Waarin de neus van Passepartout aanmerkelijk grooter wordt.
Den anderen morgen was Passepartout afgemat en uitgehongerd, zoodat hij
bij zich zelven dacht, dat hij hoe eerder hoe beter moest eten, het
mocht kosten wat het wilde. Hij kon altijd zijn toevlucht nog tot zijn
horloge nemen, maar hij hongerde liever dood dan dat hij dit zou
verkoopen. Het kwam er nu meer dan ooit op aan om van de krachtige,
maar niet liefelijke stem gebruik te maken, waarmede de natuur hem
begiftigd had. Gelukkig herinnerde hij zich nog eenige fransche en
engelsche liedjes en besloot hiermede de proef eens te nemen.
De Japanners, dacht hij, houden zeker veel van muziek, daar zij alles
doen op het gebied van cymbalen, tam-tams, trommen, en een europeesche
virtuoos zal hun dus zeer welkom zijn.
Maar misschien was het voor een concert nog te vroeg in den morgen en
zouden de liefhebbers, onverwachts in hun slaap gestoord, ongetwijfeld
aan den zanger niets geven, waarop het beeld van den Mikado was
afgedrukt. Passepartout besloot dus nog eenige uren te wachten, maar al
voortwandelende bedacht hij zich, dat hij toch voor een zwervenden
zanger te goed gekleed was, en op eenmaal kwam het plan in hem op om
zijne kleeding te verwisselen tegen een gewaad, dat beter met zijn
toestand overeenkwam. Deze verandering moest hem natuurlijk nog eenig
voordeel opleveren, waarmede hij dan terstond zijn honger kon stillen.
Toen hij dit besluit genomen had, behoefde hij het nog slechts ten
uitvoer te brengen. Eerst na lang zoeken ontdekte Passepartout een
inlandschen uitdrager, tot wien hij zijn verzoek richtte. Zijn
europeesche jas beviel den uitdrager wel en spoedig was hij vermomd in
een ouden japanschen rok en gedekt met een soort van verschoten
tulband. Maar hij kreeg ook nog eenige geldstukken, welke in zijne
zakken rammelden.
„Zie zoo,” dacht hij, „ik zal mij maar verbeelden dat het vastenavond
is.”
Het eerste wat de „verjapanschte” Passepartout nu ging doen, was een
onaanzienlijk theehuis binnen treden. Hij ontbeet daar met het
overschotje van een vogel, maar at rijst zooveel hij verlangde, als een
man voor wien het middagmaal nog een onuitgemaakte zaak was.
„Thans,” dacht hij, toen hij zijn honger een weinig gestild had, „is
het maar zaak om mijn hoofd bij elkaar te houden. Ik heb nu geen
gelegenheid meer om deze monnikspij tegen een nog meer japansch kleed
te verwisselen en ik moet dus zorgen hoe eer hoe beter uit dit land der
zon te komen, waarvan ik slechts een onaangename herinnering medeneem.”
Passepartout ging nu de mailbooten naar Amerika eens na. Hij besloot
zich daar als kok of als knecht aan te bieden, niets tot loon vragende
als overtocht en kost. Zoo hij maar eens te San Francisco was, dan zou
hij ook wel verder komen. Het belangrijkste was voor het oogenblik maar
om de vierduizend zevenhonderd mijlen van de Stille Zuidzee over te
steken, welke Japan van de Nieuwe Wereld scheiden.
Passepartout was er de man niet naar om er gras over te laten groeien.
Hij begaf zich dus terstond naar de haven van Yokohama. Maar hoe meer
hij de dokken naderde, des te onuitvoerbaarder scheen hem zijn eenmaal
opgevat voornemen. Waarom zou men aan boord van eene amerikaansche
mailboot een kok of knecht noodig hebben, en hoe zou hij in zulk eene
kleeding vertrouwen kunnen inboezemen? Op wien zou hij zich beroepen?
Toen hij zoo liep te peinzen, viel zijn oog op een groot aanplakbiljet,
waarmede een soort clown door de straten liep. Dit biljet bevatte in
het engelsch als volgt:
Het Japanneesche Acrobatische Gezelschap
van
William Batulcar.
Laatste voorstellingen,
vóór hun vertrek naar de Vereenigde Staten,
van
Long-noses-long-noses.
Onder rechtstreeksche hoede van den god Tingoe.
Zeer vermakelijk.
„De Vereenigde Staten van Amerika! Ziedaar juist wat ik hebben moet.”
Hij volgde den man met zijn biljet en kwam weldra weder in de japansche
stad.
Een kwartier later hield hij stil voor eene groote loods, versierd met
vele aanplakbiljetten, waarvan de randen wel perspectief, maar met
schitterende kleuren een aantal kunstenmakers voorstelden.
Dit was het spel van Batulcar, een soort van amerikaanschen Barnum,
directeur van een gezelschap kunstenmakers, goochelaars, clowns,
acrobaten, koorddansers, athleten, welke, volgens het affiche, hunne
laatste voorstellingen in het rijk der zon gaven, voor zij naar de
Vereenigde Staten vertrokken.
Passepartout trad onder eene gaanderij vóór de hut en vroeg om den heer
Batulcar te spreken. Batalcur verscheen in eigen persoon.
„Wat gij?” vroeg hij aan Passepartout, dien hij eerst voor een
inboorling aanzag.
„Hebt gij ook een bediende noodig?” vroeg Passepartout.
„Een bediende,” riep de Barnum, zijn dichten grijzen baard strijkende,
„ik heb er twee, die mij trouw en eerlijk dienen en die geen loon
krijgen, op voorwaarde dat ik hun den kost geef. Zie, hier zijn ze,”
voegde hij er bij, op zijn twee krachtige armen wijzende, met aderen
zoo dik als de snaren van een contra-bas.
„Dus kan ik u niet van dienst zijn?”
„In niets.”
„Sakkerloot, ik zou toch gaarne met u vertrekken.”
„O, zoo,” zeide Batulcar, „gij zijt een Japanner zooals ik een aap ben!
Waarom hebt ge u dan zoo gekleed?”
„Men kleedt zich zooals men kan.”
„Dat is waar. Gij zijt een Franschman?”
„Ja, een Parijzenaar uit Parijs.”
„Wel, dan kunt ge ook zeker wel grappen maken?”
„Och”, antwoordde Passepartout, wien het een weinig hinderde dat zijne
nationaliteit zoo beschimpt werd, „och, wij Franschen kunnen wel
grappen maken, maar toch niet beter dan de Amerikanen.”
„Juist. Zoo ik u niet als knecht kan nemen, kan ik je toch wel voor
clown gebruiken. Gij begrijpt, vriendlief, in Frankrijk vertoont men
vreemde paljassen en in vreemde landen heeft men gaarne fransche
paljassen.”
„Dat is zoo.”
„Zijt gij bovendien nog al sterk?”
„Ja, vooral als ik gegeten heb.”
„En kunt ge zingen?”
„Zeker,” antwoordde Passepartout, die vroeger wel eens met
straatmuzikanten had medegezongen.
„Maar kunt gij zingen met het hoofd naar beneden, met een draaiende tol
op uw linker voetzool en een sabel in evenwicht op uw rechter?”
„Gemakkelijk!” riep Passepartout, die zich de eerste oefeningen uit
zijn jeugd nog herinnerde.
„Daar komt alles op aan,” antwoordde Batulcar en de overeenkomst werd
op staanden voet gesloten.
Eindelijk had Passepartout dan toch eene betrekking gevonden. Hij was
gehuurd om alles te doen in dit beroemde japansche gezelschap. Het was
weinig vereerend, maar binnen acht dagen zou hij op weg naar
San-Francisco zijn.
De voorstelling, welke Batulcar met groot marktgeschreeuw had
aangekondigd, zou ten drie ure beginnen en spoedig hoorde men de
geduchte instrumenten van het japansch orkest; de trommen en tam-tams
maakten een oorverdoovend geraas voor de deur. Men kan licht denken,
dat Passepartout zijne rol nog niet bestudeerd had, maar hij behoefde
vooreerst slechts zijne krachtige schouders tot steun te geven om de
menschelijke pyramide te helpen vormen, uitgevoerd door de Long-noses
onder den god Tingoe. Deze prachtige toer zou alle andere kunsten
overtreffen.
Vóór drie uur was de geheele tent reeds bezet. Europeanen en
inboorlingen, Chineezen en Japanners, mannen, vrouwen en kinderen,
haastten zich om maar plaats te bekomen op de kleine bankjes of in de
loges, welke recht tegenover het tooneel waren aangebracht. De
muzikanten waren naar binnen gekomen en het orkest, ten volle compleet,
begon met zijne vreeselijke instrumenten, zooals gongs, tam-tams,
kleppers, fluiten, tamboerijnen en groote trommen te werken. Deze
voorstelling was als alle acrobatische vertooningen. Maar men moet toch
bekennen, dat de Japanners de eerste equilibristen der wereld zijn.
Een, voorzien van zijn waaier en kleine stukjes papier, voerde zeer
bevallig zijn toer met de kapellen en bloemen uit. Een ander wierp vlug
met den geurigen rook van zijn pijp een aantal blauwachtige woorden in
de lucht, welke dan een compliment aan de toeschouwers vormden. Gene
goochelde met aangestoken kaarsen, die hij achtervolgens uitblies,
wanneer zij voorbij zijne lippen kwamen en die hij, de eene na de
andere, weder aanstak, zonder een oogenblik op te houden met
jongleeren. Deze weer maakte met draaiende tollen de onmogelijkste
bewegingen. Onder zijn hand schenen die brommende toestellen in hun
eindelooze omwentelingen bezield te worden met een eigen leven, zij
stonden op pijpen, op het scherp van een sabel, op ijzerdraad, op
wezenlijke haartjes, welke van de eene zijde van het tooneel naar de
andere gespannen waren; zij liepen om een groote kristallen vaas; zij
bestegen een ladder van bamboes, verspreidden zich in alle hoeken en
maakten eene welluidende muziek, van zeer vreemdsoortigen aard, door
hare verschillende tonen te vermengen. De jongleurs jongleerden er
mede, en zij draaiden zelfs in de lucht; zij wierpen ze als volants met
houten raketten en toch draaiden zij maar door; zij staken ze in hunne
zakken, en als zij ze er uit haalden, draaiden zij nog, tot op het
oogenblik dat een veer lossprong en haar in vuurwerk deed verdwijnen.
Het is onnoodig de kunsten der acrobaten en athleten hier te
beschrijven. De toeren met de ladder, den stok, de bal, de tonnen,
werden allen met een groote juistheid uitgevoerd. Maar het mooiste van
de voorstelling was de vertooning der Long-noses, verbazend geoefende
balanceurs, welke in Europa nog niet bekend waren.
De Long-noses vormden een gezelschap dat onder de rechtstreeksche
bescherming stond van den god Tingoe. Zij waren gekleed als helden uit
de middeneeuwen, en aan hunne schouders waren prachtige vleugels
bevestigd. Maar wat nog het meest de aandacht trok, was de lange neus,
waarmede hun aangezicht versierd was en waarmede zij grootendeels hunne
toeren verrichten. Deze neuzen bestonden uit niet meer of minder dan
bamboes, welker lengte tusschen de vijf, zes a tien voeten bedroeg. Van
den een was hij recht, van den ander gebogen, van genen weer glad, van
een vierde hobbelig. Op dit uitstekende lichaamsdeel nu, dat zeer
stevig bevestigd was, werden alle toeren van evenwicht verricht. Een
dozijn van deze volgelingen van Tingoe legden zich op hun rug, en hunne
makkers kwamen zich vermaken op hunne neuzen, die zoo recht als een
kaars stonden, en voerden, al springende en voltigeerende van den een
op den ander, de onmogelijkste toeren uit.
Ten slotte zou men de menschelijke pyramide nog geven, waarbij een
vijftigtal Long-Noses de kar van Jagernaut zouden voorstellen. Maar in
plaats dat zij voor deze pyramide hunne schouders tot steun gaven,
moesten de artisten van Batulcar hunne neuzen er voor afstaan. Een van
hen nu, welke juist het onderste gedeelte van den wagen moest uitmaken,
had het gezelschap verlaten, en daar men nog behoefte had aan een
krachtig, behendig man, was Passepartout voor hem in plaats genomen.
De arme knecht gevoelde zich zeker zeer ongelukkig, toen hij—droevige
herinnering aan het verleden!—zijn prachtig midden-eeuwsch gewaad
aantrok, versierd met veelkleurige vlerken en toen er een neus van zes
voet op zijn aangezicht werd vastgezet. Maar deze neus was zijne
broodwinning en hij onderwierp zich dus aan zijn lot. Passepartout trad
op en nam plaats tusschen zijn collega’s om de onderste laag van
Jagernaut’s wagen te helpen vormen. Allen wierpen zich op den grond met
den neus naar omhoog. Een tweede rij balanceurs plaatste zich daarboven
op, dan volgde eene derde en eindelijk eene vierde, en op deze neuzen,
die elkaar slechts aan de punt raakten, vormde zich de menschelijke
pyramide, die tot aan de balken reikte.
Het applaudisseeren werd al sterker en sterker en de muziek maakte een
oorverdoovend geraas toen de pyramide eensklaps wankelde en allen het
evenwicht verloren; een der onderste steunpunten der laag verdween
onderuit en de geheele pyramide stortte als een kaartenhuis naar
beneden.
Het was Passepartout, die zijn post verlaten had; hij klom zonder
behulp van zijn vleugels, over de omheining, kwam in de rechter galerij
en wierp zich voor de voeten van een der toeschouwers, met den uitroep:
„O, mijn meester! mijn meester!”
„Gij hier?”
„Ja, ik.”
„Welnu, laten wij dan spoedig naar de mailboot gaan.”
Fogg, Aouda, welke hem vergezelde, en Passepartout haastten zich door
de smalle gangen en kwamen buiten de tent. Maar daar ontmoetten zij
Batulcar, die woedend was en schadevergoeding eischte. Phileas Fogg
stilde zijn toorn, door hem eenige banknoten toe te werpen. En ten half
zeven scheepten zich Aouda en Fogg op de amerikaansche mailboot,
gevolgd door Passepartout, die nog gevleugeld was en zijn neus van zes
voet droeg, daar hij hem nog niet had kunnen afleggen.