Waarin Passepartout bemerkt dat zelfs bij de tegenvoeters het
goed is eenig geld bij zich te hebben.
De Carnatic, welke Hong-Kong den 7den November, ’s avonds ten half
zeven ure, verlaten had, stoomde met alle kracht naar Japan. Zij bracht
een groote lading en veel passagiers over. Maar twee hutten aan den
achtersteven bleven onbezet. Het waren die, welke voor Phileas Fogg
opengehouden waren.
Den anderen morgen ontmoetten de reizigers niet zonder eenige verbazing
op den voorsteven een man, met half geopende oogen, waggelenden gang en
met verwarde haren, die uit zijn hut tweede klasse te voorschijn kwam
en al slingerend op een der verschansingen plaats nam. Deze passagier
was Passepartout in eigen persoon. Ziehier wat er was gebeurd:
Eenige oogenblikken nadat Fix vertrokken was, hadden twee knechts
Passepartout, welke in een diepen slaap was gedompeld, opgenomen en hem
op de bank der rookers gelegd. Maar drie uur later werd hij, die zelfs
tot in zijn droomen door een idée fixe vervolgd werd, wakker, en streed
hij tegen de bedwelmende werking van het verdoovende slaapmiddel. De
gedachte van zijn plicht niet gedaan te hebben schudde hem uit zijn
gevoelloosheid.
Hij stond van de bank op en verliet al struikelend en stootend,
vallende en weer opstaande, maar altijd en onwederstaanbaar voortgeduwd
door een soort van instinct, de herberg, en riep als in een droom: de
Carnatic! de Carnatic!
De mailboot lag onder stoom en gereed om te vertrekken. Passepartout
behoefde slechts eenige stappen te doen. Hij spoedde zich over de losse
brug, sprong op het dek en viel roerloos op den voorsteven, juist toen
de Carnatic op het punt was te vertrekken.
Eenige matrozen, die gewend waren aan zulk soort van voorvallen,
hielpen den knecht in een hut der tweede klasse en Passepartout werd
niet vóór den anderen morgen wakker op honderd vijftig mijlen afstands
van de chineesche kust.
Ziedaar dus hoe het kwam dat Passepartout zich dien morgen op de
Carnatic bevond en met volle teugen den frisschen zeewind kwam
inademen. Deze koele wind ontnuchterde hem weder. Hij verzamelde zijne
gedachten, doch niet dan met zeer veel moeite. Maar eindelijk toch viel
hem het gansche tooneel van den vorigen avond weder in, en tevens de
mededeelingen van Fix in de herberg.
„Het waarschijnlijkst is,” dacht hij, „dat ik verschrikkelijk dronken
ben gemaakt. Wat zal mijnheer Fogg er wel van zeggen! Maar in elk
geval, ik ben de boot niet misgeloopen, en dat is toch het
voornaamste!”
Daarom dacht hij aan Fix:
„Ik hoop maar dat wij van dezen bevrijd zullen zijn, en dat hij, na
hetgeen hij mij heeft voorgesteld, niet op de Carnatic zal durven
komen. Een inspecteur van politie, een detective, die mijn meester
altijd op de hielen zit en hem van den diefstal aan de Bank
beschuldigt. Kom, kom. Mijnheer Fogg is een dief, zooals ik een
moordenaar ben!”
Moest Passepartout het voorgevallene aan zijn meester vertellen? Zou
het goed zijn dezen bekend te maken met de rol, welke Fix in deze zaak
speelde? Was het niet beter te wachten tot zij in Londen waren, om hem
dan mede te deelen dat een agent van politie uit de hoofdstad hem de
geheele wereld gevolgd had, en daarover dan met hem eens hartelijk te
lachen? Ja ongetwijfeld. In elk geval was dit eene zaak, die hij met
zich zelven kon overleggen; voor het oogenblik moest hij zich haasten
om naar Fogg te gaan en zich over zijn onbehoorlijk gedrag te
verontschuldigen.
Passepartout stond dus op. De zee was onstuimig en de mailboot
slingerde geweldig. Maar de trouwe knecht, hoe goed en hoe kwaad het
ook op zijn nog onvaste beenen ging, kwam toch op het achterdek. Daar
zag hij niemand, die op Fogg of op Aouda geleek.
„Och,” dacht hij, „mevrouw Aouda is nog niet op en mijn meester zal den
een of anderen whistspeler gevonden hebben, en volgens zijne
gewoonte....”
Zoo peinzende, daalde Passepartout in de kajuit af. Fogg was er niet:
Passepartout schoot dus nog maar één ding over en wel om aan den
hofmeester te vragen, welke hut mijnheer Fogg betrokken had. De
hofmeester antwoordde hem, „dat hij geen passagier van dezen naam
kende.”
„Wel zeker,” zeide Passepartout. „Een groot, kalm en weinig spraakzaam
gentleman, vergezeld van eene jonge dame.”
„Er is geen enkele jonge vrouw aan boord,” antwoordde de hofmeester.
„Maar, om u te overtuigen, hebt ge hier de lijst der passagiers. Gij
kunt die raadplegen.”
Passepartout las de lijst door.... De naam van zijn meester was er niet
op te vinden.
Eensklaps ging hem een licht op.
„Zeg eens,” vroeg hij, „ben ik wel op de Carnatic?”
„Ja,” antwoordde de hofmeester.
„Die naar Yokohama gaat!”
„Juist.”
Een oogenblik had Passepartout gevreesd op het verkeerde schip te zijn.
Maar, zoo hij op de Carnatic was, dan was het zeker dat zijn meester er
niet op was.
Hij zonk op een stoel neder. Hij was als door den bliksem getroffen.
Plotseling werd het hem helder voor den geest. Hij herinnerde zich dat
het uur van vertrek der Carnatic vervroegd was, dat hij zijn meester
had moeten waarschuwen, en dat hij dit niet had gedaan: het was dus
zijne schuld, zoo Fogg en Aouda niet bij tijds aan de mailboot waren
gekomen.
Zijne schuld, ja, maar meer nog die van den verrader, welke, om hem van
zijn meester te scheiden en dezen te Hong-Kong te kunnen houden, hem
had dronken gemaakt. Nu begreep hij het gedrag van den inspecteur. Fogg
was thans geruïneerd, had zijne weddenschap verloren en zat op dit
oogenblik misschien in de gevangenis!... Bij deze gedachte, trok
Passepartout zich de haren uit het hoofd. Zoo Fix hem ooit onder de
oogen kwam, wat zou hij afrekening met hem houden!
Eindelijk herstelde Passepartout zich weder en ging zijn toestand eens
na. Die was verre van benijdenswaardig. Hij bevond zich op weg naar
Japan. Hij was wel zeker daar aan te komen, maar hoe weer te
vertrekken? Hij had geen cent op zak.
Gelukkig waren zijn overtocht en vertering aan boord vooruit betaald.
Hij had dus nog vijf of zes dagen tijd om te denken wat hij doen moest.
Wat hij at en dronk gedurende dezen tocht, laat zich niet beschrijven.
Hij at voor zijn meester, voor Aouda en voor zich zelven. Hij at alsof
Japan, waar hij nu heen ging, een verlaten land was, verstoken van alle
levensmiddelen. Den 13en, met den vloed, liep de Carnatic de haven van
Yokohama binnen.
Dit punt is eene zeer belangrijke aanlegplaats in de Stille Zuidzee,
welke alle schepen aandoen, die in dienst zijn van het brieven- en
reizigers-vervoer tusschen Noord-Amerika, China, Japan en Nederlandsch
Indië. Yokohama ligt aan dezelfde golf als Yeddo, niet ver verwijderd
van deze stad, welke de tweede hoofdstad is van het japansche rijk, de
residentie van den Taïkoen, den burgerlijken keizer, de mededingster
van Miako, de groote stad, welke de verblijfplaats is van den Mikado,
den geestelijken keizer, den afstammeling der goden.
De Carnatic wierp haar anker voor de kade van Yokohama, in de nabijheid
van den havendam en de entrepôts, te midden van een aantal schepen van
alle natiën.
Passepartout begaf zich zonder eenige geestdrift aan wal, en betrad het
zoo zonderlinge land der zonen van de zon. Hij had niets beters te doen
dan het toeval tot zijn gids te nemen, en met dezen de straten der stad
te doorkruisen.
Fogg’s bediende bevond zich eerst in een geheel europeesche stad, te
midden van huizen met lage gevels en veranda’s, waaronder zich
bevallige voorhuizen vertoonden en die met hare straten, pleinen,
dokken en entrepôts de ruimte besloeg tusschen het voorgebergte en de
rivier. Daar, zoowel als te Hong-Kong en te Calcutta, wemelden alle
natiën door elkander, Amerikanen, Engelschen, Chineezen, Hollanders,
meest allen kooplieden, die alles wilden verkoopen en alles wilden
koopen, en te midden van die menigte gevoelde zich de Franschman zoo
vreemd als of hij zich in het land der Hottentotten bevond.
Passepartout had nog wel een redmiddel, namelijk zich te wenden tot de
fransche of engelsche consulaire agenten te Yokohama, maar hij zag er
tegen op zijne geschiedenis te verhalen, die zoo nauw verwant was aan
die van zijn meester, en vóór hij daartoe overging, wilde hij alle
andere redmiddelen beproefd hebben. Daarom, na het europeesche gedeelte
van de stad doorkruist te hebben, waagde hij zich in het japansche
gedeelte, voor zich zelven vast besloten, om, indien het noodig was,
naar Yeddo door te wandelen.
Deze wijk, door de inboorlingen van Yokohama bewoond, heet Benten, naar
den naam eener godin der zee, welke op de omliggende eilanden wordt
aangebeden. Daar zijn prachtige lanen van denne- en cederboomen,
heilige poorten van zonderlingen bouwstijl, bruggen verborgen onder
bamboes en riet, tempels beveiligd door sombere honderdjarige ceders,
waar voorheen priesters van Boeddha woonden en belijders van den
godsdienst van Confucius, eindelooze straten waar men een ontelbare
hoeveelheid aantreft van kinderen met roode wangen, wezentjes, die men
meenen zou, dat uit een japansch kamerschut waren gesneden en die
speelden te midden van honden met korte pooten en gele katten zonder
staart, welke zich traag tusschen de spelers bewogen en zich gaarne
lieten liefkoozen.
In de straten heerschte eene woelige drukte, een bestendig verkeer;
bonzen die in optocht voortschreden, op hunne eentonige tamboerijnen
slaande. Yakounines, ambtenaren der douane of politie, met puntige
verlakte hoeden, die in hun gordel twee sabels droegen, soldaten van
den Taikoen, gekleed in blauw katoen met witte strepen en gewapend met
percussie-geweren, wapenknechten van den Mikado, die in hun zijden buis
als in een zak gesloten waren, met ringkragen en maliënkolders, en een
aantal andere militairen van elken rang; want in Japan is de
soldatenstand even geacht als hij veracht is in China. Voorts
bedelmonniken, pelgrims in lange gewaden, eenvoudige burgers met
gevlochten pikzwart haar, groot hoofd, lange borst, magere beenen en
klein van gestalte, wier kleur afwisselt tusschen koperrood en mat wit,
maar die nooit de kleur hebben der Chineezen, waarvan de Japanners
geheel en al verschillen. Eindelijk, tusschen de rijtuigen, de
palankijns, de paarden, de dragers, de kruiwagens met zeilen, de
norimons met verlakte wanden, de mollige cangos, de draagstoelen van
bamboe, zag men enkele vrouwen zich bewegen, met hare kleine schoentjes
van lijnwaad, sandalen van stroo of klompjes van gesneden hout. Zij
waren niet schoon, hare oogen smal, haar borst gedrukt, hare tanden
volgens gebruik zwart gemaakt, maar zij droegen zeer bevallig het
nationaal gewaad, de kirimon, eene soort van kamerjapon, waarover zich
een zijden sjerp kruist, waarvan de breede gordel van achteren eindigt
in een reusachtigen strik, dien de moderne europeesche dames schijnen
ontleend te hebben aan hare japansche zusters.
Passepartout wandelde eenige uren door deze bonte menigte, nu en dan
blijvende staan voor de merkwaardige en rijke winkels, waarin het
japansche goud, in allerlei vormen verwerkt, ten toon lag gespreid;
voor de restauratie met vlaggen en banieren, waarvan voor hem echter de
toegang versperd was; voor de theehuizen waar volle koppen geschonken
worden van dien geurigen warmen drank, alsmede saki, een drank van
rijst gestookt en eindelijk voor net ingerichte tabagies, waar men eene
zeer fijne soort van tabak rookt, maar geen opium, waarvan het gebruik
in Japan schier onbekend is.
Voortgaande kwam Passepartout aan onmetelijke rijstvelden. Daar
bloeiden, met bloesems die hunne laatste kleuren en geuren
verspreidden, schitterende camelia’s, niet aan struiken, maar aan
boomen. Omheind door bamboes zag hij de kersen-, pruimen- en
appelboomen, die de Japanners meer voor hunne bloemen dan voor hunne
vruchten teelen, en die door vogelverschrikkers van allerlei vorm en
geraasmakende molentjes beschermd werden tegen musschen, duiven,
kraaien en andere roofdieren. Elke ceder strekte tot nest van groote
arenden, elke treurwilg verborg onder haar lommer een reiger, die
melancholisch op zijn eenen poot stond te mijmeren; overal zag hij
raven, eenden, sperwers, wilde ganzen en een groot aantal kraanvogels,
die door de Japanners met eerbied worden behandeld en voor hen het
zinnebeeld zijn van een lang en gelukkig leven.
Zoo ronddolende, ontdekte Passepartout eenige viooltjes tusschen het
groen.
„Daar zal ik mijn soupé mede moeten doen,” dacht hij, maar toen hij er
aan rook, bemerkte hij dat zij geen geur hadden.
„Het loopt mij niet mee,” prevelde Passepartout.
Gelukkig had hij uit voorzorg, alvorens hij de Carnatic verliet, zich
zoo te goed gedaan aan het ontbijt, dat hij een middagmaal had kunnen
missen; maar na een ganschen dag geslenterd te hebben, begon zijn maag
hem toch te kwellen. Wel was het hem niet ontgaan, dat hij voor de
winkels van de inlandsche vleeschhouwers schapen, geiten en varkens
zag, en daar hij wist dat het dooden van runderen als heiligschennis
beschouwd werd, omdat deze dieren uitsluitend voor den landbouw worden
gebezigd, had hij hieruit afgeleid, dat vleesch eene zeldzaamheid was
in Japan.
Hij vergiste zich hierin niet, maar bij gebrek aan rundvleesch, zou hij
zich zeer gaarne eens vergast hebben aan varkens- of hertenvleesch,
patrijzen of kwartels of visch, hetgeen met de opbrengst der
rijstvelden bijna uitsluitend het voedsel der Japanners uitmaakt. Maar
hij moest zich in zijn lot schikken en de zorg voor het onderhoud van
zijn lichaam tot den anderen dag uitstellen.
Het werd avond. Passepartout keerde naar de inlandsche stad terug en
dwaalde te midden van veelkleurige lantarens. Hij bleef staan bij de
straatkunstenaars, die ongeloofelijke toeren verrichtten en astrologen
in de open lucht, die het volk om hunne kijkers verzamelden. Daarop
keerde hij naar de kade terug en zag op de zee duizenden lichtjes van
visschers, welke door het toortslicht de visschen lokten.
Eindelijk werden de straten ledig en hij ontmoette slechts den
nachtwacht der Yakounines, die in hunne prachtige kleederen en te
midden van hun gevolg, het voorkomen hadden van ambassadeurs. Zoo
dikwijls Passepartout zulk een schitterenden stoet ontmoette, mompelde
hij lachend bij zich zelven:
„Al weder een japansch gezantschap, dat naar Europa vertrekt.”