VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin de zak met banknoten weder met eenige duizenden ponden

sterling vermindert.

De trein had aan het station opgehouden. Passepartout stapte het eerst

uit den waggon, en werd door Fogg gevolgd, die zijne jeugdige

reisgezellin bij het uitstijgen behulpzaam was. Phileas Fogg was van

plan om terstond naar de mailboot voor Hong-Kong te gaan, ten einde

mevrouw Aouda daar zoo gemakkelijk mogelijk te installeeren, want hij

wilde niet van haar scheiden, zoolang zij vertoefde in een land, dat

zoo gevaarlijk voor haar was.

Op het oogenblik dat Fogg het station zou verlaten, naderde hem een

agent van politie met de woorden:

„Mijnheer Phileas Fogg?”

„Die ben ik.”

„En deze man is uw bediende?” vroeg de agent verder, op Passepartout

wijzende.

„Ja.”

„Wil mij dan beiden volgen.”

Fogg’s houding liet niet de minste verbazing blijken. De agent was een

vertegenwoordiger van de wet, en voor iederen engelschman is de wet

heilig. Passepartout, met zijne fransche gewoonten, wilde er iets tegen

inbrengen, maar de agent raakte hem even met zijn stokje aan, en

Phileas Fogg wenkte hem dat hij zou gehoorzamen.

„Kan deze jonge dame ons vergezellen?” vroeg Fogg.

„Dat kan zij,” antwoordde de agent.

De agent geleidde Fogg, Aouda en Passepartout naar een palkighari, eene

soort van rijtuig op vier wielen met twee paarden bespannen, waarin

ruimte voor vier personen was. Men reed weg; niemand sprak gedurende

den rit, welke twintig minuten duurde.

Het rijtuig reed eerst door de stad der inlanders met hare hooge nauwe

straten en hutten, waarin eene cosmopolitische bevolking zoo vuil en

haveloos mogelijk wemelde; vervolgens door de europeesche stad, met

huizen van gebakken steen, beschaduwd door kokosboomen en omringd door

een bosch van masten.

Ondanks den vroegen morgen doorkruisten reeds vele rijtuigen en

voorname ruiters de straten.

De palkighari hield stil voor een gebouw met een onaanzienlijk

voorkomen, maar dat toch blijkbaar geen particulier huis was. De agent

deed hier zijne gevangenen uitstijgen—men kon hun inderdaad dezen naam

wel geven—en bracht hen toen naar een kamer met getraliede vensters,

terwijl hij hun toevoegde:

„Om half negen zult gij voor den rechter verschijnen.”

Daarop verwijderde hij zich en sloot de deur.

„Mooi zoo! Wij zijn gevangen!” riep Passepartout, zich op een stoel

werpende. Mevrouw Aouda richtte zich terstond tot Fogg, en zeide met

eene stem, waarin zij kwalijk hare aandoening kon verbergen:

„Mijnheer, gij moet mij aan mijn lot overlaten! Ik ben de oorzaak dat

ge vervolgd wordt, omdat gij mij hebt willen redden!”

Phileas Fogg zeide slechts dat dit onmogelijk was. Vervolgd te worden

wegens die zaak van de sutty was niet denkbaar. Hoe zouden de

aanklagers zich kunnen aanmelden! Er had een vergissing plaats! Fogg

voegde er bij, dat hij in geen geval de jonge vrouw zou verlaten, en

dat hij haar naar Hong-Kong zou brengen.

„Maar de boot vertrekt ten twaalf ure!” merkte Passepartout op.

„Vóór twaalf ure zullen wij aan boord zijn,” antwoordde Fogg kalm.

Dit werd op zulk een beslissenden toon gezegd, dat Passepartout niet

kon nalaten bij zich zelven te denken:

„Nu dat is dus zeker? Vóór twaalf uur zullen wij aan boord zijn!” Maar

toch was hij nog maar half gerustgesteld.

Tegen half negen ging de deur der kamer open. De agent van politie trad

weder binnen en bracht zijne gevangenen in een ander vertrek. Dit was

de rechtszaal en een tamelijk groot publiek van Europeanen en

inboorlingen was reeds tegenwoordig.

Fogg, Aouda en Passepartout zetten zich op een bank tegenover de zetels

van den magistraat en den griffier.

De magistraat, de heer Obadiah, kwam terstond daarop binnen, gevolgd

door den griffier. Hij was een groot, gezet man. Hij nam een pruik van

een spijker aan den wand en zette die op.

„De eerste zaak,” begon hij. Maar zijne hand aan zijn hoofd brengende,

riep hij terstond:

„Hé! Dat is mijn pruik niet!”

„Inderdaad, het is de mijne,” antwoordde de griffier.

„Waarde mijnheer Oysterpuf, hoe kunt gij meenen dat een rechter een

goed vonnis zou kunnen vellen met de pruik van den griffier!”

Men verwisselde toen de pruiken. Onder deze voorbereidende maatregelen

kookte het bloed van Passepartout, want het scheen hem toe, dat de

wijzer der klok ontzaglijk snel ging.

„De eerste zaak,” sprak de rechter Obadiah weder.

„Phileas Fogg,” zeide de griffier Oysterpuf.

„Present,” antwoordde de heer Fogg.

„Passepartout?”

„Present,” herhaalde Passepartout.

„In orde,” zeide de rechter Obadiah. „Al twee dagen lang wordt op alle

treinen, die van Bombay komen, naar u gezocht.”

„En waar beschuldigt men ons dan van?” vroeg Passepartout ongeduldig.

„Dat zult gij aanstonds vernemen,” antwoordde de rechter.

„Mijnheer,” zeide Fogg toen, „ik ben britsch onderdaan, en ik heb

recht....”

„Zijn uwe rechten in eenig opzicht gekrenkt?” vroeg Obadiah.

„Volstrekt niet.”

„Goed. Laat dan de aanklagers binnen komen.”

Op een wenk van den rechter werd eene deur geopend en drie hindoesche

priesters werden door den deurwaarder binnen geleid.

„Juist. Net zoo als ik dacht,” prevelde Passepartout, „dat zijn de

kerels, welke de Indische dame wilden verbranden.”

De priesters plaatsten zich vóór den rechter en de griffier las met

luider stem eene aanklacht wegens heiligschennis tegen Phileas Fogg en

zijn bediende, beschuldigd een gebouw te hebben ontwijd, dat voor de

eeredienst van Brahma bestemd was.

„Hebt gij het gehoord?” vroeg de rechter aan Phileas Fogg.

„Ja, mijnheer,” antwoordde Fogg, op zijn horloge ziende, „en ik beken.”

„O zoo! gij bekent?....”

„Ik beken en verwacht dat deze drie priesters op hunne beurt bekennen

zullen, wat zij wilden doen in de pagode van Pillaji.”

De priesters keken elkander aan. Zij schenen niets te begrijpen van de

woorden van den beschuldigde.

„Ongetwijfeld,” riep Passepartout driftig, „in die pagode van Pillaji,

waar zij hun slachtoffer wilden verbranden!”

Nieuwe verbazing der priesters, en diepe verbazing van den rechter

Obadiah.

„Welk slachtoffer?” vroeg hij. „Wie wilden zij verbranden in het hartje

van Bombay?”

„Bombay!” riep Passepartout.

„Zeker. Er is hier geen sprake van de pagode van Pillaji, maar van de

pagode van Malabarhill te Bombay.”

„En als bewijs zijn hier de schoenen van den heiligschenner,” zeide de

griffier, terwijl hij een paar schoenen op zijn lessenaar zette.

„Mijne schoenen!” riep Passepartout uit, die in de hoogste mate

verbaasd, dezen onwillekeurigen uitroep niet kon weerhouden.

Men kan de ontsteltenis begrijpen, die bij meester en knecht te weeg

was gebracht. Het voorval in de pagode van Bombay hadden zij al lang

vergeten, en dit was het toch dat hen voor den magistraat van Calcutta

bracht.

De agent Fix had terstond al het voordeel begrepen, dat hij uit deze

ongelukkige zaak kon trekken. Zijn vertrek twaalf uren uitstellende,

had hij zich tot raadsman opgeworpen van de priesters van Malabarhill;

hij had hun eene aanzienlijke schadeloosstelling beloofd, daar hij wel

wist dat het engelsche gouvernement zulk eene overtreding zeer zwaar

strafte; daarop had hij hen met den volgenden trein de heiligschenners

nagezonden. Maar, daar deze veel tijd hadden besteed om de jonge weduwe

te redden, waren Fix en de hindoes vóór Fogg en zijn bediende te

Calcutta aangekomen, en de magistraten waren door telegrammen verzocht,

om hen reeds bij het uitstijgen uit den trein in hechtenis te doen

nemen. Men kan begrijpen, hoe groot de teleurstelling van Fix was, toen

hij vernam dat Phileas Fogg nog niet in de hoofdstad van Indië was

aangekomen. Hij moest wel gelooven dat zijn dief den Peninsular

spoorweg had verlaten en zich verborgen hield in een van de noordelijke

provinciën. Vier en twintig uren lang verkeerde Fix in doodelijken

angst en bespiedde hij het station. Groot was zijne vreugde, toen hij

dezen zelfden morgen hem uit den waggon zag stappen, in gezelschap

bovendien van een jonge vrouw, van wier tegenwoordigheid hij zich geen

rekenschap kon geven. Oogenblikkelijk zond hij een agent van politie op

hem af, en dit was de oorzaak dat Fogg, Passepartout en de weduwe van

den rajah van Bundelkund voor den rechter Obadiah gebracht werden.

Zoo Passepartout minder vervuld ware geweest met zijn eigene zaak, dan

zou hij opgemerkt hebben, dat in een hoekje van de gerechtszaal de

detective gezeten was, die het geding met een licht te begrijpen

belangstelling volgde; want zoowel te Calcutta, als te Bombay en te

Suez, had hij het bevel van inhechtenisneming nog niet ontvangen.

Intusschen had Obadiah akte genomen van de bekentenis van Passepartout,

die wel alles wat hij bezat had willen geven, om zijne onvoorzichtige

woorden terug te nemen.

„Is het feit erkend?” vroeg de rechter.

„Erkend,” antwoordde Fogg kalm.

„Overwegende,” hernam de rechter, „dat de engelsche wet alle

godsdiensten in Indië even nauwgezet wil beschermen en het misdrijf

door genoemden Passepartout erkend is en van dezen alzoo bewezen is dat

hij den drempel van den afgodstempel van Malabarhill te Bombay met een

heiligschennenden voet heeft betreden op den 20en October, wordt

meergemelde Passepartout veroordeeld tot vijf dagen gevangenisstraf en

een boete van driehonderd pond.”

„Drie honderd pond!” riep Passepartout uit, die slechts ooren had voor

de boete.

„Stilte!” riep de deurwaarder met krijschende stem.

„En,” voegde de rechter Obadiah er bij, „overwegende dat het niet

bewezen is, dat de meester niet medeplichtig was aan het misdrijf van

den bediende, maar dat in allen gevalle deze aansprakelijk moet worden

gesteld voor de daden en bewegingen van een bediende, welke van hem

zijn loon ontvangt, wordt aan Phileas Fogg niet veroorloofd te

vertrekken en wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht

dagen en een boete van honderd vijftig pond. Griffier de volgende

zaak!”

Fix had, in zijn hoek gezeten, met een onuitsprekelijk genoegen Phileas

Fogg hooren veroordeelen tot acht dagen gevangenisstraf te Calcutta.

Dat was langer tijd dan noodig was om het bevel tot in hechtenisneming

te ontvangen.

Passepartout was geheel verpletterd. De veroordeeling deed zijn meester

diens geheele fortuin verliezen. Een weddenschap van twintig duizend

pond verloren, alleen omdat hij als een echte slenteraar dien

verwenschten afgodstempel van Malabarhill binnengetreden was!

Phileas Fogg bleef zoo geheel meester over zich zelven alsof hem de

veroordeeling volstrekt niet aanging. Ja, hij fronste zelfs zijn

wenkbrauwen niet. Maar op het oogenblik dat de griffier een andere zaak

zou roepen, richtte hij zich op met de woorden:

„Ik bied borgtocht aan.”

„Dat is uw recht,” antwoordde de rechter.

Fix dacht dat hij door den grond zou zinken, maar hij herstelde zich

weer spoedig, toen hij vernam wat de rechter zeide.

„Overwegende dat Phileas Fogg en zijn bediende vreemdelingen zijn,

wordt borgtocht voor ieder gesteld op de aanzienlijke som van duizend

pond.”

Twee duizend pond moest het Fogg kosten, zoo hij met zijne

veroordeeling geen vrede nam.

„Ik betaal,” zeide de gentleman, en haalde uit den zak, dien

Passepartout droeg, een pak banknoten, dat hij op den lessenaar van den

griffier legde.

„Dit geld zal u in staat stellen om de gevangenis te ontloopen,” zeide

de rechter. „Gij zijt intusschen vrij onder borgtocht.”

„Ga mee,” zeide Fogg tot zijn knecht.

„Als zij mij ten minste mijne schoenen maar teruggeven! zeide

Passepartout woedend.

Men gaf hem zijne schoenen terug.

Een duur paar schoenen! mompelde hij. Elk meer dan duizend pond! En dan

komt er nog bij dat zij mij klemmen! Toen volgde hij zeer neerslachtig

Fogg, die mevrouw Aouda zijn arm had geboden. Fix hoopte altijd nog dat

zijn dief nooit besluiten zou om die twee duizend pond te betalen, maar

liever voor acht dagen in de gevangenis zou gaan. Hij volgde Fogg dus

op den voet.

Deze, mevrouw Aouda en Passepartout, stegen terstond in een rijtuig.

Fix liep het na en zag dat het weldra op de kade stilhield.

Op een halve mijl afstand van de kust lag de Rangoon voor anker; haar

vlag was ten teeken van vertrek boven in den mast geheschen. Het sloeg

elf uur, Fogg was dus nog een uur vóór. Fix zag hem uit het rijtuig

stijgen en in een bootje gaan met mevrouw Aouda en zijn knecht. De

detective stampvoette.

„De deugniet!” riep hij, „hij reist toch weg! Twee duizend pond

opgeofferd! Hij is zoo verkwistend als een dief. Ik zal hem toch in

mijn macht krijgen, al was het ook aan het einde van de wereld; maar

als hij zoo voortgaat, zal ik al het geld van den diefstal er bij

inschieten.”

De inspecteur van politie was geheel ter prooi aan deze gedachten. En

waarlijk sedert hij Londen had verlaten, had Phileas Fogg, zoowel aan

reiskosten als fooien, den koop van den olifant, de borgtochten en de

boeten, reeds meer dan vijfduizend pond besteed en de zooveel percent

van de teruggevonden som, welke toegekend wordt aan den detective,

verminderde voortdurend.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 16 / 39 题