Waarin de gezagvoerder der Tankadère groot gevaar loopt eene
premie van twee honderd pond te verliezen.
Het was een gewaagde tocht die reis van acht honderd mijlen met een
vaartuig van twintig ton, vooral in dezen tijd van het jaar. Gewoonlijk
is de chineesche zee onstuimig, daar zij blootgesteld is aan geweldige
stormvlagen, vooral in den tijd der dag- en nachtevening en men was nu
in de eerste dagen van November.
Voor den schipper zou het voordeeligste geweest zijn de passagiers naar
Yokohama te brengen, daar hij per dag werd betaald. Maar het zou eene
te groote roekeloosheid zijn geweest dien overtocht te wagen in de
gegeven omstandigheden; het was reeds eene stoutmoedige onderneming,
zoo al geene gewaagde, om naar Shangaï te gaan. Maar John Bunsby had
vertrouwen in de Tankadère, die als een meeuw over de wateren schoot,
en misschien vertrouwde hij niet ten onrechte.
Gedurende de eerste uren van den dag bewoog de Tankadère zich in de
wateren van Hong-Kong en hoe de wind ook blies, zij hield zich
uitnemend.
„Het zal wel niet noodig zijn, schipper, u den meest mogelijken spoed
aan te bevelen,” zeide Phileas Fogg, op het oogenblik dat de schoener
in volle zee kwam.
„Mijnheer kan volkomen op mij vertrouwen,” antwoordde John Bunsby. „Wat
de zeilen betreft, ik heb er zooveel op, als het schip maar dragen kan.
Vliegers boven de bezaan zouden niets geven en de vaart maar
belemmeren.”
„Dit is uw vak en niet het mijne, schipper; ik laat het op u aankomen.”
Phileas Fogg, recht overeind, met de beenen wijd van elkaar en zoo
stevig op zijne voeten als een matroos, zag naar de onstuimige zee. De
jonge vrouw, die op het achterdek gezeten was, voelde zich aangedaan
bij het beschouwen van dien oceaan, die reeds in de schemering was
gehuld en dien zij op dat tengere bootje moest trotseeren.
Boven haar zwollen de groote zeilen; de schoener, door den wind
gedragen, scheen door de lucht te vliegen.
De nacht viel. De maan was in haar eerste kwartier en haar zwak
schijnsel verdween weldra in de nevelen van den horizon. Wolken kwamen
uit het oosten opzetten en bedekten reeds een gedeelte van het
uitspansel.
De schipper zorgde dat zijn seinlantarens in orde waren, een
voorzichtigheidsmaatregel, die niet mag worden verzuimd in deze druk
bevaren zee, vooral in de nabijheid der kusten.
Het gebeurde niet zelden, dat schepen werden aangevaren en bij de
snelheid, waarmede zij zich bewoog, zou de schoener bij den eersten
schok zijn verbrijzeld.
Fix kwam op de voorplecht. Hij bleef op een afstand, daar hij wist, dat
Fogg niet van praten hield. Bovendien stuitte het hem tegen de borst om
te praten met dien man, wiens beleefdheden hij genoot. Hij dacht ook
aan de toekomst. Dit was zeker dat Fogg ook niet te Yokohama zou
blijven, dat hij terstond de boot naar San Francisco zou nemen, ten
einde Amerika te bereiken, welks onmetelijke uitgestrektheid hem
straffeloosheid en veiligheid waarborgde. Het plan van Phileas Fogg
kwam hem de eenvoudigheid zelve voor.
In plaats van zich uit Engeland naar Amerika in te schepen als een
gewone schurk, maakte Fogg een grooten omweg over drie kwart van de
wereld, ten einde met des te grooter zekerheid het vasteland van
Amerika te bereiken, waar hij op zijn gemak het millioen der bank zou
verteren, na de politie van het spoor te hebben geleid. Maar wat zou
hij, Fix, doen, wanneer hij eenmaal in de Vereenigde Staten was
gekomen? Zou hij dien man loslaten? Neen, honderdmaal neen! Hij zou
geen duimbreed van hem wijken, voordat hij de volmacht tot uitlevering
had ontvangen. In elk geval, was er één gelukkig resultaat verkregen.
Passepartout was niet meer bij zijn meester en na hetgeen de inspecteur
van politie dezen had medegedeeld, was het van belang dat meester en
knecht elkander niet weer zagen.
Ook Phileas Fogg dacht vaak aan zijn knecht, die op zoo zonderlinge
wijze verdwenen was. Alles wel overwogen, scheen het hem zoo onmogelijk
niet dat, tengevolge eener vergissing, de arme jongen zich op het
laatste oogenblik aan boord van de Carnatic had begeven. Dat was ook de
meening van mevrouw Aouda, die zeer het verlies van den eerlijken
bediende betreurde, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Het was
mogelijk, dat men hem te Yokohama terugvond, en als de Carnatic hem
daar had gebracht, zou het zoo moeielijk niet zijn hem op te sporen.
Tegen tien uur stak de bries op. Misschien zou het voorzichtiger zijn
geweest wat zeilen te reven, maar de schipper besloot, na nauwkeurig
den hemel te hebben bekeken, alles te laten gelijk het was. Bovendien,
de Tankadère droeg haar zeilen gemakkelijk en alles was zoo ingericht,
dat ingeval van nood onmiddellijk maatregelen genomen konden worden.
Tegen middernacht begaven Phileas Fogg en mevrouw Aouda zich naar de
kajuit. Fix was hen voorgegaan en had zich op een der banken
neergelegd. Wat de schipper en zijne matrozen betreft, deze bleven den
ganschen nacht aan dek.
Den anderen morgen, 8 November, had de schoener bij zonsopgang meer dan
honderd mijlen afgelegd. Herhaaldelijk werd de loglijn uitgeworpen, die
aanwees dat de gemiddelde snelheid tusschen de acht en negen mijlen
was. De Tankadère had groot zeil op, en alle zeilen stonden vol, en op
die wijze kon zij haar maximum van snelheid bereiken. Als de wind in
denzelfden hoek bleef, had zij alle kansen voor zich.
Dien dag verwijderde de Tankadère zich niet ver van de kust, waar de
stroom haar gunstig was. Bovendien, de wind kwam van de landzijde,
waardoor de stroom hier minder sterk was, een voordeel voor den
schoener, want lichte schepen lijden het meest door den zwaren
golfslag.
Tegen den middag ging de bries liggen en de wind liep naar het
zuidwesten om. De schipper deed de vliegers bijzetten, maar na verloop
van twee uren moest hij ze weer wegnemen, daar de wind weder opstak.
Fogg en de jonge dame, die gelukkig geen van beiden zeeziek waren, aten
met smaak de ingelegde spijzen en de scheepsbeschuit. Fix werd
uitgenoodigd om aan hun diner deel te nemen en hij moest het aannemen,
daar hij wist dat een mensch even goed als een schip lading moest
innemen; maar het hinderde hem. Te reizen op kosten van dien man, zich
te voeden met diens eigen levensmiddelen, vond hij deloyaal. Nochtans
at hij, niet veel, wel is waar; maar enfin hij at!
Toen echter het diner was afgeloopen, meende hij een woord met Fogg te
moeten spreken. Hij riep hem terzijde en begon:
„Mijnheer....”
Dat „mijnheer” wilde hem bijna niet over de lippen; hij moest zich
bedwingen om dien „mijnheer” niet bij zijn kraag te pakken.
„Mijnheer, gij zijt zoo beleefd geweest om mij den overtocht met uw
schip aan te bieden. Maar, ofschoon mijn vermogen niet veroorlooft zoo
veel uit te geven als gij, wil ik toch mijn deel....”
„Laten wij daarover zwijgen, mijnheer,” antwoordde Fogg.
„Toch niet; ik stel er prijs op....”
„Neen, mijnheer,” zeide Fogg op een toon, die geen tegenspraak duldde.
„Dat behoort onder de algemeene kosten.”
Fix ging heen; hij stikte bijna, en zich over de verschansing aan de
voorzijde van het schip buigende, sprak hij den ganschen dag geen woord
meer.
De vaart was snel en John Bunsby had alle hoop. Vaak zeide hij tot
Phileas Fogg, dat men op den bepaalden tijd te Shangaï wezen zou. Fogg
antwoordde slechts, dat hij er op rekende. Bovendien, de geheele
bemanning deed haar uiterste best. De uitgeloofde premie vervulde allen
met lust en ijver. Geen touwtje, of het was gespannen; geen zeil had
een plooitje, geen enkele noodelooze beweging van het roer. Men zou op
een wedstrijd der koninklijke jacht-club niet strenger te werk zijn
gegaan.
Des avonds, toen de schipper weder zijne waarnemingen deed, bleek het,
dat men tweehonderd twintig mijlen van Hong-Kong verwijderd was, en
Phileas Fogg mocht zich dus vleien dat hij, te Yokohama aankomende,
niet ten achteren zou zijn. De eerste ernstige hinderpaal dus, die hij
sedert zijn vertrek uit Londen ontmoette, zou hem waarschijnlijk geen
nadeel berokkenen.
In de eerste uren van den morgen kwam de Tankadère in de straat van
To-Kien, die het eiland Formosa van de chineesche kust scheidt en
passeerde zij den keerkring. De zee was onstuimig in die straat en
onophoudelijk had men met tegenstroom te worstelen. De schoener had het
hard te verantwoorden. De korte golfslagen braken zijn vaart en het was
moeielijk om aan dek te blijven.
Bij het aanbreken van den dag stak de wind weder op. Er was storm aan
de lucht; ook de barometer kondigde eene verandering van weer aan: hij
was zeer onregelmatig en de kwik trilde grillig. Men zag ook in het
verschiet lange golven, die een voorbode waren van den storm. Den
vorigen avond was de zon vuurrood ondergegaan, terwijl de zee
schitterde van electrisch licht.
De schipper staarde geruimen tijd naar de lucht met hare ongunstige
verschijnselen en mompelde onverstaanbare woorden. Eens, toen hij dicht
bij zijn passagiers stond, vroeg hij:
„Mag men alles aan u zeggen?”
„Alles,” antwoordde Phileas Fogg.
„Welnu; wij krijgen een hoos.”
„Uit het noorden of uit het zuiden?” vroeg Fogg alleen.
„Uit het zuiden. Zie maar, er steekt een orkaan op.”
„Laat de orkaan maar uit het zuiden komen; dat is van den goeden kant.”
„Als gij het zoo opvat, heb ik niets meer te zeggen,” hernam de
schipper.
Het voorgevoel van John Bunsby bedroog hem niet. Ware het niet zoo laat
in het jaar, dan zou de hoos, volgens de uitspraak van een beroemd
weerkundige, zijn voorbij gegaan als een schitterende waterval van
electrische vlammen, maar thans was het te vreezen, dat zij zich met
kracht zou doen gevoelen.
De schipper nam tijdig zijne voorzorgen. Hij liet alle zeilen reven en
het tuig op het dek brengen. De stengen der masten werden afgenomen;
alle luiken zorgvuldig gesloten. Geen droppel water kon in het
binnenste gedeelte van het schip dringen. Slechts één zeil, een
driehoekig doek van krachtige stof werd geheschen, zoodat de schoener
wind bleef vangen. Het overige moest men afwachten.
John Bunsby had zijne passagiers den raad gegeven om naar hunne kajuit
te gaan; maar die kleine ruimte, waar men bijna geheel van versche
lucht was verstoken en onophoudelijk heen en weder werd geslingerd,
bood geen aangenaam verblijf aan. Noch Fogg, noch Aouda, noch zelfs Fix
wilde het dek verlaten.
Tegen acht ure braken de stortbui en de heftige windvlagen los. Alleen
door een klein zeil werd de Tankadère opgelicht als een veder door den
wind, waarvan men zich geen denkbeeld kan maken. Haar snelheid was
slechts te vergelijken met het viervoud der snelheid van eene
locomotief in volle vaart. Zij was zelfs nog grooter dan deze.
Den ganschen dag werd het schip op die wijze in noordelijke richting
voortgedreven en voortgestuwd door de reusachtige golven, waarmede het
gelukkig gelijke snelheid hield. Wel twintig malen dreigde een dier
ontzaglijke waterbergen zich over het vaartuig uit te storten en het te
bedelven, maar door eene behendige wending van het roer, wist de
schipper het gevaar te voorkomen. De passagiers waren nu en dan geheel
bedekt onder de stortvloeden, die zij met wijsgeerige gelatenheid zich
lieten welgevallen. Fix bromde wel in zich zelven, maar de onversaagde
Aouda, die hare oogen onafgewend op haar reisgezel hield gevestigd,
wiens koelbloedigheid zij niet genoeg kon bewonderen, toonde zich
zijner waardig en trotseerde den storm aan zijne zijde. Wat Phileas
Fogg betreft, men zou kunnen gemeend hebben, dat ook die hoos tot zijn
programma behoorde.
Tot dusverre had de Tankadère steeds noordwaarts koers gehouden; maar
tegen den avond wierp de wind, gelijk te vreezen was, zich drie kwart
van het kompas om en begon uit het noordoosten te blazen. De schoener,
wiens zijden toen door de golven gebeukt werden, slingerde geweldig; de
zee sloeg met zooveel kracht, dat men wel bevreesd moest worden,
wanneer men niet weet hoe stevig alle deelen van een schip onderling
verbonden zijn.
Toen de nacht was gevallen, stak de storm nog heviger op. Toen hij zag
dat het stikdonker werd en met de duisternis de storm nog heviger werd,
gevoelde John Bunsby zich alles behalve op zijn gemak. Hij vroeg zich
af, of het geen zaak zou wezen eene schuilplaats te zoeken en
raadpleegde zijne bemanning.
Na dit gedaan te hebben, kwam hij weder bij Fogg en zeide:
„Zou mijnheer niet van oordeel zijn, dat wij wèl zouden doen, wanneer
wij eene haven opzochten.”
„Dat geloof ik ook,” zeide Phileas Fogg.
„O!” hernam de schipper, „en welke?”
„Ik ken er slechts eene,” antwoordde Fogg kalm.
„En die is?”
„Shangaï.”
Het duurde eenige oogenblikken eer de schipper de beteekenis van dat
woord begreep en al de hardnekkigheid en vasthoudendheid, waarvan dat
antwoord getuigde: Toen riep hij uit:
„Ja, mijnheer heeft gelijk: Shangaï.”
En de Tankadère zette onwrikbaar haar koers naar het noorden voort.
Het was een inderdaad vreeselijke nacht. Een wonder was het, dat het
scheepje niet verging. Tweemalen werd het omvergeworpen en alles zou
van boord zijn verdwenen, indien de verschansingen zich niet goed
hadden gehouden. Aouda was geradbraakt maar geen klacht kwam over hare
lippen. Meermalen moest de heer Fogg te hulp schieten om haar te
beschermen tegen de heftigheid der golfslagen.
De dag brak aan. Nog loeide de storm met ongekende kracht. Maar de wind
liep naar het zuidwesten om. Dit was een gunstige keer en de Tankadère
doorkliefde weder de onstuimige zee, wier baren in botsing kwamen met
die welke door den veranderden wind werden opgestuwd. Daardoor
ontstonden schokken, die een minder stevig vaartuig zeker hadden
verbrijzeld.
Nu en dan zag men door de gescheurde nevelen de kust, maar nergens was
een schip in het gezicht. Alleen de Tankadère kon zee houden.
Des middags openbaarden zich eenige verschijnselen dat het weder zou
bedaren en deze werden bij zonsondergang sterker.
De korte duur van den storm was een gevolg van zijne heftigheid. De
passagiers, die zeer veel geleden hadden, konden nu eenige rust nemen
en wat eten.
De nacht was vrij kalm. De schipper deed eenige zeilen bijzetten en de
snelheid van het schip nam aanzienlijk toe. Den anderen morgen, den
11en, nam John Bunsby de kust op, en verklaarde, dat men geen honderd
mijlen meer van Shangaï was verwijderd.
Honderd mijlen! en men moet die binnen éen dag afleggen, want
dienzelfden avond moest Fogg te Shangaï zijn, zoo hij de mailboot naar
Yokohama wilde halen. Zonder dien storm, die hem verscheidene uren had
doen verliezen, zou hij geen dertig mijlen van de haven zijn
verwijderd.
De bries werd minder, maar gelukkig werd ook de zee kalmer. De schoener
zette alle zeilen bij en de zee schuimde onder de kiel.
Des middags was de Tankadère geen vijf en veertig mijlen van Shangaï.
Nog zes uren waren haar gegeven om de haven te bereiken vóor het
vertrek der mailboot naar Yokohama.
Aan boord was de vrees groot. Men wil er komen tot elken prijs.
Allen—Phileas Fogg ongetwijfeld uitgezonderd—voelden hun hart kloppen
van ongeduld. De kleine schoener moest gemiddeld negen mijlen in het
uur afleggen en de wind ging al meer en meer liggen. Het was een
onregelmatige bries, grillige windvlagen, die van de kust kwamen. Zij
gingen voorbij en terstond daarop werd de zee weder effen.
Nochtans, het lichte vaartuig met zijne hooge dunne zeilen, ving die
vlagen zoo goed op, dat John Bunsby, dank zij de medewerking van den
stroom, ten zes ure geen tien mijlen meer verwijderd was van de rivier
Shangaï, want de stad zelve ligt op een afstand van minstens twaalf
mijlen boven de monding.
Ten zeven ure was men nog drie mijlen van Shangaï. Een geduchte vloek
ontsnapte aan de lippen van den schipper. De premie van tweehonderd
pond ging hem ontsnappen. Hij zag Fogg aan. Fogg was dood bedaard.
Nochtans stond zijn gansche fortuin thans op het spel.
Op dat oogenblik toch zag men eene lange zwarte schoorsteen, waaruit
een rookwolk zich ontwikkelde, boven den waterspiegel. Het was de
Amerikaansche stoomboot, die op het bepaalde uur vertrok.
„Verdoemd!” riep John Bunsby, die een wanhopende ruk aan het roer deed.
„Geef het noodsein,” sprak Phileas Fogg zeer kalm.
Een klein bronzen kanon stak uit de verschansing van de Tankadère. Het
strekte om signalen te geven bij mistig weer.
Het kanon werd geladen tot den mond, maar op het oogenblik, dat de
schipper de lont bij het zundgat bracht, zeide Fogg:
„Hijsch de noodvlag.”
De vlag werd halversteng geheschen. Dit was het teeken dat men in nood
verkeerde en men mocht hopen, dat de amerikaansche mailboot, als zij
dit zag, een weinig van haar koers zou afwijken om het vaartuig te
naderen.
„Vuur,” beval Fogg.
En het schot van het kleine kanon dreunde over de watervlakte.