Waarin Passepartout te veel belang stelt in zijn meester, en wat
het gevolg er van was.
Hong-Kong is slechts een eilandje, dat na het verdrag van Nanking van
1842 aan Engeland is afgestaan. Binnen eenige jaren had de takt der
Britten om te koloniseeren er een belangrijke stad van gemaakt en er
een haven aangelegd, Victoria genaamd. Deze stad ligt aan den mond van
de rivier Canton, en is slechts zestig mijlen verwijderd van de
portugeesche stad Macao, welke op den anderen oever gebouwd is.
Hong-Kong moest noodzakelijk in den handelswedstrijd Macao overwinnen
en tegenwoordig gaat het grootste gedeelte van den uit- en invoer van
China over de engelsche stad. De dokken, hospitalen, werven, entrepôts
en een gothische kathedraal, een gouvernementshuis, mac-adam wegen,
alles werkt mede om den bezoeker te doen gelooven, dat eene der
beschaafdste steden van de graafschappen Kent of Surrey dwars door de
aarde heen zich een weg heeft gebaand en op dit punt van China,
nagenoeg bij de tegenvoeters, weder te voorschijn is gekomen.
Met de handen in den zak was Passepartout naar de haven Victoria
geslenterd, stilstaande, om de palankijns te zien en de kruiwagens met
zeilen, die nog in het hemelsche rijk in gebruik zijn, en al die
Chineezen, Japanners en Europeanen, welke zich in de straten der stad
verdringen. Nagenoeg hetzelfde als te Bombay en te Calcutta vond hij
ook hier. Engelsche steden zijn dan ook over de geheele wereld gezaaid.
Passepartout kwam in de Victoria-haven; hij vond daar een menigte
amerikaansche, engelsche, fransche en hollandsche vaartuigen, zoowel
oorlogs- als koopvaardijschepen, japansche en chineesche booten,
jonken, sempa’s, panka’s en zelfs booten met bloemen, die drijvende
bloemperken in dit water schenen te vormen. Op zijne wandeling merkte
Passepartout een aantal inboorlingen op in het geel gekleed, die allen
reeds op gevorderden leeftijd waren. Van een chineesch barbier, door
wien hij zich liet scheeren, en die tamelijk goed engelsch sprak,
vernam hij dat zij allen boven de tachtig jaar oud waren en dat zij op
dien leeftijd het recht hadden zich in de keizerlijke kleur, geel, te
kleeden. Passepartout vond het zeer dwaas, al wist hij ook niet waarom.
Toen hij geschoren was, begaf hij zich aan boord van de Carnatic en
daar vond hij den heer Fix heen en weer wandelende op het dek. Op zich
zelf had dit niets vreemds, maar op het gelaat van den inspecteur waren
duidelijke sporen van groote teleurstelling merkbaar.
„Geen wonder,” dacht Passepartout, „alles loopt ook slecht voor de
heeren van de Reform-club; alles loopt ons mee.” En hij sprak Fix aan
met een vroolijk gelaat als scheen hij het knorrige uitzicht van den
inspecteur niet op te merken. Deze nu had maar al te gegronde redenen
om de kans te verwenschen, die zich voortdurend tegen hem verklaarde.
Het leed geen twijfel of het mandaat volgde hem, maar het kon hem niet
bereiken, dan wanneer hij in deze of gene stad halt hield. Hong-Kong
was het laatste engelsche grondgebied, dat zij op hun tocht aandeden en
Fogg zou hem ontsnappen, indien het hem niet gelukte dezen hier te doen
achterblijven.
„Welnu, mijnheer Fix, hebt ge besloten ons naar Yokohama te
vergezellen?” vroeg Passepartout.
„Ja,” antwoordde Fix met kwalijk verbeten woede.
„Kom aan,” riep Passepartout, hartelijke lachende. „Ik wist wel dat gij
niet van ons kondt scheiden. Laten wij nu samen maar plaats gaan
nemen.”
Beiden begaven zich toen naar het plaatsbureel aan wal en bespraken
vier hutten. De bureelist deelde hun echter mede dat, daar de
herstellingen van de Carnatic waren voltooid, de mailboot dien avond
ten acht ure zou vertrekken en niet den anderen morgen, zooals eerst
was aangekondigd.
„Zeer goed,” zeide Passepartout, „dat zal mijn meester bevallen, ik zal
hem dadelijk gaan waarschuwen.”
Toen Fix dit hoorde, besloot hij eene uiterste poging te wagen en alles
aan Passepartout te zeggen; dit was misschien het eenige middel om
Phileas Fogg nog eenige dagen te Hong-Kong te houden.
Het bureel verlatende, stelde Fix zijn reisgezel voor, eenige
ververschingen te gaan gebruiken in eene naburige herberg. Passepartout
had den tijd en nam de uitnoodiging van Fix aan. De herberg lag aan de
kade en zag er uitlokkend uit. Zij traden er binnen. Het was eene
groote, net versierde zaal, aan welker uiteinde men een lang rustbed
zag met kussens, waarop verscheidene personen lagen te slapen.
Een dertigtal bezoekers waren aan kleine tafeltjes van gevlochten
matwerk gezeten. Sommigen dronken engelsch bier, ale of porter, anderen
sterken drank, jenever of brandewijn. Bovendien rookten de meesten
lange rood-aarden pijpen, die gestopt waren met balletjes opium en
oranjebloesem. Van tijd tot tijd zag men een der rookers onder tafel
glijden; dan kwamen de knechts, namen hem bij het hoofd en de voeten en
legden hem op het rustbed bij de andere slapers neder. Een twintigtal
van die dronkaards lagen daar reeds roerloos naast elkander, in de
laatste phase van verdooving.
Fix en Passepartout begrepen dat zij eene herberg waren binnengetreden,
die gewoonlijk bezocht werd door de ongelukkigen, welke door het
opium-schuiven worden bedwelmd, waarvan het handeldrijvende Engeland
jaarlijks voor honderd dertig millioen gulden verkoopt. Ongelukkige
millioenen, welke geheven worden met behulp van eene der noodlottigste
menschelijke hartstochten!
Het chineesche Gouvernement heeft zulk een misbruik door strenge wetten
wel zoeken te verhelpen, maar te vergeefs. Het gebruik van opium dat
eerst slechts onder het bereik van den aanzienlijken stand was, drong
van lieverlede ook door tot de lagere klassen, en nu is er geen einde
meer aan de buitensporigheid door deze bedreven. Overal en altijd
schuift men in het Hemelsche Rijk opium. Mannen en vrouwen geven zich
aan dezen verderfelijken hartstocht over, en wanneer zij eenmaal aan
die inademing gewoon zijn, kunnen zij er ook niet meer buiten, of zij
lijden aan vreeselijke maagkrampen. Een goed rooker kan acht pijpen
daags rooken, maar hij sterft dan ook in vijf jaar.
In zulk eene herberg nu, waarvan er zeer velen in Hong-Kong zijn, waren
Fix en Passepartout binnengegaan, met het doel om zich een weinig te
verfrisschen. Passepartout had geen geld bij zich, maar hij maakte
gaarne van de mildheid van zijn reisgezel gebruik, die hij hem bij
gelegenheid hoopte te vergelden.
Men bestelde twee flesschen portwijn, waaraan de Franschman zich te
goed deed, terwijl Fix, die matiger was, hem met de grootste aandacht
gadesloeg. Men praatte over allerlei zaken, maar vooral over den goeden
inval van Fix om ook eene plaats op de Carnatic te bespreken. En toen
zij over de stoomboot, welker vertrek eenige uren was vervroegd,
uitgepraat en de flesschen ledig waren, besloot Passepartout zijn
meester te gaan waarschuwen, dat zij binnen een paar uur vertrekken
zou.
Maar Fix hield hem terug.
„Een oogenblik,” zeide hij.
„Wat wilt gij, mijnheer Fix?”
„Ik heb nog over ernstige zaken met u te praten.”
„Ernstige zaken,” herhaalde Passepartout, zijn glas uitdrinkende,
waarin nog enkele druppels waren. „Welnu, daar zullen wij morgen wel
eens over spreken, ik heb nu geen tijd meer.”
„Neen nu,” antwoordde Fix, „want het geldt uw meester.”
Passepartout keek op dit gezegde Fix scherp in de oogen. Het gelaat van
Fix maakte op hem een zonderlingen indruk. Hij ging weder zitten.
„Wat hebt gij mij te zeggen?” vroeg hij.
Fix legde zijne hand op den arm van zijn reisgezel en op fluisterenden
toon vroeg hij:
„Gij hebt geraden wie ik ben?”
„Wel zeker,” antwoordde Passepartout glimlachend.
„Dan zal ik u alles bekennen.”
„Nu ik alles weet, vriendje! Wel nu nog mooier. Maar ga je gang. Eerst
echter moet ge mij de opmerking vergunnen, dat die heeren noodelooze
onkosten hebben gemaakt!”
„Noodeloos,” herhaalde Fix, „ge spreekt er gemakkelijk over. Men kan
wel zien, dat gij niet weet welk eene som er mede gemoeid is.”
„Wel zeker, weet ik dat. Twintig duizend pond.”
„Vijf en vijftig duizend!” sprak Fix, de hand van den Franschman
drukkende.
„Wat!” riep Passepartout. „Mijnheer Fogg zou het gewaagd hebben ...
vijf en vijftig duizend pond!... Welnu eene reden te meer om geen
oogenblik tijd te verliezen,” eindigde hij en stond weder op.
„Vijf en vijftig duizend pond!” herhaalde Fix, die Passepartout dwong
weder plaats te nemen, na een flesch brandewijn te hebben besteld, „en
als ik slaag, krijg ik eene belooning van twee duizend. Wilt gij er
vijfhonderd van, onder voorwaarde dat gij mij helpt?”
„U helpen!” riep Passepartout uit, wiens oogen bovennatuurlijk groot
werden.
„Ja, mij helpen om dien Fogg eenige dagen te Hong-Kong op te houden.”
„Wat?” zeide Passepartout; „wat verlangt gij? Niet genoeg, dat zij mijn
meester doen volgen en zijn goede trouw verdenken, zouden die heeren
hem nu ook moeielijkheden in den weg willen leggen! Ik schaam mij over
hen.”
„Maar wat meent ge dan toch?” vroeg Fix.
„Wat ik meen? Dat dit een gemeene streek is. Men had even goed hem
kunnen bestelen; het geld uit zijn zak kunnen halen.”
„En dat denk ik dan ook te doen.”
„Maar dat is een verraderlijke streek!” riep Passepartout uit, die
onder den invloed van den brandewijn opgewonden raakte, want Fix had
hem blijven inschenken en hij dronk zonder het te weten. „Dat is een
verraderlijke, gemeene streek! En dat zijn gentlemen en collega’s.”
Fix begreep er nu niets meer van.
„Collega’s,” vervolgde Passepartout; „leden van de Reform-club! Vergeet
niet, mijnheer Fix, dat mijn meester een eerlijk man is en wanneer hij
eene weddenschap aangaat, wil hij die op loyale wijze winnen.”
„Maar wie denkt gij dan dat ik ben?” vroeg Fix, Passepartout strak
aanziende.
„Wel een agent van de leden der Reform-club, die in last heeft de reis
van mijn meester te controleeren, een zeer vernederende taak. Ik heb
dan ook, hoewel ik zeer goed begrepen heb wie gij waart, mij wel
gewacht dit aan den heer Fogg mede te deelen.
„Weet hij niets?” vroeg Fix levendig.
„Niets,” antwoordde Passepartout, nogmaals zijn glas ledigende.
De inspecteur van politie wreef met zijne hand over zijn voorhoofd. Hij
aarzelde verder te gaan. Wat zou hij doen? De dwaling van Passepartout
scheen oprecht, maar zij maakte het volvoeren van zijn plan
gemakkelijker. Blijkbaar sprak de knecht volkomen ter goeder trouw en
was hij geen medeplichtige van zijn meester, wat Fix had kunnen
vreezen.
„Welnu,” dacht hij, „als hij zijn medeplichtige niet is, zal hij mij
helpen.”
De detective was nu tot een ander besluit gekomen. Bovendien hij had
geen tijd meer om te dralen. Tot elken prijs moest hij Fogg te
Hong-Kong houden.
„Hoor,” zeide Fix; „luister goed naar hetgeen ik zeggen zal. Ik ben
niet degeen waarvoor gij mij houdt, namelijk een agent van de leden der
Reform-club.”
„Ei!” antwoordde Passepartout, hem spottend aanziende.
„Ik ben inspecteur van politie, belast met eene zending, die mij door
het hoofdbestuur van Londen is opgedragen.”
„Gij! inspecteur van politie!”
„Ja; als gij nog twijfelt, ziehier mijne aanstelling.”
De agent haalde daarop een papier uit zijne portefeuille te voorschijn
en liet aan Passepartout zijne aanstelling zien, door het hoofdbestuur
te Londen geteekend. Passepartout was geheel onthutst en zag Fix aan
zonder een woord te kunnen uiten.
„De weddenschap van dien Fogg,” ging Fix voort, „is slechts een
voorwendsel, waarvan gij dupe zijt, gij zoowel al de leden van de
Reform-club, want hij had er belang bij om zich van uwe onschuldige
medeplichtigheid te verzekeren.”
„Maar waarom?” riep Passepartout uit.
„Luister. Den 28en September l.l. is er eene som van vijf en vijftig
duizend pond aan de engelsche bank ontstolen door een persoon, wiens
signalement men heeft kunnen opmaken. Welnu, zie dat signalement; het
is trek voor trek dat van Fogg.”
„Onmogelijk!” riep Passepartout, met zijn stevige vuist op tafel
slaande. „Mijn meester is de eerlijkste man ter wereld.”
„Wat weet gij daarvan?” hernam Fix. „Gij kent hem zelfs niet. Gij zijt
bij hem in dienst getreden op den dag zelven, dat hij op reis ging en
hij is in overijling vertrokken onder een allerbelachelijkst
voorwendsel, zonder koffers en met een groote zak bankbiljetten. En ge
durft zeggen, dat hij een eerlijk man is.”
„Ja! dat is hij,” herhaalde de arme knecht werktuigelijk.
„Wilt gij dan als zijne medeplichtige in hechtenis worden genomen?”
Passepartout hield zijn hoofd met beide handen vast. Hij was
onherkenbaar. Hij durfde den inspecteur van politie niet aanzien.
Phileas Fogg een dief, hij de redder van Aouda, die edelmoedige man! En
toch welk een vermoeden rustte op hem! Passepartout trachtte de
verdenking, die ook bij hem oprees, te weren. Hij kon niet gelooven aan
de schuld van zijn meester.
„En wat woudt gij nu van mij?” vroeg hij aan den inspecteur, een
laatste poging doende om zich te bedwingen.
„Dit,” antwoordde Fix. „Ik heb tot hiertoe het spoor van dien Fogg
gevolgd, maar ik heb de volmacht om hem in hechtenis te nemen nog niet
uit Londen ontvangen. Gij moet mij helpen om hem te Hong-Kong te doen
blijven.”
„Ik! Ik zou....”
„En dan deel ik met u de premie van twee duizend pond, door de
Engelsche bank uitgeloofd.”
„Nooit!” antwoordde Passepartout, die wilde opstaan, maar neerzonk en
gevoelde dat zijn verstand en zijne krachten beiden hem begeven hadden.
„Mijnheer Fix,” stotterde hij, „al was alles waar wat gij mij gezegd
hebt, al was mijnheer Fogg de dief, dien gij zoekt, wat ik ontken ...
ik ben in zijn dienst ... ik heb gezien, dat hij goed en edelmoedig was
... hem verraden ... neen voor al het goud der aarde ... ik ben van een
dorp, waar dat brood niet gebakken wordt....”
„Gij weigert?”
„Ik weiger.”
„Laten wij het er dan maar voor houden, dat ik niets gezegd heb en een
glas drinken.”
Passepartout gevoelde, dat hij hoe langer hoe meer onder den invloed
van den drank kwam. Fix, die begreep, dat hij hem volstrekt van zijn
meester moest scheiden, wilde hem geheel bedwelmen. Op de tafel lagen
een paar pijpen opium. Fix stopte er hem eene in de hand. Passepartout
nam ze werktuigelijk aan, stak ze in den mond, deed eenige trekken en
viel toen onder den invloed van den verdoovenden geur voorover.
„Eindelijk,” zeide Fix, toen hij Passepartout buiten kennis zag; „Fogg
zal van het vertrek der Carnatic geen kennis dragen en als hij toch
vertrekt, zal het niet zijn door behulp van dien verwenschten
Franschman.”
Daarop betaalde hij de vertering en ging heen.