Waarin Fix in rechtstreeksche onderhandeling treedt met Phileas
Fogg.
Gedurende dit gesprek, waarbij waarschijnlijk Fogg’s geheele toekomst
op het spel stond, geleidde deze mevrouw Aouda door de straten van de
engelsche stad. Toen Aouda zijn aanbod had aangenomen om haar mede naar
Europa te nemen, moest hij ook alle benoodigdheden aanschaffen, die
zulk een lange reis medebracht. Dat een Engelschman, zooals hij, de
reis om de wereld maakt met zijn valies in de hand, kan er nog door;
maar eene vrouw kon in zulke omstandigheden dergelijke reis, op die
wijze niet ondernemen. Daarom was men wel verplicht allerlei kleederen
en voorwerpen, die zij soms onderweg noodig mocht hebben, aan te
schaffen. Fogg kweet zich van deze taak, met de kalmte welke hem
kenmerkte, trots de verontschuldigingen en tegenwerpingen van de jonge
vrouw, die verlegen was met zooveel beleefdheid.
„Het is in het belang van mijn reis, het staat op mijn programma,”
zeide hij gedurig.
Toen zij hunne inkoopen gedaan hadden, keerden Fogg en Aouda weer naar
het hotel terug, waar zij een heerlijk diné vonden. Daarop ging Aouda,
die een weinig vermoeid was, naar hare kamer en drukte à l’anglaise de
hand van haren ongevoeligen redder.
De achtenswaardige gentleman verdiepte zich den ganschen avond in de
Times en de Illustrated Londen News.
Zoo hij de man ware geweest om zich over iets te verwonderen, dan had
hij dit wel mogen doen, toen Passepartout bij het naar bed gaan nog
niet was komen opdagen. Maar daar hij wist dat de mailboot naar
Yokohama eerst den anderen morgen vertrok, dacht hij er niet over. Den
volgenden morgen kwam Passepartout op het schellen van Fogg niet te
voorschijn.
Wat de gentleman wel dacht, toen hij vernam dat zijn knecht niet thuis
was gekomen, zou niemand kunnen zeggen. Fogg nam zijn valies op, liet
Aouda waarschuwen en bestelde een palankijn.
Het was toen acht uur, en het getij, waarop het vertrek van de Carnatic
gewacht had om de haven te verlaten, kwam ten half tien ure op.
Toen de draagstoel voorkwam, stapten Aouda en Fogg in het gemakkelijke
voertuig en lieten hun bagage op een kruiwagen volgen.
Een half uur later kwamen de reizigers op de aanlegplaats, en daar
vernamen zij eerst dat de Carnatic reeds den vorigen avond vertrokken
was.
Fogg, die er op had gerekend zoowel zijn bediende als de mail-boot te
vinden, moest nu beiden missen. Maar zijn gelaat teekende volstrekt
geen teleurstelling, en toen Aouda hem angstig aanzag, voegde hij haar
toe:
„Dat is een incident, mevrouw, anders niet.”
Op dit oogenblik naderde hem een persoon, welke hem nauwkeurig
gadesloeg. Het was de inspecteur Fix, die hem groette met de woorden:
„Zijt gij niet evenals ik, mijnheer, een der passagiers van de Rangoon,
welke gisteren aangekomen is?”
„Ja, mijnheer,” antwoordde Fogg koel, „maar ik heb niet de eer....”
„Vergeef mij, maar ik dacht hier uw knecht te vinden.”
„Weet gij waar hij is, mijnheer?” vroeg de jonge vrouw levendig.
„Wat,” zeide Fix, zeer verwonderd, „is hij niet bij u?”
„Neen,” antwoordde Aouda. „Sedert gisteren is hij verdwenen. Heeft hij
zich misschien zonder ons op de Carnatic ingescheept?”
„Zonder u, mevrouw?...” antwoordde de agent. „Maar vergeef mij, dacht
gij dan met deze mailboot te vertrekken?”
„Ja, mijnheer.”
„Ik ook, mevrouw, gij ziet mij dus zeer teleurgesteld. De Carnatic
heeft, toen zij haren ketel hersteld had, twaalf uur vroeger Hong-Kong
verlaten, zonder iemand te waarschuwen, en nu moet men acht dagen
wachten, eer de volgende vertrekt.”
Toen hij die woorden: „acht dagen” gezegd had, gevoelde Fix zijn hart
van vreugde kloppen. Fogg acht dagen nog te Hong-Kong! Men zou nu tijd
genoeg hebben om het mandaat tot inhechtenisneming af te wachten.
Eindelijk waren de kansen dan toch eens ten gunste van den
vertegenwoordiger der wet.
Men kan dus denken hoe het hem tegenviel, toen hij Fogg op zijn kalmen
toon hoorde zeggen:
„Er zijn, dunkt mij, nog andere schepen dan de Carnatic in de haven van
Hong-Kong.”
Fogg bood Aouda zijn arm en ging met haar naar het dok, om daar een
ander schip te zoeken, dat gereed lag te vertrekken.
Fix volgde hem geheel terneergeslagen. Men zou zeggen dat hij aan deze
man was gekluisterd. Dit is zeker, dat de kans hem wezenlijk scheen te
verlaten, terwijl zij hem tot nog toe zoo goed gediend had. Fogg
doorliep drie uren lang in alle richtingen de haven, vast besloten, zoo
het moest, een schip uit te rusten, dat hem naar Yokohama zou brengen;
hij zag slechts geladen schepen of andere, welke bezig waren te lossen,
en die dus niet konden gebruikt worden. Fix begon weer eenige hoop te
krijgen.
Fogg gaf den moed nochtans niet op en zette zijn onderzoek voort, al
moest hij tot Macao gaan, toen hij op eens door een zeeman aan het
uiteinde der haven werd aangesproken.
„Zoekt u een schip!” vroeg deze zijn muts afnemende.
„Hebt gij een boot, welke klaar is om te vertrekken?” vroeg Fogg.
„Ja, mijnheer, de loodsboot no. 43, de beste van de geheele vloot.”
„Loopt zij snel?”
„Ongeveer tusschen de acht en negen mijlen. Wilt gij haar zien?”
„Ja.”
„U zult er over tevreden zijn. Is het een pleizierreisje?”
„Neen. Een reis.”
„Een reis?”
„Neemt gij aan mij naar Yokohama te brengen?”
De zeeman zag bij deze woorden Fogg met wijd opengesperde oogen aan.
„Kom, mijnheer wil een loopje met mij nemen!” zeide hij.
„Neen! Ik heb de Carnatic gemist, en ik moet uiterlijk den 14den te
Yokohama wezen, om van daar met de boot naar San-Francisco te gaan.”
„Het spijt mij,” antwoordde de schipper, „maar dit is onmogelijk.”
„Ik bied u honderd pond per dag aan, en eene premie van twee honderd
pond, zoo gij bij tijds aankomt.”
„Is het u ernst?” vroeg de schipper.
„Ja,” antwoordde Fogg.
De zeeman verwijderde zich een oogenblik, keek naar de zee,
waarschijnlijk in tweestrijd tusschen den wensch om zulk een groote som
te winnen, en de vrees zich te ver te wagen. Fix verkeerde in
doodsangst.
Intusschen had Fogg zich tot Aouda gericht.
„Gij zijt toch niet bang, mevrouw?” vroeg hij.
„Met u, neen, mijnheer,” antwoordde de jonge vrouw.
De schipper keerde zich nu weder tot den gentleman, met zijn muts in de
hand.
„Wel, schipper?” vroeg Fogg.
„Wel, mijnheer,” antwoordde de zeeman, „ik mag noch mijne mannen, noch
mij zelven, nog u er aan wagen, om zulk een grooten tocht te maken in
een bootje, dat ter nauwernood twintig tonnen haalt, en dan in dezen
tijd van het jaar! Bovendien, zouden wij toch niet op tijd aankomen,
want Yokohama is zeventien honderd mijlen van Hong-Kong verwijderd.”
„Zestien honderd vijftig mijlen,” verbeterde Fogg.
„Dat is hetzelfde.”
Fix haalde weder adem.
„Maar,” vervolgde de schipper, „misschien is er nog wel iets anders op
te vinden.”
„Wat dan?” vroeg Phileas Fogg.
„Als wij naar Nangasaki gaan, het uiterste punt van Japan, elfhonderd
mijlen afstands, of zoo wij Shangaï maar halen, achthonderd mijlen van
Hong-Kong verwijderd. Op den laatsten tocht zou men zich niet ver van
de chineesche kust verwijderen, wat een groot voordeel zou zijn, daar
de stroom noordwaarts is.”
„Schipper,” antwoordde Fogg, „te Yokohama moet ik de amerikaansche mail
halen, en niet te Shangaï of te Nangasaki.”
„Waarom niet?” hernam de zeeman. „De mailboot naar San-Francisco
vertrekt niet van Yokohama. Zij loopt te Yokohama en te Nangasaki
binnen, maar haar punt van uitgang is Shangaï.”
„Gij zijt zeker van hetgeen gij mij daar zegt?”
„Zeer zeker.”
„En wanneer verlaat de mailboot Shangaï?”
„Den 11den des avonds ten zeven ure. Wij hebben dus nog vier dagen
tijd. Vier dagen, dat is zes en negentig uren, en met eene boot die
acht mijlen in het uur loopt, wanneer alles goed gaat, als wij
zuid-westenwind hebben en geen onstuimige zee, dan kunnen wij in dat
tijdsverloop gemakkelijk de achthonderd mijlen afleggen, die ons van
Shangaï scheiden.”
„En gij kunt vertrekken?...”
„Over een uur. Dien tijd heb ik noodig om levensmiddelen op te doen en
de zeilen klaar te maken.”
„Dus de zaak is in orde. Zijt gij de kapitein van de boot?”
„Ja, John Bunsby, kapitein van de Tankadère.”
„Wilt gij een gedeelte der som vooruit?”
„Als het u schikt.”
„Daar hebt ge tweehonderd pond op afrekening.”
„Mijnheer,” ging Phileas Fogg tot Fix voort, „als gij er ook gebruik
van wilt maken....”
„Mijnheer,” antwoordde Fix brutaal weg, „ik wilde u juist deze gunst
verzoeken.”
„Goed. Over een half uur zullen wij aan boord zijn.”
„Maar die arme jongen,” merkte mevrouw Aouda op.
„Ik zal voor hem alles doen wat ik kan,” zeide Fogg.
En terwijl Fix, zenuwachtig, koortsachtig en inwendig woedend, zich
naar de loodsboot begaf, gingen Fogg en Aouda naar het politie-bureel
van Hong-Kong. Fogg liet daar het signalement van Passepartout en ook
eene voldoende som gelds voor diens reis naar Europa achter. Dezelfde
formaliteit werd bij den franschen consul verricht en de palankijn
bracht de reizigers op de voorhaven. Het sloeg drie uur. De loodsboot
no. 43 had hare bemanning en levensmiddelen aan boord en lag gereed om
uit te zeilen.
De Tankadère was een zeer nette, kleine schoener van ongeveer twintig
tonnen, scherp van boeg, los van bewegingen en met eene goede
waterlijn. Men zou zeggen dat het een jacht was om kleine zeetochten
mede te maken. Zijn koper blonk helder, het ijzerwerk was als
gepolijst, het dek wit als ivoor; dat alles toonde aan, dat kapitein
Bunsby er op gesteld was om zijne boot goed te onderhouden. Hare twee
masten lagen een weinig naar achteren. Zij had een brikzeil, fokkemast,
stag- en topzeilen en met den wind achter moest zij wonderen kunnen
doen. Inderdaad had zij ook al verscheidene prijzen gewonnen in de
wedstrijden tusschen loodsbooten.
De bemanning der Tankadère bestond uit den kapitein en vier matrozen.
Zij behoorden tot die moedige zeelui, welke in alle weer en wind de
schepen opzoeken en zeer goed met de zee bekend zijn.
John Bunsby, een man van omstreeks vijf en veertig jaren, krachtig
gebouwd, verzengd door de zon, met een levendig oog, een gespierde
gestalte en die zijn vak goed verstond, zou een ieder vertrouwen
ingeboezemd hebben.
Phileas Fogg en Aouda gingen nu aan boord. Fix was er reeds. Door een
deur op het achterschip kwam men in een vierkante hut, waarvan de
wanden boven een divan in vierkante vakken verdeeld waren. In het
midden stond een tafel waarboven een lamp hing. Alles was klein, maar
netjes.
„Het spijt mij, dat ik u niets beters kan aanbieden,” zeide Fogg tot
Fix, die een buiging maakte. De inspecteur achtte zich wel een weinig
vernederd door van de beleefdheden van Fogg gebruik te maken.
„Het is buiten kijf een schurk,” dacht hij, „maar een zeer fatsoenlijke
schurk.”
Ten drie ure tien minuten werden de zeilen geheschen. De engelsche vlag
wapperde van den mast van het scheepje. De passagiers waren op het dek
gezeten. Aouda en Fogg wierpen nog een laatsten blik op het land, om te
zien of Passepartout ook nog te voorschijn kwam.
Fix was niet zonder eenige bezorgdheid, het toeval zou den ongelukkigen
knecht, dien hij zoo schandelijk behandeld had, naar dit punt der haven
kunnen brengen, en dan zou er een verklaring hebben plaats gehad, welke
niet in het voordeel van den inspecteur zou zijn. Maar de Franschman
kwam niet opdagen: ongetwijfeld was hij nog onder den invloed van het
verdoovende slaapmiddel. Eindelijk maakte kapitein Bunsby de touwen los
en de Tankadère liet den wind onder haar brikzeil, fokkemast en
stagzeilen komen en schoot voort over de golven.