Waarin de zak met banknoten weder met eenige duizenden ponden
sterling vermindert.
De trein had aan het station opgehouden. Passepartout stapte het eerst
uit den waggon, en werd door Fogg gevolgd, die zijne jeugdige
reisgezellin bij het uitstijgen behulpzaam was. Phileas Fogg was van
plan om terstond naar de mailboot voor Hong-Kong te gaan, ten einde
mevrouw Aouda daar zoo gemakkelijk mogelijk te installeeren, want hij
wilde niet van haar scheiden, zoolang zij vertoefde in een land, dat
zoo gevaarlijk voor haar was.
Op het oogenblik dat Fogg het station zou verlaten, naderde hem een
agent van politie met de woorden:
„Mijnheer Phileas Fogg?”
„Die ben ik.”
„En deze man is uw bediende?” vroeg de agent verder, op Passepartout
wijzende.
„Ja.”
„Wil mij dan beiden volgen.”
Fogg’s houding liet niet de minste verbazing blijken. De agent was een
vertegenwoordiger van de wet, en voor iederen engelschman is de wet
heilig. Passepartout, met zijne fransche gewoonten, wilde er iets tegen
inbrengen, maar de agent raakte hem even met zijn stokje aan, en
Phileas Fogg wenkte hem dat hij zou gehoorzamen.
„Kan deze jonge dame ons vergezellen?” vroeg Fogg.
„Dat kan zij,” antwoordde de agent.
De agent geleidde Fogg, Aouda en Passepartout naar een palkighari, eene
soort van rijtuig op vier wielen met twee paarden bespannen, waarin
ruimte voor vier personen was. Men reed weg; niemand sprak gedurende
den rit, welke twintig minuten duurde.
Het rijtuig reed eerst door de stad der inlanders met hare hooge nauwe
straten en hutten, waarin eene cosmopolitische bevolking zoo vuil en
haveloos mogelijk wemelde; vervolgens door de europeesche stad, met
huizen van gebakken steen, beschaduwd door kokosboomen en omringd door
een bosch van masten.
Ondanks den vroegen morgen doorkruisten reeds vele rijtuigen en
voorname ruiters de straten.
De palkighari hield stil voor een gebouw met een onaanzienlijk
voorkomen, maar dat toch blijkbaar geen particulier huis was. De agent
deed hier zijne gevangenen uitstijgen—men kon hun inderdaad dezen naam
wel geven—en bracht hen toen naar een kamer met getraliede vensters,
terwijl hij hun toevoegde:
„Om half negen zult gij voor den rechter verschijnen.”
Daarop verwijderde hij zich en sloot de deur.
„Mooi zoo! Wij zijn gevangen!” riep Passepartout, zich op een stoel
werpende. Mevrouw Aouda richtte zich terstond tot Fogg, en zeide met
eene stem, waarin zij kwalijk hare aandoening kon verbergen:
„Mijnheer, gij moet mij aan mijn lot overlaten! Ik ben de oorzaak dat
ge vervolgd wordt, omdat gij mij hebt willen redden!”
Phileas Fogg zeide slechts dat dit onmogelijk was. Vervolgd te worden
wegens die zaak van de sutty was niet denkbaar. Hoe zouden de
aanklagers zich kunnen aanmelden! Er had een vergissing plaats! Fogg
voegde er bij, dat hij in geen geval de jonge vrouw zou verlaten, en
dat hij haar naar Hong-Kong zou brengen.
„Maar de boot vertrekt ten twaalf ure!” merkte Passepartout op.
„Vóór twaalf ure zullen wij aan boord zijn,” antwoordde Fogg kalm.
Dit werd op zulk een beslissenden toon gezegd, dat Passepartout niet
kon nalaten bij zich zelven te denken:
„Nu dat is dus zeker? Vóór twaalf uur zullen wij aan boord zijn!” Maar
toch was hij nog maar half gerustgesteld.
Tegen half negen ging de deur der kamer open. De agent van politie trad
weder binnen en bracht zijne gevangenen in een ander vertrek. Dit was
de rechtszaal en een tamelijk groot publiek van Europeanen en
inboorlingen was reeds tegenwoordig.
Fogg, Aouda en Passepartout zetten zich op een bank tegenover de zetels
van den magistraat en den griffier.
De magistraat, de heer Obadiah, kwam terstond daarop binnen, gevolgd
door den griffier. Hij was een groot, gezet man. Hij nam een pruik van
een spijker aan den wand en zette die op.
„De eerste zaak,” begon hij. Maar zijne hand aan zijn hoofd brengende,
riep hij terstond:
„Hé! Dat is mijn pruik niet!”
„Inderdaad, het is de mijne,” antwoordde de griffier.
„Waarde mijnheer Oysterpuf, hoe kunt gij meenen dat een rechter een
goed vonnis zou kunnen vellen met de pruik van den griffier!”
Men verwisselde toen de pruiken. Onder deze voorbereidende maatregelen
kookte het bloed van Passepartout, want het scheen hem toe, dat de
wijzer der klok ontzaglijk snel ging.
„De eerste zaak,” sprak de rechter Obadiah weder.
„Phileas Fogg,” zeide de griffier Oysterpuf.
„Present,” antwoordde de heer Fogg.
„Passepartout?”
„Present,” herhaalde Passepartout.
„In orde,” zeide de rechter Obadiah. „Al twee dagen lang wordt op alle
treinen, die van Bombay komen, naar u gezocht.”
„En waar beschuldigt men ons dan van?” vroeg Passepartout ongeduldig.
„Dat zult gij aanstonds vernemen,” antwoordde de rechter.
„Mijnheer,” zeide Fogg toen, „ik ben britsch onderdaan, en ik heb
recht....”
„Zijn uwe rechten in eenig opzicht gekrenkt?” vroeg Obadiah.
„Volstrekt niet.”
„Goed. Laat dan de aanklagers binnen komen.”
Op een wenk van den rechter werd eene deur geopend en drie hindoesche
priesters werden door den deurwaarder binnen geleid.
„Juist. Net zoo als ik dacht,” prevelde Passepartout, „dat zijn de
kerels, welke de Indische dame wilden verbranden.”
De priesters plaatsten zich vóór den rechter en de griffier las met
luider stem eene aanklacht wegens heiligschennis tegen Phileas Fogg en
zijn bediende, beschuldigd een gebouw te hebben ontwijd, dat voor de
eeredienst van Brahma bestemd was.
„Hebt gij het gehoord?” vroeg de rechter aan Phileas Fogg.
„Ja, mijnheer,” antwoordde Fogg, op zijn horloge ziende, „en ik beken.”
„O zoo! gij bekent?....”
„Ik beken en verwacht dat deze drie priesters op hunne beurt bekennen
zullen, wat zij wilden doen in de pagode van Pillaji.”
De priesters keken elkander aan. Zij schenen niets te begrijpen van de
woorden van den beschuldigde.
„Ongetwijfeld,” riep Passepartout driftig, „in die pagode van Pillaji,
waar zij hun slachtoffer wilden verbranden!”
Nieuwe verbazing der priesters, en diepe verbazing van den rechter
Obadiah.
„Welk slachtoffer?” vroeg hij. „Wie wilden zij verbranden in het hartje
van Bombay?”
„Bombay!” riep Passepartout.
„Zeker. Er is hier geen sprake van de pagode van Pillaji, maar van de
pagode van Malabarhill te Bombay.”
„En als bewijs zijn hier de schoenen van den heiligschenner,” zeide de
griffier, terwijl hij een paar schoenen op zijn lessenaar zette.
„Mijne schoenen!” riep Passepartout uit, die in de hoogste mate
verbaasd, dezen onwillekeurigen uitroep niet kon weerhouden.
Men kan de ontsteltenis begrijpen, die bij meester en knecht te weeg
was gebracht. Het voorval in de pagode van Bombay hadden zij al lang
vergeten, en dit was het toch dat hen voor den magistraat van Calcutta
bracht.
De agent Fix had terstond al het voordeel begrepen, dat hij uit deze
ongelukkige zaak kon trekken. Zijn vertrek twaalf uren uitstellende,
had hij zich tot raadsman opgeworpen van de priesters van Malabarhill;
hij had hun eene aanzienlijke schadeloosstelling beloofd, daar hij wel
wist dat het engelsche gouvernement zulk eene overtreding zeer zwaar
strafte; daarop had hij hen met den volgenden trein de heiligschenners
nagezonden. Maar, daar deze veel tijd hadden besteed om de jonge weduwe
te redden, waren Fix en de hindoes vóór Fogg en zijn bediende te
Calcutta aangekomen, en de magistraten waren door telegrammen verzocht,
om hen reeds bij het uitstijgen uit den trein in hechtenis te doen
nemen. Men kan begrijpen, hoe groot de teleurstelling van Fix was, toen
hij vernam dat Phileas Fogg nog niet in de hoofdstad van Indië was
aangekomen. Hij moest wel gelooven dat zijn dief den Peninsular
spoorweg had verlaten en zich verborgen hield in een van de noordelijke
provinciën. Vier en twintig uren lang verkeerde Fix in doodelijken
angst en bespiedde hij het station. Groot was zijne vreugde, toen hij
dezen zelfden morgen hem uit den waggon zag stappen, in gezelschap
bovendien van een jonge vrouw, van wier tegenwoordigheid hij zich geen
rekenschap kon geven. Oogenblikkelijk zond hij een agent van politie op
hem af, en dit was de oorzaak dat Fogg, Passepartout en de weduwe van
den rajah van Bundelkund voor den rechter Obadiah gebracht werden.
Zoo Passepartout minder vervuld ware geweest met zijn eigene zaak, dan
zou hij opgemerkt hebben, dat in een hoekje van de gerechtszaal de
detective gezeten was, die het geding met een licht te begrijpen
belangstelling volgde; want zoowel te Calcutta, als te Bombay en te
Suez, had hij het bevel van inhechtenisneming nog niet ontvangen.
Intusschen had Obadiah akte genomen van de bekentenis van Passepartout,
die wel alles wat hij bezat had willen geven, om zijne onvoorzichtige
woorden terug te nemen.
„Is het feit erkend?” vroeg de rechter.
„Erkend,” antwoordde Fogg kalm.
„Overwegende,” hernam de rechter, „dat de engelsche wet alle
godsdiensten in Indië even nauwgezet wil beschermen en het misdrijf
door genoemden Passepartout erkend is en van dezen alzoo bewezen is dat
hij den drempel van den afgodstempel van Malabarhill te Bombay met een
heiligschennenden voet heeft betreden op den 20en October, wordt
meergemelde Passepartout veroordeeld tot vijf dagen gevangenisstraf en
een boete van driehonderd pond.”
„Drie honderd pond!” riep Passepartout uit, die slechts ooren had voor
de boete.
„Stilte!” riep de deurwaarder met krijschende stem.
„En,” voegde de rechter Obadiah er bij, „overwegende dat het niet
bewezen is, dat de meester niet medeplichtig was aan het misdrijf van
den bediende, maar dat in allen gevalle deze aansprakelijk moet worden
gesteld voor de daden en bewegingen van een bediende, welke van hem
zijn loon ontvangt, wordt aan Phileas Fogg niet veroorloofd te
vertrekken en wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht
dagen en een boete van honderd vijftig pond. Griffier de volgende
zaak!”
Fix had, in zijn hoek gezeten, met een onuitsprekelijk genoegen Phileas
Fogg hooren veroordeelen tot acht dagen gevangenisstraf te Calcutta.
Dat was langer tijd dan noodig was om het bevel tot in hechtenisneming
te ontvangen.
Passepartout was geheel verpletterd. De veroordeeling deed zijn meester
diens geheele fortuin verliezen. Een weddenschap van twintig duizend
pond verloren, alleen omdat hij als een echte slenteraar dien
verwenschten afgodstempel van Malabarhill binnengetreden was!
Phileas Fogg bleef zoo geheel meester over zich zelven alsof hem de
veroordeeling volstrekt niet aanging. Ja, hij fronste zelfs zijn
wenkbrauwen niet. Maar op het oogenblik dat de griffier een andere zaak
zou roepen, richtte hij zich op met de woorden:
„Ik bied borgtocht aan.”
„Dat is uw recht,” antwoordde de rechter.
Fix dacht dat hij door den grond zou zinken, maar hij herstelde zich
weer spoedig, toen hij vernam wat de rechter zeide.
„Overwegende dat Phileas Fogg en zijn bediende vreemdelingen zijn,
wordt borgtocht voor ieder gesteld op de aanzienlijke som van duizend
pond.”
Twee duizend pond moest het Fogg kosten, zoo hij met zijne
veroordeeling geen vrede nam.
„Ik betaal,” zeide de gentleman, en haalde uit den zak, dien
Passepartout droeg, een pak banknoten, dat hij op den lessenaar van den
griffier legde.
„Dit geld zal u in staat stellen om de gevangenis te ontloopen,” zeide
de rechter. „Gij zijt intusschen vrij onder borgtocht.”
„Ga mee,” zeide Fogg tot zijn knecht.
„Als zij mij ten minste mijne schoenen maar teruggeven! zeide
Passepartout woedend.
Men gaf hem zijne schoenen terug.
Een duur paar schoenen! mompelde hij. Elk meer dan duizend pond! En dan
komt er nog bij dat zij mij klemmen! Toen volgde hij zeer neerslachtig
Fogg, die mevrouw Aouda zijn arm had geboden. Fix hoopte altijd nog dat
zijn dief nooit besluiten zou om die twee duizend pond te betalen, maar
liever voor acht dagen in de gevangenis zou gaan. Hij volgde Fogg dus
op den voet.
Deze, mevrouw Aouda en Passepartout, stegen terstond in een rijtuig.
Fix liep het na en zag dat het weldra op de kade stilhield.
Op een halve mijl afstand van de kust lag de Rangoon voor anker; haar
vlag was ten teeken van vertrek boven in den mast geheschen. Het sloeg
elf uur, Fogg was dus nog een uur vóór. Fix zag hem uit het rijtuig
stijgen en in een bootje gaan met mevrouw Aouda en zijn knecht. De
detective stampvoette.
„De deugniet!” riep hij, „hij reist toch weg! Twee duizend pond
opgeofferd! Hij is zoo verkwistend als een dief. Ik zal hem toch in
mijn macht krijgen, al was het ook aan het einde van de wereld; maar
als hij zoo voortgaat, zal ik al het geld van den diefstal er bij
inschieten.”
De inspecteur van politie was geheel ter prooi aan deze gedachten. En
waarlijk sedert hij Londen had verlaten, had Phileas Fogg, zoowel aan
reiskosten als fooien, den koop van den olifant, de borgtochten en de
boeten, reeds meer dan vijfduizend pond besteed en de zooveel percent
van de teruggevonden som, welke toegekend wordt aan den detective,
verminderde voortdurend.