Waarin Phileas Fogg en zijne metgezellen zich in de indische
bosschen wagen, en wat het gevolg er van is.
De gids liet den in aanbouw zijnden spoorweg rechts liggen, omdat deze
zeer veel kronkelingen maakte, daar hij door de Vindhias liep en alzoo
niet de kortste weg was en deze juist was noodzakelijk voor Phileas
Fogg. De Parsi, die goed bekend was met de wegen en paden van het land,
beweerde twintig mijlen te winnen, door het bosch midden door te
steken, en men vertrouwde geheel op hem.
Phileas Fogg en Sir Francis Cromarty, tot aan den hals in hunne manden
verborgen, werden op de alleronaangenaamste manier geschud door den
gestrekten draf van den olifant, die door zijn geleider voortdurend tot
spoed werd aangezet Maar zij droegen dezen toestand met engelsche
onverschilligheid, weinig sprekende en ter nauwernood van elkander
notitie nemende.
Wat Passepartout aangaat, deze was op den rug van den olifant gezeten,
en blootgesteld aan alle schokken en schuddingen van het dier; maar hij
paste, op raad van zijn meester, wel op om zijne tong niet tusschen
zijne tanden te houden, want deze zou hij dan zeer zeker hebben
afgebeten. De arme knecht, nu eens op den kop dan weer op den rug van
den olifant geworpen, voltigeerde als een clown op een springplank.
Maar hij had er pleizier in; hij lachte om zijne bokkesprongen, en nu
en dan naaide hij uit zijn zak een klontje suiker, dat de schrandere
Kiouni met de punt van zijn snuit aannam, zonder een oogenblik zijn
regelmatigen tred te laten varen.
Toen zij twee uur afgelegd hadden, liet de gids den olifant stil houden
en gaf hem een uur rust. Het dier verslond takken en struiken, na zijn
dorst in een plas gelescht te hebben. Sir Francis Cromarty vond deze
halt volstrekt niet onaangenaam. Hij was als geradbraakt. Fogg was even
vlug alsof hij pas uit zijn bed kwam.
„’t Is of hij van ijzer is!” zeide de majoor, hem met bewondering
aanziende.
„Van gesmeed ijzer,” antwoordde Passepartout, die bezig was om een
klein dejeuner gereed te maken.
Ten twaalf uur gaf de gids het sein om weder verder te reizen. Het land
begon hoe langer hoe woester te worden. Op de groote bosschen volgde
kreupelhout van tamarinden en kleine palmboomen, daarop uitgestrekte
dorre vlakten, begroeid met lage heesters en bezaaid met
syenietblokken. Dit geheele hooge gedeelte van Bundelkund wordt door
reizigers zeer weinig bezocht; het is bewoond door een dweepzieken
volksstam, versteende aanhangers der vreeselijkste instellingen van den
hindoeschen godsdienst. De engelschen hebben hun gezag nog niet kunnen
uitbreiden over dit gebied, dat geheel onder de heerschappij der rajahs
staat, daar het hoogst moeielijk is de bevolking te bereiken in de
ontoegankelijke schuilplaatsen der Vindhias.
Verscheidene malen zag men troepen woeste Indiërs, die hun toorn aan
den dag legden bij het zien van het vlugge viervoetige dier. De Parsi
ontweek hen zooveel mogelijk, daar hij hunne ontmoeting vreesde. Men
bespeurde op deze reis zeer weinig dieren, slechts eenige apen, welke
dan honderden sprongen en allerlei grimassen maakten en vluchtten, tot
groot vermaak van Passepartout.
Slechts ééne gedachte kwelde den armen knecht onophoudelijk. Wat of
toch Phileas Fogg met zijn olifant zou doen als hij aan het station van
Allahabad zou zijn aangekomen? Zou hij hem meenemen? Dat was toch
onmogelijk! De prijs van het vervoer, gevoegd bij den inkoopprijs, zou
hem zijn fortuin kosten. Zou men hem verkoopen, of hem de vrijheid
hergeven? Men mocht voor zulk een achtenswaardig dier toch wel eenige
égards hebben. Zou Fogg hem misschien aan Passepartout present doen?
Wat zou hij zelf er dan mee beginnen? Hij kon dit maar niet uit zijn
hoofd zetten.
Ten acht uur ’s avonds had men de hoofdketen der Vindhias overgestoken,
en de reizigers maakten nu eene halt aan den voet der noordelijke
helling, in een bouwvallige bungalow.
Men had dien dag ongeveer vijf en twintig mijlen afgelegd en moest er
juist nog evenveel afleggen vóór Allahabad bereikt was.
Het was een koude nacht. De Parsi had in den bungalow een vuur van
gedroogde takken aangelegd, dat een heerlijke warmte verspreidde.
Het avondmaal bestond uit spijzen, die men te Kholby had gekocht. De
reizigers aten met al den eetlust, die van reizigers in hun toestand te
verwachten was.
Het gesprek, dat met eenige afgebroken zinnen begon, eindigde weldra
met een luid gesnork. De gids overnachtte bij Kiouni, die staande
sliep, leunende tegen een grooten boom.
De nacht liep zeer rustig af. Soms hoorde men het gebrul van een tijger
of een panter, vergezeld van de schrille kreten der apen. Maar de
verscheurende dieren bepaalden zich tot brullen op een afstand en
lieten de gasten van den bungalow ongemoeid. Sir Francis Cromarty sliep
zoo zwaar als een dapper, doodelijk vermoeid soldaat; Passepartout zeer
onrustig; hij zette in zijn droom zijne buitelingen van den afgeloopen
dag voort. Wat Fogg aangaat, deze sliep even kalm alsof hij in zijn
stil verblijf in Saville-Row rustte. Te zes uur in den morgen hervatte
men den tocht. De gids hoopte nog denzelfden avond te Allahabad te
komen. Zoodoende verloor Fogg slechts een gedeelte van de acht en
veertig uren, welke hij sedert het begin van zijn reis uitgespaard had.
Men daalde de laagste helling der Vindhias af. Kiouni had weder zijn
snellen draf hervat en tegen den middag kwam de gids in het kleine vlek
van Rallenger aan, gelegen aan de Kani, een tak van de Ganges. Hij
vermeed altijd de bewoonde plaatsen, daar hij zich veiliger achtte in
de verlaten streken welke de uiterste glooiing vormen der oevers van de
groote rivier.
Het station van Allahabad lag twaalf mijlen noord-oostelijk. Men rustte
eenigen tijd in een bosch van bananen, wier vruchten, even voedzaam als
brood en even sappig als room, gelijk de reizigers zeggen, uitnemend
smaakten.
Ten twee ure bereikte de gids een lommerrijk bosch, dat vele mijlen
lang was. Hij reisde het liefst beschut door de boomen, daar hij zich
daar het zekerste achtte. Tot nog toe had men geen enkele onaangename
ontmoeting gehad en de reis scheen op dezelfde wijze ten einde gebracht
te zullen worden, toen de olifant eenige teekenen van onrust liet
blijken en plotseling stilstond.
Het was toen vier uur.
„Wat is er?” vroeg Francis Cromarty, zijn hoofd even uit zijn mand
stekende.
„Ik weet het niet, generaal,” antwoordde de Parsi, eveneens luisterend
naar het dof geraas dat hij meende in het kreupelbosch te hooren.
Weinige oogenblikken later werd dit geluid hoe langer hoe duidelijker.
Men zou gezegd hebben, dat het een nog ver verwijderd concert was van
menschelijke stemmen en koperen instrumenten.
Passepartout was geheel gehoor en zag met arendsoogen om zich heen.
Fogg wachtte zonder een woord te spreken alles geduldig af. De Parsi
sprong op den grond, maakte den olifant aan een boom vast en drong
zoover mogelijk in het bosch door. Eenige oogenblikken later keerde hij
terug met de woorden: „Een optocht van Brahmanen, die in deze richting
komen. Zoo het mogelijk is laten wij dan zorg dragen, dat zij ons niet
zien.”
De gids maakte den olifant weer los en bracht hem in een boschje, den
reizigers aanradende niet af te stijgen. Hij zelf hield zich gereed om
terstond zijn olifant te beklimmen en, zoo het moest, te vluchten. Maar
hij was van oordeel, dat de geloovigen wel voorbij zouden trekken,
zonder hen te zien, daar het dichte geboomte hen geheel verborg. Het
geluid der stemmen en instrumenten kwam al nader en nader. Het eentonig
gezang werd begeleid door trommen en cimbalen. Spoedig zag men het
eerste gedeelte van den optocht onder de boomen, ongeveer vijftig
passen afstands van Fogg en zijne metgezellen. Zij konden gemakkelijk
tusschen de takken door het zonderlinge personeel van deze
godsdienstige plechtigheid onderscheiden. In de eerste rij kwamen de
priesters, met groote bisschopsmutsen en prachtige kleurige mantels.
Zij waren omringd door mannen, vrouwen en kinderen, die een treurzang
zongen, van tijd tot tijd afgewisseld door de slagen op tamtams en
cimbalen. Achter hen, op eene kar met groote wielen, waarvan de spaken
en assen een massa ineengekronkelde slangen voorstelden, zag men een
afschuwelijk beeld, dat door twee met kleurige schabrakken versierde
zebu’s getrokken werd. Dit beeld, met vier armen, donkerrood gekleurd
lichaam, woeste oogen, verwarde haren, met de tong uit den mond, die
geverfd was door betel, maakte een akeligen indruk. Om zijn hals hing
een keten van doodshoofden, om zijn lendenen droeg het een gordel van
afgehouwen handen. Het stond overeind op een neergeworpen reus zonder
hoofd.
Sir Francis Cromarty herkende dit beeld terstond.
„De godin Kali,” fluisterde hij, „de godin der liefde en des doods.”
„Des doods, dat stem ik u toe, maar der liefde, neen!” zeide
Passepartout zacht. „Die leelijke Goede Vrouw!”
De Parsi wenkte hem, dat hij zwijgen moest.
Rondom het standbeeld was het een gewemel en gewoel en gedrang van oude
met okergeel geverfde fakirs met insnijdingen in hun lichaam, zoodat
het bloed druppelsgewijze stroomde, welke domme, dweepzieke wezens
daardoor te kennen gaven, dat zij zich ter eere van de groote
hindoesche geheimenissen onder de wielen van den wagen van Jagernout
zouden werpen. Daarachter volgden eenige brahmanen, in hun prachtigst
oostersch kleed uitgedost, die eene vrouw, welke nauwelijks overeind
kon staan, voorttrokken.
Deze vrouw was jong en blank als eene europeesche. Haar hoofd, hals,
schouders, ooren, armen, handen en enkels waren allen met
edelgesteenten overladen, zooals kettingen, armbanden, oorbellen en
ringen. Een tunica, afgezet met goud, waarover zij een licht mouseline
kleedje droeg, deed de vormen harer gestalte in al hunne bevalligheid
uitkomen. Achter deze vrouw—wat een zeer scherp contrast
opleverde—volgden soldaten met bloote sabels in hunne gordels en
pistolen met goud ingelegd; op een draagstoel droegen zij een lijk.
Het was het lijk van een grijsaard, gekleed in het schitterend gewaad
van een rajah; hij droeg, evenals bij zijn leven, een tulband met
paarlen bestikt, een rok geheel doorweven met goud, een kashemieren
gordel met diamanten belegd, en de prachtige wapens van een indischen
vorst.
Vervolgens kwamen er muzikanten en een achterhoede, uit geloovigen
bestaande, wier kreten dikwijls het gedruisch der instrumenten
overstemden, besloot den stoet.
Sir Francis Cromarty sloeg al deze pracht met treurigen blik gade, en
zich tot den gids richtende, zeide hij:
„Een sutty!”
De Parsi knikte toestemmend en legde de vinger op den mond. De lange
optocht bewoog zich langzaam tusschen de boomen en weldra verdwenen
zijne laatste rijen in de diepte van het bosch
Al verder en verder klonk het gezang. Nog eenige kreten hoorde men in
de verte en eindelijk volgde op al dit gedruisch eene doodelijke
stilte.
Phileas Fogg had gehoord wat Francis Cromarty gezegd had, en zoodra de
optocht voorbij was, vroeg hij:
„Wat is een sutty?”
„Een sutty,” antwoordde de generaal, „is een menschenoffer, maar een
vrijwillig offer. De vrouw, die gij daareven gezien hebt, zal morgen
bij de eerste schemering verbrand worden.”
„Dat canaille!” riep Passepartout, die een kreet van verontwaardiging
niet kon onderdrukken.
„En dat lijk?” vroeg Fogg.
„Is het lijk van een onafhankelijken prins, haar gemaal,” antwoordde de
gids, „een rajah van Bundelkund.”
„Wat zegt gij!” sprak Phileas Fogg, zonder dat zijn stem de minste
aandoeningen verried. „Vindt men deze barbaarsche gewoonten nog in
Indië, en hebben de Engelschen die niet kunnen uitroeien?”
„In het grootste gedeelte van Indië hebben deze offers geen plaats
meer. Maar wij oefenen volstrekt geen invloed uit op die onbeschaafde
streken, en vooral niet op het grondgebied van Bundelkund. Het geheele
noordelijke gedeelte der Vindhias is het bestendig tooneel van moord en
plundering.”
„Die rampzalige,” zuchtte Passepartont, „levend verbrand!”
„Ja,” hernam de generaal, „verbrand, en zoo dit niet gebeurde, kunt gij
u niet begrijpen in welken ongelukkigen toestand zij door hare
bloedverwanten zou worden gebracht. Men zou haar de haren afscheren en
zij zou nauwelijks eenige rijstkorrels tot voedsel bekomen; men zou
haar verstooten, zij zou als een onrein schepsel beschouwd worden, en
in een hoek als een schurftigen hond moeten sterven. Het vooruitzicht
op zulk een ellendig bestaan brengt dan ook meer deze ongelukkige tot
zulk een opoffering dan de liefde of een dweepzieke godsdienst.
Somtijds echter wordt zulk een offer inderdaad uit eigen beweging
gebracht, en de krachtigste tusschenkomst van het Gouvernement wordt
dan vereischt om het te verhinderen. Eenige jaren geleden, toen ik nog
te Bombay woonde, vroeg een jonge weduwe de toestemming aan het
Gouvernement om zich tegelijk met het lijk van haar echtgenoot te mogen
laten verbranden. Zooals gij wel kunt nagaan, weigerde de Gouverneur
die toestemming. Toen verliet de weduwe de stad, verborg zich bij een
onafhankelijken rajah en volvoerde op deze wijze haar plan.”
Onder het verhaal van den generaal schudde de gids het hoofd en toen
deze geëindigd had, zeide hij:
„Het offer dat morgen plaats zal hebben wordt niet vrijwillig
gebracht.”
„Hoe weet ge dat?” vroeg sir Francis.
„Dat weet ieder in Bundelkund,” antwoordde de gids.
„Maar deze ongelukkige bood toch volstrekt geen weerstand,” merkte sir
Francis op.
„Dat komt omdat men haar bedwelmd heeft met damp van hennep en opium.
„En waar brengt men haar?” vroeg Cromarty verder.
„Naar den afgodstempel van Pijllaji, ongeveer 3 mijlen van hier; daar
blijft zij van nacht het uur des offers verbeiden.”
„En dit offer heeft plaats?”
„Morgen, met het aanbreken van den dag.”
Na dit antwoord haalde de gids den olifant weder uit het boschje en
wierp zich op den hals van het dier. Maar op het oogenblik toen hij het
door een eigenaardig fluiten wilde aansporen om voort te gaan, hield
Fogg hem tegen, en zeide tot sir Francis Cromarty:
„Als wij deze vrouw eens gingen redden?”
„Die vrouw redden, mijnheer Fogg,” riep de generaal uit.
„Ik ben nog twaalf uur voor. Ik kan ze aan dit doel geven.”
„Gij zijt een man met een edel hart!” zeide sir Francis Cromarty.
„Somtijds,” antwoordde Phileas Fogg eenvoudig. „Als ik er tijd toe
heb.”