TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin Fix in rechtstreeksche onderhandeling treedt met Phileas

Fogg.

Gedurende dit gesprek, waarbij waarschijnlijk Fogg’s geheele toekomst

op het spel stond, geleidde deze mevrouw Aouda door de straten van de

engelsche stad. Toen Aouda zijn aanbod had aangenomen om haar mede naar

Europa te nemen, moest hij ook alle benoodigdheden aanschaffen, die

zulk een lange reis medebracht. Dat een Engelschman, zooals hij, de

reis om de wereld maakt met zijn valies in de hand, kan er nog door;

maar eene vrouw kon in zulke omstandigheden dergelijke reis, op die

wijze niet ondernemen. Daarom was men wel verplicht allerlei kleederen

en voorwerpen, die zij soms onderweg noodig mocht hebben, aan te

schaffen. Fogg kweet zich van deze taak, met de kalmte welke hem

kenmerkte, trots de verontschuldigingen en tegenwerpingen van de jonge

vrouw, die verlegen was met zooveel beleefdheid.

„Het is in het belang van mijn reis, het staat op mijn programma,”

zeide hij gedurig.

Toen zij hunne inkoopen gedaan hadden, keerden Fogg en Aouda weer naar

het hotel terug, waar zij een heerlijk diné vonden. Daarop ging Aouda,

die een weinig vermoeid was, naar hare kamer en drukte à l’anglaise de

hand van haren ongevoeligen redder.

De achtenswaardige gentleman verdiepte zich den ganschen avond in de

Times en de Illustrated Londen News.

Zoo hij de man ware geweest om zich over iets te verwonderen, dan had

hij dit wel mogen doen, toen Passepartout bij het naar bed gaan nog

niet was komen opdagen. Maar daar hij wist dat de mailboot naar

Yokohama eerst den anderen morgen vertrok, dacht hij er niet over. Den

volgenden morgen kwam Passepartout op het schellen van Fogg niet te

voorschijn.

Wat de gentleman wel dacht, toen hij vernam dat zijn knecht niet thuis

was gekomen, zou niemand kunnen zeggen. Fogg nam zijn valies op, liet

Aouda waarschuwen en bestelde een palankijn.

Het was toen acht uur, en het getij, waarop het vertrek van de Carnatic

gewacht had om de haven te verlaten, kwam ten half tien ure op.

Toen de draagstoel voorkwam, stapten Aouda en Fogg in het gemakkelijke

voertuig en lieten hun bagage op een kruiwagen volgen.

Een half uur later kwamen de reizigers op de aanlegplaats, en daar

vernamen zij eerst dat de Carnatic reeds den vorigen avond vertrokken

was.

Fogg, die er op had gerekend zoowel zijn bediende als de mail-boot te

vinden, moest nu beiden missen. Maar zijn gelaat teekende volstrekt

geen teleurstelling, en toen Aouda hem angstig aanzag, voegde hij haar

toe:

„Dat is een incident, mevrouw, anders niet.”

Op dit oogenblik naderde hem een persoon, welke hem nauwkeurig

gadesloeg. Het was de inspecteur Fix, die hem groette met de woorden:

„Zijt gij niet evenals ik, mijnheer, een der passagiers van de Rangoon,

welke gisteren aangekomen is?”

„Ja, mijnheer,” antwoordde Fogg koel, „maar ik heb niet de eer....”

„Vergeef mij, maar ik dacht hier uw knecht te vinden.”

„Weet gij waar hij is, mijnheer?” vroeg de jonge vrouw levendig.

„Wat,” zeide Fix, zeer verwonderd, „is hij niet bij u?”

„Neen,” antwoordde Aouda. „Sedert gisteren is hij verdwenen. Heeft hij

zich misschien zonder ons op de Carnatic ingescheept?”

„Zonder u, mevrouw?...” antwoordde de agent. „Maar vergeef mij, dacht

gij dan met deze mailboot te vertrekken?”

„Ja, mijnheer.”

„Ik ook, mevrouw, gij ziet mij dus zeer teleurgesteld. De Carnatic

heeft, toen zij haren ketel hersteld had, twaalf uur vroeger Hong-Kong

verlaten, zonder iemand te waarschuwen, en nu moet men acht dagen

wachten, eer de volgende vertrekt.”

Toen hij die woorden: „acht dagen” gezegd had, gevoelde Fix zijn hart

van vreugde kloppen. Fogg acht dagen nog te Hong-Kong! Men zou nu tijd

genoeg hebben om het mandaat tot inhechtenisneming af te wachten.

Eindelijk waren de kansen dan toch eens ten gunste van den

vertegenwoordiger der wet.

Men kan dus denken hoe het hem tegenviel, toen hij Fogg op zijn kalmen

toon hoorde zeggen:

„Er zijn, dunkt mij, nog andere schepen dan de Carnatic in de haven van

Hong-Kong.”

Fogg bood Aouda zijn arm en ging met haar naar het dok, om daar een

ander schip te zoeken, dat gereed lag te vertrekken.

Fix volgde hem geheel terneergeslagen. Men zou zeggen dat hij aan deze

man was gekluisterd. Dit is zeker, dat de kans hem wezenlijk scheen te

verlaten, terwijl zij hem tot nog toe zoo goed gediend had. Fogg

doorliep drie uren lang in alle richtingen de haven, vast besloten, zoo

het moest, een schip uit te rusten, dat hem naar Yokohama zou brengen;

hij zag slechts geladen schepen of andere, welke bezig waren te lossen,

en die dus niet konden gebruikt worden. Fix begon weer eenige hoop te

krijgen.

Fogg gaf den moed nochtans niet op en zette zijn onderzoek voort, al

moest hij tot Macao gaan, toen hij op eens door een zeeman aan het

uiteinde der haven werd aangesproken.

„Zoekt u een schip!” vroeg deze zijn muts afnemende.

„Hebt gij een boot, welke klaar is om te vertrekken?” vroeg Fogg.

„Ja, mijnheer, de loodsboot no. 43, de beste van de geheele vloot.”

„Loopt zij snel?”

„Ongeveer tusschen de acht en negen mijlen. Wilt gij haar zien?”

„Ja.”

„U zult er over tevreden zijn. Is het een pleizierreisje?”

„Neen. Een reis.”

„Een reis?”

„Neemt gij aan mij naar Yokohama te brengen?”

De zeeman zag bij deze woorden Fogg met wijd opengesperde oogen aan.

„Kom, mijnheer wil een loopje met mij nemen!” zeide hij.

„Neen! Ik heb de Carnatic gemist, en ik moet uiterlijk den 14den te

Yokohama wezen, om van daar met de boot naar San-Francisco te gaan.”

„Het spijt mij,” antwoordde de schipper, „maar dit is onmogelijk.”

„Ik bied u honderd pond per dag aan, en eene premie van twee honderd

pond, zoo gij bij tijds aankomt.”

„Is het u ernst?” vroeg de schipper.

„Ja,” antwoordde Fogg.

De zeeman verwijderde zich een oogenblik, keek naar de zee,

waarschijnlijk in tweestrijd tusschen den wensch om zulk een groote som

te winnen, en de vrees zich te ver te wagen. Fix verkeerde in

doodsangst.

Intusschen had Fogg zich tot Aouda gericht.

„Gij zijt toch niet bang, mevrouw?” vroeg hij.

„Met u, neen, mijnheer,” antwoordde de jonge vrouw.

De schipper keerde zich nu weder tot den gentleman, met zijn muts in de

hand.

„Wel, schipper?” vroeg Fogg.

„Wel, mijnheer,” antwoordde de zeeman, „ik mag noch mijne mannen, noch

mij zelven, nog u er aan wagen, om zulk een grooten tocht te maken in

een bootje, dat ter nauwernood twintig tonnen haalt, en dan in dezen

tijd van het jaar! Bovendien, zouden wij toch niet op tijd aankomen,

want Yokohama is zeventien honderd mijlen van Hong-Kong verwijderd.”

„Zestien honderd vijftig mijlen,” verbeterde Fogg.

„Dat is hetzelfde.”

Fix haalde weder adem.

„Maar,” vervolgde de schipper, „misschien is er nog wel iets anders op

te vinden.”

„Wat dan?” vroeg Phileas Fogg.

„Als wij naar Nangasaki gaan, het uiterste punt van Japan, elfhonderd

mijlen afstands, of zoo wij Shangaï maar halen, achthonderd mijlen van

Hong-Kong verwijderd. Op den laatsten tocht zou men zich niet ver van

de chineesche kust verwijderen, wat een groot voordeel zou zijn, daar

de stroom noordwaarts is.”

„Schipper,” antwoordde Fogg, „te Yokohama moet ik de amerikaansche mail

halen, en niet te Shangaï of te Nangasaki.”

„Waarom niet?” hernam de zeeman. „De mailboot naar San-Francisco

vertrekt niet van Yokohama. Zij loopt te Yokohama en te Nangasaki

binnen, maar haar punt van uitgang is Shangaï.”

„Gij zijt zeker van hetgeen gij mij daar zegt?”

„Zeer zeker.”

„En wanneer verlaat de mailboot Shangaï?”

„Den 11den des avonds ten zeven ure. Wij hebben dus nog vier dagen

tijd. Vier dagen, dat is zes en negentig uren, en met eene boot die

acht mijlen in het uur loopt, wanneer alles goed gaat, als wij

zuid-westenwind hebben en geen onstuimige zee, dan kunnen wij in dat

tijdsverloop gemakkelijk de achthonderd mijlen afleggen, die ons van

Shangaï scheiden.”

„En gij kunt vertrekken?...”

„Over een uur. Dien tijd heb ik noodig om levensmiddelen op te doen en

de zeilen klaar te maken.”

„Dus de zaak is in orde. Zijt gij de kapitein van de boot?”

„Ja, John Bunsby, kapitein van de Tankadère.”

„Wilt gij een gedeelte der som vooruit?”

„Als het u schikt.”

„Daar hebt ge tweehonderd pond op afrekening.”

„Mijnheer,” ging Phileas Fogg tot Fix voort, „als gij er ook gebruik

van wilt maken....”

„Mijnheer,” antwoordde Fix brutaal weg, „ik wilde u juist deze gunst

verzoeken.”

„Goed. Over een half uur zullen wij aan boord zijn.”

„Maar die arme jongen,” merkte mevrouw Aouda op.

„Ik zal voor hem alles doen wat ik kan,” zeide Fogg.

En terwijl Fix, zenuwachtig, koortsachtig en inwendig woedend, zich

naar de loodsboot begaf, gingen Fogg en Aouda naar het politie-bureel

van Hong-Kong. Fogg liet daar het signalement van Passepartout en ook

eene voldoende som gelds voor diens reis naar Europa achter. Dezelfde

formaliteit werd bij den franschen consul verricht en de palankijn

bracht de reizigers op de voorhaven. Het sloeg drie uur. De loodsboot

no. 43 had hare bemanning en levensmiddelen aan boord en lag gereed om

uit te zeilen.

De Tankadère was een zeer nette, kleine schoener van ongeveer twintig

tonnen, scherp van boeg, los van bewegingen en met eene goede

waterlijn. Men zou zeggen dat het een jacht was om kleine zeetochten

mede te maken. Zijn koper blonk helder, het ijzerwerk was als

gepolijst, het dek wit als ivoor; dat alles toonde aan, dat kapitein

Bunsby er op gesteld was om zijne boot goed te onderhouden. Hare twee

masten lagen een weinig naar achteren. Zij had een brikzeil, fokkemast,

stag- en topzeilen en met den wind achter moest zij wonderen kunnen

doen. Inderdaad had zij ook al verscheidene prijzen gewonnen in de

wedstrijden tusschen loodsbooten.

De bemanning der Tankadère bestond uit den kapitein en vier matrozen.

Zij behoorden tot die moedige zeelui, welke in alle weer en wind de

schepen opzoeken en zeer goed met de zee bekend zijn.

John Bunsby, een man van omstreeks vijf en veertig jaren, krachtig

gebouwd, verzengd door de zon, met een levendig oog, een gespierde

gestalte en die zijn vak goed verstond, zou een ieder vertrouwen

ingeboezemd hebben.

Phileas Fogg en Aouda gingen nu aan boord. Fix was er reeds. Door een

deur op het achterschip kwam men in een vierkante hut, waarvan de

wanden boven een divan in vierkante vakken verdeeld waren. In het

midden stond een tafel waarboven een lamp hing. Alles was klein, maar

netjes.

„Het spijt mij, dat ik u niets beters kan aanbieden,” zeide Fogg tot

Fix, die een buiging maakte. De inspecteur achtte zich wel een weinig

vernederd door van de beleefdheden van Fogg gebruik te maken.

„Het is buiten kijf een schurk,” dacht hij, „maar een zeer fatsoenlijke

schurk.”

Ten drie ure tien minuten werden de zeilen geheschen. De engelsche vlag

wapperde van den mast van het scheepje. De passagiers waren op het dek

gezeten. Aouda en Fogg wierpen nog een laatsten blik op het land, om te

zien of Passepartout ook nog te voorschijn kwam.

Fix was niet zonder eenige bezorgdheid, het toeval zou den ongelukkigen

knecht, dien hij zoo schandelijk behandeld had, naar dit punt der haven

kunnen brengen, en dan zou er een verklaring hebben plaats gehad, welke

niet in het voordeel van den inspecteur zou zijn. Maar de Franschman

kwam niet opdagen: ongetwijfeld was hij nog onder den invloed van het

verdoovende slaapmiddel. Eindelijk maakte kapitein Bunsby de touwen los

en de Tankadère liet den wind onder haar brikzeil, fokkemast en

stagzeilen komen en schoot voort over de golven.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 21 / 39 题