EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de gezagvoerder der Tankadère groot gevaar loopt eene

premie van twee honderd pond te verliezen.

Het was een gewaagde tocht die reis van acht honderd mijlen met een

vaartuig van twintig ton, vooral in dezen tijd van het jaar. Gewoonlijk

is de chineesche zee onstuimig, daar zij blootgesteld is aan geweldige

stormvlagen, vooral in den tijd der dag- en nachtevening en men was nu

in de eerste dagen van November.

Voor den schipper zou het voordeeligste geweest zijn de passagiers naar

Yokohama te brengen, daar hij per dag werd betaald. Maar het zou eene

te groote roekeloosheid zijn geweest dien overtocht te wagen in de

gegeven omstandigheden; het was reeds eene stoutmoedige onderneming,

zoo al geene gewaagde, om naar Shangaï te gaan. Maar John Bunsby had

vertrouwen in de Tankadère, die als een meeuw over de wateren schoot,

en misschien vertrouwde hij niet ten onrechte.

Gedurende de eerste uren van den dag bewoog de Tankadère zich in de

wateren van Hong-Kong en hoe de wind ook blies, zij hield zich

uitnemend.

„Het zal wel niet noodig zijn, schipper, u den meest mogelijken spoed

aan te bevelen,” zeide Phileas Fogg, op het oogenblik dat de schoener

in volle zee kwam.

„Mijnheer kan volkomen op mij vertrouwen,” antwoordde John Bunsby. „Wat

de zeilen betreft, ik heb er zooveel op, als het schip maar dragen kan.

Vliegers boven de bezaan zouden niets geven en de vaart maar

belemmeren.”

„Dit is uw vak en niet het mijne, schipper; ik laat het op u aankomen.”

Phileas Fogg, recht overeind, met de beenen wijd van elkaar en zoo

stevig op zijne voeten als een matroos, zag naar de onstuimige zee. De

jonge vrouw, die op het achterdek gezeten was, voelde zich aangedaan

bij het beschouwen van dien oceaan, die reeds in de schemering was

gehuld en dien zij op dat tengere bootje moest trotseeren.

Boven haar zwollen de groote zeilen; de schoener, door den wind

gedragen, scheen door de lucht te vliegen.

De nacht viel. De maan was in haar eerste kwartier en haar zwak

schijnsel verdween weldra in de nevelen van den horizon. Wolken kwamen

uit het oosten opzetten en bedekten reeds een gedeelte van het

uitspansel.

De schipper zorgde dat zijn seinlantarens in orde waren, een

voorzichtigheidsmaatregel, die niet mag worden verzuimd in deze druk

bevaren zee, vooral in de nabijheid der kusten.

Het gebeurde niet zelden, dat schepen werden aangevaren en bij de

snelheid, waarmede zij zich bewoog, zou de schoener bij den eersten

schok zijn verbrijzeld.

Fix kwam op de voorplecht. Hij bleef op een afstand, daar hij wist, dat

Fogg niet van praten hield. Bovendien stuitte het hem tegen de borst om

te praten met dien man, wiens beleefdheden hij genoot. Hij dacht ook

aan de toekomst. Dit was zeker dat Fogg ook niet te Yokohama zou

blijven, dat hij terstond de boot naar San Francisco zou nemen, ten

einde Amerika te bereiken, welks onmetelijke uitgestrektheid hem

straffeloosheid en veiligheid waarborgde. Het plan van Phileas Fogg

kwam hem de eenvoudigheid zelve voor.

In plaats van zich uit Engeland naar Amerika in te schepen als een

gewone schurk, maakte Fogg een grooten omweg over drie kwart van de

wereld, ten einde met des te grooter zekerheid het vasteland van

Amerika te bereiken, waar hij op zijn gemak het millioen der bank zou

verteren, na de politie van het spoor te hebben geleid. Maar wat zou

hij, Fix, doen, wanneer hij eenmaal in de Vereenigde Staten was

gekomen? Zou hij dien man loslaten? Neen, honderdmaal neen! Hij zou

geen duimbreed van hem wijken, voordat hij de volmacht tot uitlevering

had ontvangen. In elk geval, was er één gelukkig resultaat verkregen.

Passepartout was niet meer bij zijn meester en na hetgeen de inspecteur

van politie dezen had medegedeeld, was het van belang dat meester en

knecht elkander niet weer zagen.

Ook Phileas Fogg dacht vaak aan zijn knecht, die op zoo zonderlinge

wijze verdwenen was. Alles wel overwogen, scheen het hem zoo onmogelijk

niet dat, tengevolge eener vergissing, de arme jongen zich op het

laatste oogenblik aan boord van de Carnatic had begeven. Dat was ook de

meening van mevrouw Aouda, die zeer het verlies van den eerlijken

bediende betreurde, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Het was

mogelijk, dat men hem te Yokohama terugvond, en als de Carnatic hem

daar had gebracht, zou het zoo moeielijk niet zijn hem op te sporen.

Tegen tien uur stak de bries op. Misschien zou het voorzichtiger zijn

geweest wat zeilen te reven, maar de schipper besloot, na nauwkeurig

den hemel te hebben bekeken, alles te laten gelijk het was. Bovendien,

de Tankadère droeg haar zeilen gemakkelijk en alles was zoo ingericht,

dat ingeval van nood onmiddellijk maatregelen genomen konden worden.

Tegen middernacht begaven Phileas Fogg en mevrouw Aouda zich naar de

kajuit. Fix was hen voorgegaan en had zich op een der banken

neergelegd. Wat de schipper en zijne matrozen betreft, deze bleven den

ganschen nacht aan dek.

Den anderen morgen, 8 November, had de schoener bij zonsopgang meer dan

honderd mijlen afgelegd. Herhaaldelijk werd de loglijn uitgeworpen, die

aanwees dat de gemiddelde snelheid tusschen de acht en negen mijlen

was. De Tankadère had groot zeil op, en alle zeilen stonden vol, en op

die wijze kon zij haar maximum van snelheid bereiken. Als de wind in

denzelfden hoek bleef, had zij alle kansen voor zich.

Dien dag verwijderde de Tankadère zich niet ver van de kust, waar de

stroom haar gunstig was. Bovendien, de wind kwam van de landzijde,

waardoor de stroom hier minder sterk was, een voordeel voor den

schoener, want lichte schepen lijden het meest door den zwaren

golfslag.

Tegen den middag ging de bries liggen en de wind liep naar het

zuidwesten om. De schipper deed de vliegers bijzetten, maar na verloop

van twee uren moest hij ze weer wegnemen, daar de wind weder opstak.

Fogg en de jonge dame, die gelukkig geen van beiden zeeziek waren, aten

met smaak de ingelegde spijzen en de scheepsbeschuit. Fix werd

uitgenoodigd om aan hun diner deel te nemen en hij moest het aannemen,

daar hij wist dat een mensch even goed als een schip lading moest

innemen; maar het hinderde hem. Te reizen op kosten van dien man, zich

te voeden met diens eigen levensmiddelen, vond hij deloyaal. Nochtans

at hij, niet veel, wel is waar; maar enfin hij at!

Toen echter het diner was afgeloopen, meende hij een woord met Fogg te

moeten spreken. Hij riep hem terzijde en begon:

„Mijnheer....”

Dat „mijnheer” wilde hem bijna niet over de lippen; hij moest zich

bedwingen om dien „mijnheer” niet bij zijn kraag te pakken.

„Mijnheer, gij zijt zoo beleefd geweest om mij den overtocht met uw

schip aan te bieden. Maar, ofschoon mijn vermogen niet veroorlooft zoo

veel uit te geven als gij, wil ik toch mijn deel....”

„Laten wij daarover zwijgen, mijnheer,” antwoordde Fogg.

„Toch niet; ik stel er prijs op....”

„Neen, mijnheer,” zeide Fogg op een toon, die geen tegenspraak duldde.

„Dat behoort onder de algemeene kosten.”

Fix ging heen; hij stikte bijna, en zich over de verschansing aan de

voorzijde van het schip buigende, sprak hij den ganschen dag geen woord

meer.

De vaart was snel en John Bunsby had alle hoop. Vaak zeide hij tot

Phileas Fogg, dat men op den bepaalden tijd te Shangaï wezen zou. Fogg

antwoordde slechts, dat hij er op rekende. Bovendien, de geheele

bemanning deed haar uiterste best. De uitgeloofde premie vervulde allen

met lust en ijver. Geen touwtje, of het was gespannen; geen zeil had

een plooitje, geen enkele noodelooze beweging van het roer. Men zou op

een wedstrijd der koninklijke jacht-club niet strenger te werk zijn

gegaan.

Des avonds, toen de schipper weder zijne waarnemingen deed, bleek het,

dat men tweehonderd twintig mijlen van Hong-Kong verwijderd was, en

Phileas Fogg mocht zich dus vleien dat hij, te Yokohama aankomende,

niet ten achteren zou zijn. De eerste ernstige hinderpaal dus, die hij

sedert zijn vertrek uit Londen ontmoette, zou hem waarschijnlijk geen

nadeel berokkenen.

In de eerste uren van den morgen kwam de Tankadère in de straat van

To-Kien, die het eiland Formosa van de chineesche kust scheidt en

passeerde zij den keerkring. De zee was onstuimig in die straat en

onophoudelijk had men met tegenstroom te worstelen. De schoener had het

hard te verantwoorden. De korte golfslagen braken zijn vaart en het was

moeielijk om aan dek te blijven.

Bij het aanbreken van den dag stak de wind weder op. Er was storm aan

de lucht; ook de barometer kondigde eene verandering van weer aan: hij

was zeer onregelmatig en de kwik trilde grillig. Men zag ook in het

verschiet lange golven, die een voorbode waren van den storm. Den

vorigen avond was de zon vuurrood ondergegaan, terwijl de zee

schitterde van electrisch licht.

De schipper staarde geruimen tijd naar de lucht met hare ongunstige

verschijnselen en mompelde onverstaanbare woorden. Eens, toen hij dicht

bij zijn passagiers stond, vroeg hij:

„Mag men alles aan u zeggen?”

„Alles,” antwoordde Phileas Fogg.

„Welnu; wij krijgen een hoos.”

„Uit het noorden of uit het zuiden?” vroeg Fogg alleen.

„Uit het zuiden. Zie maar, er steekt een orkaan op.”

„Laat de orkaan maar uit het zuiden komen; dat is van den goeden kant.”

„Als gij het zoo opvat, heb ik niets meer te zeggen,” hernam de

schipper.

Het voorgevoel van John Bunsby bedroog hem niet. Ware het niet zoo laat

in het jaar, dan zou de hoos, volgens de uitspraak van een beroemd

weerkundige, zijn voorbij gegaan als een schitterende waterval van

electrische vlammen, maar thans was het te vreezen, dat zij zich met

kracht zou doen gevoelen.

De schipper nam tijdig zijne voorzorgen. Hij liet alle zeilen reven en

het tuig op het dek brengen. De stengen der masten werden afgenomen;

alle luiken zorgvuldig gesloten. Geen droppel water kon in het

binnenste gedeelte van het schip dringen. Slechts één zeil, een

driehoekig doek van krachtige stof werd geheschen, zoodat de schoener

wind bleef vangen. Het overige moest men afwachten.

John Bunsby had zijne passagiers den raad gegeven om naar hunne kajuit

te gaan; maar die kleine ruimte, waar men bijna geheel van versche

lucht was verstoken en onophoudelijk heen en weder werd geslingerd,

bood geen aangenaam verblijf aan. Noch Fogg, noch Aouda, noch zelfs Fix

wilde het dek verlaten.

Tegen acht ure braken de stortbui en de heftige windvlagen los. Alleen

door een klein zeil werd de Tankadère opgelicht als een veder door den

wind, waarvan men zich geen denkbeeld kan maken. Haar snelheid was

slechts te vergelijken met het viervoud der snelheid van eene

locomotief in volle vaart. Zij was zelfs nog grooter dan deze.

Den ganschen dag werd het schip op die wijze in noordelijke richting

voortgedreven en voortgestuwd door de reusachtige golven, waarmede het

gelukkig gelijke snelheid hield. Wel twintig malen dreigde een dier

ontzaglijke waterbergen zich over het vaartuig uit te storten en het te

bedelven, maar door eene behendige wending van het roer, wist de

schipper het gevaar te voorkomen. De passagiers waren nu en dan geheel

bedekt onder de stortvloeden, die zij met wijsgeerige gelatenheid zich

lieten welgevallen. Fix bromde wel in zich zelven, maar de onversaagde

Aouda, die hare oogen onafgewend op haar reisgezel hield gevestigd,

wiens koelbloedigheid zij niet genoeg kon bewonderen, toonde zich

zijner waardig en trotseerde den storm aan zijne zijde. Wat Phileas

Fogg betreft, men zou kunnen gemeend hebben, dat ook die hoos tot zijn

programma behoorde.

Tot dusverre had de Tankadère steeds noordwaarts koers gehouden; maar

tegen den avond wierp de wind, gelijk te vreezen was, zich drie kwart

van het kompas om en begon uit het noordoosten te blazen. De schoener,

wiens zijden toen door de golven gebeukt werden, slingerde geweldig; de

zee sloeg met zooveel kracht, dat men wel bevreesd moest worden,

wanneer men niet weet hoe stevig alle deelen van een schip onderling

verbonden zijn.

Toen de nacht was gevallen, stak de storm nog heviger op. Toen hij zag

dat het stikdonker werd en met de duisternis de storm nog heviger werd,

gevoelde John Bunsby zich alles behalve op zijn gemak. Hij vroeg zich

af, of het geen zaak zou wezen eene schuilplaats te zoeken en

raadpleegde zijne bemanning.

Na dit gedaan te hebben, kwam hij weder bij Fogg en zeide:

„Zou mijnheer niet van oordeel zijn, dat wij wèl zouden doen, wanneer

wij eene haven opzochten.”

„Dat geloof ik ook,” zeide Phileas Fogg.

„O!” hernam de schipper, „en welke?”

„Ik ken er slechts eene,” antwoordde Fogg kalm.

„En die is?”

„Shangaï.”

Het duurde eenige oogenblikken eer de schipper de beteekenis van dat

woord begreep en al de hardnekkigheid en vasthoudendheid, waarvan dat

antwoord getuigde: Toen riep hij uit:

„Ja, mijnheer heeft gelijk: Shangaï.”

En de Tankadère zette onwrikbaar haar koers naar het noorden voort.

Het was een inderdaad vreeselijke nacht. Een wonder was het, dat het

scheepje niet verging. Tweemalen werd het omvergeworpen en alles zou

van boord zijn verdwenen, indien de verschansingen zich niet goed

hadden gehouden. Aouda was geradbraakt maar geen klacht kwam over hare

lippen. Meermalen moest de heer Fogg te hulp schieten om haar te

beschermen tegen de heftigheid der golfslagen.

De dag brak aan. Nog loeide de storm met ongekende kracht. Maar de wind

liep naar het zuidwesten om. Dit was een gunstige keer en de Tankadère

doorkliefde weder de onstuimige zee, wier baren in botsing kwamen met

die welke door den veranderden wind werden opgestuwd. Daardoor

ontstonden schokken, die een minder stevig vaartuig zeker hadden

verbrijzeld.

Nu en dan zag men door de gescheurde nevelen de kust, maar nergens was

een schip in het gezicht. Alleen de Tankadère kon zee houden.

Des middags openbaarden zich eenige verschijnselen dat het weder zou

bedaren en deze werden bij zonsondergang sterker.

De korte duur van den storm was een gevolg van zijne heftigheid. De

passagiers, die zeer veel geleden hadden, konden nu eenige rust nemen

en wat eten.

De nacht was vrij kalm. De schipper deed eenige zeilen bijzetten en de

snelheid van het schip nam aanzienlijk toe. Den anderen morgen, den

11en, nam John Bunsby de kust op, en verklaarde, dat men geen honderd

mijlen meer van Shangaï was verwijderd.

Honderd mijlen! en men moet die binnen éen dag afleggen, want

dienzelfden avond moest Fogg te Shangaï zijn, zoo hij de mailboot naar

Yokohama wilde halen. Zonder dien storm, die hem verscheidene uren had

doen verliezen, zou hij geen dertig mijlen van de haven zijn

verwijderd.

De bries werd minder, maar gelukkig werd ook de zee kalmer. De schoener

zette alle zeilen bij en de zee schuimde onder de kiel.

Des middags was de Tankadère geen vijf en veertig mijlen van Shangaï.

Nog zes uren waren haar gegeven om de haven te bereiken vóor het

vertrek der mailboot naar Yokohama.

Aan boord was de vrees groot. Men wil er komen tot elken prijs.

Allen—Phileas Fogg ongetwijfeld uitgezonderd—voelden hun hart kloppen

van ongeduld. De kleine schoener moest gemiddeld negen mijlen in het

uur afleggen en de wind ging al meer en meer liggen. Het was een

onregelmatige bries, grillige windvlagen, die van de kust kwamen. Zij

gingen voorbij en terstond daarop werd de zee weder effen.

Nochtans, het lichte vaartuig met zijne hooge dunne zeilen, ving die

vlagen zoo goed op, dat John Bunsby, dank zij de medewerking van den

stroom, ten zes ure geen tien mijlen meer verwijderd was van de rivier

Shangaï, want de stad zelve ligt op een afstand van minstens twaalf

mijlen boven de monding.

Ten zeven ure was men nog drie mijlen van Shangaï. Een geduchte vloek

ontsnapte aan de lippen van den schipper. De premie van tweehonderd

pond ging hem ontsnappen. Hij zag Fogg aan. Fogg was dood bedaard.

Nochtans stond zijn gansche fortuin thans op het spel.

Op dat oogenblik toch zag men eene lange zwarte schoorsteen, waaruit

een rookwolk zich ontwikkelde, boven den waterspiegel. Het was de

Amerikaansche stoomboot, die op het bepaalde uur vertrok.

„Verdoemd!” riep John Bunsby, die een wanhopende ruk aan het roer deed.

„Geef het noodsein,” sprak Phileas Fogg zeer kalm.

Een klein bronzen kanon stak uit de verschansing van de Tankadère. Het

strekte om signalen te geven bij mistig weer.

Het kanon werd geladen tot den mond, maar op het oogenblik, dat de

schipper de lont bij het zundgat bracht, zeide Fogg:

„Hijsch de noodvlag.”

De vlag werd halversteng geheschen. Dit was het teeken dat men in nood

verkeerde en men mocht hopen, dat de amerikaansche mailboot, als zij

dit zag, een weinig van haar koers zou afwijken om het vaartuig te

naderen.

„Vuur,” beval Fogg.

En het schot van het kleine kanon dreunde over de watervlakte.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 22 / 39 题