hij Fix. De inspecteur toonde zich zeer verwonderd.

Fogg en hij hadden te zamen den tocht over de Stille Zuidzee gemaakt,

zonder elkander slechts eene enkele maal te ontmoeten. In elk geval was

Fix zeer vereerd den gentleman weder te zien, aan wien hij zooveel te

danken had, en daar zijn zaken hem naar Europa terugriepen, zou hij

zich in de hoogste mate gelukkig achten zijne reis in zulk aangenaam

gezelschap te vervolgen.

Fogg antwoordde, dat de eer geheel aan hem zou zijn en Fix—die er prijs

op stelde hem niet uit het oog te verliezen—vroeg of hij met hem de

merkwaardige stad San-Francisco mocht bezoeken. Dit werd hem

toegestaan.

Dit had ten gevolge dat Aouda, Fix en Fogg door de straten slenterden.

Zij bevonden zich weldra in Montgommery-street, waar ontzaglijk veel

menschen waren. Op de trottoirs, op den rijweg, tusschen de rails der

tramways, niettegenstaande het onophoudelijk gerij der wagens en

omnibussen, op de drempels der winkels, uit de vensters van alle

huizen, ja zelfs op de daken was eene ontelbare menigte te zien. Mannen

met biljetten liepen tusschen deze groepen door. Vlaggen en wimpels

wapperden in den wind. Men hoorde van alle kanten een vreeselijk

geschreeuw.

„Hoezee voor Kamerfield!”

„Hoezee voor Mandiboy!”

Het was eene meeting. Zoo dacht Fix ten minste, en hij deelde zijne

gedachte aan Fogg mede, er bijvoegende:

„Zouden wij niet beter doen ons niet tusschen dit gedrang te begeven,

mijnheer? wij zullen er slechts gevaar loopen vuistslagen op te doen.”

„Inderdaad,” zeide Fogg, „en de vuistslagen, al zijn het ook politieke,

zijn en blijven toch vuistslagen.”

Fix meende om deze opmerking te moeten lachen, en ten einde te zien,

zonder tusschen het gedrang te geraken, namen Aouda Fogg en hij plaats

op de bovenste trede van een trap, die naar het terras leidde, dat

naast de Montgommery-street lag. Voor hen, aan de andere zijde der

straat, tusschen een kolenmagazijn en een petroleumpakhuis, zag men een

groot bureel, in de open lucht opgeslagen, waarheen de verschillende

menschenstroomen zich richtten.

Waartoe strekte deze meeting? Voor welke gelegenheid werd zij gehouden?

Phileas Fogg wist het volstrekt niet. Gold het de verkiezing van een

burgerlijk of een militair ambtenaar, van een gouverneur of van een lid

van het Congres? Deze gissing was veroorloofd met het oog op de

buitengewone geestdrift, die de geheele stad bezielde.

Op dit oogenblik had er eene vreeselijke opschudding plaats. Alle

handen werden omhoog gestoken. Eenigen, die goed gesloten waren,

schenen snel op en neer te gaan te midden van allerlei kreten—zonder

twijfel een krachtige manier om zijne stem uit te brengen. Nu en dan

werd de menigte opgestuwd. De banieren slingerden, verdwenen nu eens en

kwamen dan weder in flarden gescheurd te voorschijn. De golvingen der

menigte strekten zich uit tot aan de trap, terwijl alle hoofden zich op

de oppervlakte bewogen als een zee, welke plotseling door een stormwind

onstuimig was geworden. Het getal der zwarte hoeden verminderde

zichtbaar en de meesten schenen hunne gewone hoogte verloren te hebben.

„Het is blijkbaar eene meeting,” zeide Fix, „en het punt in quaestie

moet van overwegend gewicht zijn. Het zou mij niet verwonderen als er

sprake was van de Alabama-quaestie, niettegenstaande deze reeds lang is

beslist.”

„Misschien,” antwoordde Fogg kalm.

„In elk geval,” hernam Fix, „twee kampioenen staan tegenover elkander:

Kamerfield en Mandiboy.”

Aouda, die Fogg een arm had gegeven, keek met verbazing naar dit

woelige tooneel, en Fix wilde juist aan zijn buurman de oorzaak van

deze opgewondenheid vragen, toen eene krachtige beweging zich

openbaarde. Het hoezee roepen ging van vuistslagen vergezeld en werd al

sterker en sterker. De stokken der vlaggen werden als waaiers gebruikt.

Nergens zag men handen meer, maar overal vuisten. Van boven de

rijtuigen, die stil stonden, en de omnibussen, welke in hun loop

gestuit werden, deelde men elkander duchtige slagen toe. Alles diende

tot werptuig. Schoenen en laarzen beschreven lange banen, en het scheen

zelfs, dat te midden van de scheldwoorden der menigte, eenige revolvers

hunne vader-landlievende tonen deden hooren.

De woelige menigte naderde al meer en meer de trap en besteeg de

onderste treden. Een der partijen werd blijkbaar terug gedrongen,

zonder dat de eenvoudige toeschouwers bemerken konden of Mandiboy dan

wel Kamerfield de overhand behaald had.

„Ik geloof dat het veiliger zou zijn, als wij hier vandaan gingen,”

zeide Fix, die niet gaarne gezien had dat Fogg misschien in een

moeielijke zaak werd gewikkeld.—„Zoo er in dit alles quaestie is van

Engeland, en men ons soms herkent, dan zouden wij tusschen die menigte

niet licht een uitweg kunnen vinden.”

„Een engelsch burger....” antwoordde Fogg.

Maar de gentleman kon zijn volzin niet voleinden. Van het terras dat

achter hem was hoorde hij roepen: „Hoezee! hoezee! hoezee! hip hip!

hoezee! voor Mandiboy!” Het waren eenige kiezers, die nog ter hulp

snelden, en de voorstanders van Kamerfield in de flank aantastten.

Fogg, Aouda en Fix bevonden zich tusschen twee vuren. Het was te laat

om te ontsnappen. Die vloed van menschen, gewapend met stokken met

looden knoppen, was niet te weerstaan. Fogg en Fix, die Aouda trachtten

te beveiligen, werden geducht gestompt. Fogg, die als altijd zeer kalm

bleef, wilde zich verdedigen met de wapens, waarmede de natuur hem

begiftigd had en die, zooals bij elken Engelschman, aan het uiteinde

der armen bevestigd zijn. Maar het was te vergeefs. Een ontzaglijk

groote kerel met rooden baard, bruine gelaatskleur, breed geschouderd,

en die de hoofdman der troep scheen, richtte zijne vuisten naar Fogg,

en zonder twijfel zou hij den gentleman op verschrikkelijke wijze

hebben toegetakeld, zoo Fix niet uit zelfopoffering den vuistslag had

opgevangen. Een groote buil kwam oogenblikkelijk te voorschijn onder

den zijden hoed van den detective welke in een pet veranderd was.

„Yankee!” zeide Fogg, een verachtelijken blik op zijn tegenpartij

werpende.

„Engelschman!” antwoordde de ander.

„Wij zullen elkaar weervinden!”

„Wanneer het u goeddunkt. Uw naam?”

„Phileas Fogg; en de uwe?”

„Kolonel Stamp Proctor.”

Daarop trok de menigte voorbij. Fix, die nog op den grond lag, richtte

zich op, met gescheurde kleederen, maar zonder een ernstige wond

bekomen te hebben. Zijn reisjas was in twee ongelijke stukken verdeeld

en zijn pantalon geleek op die onderbroeken, welke sommige Indiërs—ter

wille van de mode,—niet aantrekken, vóór zij er eerst een gedeelte van

weg gesneden hebben. Maar het voornaamste was dat Aouda gespaard was

gebleven en Fix slechts één vuistslag had opgedaan.

„Ik ben u recht dankbaar,” zeide Fogg tot den inspecteur, toen zij uit

het gedrang waren.

„Het is de moeite niet waard om er over te spreken,” antwoordde Fix,

„maar ga nu mede.”

„Waarheen?”

„Naar een kleedermaker.”

En waarlijk dit bezoek was niet overbodig. De kleederen van Fogg en Fix

waren geheel in flarden gescheurd, alsof deze twee gentlemen elkander

voor Kamerfield en Mandiboy eens afgeranseld hadden. Een uur later,

toen zij weer goed gekleed en gekapt waren, keerden zij naar het

International Hotel terug. Daar wachtte Passepartout reeds zijn meester

met een half dozijn dolken en revolvers met zes loopen. Toen hij Fix in

gezelschap van Fogg bemerkte, fronste hij zijne wenkbrauwen. Maar Aouda

vertelde in weinige woorden het voorgevallene en Passepartout werd nu

weder kalm. Fix was blijkbaar geen vijand meer, maar een bondgenoot.

Hij hield zijn woord.

Toen het diner geëindigd was, kwam er een rijtuig voor, dat de

reizigers en hunne koffers naar den trein zou brengen. Toen Fogg in het

rijtuig zou stappen, vroeg hij aan Fix:

„Hebt gij kolonel Proctor niet meer gezien?”

„Neen,” antwoordde Fix.

„Ik zal naar Amerika terugkeeren, om hem daar dan te ontmoeten,” hernam

Fogg kalm. „Het is niet goed, dat een engelsch burger zich op zulk een

wijze laat bejegenen.”

De inspecteur glimlachte, maar zeide niets. Men ziet dat Fogg tot dat

slag van Engelschen behoort, die, zoo een duel bij hen al niet

inheemsch is, in den vreemde toch vechten, wanneer hunne eer er mede

gemoeid is.

Om kwart voor zessen bereikten de reizigers het station en vonden een

trein gereed om te vertrekken.

Op het oogenblik dat Fogg in zou stijgen, wendde hij zich tot een

conducteur, en naar hem toe gaande, zeide hij:

„Vriend, is er van daag niet een oproer te San-Francisco geweest?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde de conducteur. „Er had een meeting plaats

voor de verkiezing.”

„De verkiezing van den opperbevelhebber van het leger ongetwijfeld?”

vroeg Fogg.

„Neen mijnheer,—van een vrederechter.”

Na dit antwoord stapte Fogg in den waggon en vertrok de trein.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 26 / 39 题