Waarin Passepartout wederom het bewijs geeft dat de fortuin op de
hand is der stoutmoedigen.
Het plan was gewaagd en de volvoering zou met tallooze moeielijkheden
gepaard gaan; misschien zou ze wel onmogelijk wezen.
De heer Fogg ging zijn leven wagen, of minstens zijne vrijheid en
daardoor ook de kans op het winnen zijner weddenschap. Maar hij
aarzelde niet. Bovendien vond hij in sir Francis Cromarty een
bondgenoot, die ook voor geen klein gerucht vervaard was. Wat
Passepartout betreft, deze was altijd gereed en men kon op hem rekenen.
Het plan van zijn meester vervulde hem met hartstochtelijke
bewondering. Hij erkende nu onder diens ijskoude bevroren oppervlakte
een hart dat warm klopte, een gemoed, dat gevoelde. Hij begon van
Phileas Fogg te houden. De vraag was nog slechts hoe de gids er over
dacht en welke partij deze kiezen zou. Zoo hij al niet wilde
medewerken, moest men zich ten minste van zijne onzijdigheid
verzekeren. Maar zou hij niet geneigd zijn de Hindoes te helpen? Sir
Francis Cromarty deed hem die vraag onbewimpeld.
„Generaal,” antwoordde de gids, „ik ben een Parsi en de vrouw is eene
Parsi. Gij kunt over mij beschikken.”
„Goed zoo, gids,” antwoordde de heer Fogg.
„Maar gij moet het wel weten,” zeide de Parsi, „niet alleen wagen wij
er ons leven aan, maar ook den marteldood, wanneer wij gevat worden.
Denk dus wel na vóór gij begint.
„Wij hebben nagedacht,” zeide Fogg. „Het komt me voor, dat wij den
nacht moeten afwachten vóór wij iets ondernemen.”
„Dat is ook mijn idee,” antwoordde de gids.
De brave Hindoe deelde toen eenige bijzonderheden mede omtrent het
slachtoffer. Zij was eene indische vrouw, wier schoonheid algemeen
beroemd was, en behoorde tot het ras der Parsis. Haar vader was een
parsisch koopman te Bombay geweest en in die stad had zij een geheel
engelsche opleiding genoten. Naar hare manieren en de mate van hare
kennis oordeelende, zou men haar voor eene europeesche hebben gehouden.
Aouda, zoo heette zij, was reeds op jeugdigen leeftijd wees geworden en
aan den ouden rajah van Bundelkund uitgehuwelijkt. Drie maanden later
was zij weduwe. Daar zij wist welk lot haar te wachten stond, was zij
gevlucht, maar men had haar achterhaald en de bloedverwanten van den
rajah, die belang bij haren dood hadden, hadden besloten dat ook zij
zich zou moeten opofferen; ontkomen scheen niet meer mogelijk.
Dit verhaal versterkte bij den heer Fogg en zijne metgezellen het
besluit om haar te bevrijden. Men kwam overeen, dat de gids de richting
naar de pagode van Pillaji zou inslaan en die zoo dicht mogelijk zou
naderen. Een half uur later hield men halt in een dicht bosch, op
vijfhonderd schreden van de pagode, welke men niet zien kon; maar het
geschreeuw der dweepzieke menigte hoorde men duidelijk.
Toen beraadslaagde men over de middelen om het slachtoffer te genaken.
De gids kende de pagode van Pillaji, waarin hij verzekerde, dat de
jeugdige vrouw zou worden opgesloten. De vraag was, of men er kon
binnendringen door eene van de poorten, terwijl de gansche bende,
zwijmeldronken, daaromheen was gelegerd; dan wel of men eene opening in
den wand moest maken. Dit kon eerst beslist worden, wanneer men op de
plek zelve zou zijn. Maar wat niet twijfelachtig kon wezen, was dat men
dien nacht zelven het slachtoffer bevrijden moest, daar zij den anderen
morgen ter dood gebracht zou worden. Op dat oogenblik zou geene
menschelijke macht meer in staat zijn haar te redden.
Fogg en zijne metgezellen wachtten den nacht af. Zoodra het donker
werd, tegen zes uur des avonds, besloten zij tot eene verkenning in den
omtrek van de pagode. De laatste kreten der fakirs waren weggestorven.
Volgens gewoonte moesten deze Indiërs bedwelmd zijn door den damp van
opium en hennep en het was mogelijk tusschen hen door te sluipen tot
den tempel.
De Parsi, gevolgd door Phileas Fogg, Francis Cromarty en Passepartout,
baande zich een doortocht door het bosch. Na tien minuten onder de
takken te zijn doorgekropen, kwamen zij aan den oever eener kleine
rivier, en daar zagen zij, bij het licht van de vlammende harstakjes,
die op het uiteinde van ijzeren staven gestoken waren, een hoogen
stapel hout. Dat was de brandstapel van welriekend sandelhout,
doortrokken van geurige oliën. Bovenop lag het gebalsemd lijk van den
rajah, hetwelk verbrand moest worden te gelijk met dat zijner weduwe.
Op honderd schreden van den brandstapel verhief zich de pagode, wier
torentjes boven de kruinen der boomen uitstaken.
„Volg mij,” zeide de gids op fluisterenden toon.
Met verdubbelde behoedzaamheid en door zijne metgezellen gevolgd, gleed
de gids onhoorbaar door het hooge gras langs den oever. Men hoorde
niets dan het ruischen van den wind in het gebladerte. Weldra bleef de
Parsi staan op eene opene plek in het bosch, verlicht door eenige
brandende dennentakken. Op den grond lagen een aantal slapenden
verstrooid, kennelijk in dronkenschap verkeerende. Men zou gezegd
hebben, dat het een slagveld was met dooden bedekt. Mannen, vrouwen en
kinderen lagen hier op en door elkander, terwijl men op korten afstand
nog eenige beschonkenen hoorde ronken.
Op den achtergrond tusschen dicht geboomte zag men onduidelijk de
omtrekken van de pagode. Maar tot groote teleurstelling van den gids
onderscheidde men de lijfwachten van den rajah, die bij helder
flikkerende boomstammen, de ontbloote sabels in de hand, op schildwacht
stonden voor den tempel. Men moest dus onderstellen dat de priesters in
den tempel eveneens waakten.
De Parsi waagde zich niet verder.
Hij besefte dat het onmogelijk was den ingang van den tempel te naderen
en voerde zijne metgezellen in het bosch terug. Phileas Fogg en
Cromarty hadden eveneens begrepen, dat van deze zijde niets was te
beproeven. Zij hielden stand en overlegden met elkander op
fluisterenden toon.
„Laat ons wachten,” zeide de generaal, „het is eerst acht ure en het is
mogelijk, dat ook de lijfwachten in slaap vallen.”
„Dit is inderdaad mogelijk,” zeide de Parsi.
Phileas Fogg en de zijnen legden zich dus neder bij een boom en
wachtten. De tijd viel hun zeer lang. Nu en dan verliet hen de gids om
eens hoogte van de zaken te gaan nemen. Maar de lijfwachten van den
rajah bleven waken bij hunne toortsen en door de openingen in de pagode
drong een flauw licht naar buiten.
Men wachtte tot middernacht, maar de toestand bleef dezelfde.
Vóór den tempel hield men nog altijd de wacht. Blijkbaar kon men er dus
niet op rekenen, dat ook de wachters zouden gaan slapen. Waarschijnlijk
hadden zij geen opium mogen schuiven. Men moest dus op een ander middel
bedacht zijn en trachten door eene opening in de achterzijde van den
tempel daar binnen te dringen. Maar het bleef de vraag of daar de
priesters niet even waakzaam zouden zijn als de soldaten er buiten.
Na een laatste overleg, verklaarde de gids zich bereid om op verkenning
uit te gaan. Fogg, sir Francis en Passepartout volgden hem. Zij maakten
een omweg groot genoeg om onbemerkt de achterzijde van den tempel te
bereiken. Tegen half een kwamen zij hier aan zonder iemand ontmoet te
hebben. Aan dien kant werd volstrekt geen wacht gehouden, maar er waren
daar dan ook deuren noch vensters. De nacht was donker; de maan in haar
laatste kwartier en bovendien was zij verborgen achter de zware wolken.
De dikke boomen verhoogden nog de duisternis.
Het was echter niet genoeg dat men de achterzijde van den tempel
bereikt had; men moest er nog eene opening in maken. Phileas Fogg en de
zijnen hadden niets dan hunne zakmessen. Gelukkig bestonden de wanden
slechts uit gemetselde steenen en hout, zoodat het niet moeielijk was
er een gat in te boren. Als de eerste steen was weggenomen, volgden de
andere van zelf. Men toog aan het werk, zoo weinig gedruisch mogelijk
makende. De Parsi aan de eene zijde en Passepartout aan de andere
lichtten de steenen er uit, zoodat men al spoedig eene spleet had van
twee voet breedte. Het werk vorderde reeds goed, toen eensklaps een
kreet uit den tempel weerklonk en onmiddellijk door andere kreten wed
beantwoord.
Passepartout en de gids staakten hun arbeid. Had men hen ontdekt? Was
er alarm gemaakt? De voorzichtigheid gebood hun zich te verwijderen,
wat zij dan ook deden tegelijk met Phileas Fogg en sir Francis
Cromarty. Zij verborgen zich opnieuw in het dichtst van het bosch,
wachtende tot het alarm, wanneer het dit geweest was, zou zijn bedaard,
ten einde dan weder hunne taak te hervatten. Maar, helaas! een gedeelte
van de lijfwacht trok den tempel om en posteerde zich aan de
achterzijde, zoodat ook van dien kant het niet meer mogelijk was de
pagode te naderen.
Men kan zich de teleurstelling van de vier moedige mannen denken, aan
wie thans elke poging tot redding belet was. Zij konden het slachtoffer
niet naderen, hoe zouden zij het dus redden? Sir Francis beet zich de
lippen aan bloed. Passepartout was buiten zich zelven van woede en met
moeite kon de gids hem in bedwang houden. Fogg alleen bleef kalm en
verborg zijne gewaarwordingen.
„Zou ons dus niets anders overblijven dan weder heen te gaan?” vroeg de
generaal.
„Er blijft ons niets anders over,” erkende de gids.
„Laat ons wachten,” zeide Fogg, „ik behoef eerst morgen ten twaalf ure
te Allahabad te zijn.”
„Maar wat hoopt gij dan nog?” vroeg Francis Cromarty. „Over een paar
uur is het dag en....”
„De kans, die ons thans ontsnapt, kan zich op het laatste oogenblik
aanbieden.”
De generaal trachtte op het gelaat van Phileas Fogg te lezen, wat er in
dezen omging. Hij begreep niet waarop die koele Brit thans nog kon
hopen. Zou hij misschien op het oogenblik, dat de vrouw op den
brandstapel stond, haar met geweld aan hare beulen willen ontrukken?
Dat zou krankzinnigheid wezen; maar was de man niet krankzinnig genoeg
om het te beproeven? Nochtans stemde Cromarty er in toe, te blijven tot
de ontknooping van deze vreeselijke gebeurtenis. De gids wilde echter
niet, dat de heeren op de plek zouden blijven waar zij zich nu bevonden
en geleidde hen naar eene andere plaats nabij het open gedeelte van het
bosch. Daar waren zij onder het zware lommer der boomen en zagen zij de
slapende groepen, flauw verlicht door de walmende toortsen.
Passepartout intusschen, op de onderste takken gezeten, peinsde over
een plan, dat reeds terstond bij hem was opgerezen en telkens in zijn
geest terugkeerde, zoodat hij het niet meer van zich kon zetten. Eerst
had hij tot zich zelven gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn; toen
vroeg hij zich af, waarom hij het niet zou wagen; het was in ieder
geval een kans, misschien wel de eenige, en die wezens waren zoo
dom.... Passepartout deelde zijn plan niet mede, maar weldra klauterde
hij met de lenigheid van een slang in de onderste takken, welker
uiteinden den grond raakten.
De uren verliepen en weldra zag men een lichten gloed in de verte. Het
was de dageraad. In de omgeving bleef alles nog donker. Het gewichtige
oogenblik was daar. De sluimerende menigte verrees plotseling van den
grond. Er kwam leven en beweging in de groepen. De tam-tam werd
geslagen en het zingen begon weder. Het uur was gekomen, waarop de
ongelukkige sterven moest.
Weldra werden de poorten van den tempel geopend. Een fel licht straalde
naar buiten. Fogg en Cromarty zagen het slachtoffer door het volle
schijnsel der toortsen bestraald; twee priesters sleepten haar mede.
Het scheen hun zelfs toe, dat door een laatste instinct van zelfbehoud,
de rampzalige uit hare verdooving ontwaakte en trachtte te vluchten.
Het hart van sir Francis dreigde te barsten en zenuwachtig greep hij de
hand van Phileas Fogg; hij voelde dat die hand een mes omklemd hield.
Op dit oogenblik zette de stoet zich in beweging. De jeugdige vrouw was
weder in een staat van verdooving geraakt, door den damp der hennep
teweeggebracht. Zij werd tusschen de fakirs door gedragen, terwijl deze
hunne godsdienstige liederen zongen. Phileas Fogg en zijne metgezellen
sloten zich bij de laatste gelederen aan en volgden.
Twee minuten daarna kwamen zij aan den oever der rivier en hielden
stand op vijftig schreden van den brandstapel, waarop het lijk van den
rajah lag. In de schemering zagen zij het roerlooze slachtoffer
neergelegd naast het zielloos overschot van haar echtgenoot.
Een der priesters naderde met eene toorts, en bijna onmiddellijk stond
de met olie doortrokken houtstapel in volle vlam.
Op dat oogenblik hielden sir Francis Cromarty en de gids Phileas Fogg
tegen, die in waanzinnigen moed zich op den brandstapel wilde werpen.
Reeds stootte hij hen van zich af, toen plotseling het tooneel een
geheel ander aanzien kreeg. Een kreet van schrik steeg uit aller mond.
De gansene menigte wierp zich, in de grootste ontzetting, ter aarde.
De oude rajah was dan niet dood? Men zag hoe hij plotseling overeind
rees, zijne gade in de armen nam en als een schim van den brandstapel
verdween, te midden van de vlammen en de rookwolken.
De fakirs, de lijfwachten, de priesters, aan vrees en schrik ter prooi,
lagen met het gelaat op den grond en durfden niet opzien naar dit
wonder. Het roerlooze slachtoffer werd weggedragen door een paar
krachtige armen, die haar gewicht niet schenen te gevoelen. De heeren
Fogg en Cromarty waren blijven staan. De Parsi had het hoofd gebogen en
Passepartout was zeker niet minder verbaasd.
De uit den dood verrezene had de plaats bereikt waar de heeren Fogg en
Cromarty zich bevonden en op stroeven toon zeide hij:
„Vooruit!”
Het was Passepartout zelf, die den brandstapel had bestegen te midden
van den dikken rook en de vrouw ontrukt had aan een wissen dood.
Een oogenblik later waren alle vier in het bosch verdwenen en de
olifant rende in snellen draf voort. Maar een luid geschreeuw en zelfs
een kogel, die den hoed van Phileas Fogg doorboorde, getuigden, dat de
list ontdekt was. Op den brandstapel lag nog altijd het lijk van den
ouden rajah en de priesters, van hunne ontsteltenis bekomen, begrepen
dat een onbeschaamde roof was gepleegd. Zij ijlden, gevolgd door de
wachters, de vluchtenden na. Men schoot op hen, maar de europeanen
reden te snel en in weinige oogenblikken waren zij buiten het bereik
der pijlen en kogels.