NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarin de Roode en de Indische Zee de plannen van Phileas Fogg

schijnen te begunstigen.

De afstand tusschen Suez en Aden is, precies berekend, dertien honderd

tien mijlen, en de Maatschappij staat aan elke mailboot een

tijdsverloop van honderd dertig uren toe om dit traject af te leggen.

De Mongolia, wier vuur zeer goed onderhouden werd, stoomde altijd met

die snelheid om binnen de vastgestelde uren aan te komen.

Bijna alle passagiers waren te Brindisi ingescheept en gingen naar

Indië. Sommigen begaven zich naar Bombay, anderen naar Calcutta, maar

altijd over Bombay, want sedert een spoorweg de geheele breedte van het

indische schiereiland doorsnijdt, is het niet meer noodig de zuidelijke

punt Ceylon om te varen.

Onder de reizigers der Mongolia waren verschillende burgerlijke

ambtenaren en officieren van allerlei rang. Van dezen behoorden er

eenigen tot het eigenlijk gezegde engelsche leger; anderen

commandeerden de inlandsche troepen, bestaande uit cipayers. Allen

waren hoog bezoldigd, zelfs nu het Gouvernement de rechten en lasten

van de voormalige Indische Compagnie heeft overgenomen. Tweede

luitenants hadden ƒ 3,500, brigade-generaals ƒ 30,000, generaals

ƒ 50,000. De traktementen der burgerlijke ambtenaren zijn nog hooger.

De minste ambtenaren hebben ƒ 6,000;—rechters ƒ 30,000, presidenten van

gerechtshoven ƒ 125,000, gouverneurs ƒ 150,000, de gouverneur-generaal

ƒ 300,000.

Men leefde dus zeer goed aan boord der Mongolia in dezen kring van

ambtenaren, waarbij zich nog eenige jonge Engelschen voegden, die een

millioen te verteren hadden, en die in verre landen hunne

handelskantoren gingen vestigen. De „purser,” de vertrouwde persoon der

Compagnie, gelijk in rang met den kapitein, deed alles op groote

schaal. Aan het ontbijt, aan den lunch, ten twee uur, aan het

middagmaal te half zes, het souper ten acht ure, bogen de tafels bijna

onder de schotels warm vleesch en verdere gerechten, die door de

slagers en den kok der mailboot geleverd werden. Onder de vrouwelijke

passagiers waren er eenige, die tweemaal daags haar toilet veranderden.

Men maakte muziek, men danste zelfs, als de zee het veroorloofde. Maar

de Roode Zee is grillig en dikwijls zeer onstuimig, zooals alle lange,

smalle zeeën. Als de wind, hetzij van den kant van Azië kwam of van

Afrika, slingerde de Mongolia, het lange stoomschip, geducht, daar zij

de zee dwars inkreeg. De dames verdwenen dan in hare hutten, de piano

werd niet bespeeld en natuurlijk eindigde dan ook het zingen en dansen.

En toch, ondanks al die rukwinden en de deining, zette de mailboot,

voortgedreven door haar ontzaglijk groot stoomwerktuig, zonder

vertraging de reis naar de straat van Bab-el-Mandeb voort.

Wat deed Phileas Fogg wel gedurende de reis? Men zou denken, dat hij

altijd angstig en onrustig zich bezig hield met de veranderingen van

den wind, die misschien nadeelig voor zijne reis konden zijn, of eene

onverwachte beweging konden veroorzaken, welke de machine gevaar deed

loopen onklaar te worden; in één woord met alle mogelijke

gebeurtenissen, die de Mongolia konden noodzaken om in een van de

havens binnen te loopen, zoodat zijne reis langer zou duren.

Volstrekt niet, of althans in zeer geringe mate. De gentleman dacht wel

eens aan zulke mogelijkheden, maar hij bleef altijd de kalme

onbeweeglijke man, het onverstoorbare lid der Reform-club, wien geen

ongeluk of toeval kon verrassen. Hij scheen niet meer aangedaan dan de

chronometer aan boord. Men zag hem zelden op het dek. Hij gaf zich

volstrekt geen moeite om de Roode Zee gade te slaan, zoo rijk aan

herinneringen, het tooneel van de eerste gebeurtenissen in de

geschiedenis der menschheid. Hij ging niet naar boven om de fraaie

steden te zien liggen, die gezaaid zijn langs hare oevers, en waarvan

de schilderachtige omtrekken zich somtijds tegen den gezichteinder

teekenen. Hij droomde zelfs niet van de gevaren van deze arabische

golf, waarvan de oude geschiedschrijvers Strabo, Arianus, Arthemidores,

Edrisi zooveel akeligheden hebben verhaald en waarop de zeelieden zich

nooit waagden zonder door zoenoffers hunne reis te hebben geheiligd.

Wat deed dan toch deze zonderling, die op de Mongolia gevangen zat?

Vooreerst gebruikte hij zijn vier dinés daags, zonder dat eenige

slingering of schommeling eene zoo goed georganiseerde constitutie in

de war kon brengen. En vervolgens whistte hij.

Ja! Hij had partners aangetroffen, die even dol op het spel waren als

hij; een ambtenaar der belastingen, die zich weder naar zijn post te

Goa begaf, een predikant, den eerwaarden Decimus Smith, die naar Bombay

terugkeerde, en een brigade-generaal van het britsche leger, die zijn

regiment te Benares opzocht. Deze drie passagiers hadden voor het

whisten denzelfden hartstocht als Phileas Fogg, en zij speelden uren

lang zonder een woord te spreken.

Wat Passepartout aangaat, die tot nog toe geen last had gehad van

zeeziekte, hij was den geheelen dag in zijne hut op de voorplecht, en

ook hij at met evenveel lust als zijn meester. Hij zou er het zijne

maar van nemen. Goed gevoed, goed gehuisvest, zag hij de wereld en

hield zich overtuigd, dat al deze dwaasheden te Bombay wel een einde

zouden nemen.

Den dag van het vertrek van Suez, den 29en October, ontmoette hij tot

zijne blijdschap den gedienstigen heer, tot wien hij zich op den

afrikaanschen bodem gericht had.

„Als ik mij niet vergis, mijnheer,” zeide hij, met zijn beminnelijksten

glimlach Fix aansprekende, „zijt gij dezelfde heer die zoo vriendelijk

waart mij te Suez te helpen.”

„Inderdaad,” antwoordde de detective, „ik herken u: gij zijt de

bediende van dien zonderlingen Engelschman.”

„Juist...!”

„Ik heet Fix.”

„Mijnheer Fix,” zeide Passepartout. „Ik ben verheugd u hier aan boord

weer te vinden. Waar gaat gij naar toe?”

„Wel, evenals gij, naar Bombay.”

„Des te beter. Hebt gij al meer die reis gemaakt?”

„Verscheidene malen,” antwoordde Fix. „Ik ben agent van de

Peninsular-Company.”

„Dus zijt gij in Indië bekend?”

„Wel zeker....” antwoordde Fix, die niet te ver wilde gaan.

„En daar is alles zeer merkwaardig?”

„Zeer merkwaardig. Moskeën, minaretten, tempels, fakirs, afgodsbeelden,

tijgers, slangen, bayadères! Maar het is te hopen dat gij daar lang

genoeg blijft om het land te zien.”

„Ik hoop het, mijnheer Fix. Gij begrijpt dat het toch niet te vergen is

van een man met gezond verstand om zijn leven te slijten met over te

springen van een boot in een spoortrein en van een spoortrein in een

boot, onder voorwendsel de reis om de wereld te maken in tachtig dagen.

Ik twijfel er niet aan of al die gymnastiek zal te Bombay wel

eindigen.”

„Is mijnheer Fogg welvarend?” vroeg Fix op zijn natuurlijksten toon.

„Zeer welvarend, mijnheer Fix, en ik ook. Ik eet als een wolf, die in

langen tijd niets gehad heeft. Het is zeker de zeelucht.”

„Uw meester zie ik nooit op het dek.”

„Neen, nooit. Hij is niet nieuwsgierig.”

„Weet ge wel, mijnheer Passepartout, dat deze beweerde reis om de

wereld wel een geheime zending kon verbergen ... bij voorbeeld een

diplomatieke missie.”

„Op mijn woord, mijnheer Fix, daar weet ik niets van; dat moet ik u

eerlijk bekennen, en het is mij ook geen halve kroon waard om het te

weten.”

Na deze ontmoeting spraken Fix en Passepartout nog dikwijls samen. De

inspecteur van politie scheen er prijs op te stellen, om met den

bediende van den heer Fogg goede vrienden te worden. Dit kon hem bij

voorkomende gelegenheid te pas komen. Hij bood hem dan ook dikwijls in

de koffiekamer der Mongolia een glas whisky of pale-ale aan, dat de

goede jongen altijd zonder eenigen omslag aannam en dikwijls ook

beantwoordde om geen verplichting te maken; hij vond dien Fix een zeer

beleefd gentleman.

Onderwijl ging de mailboot snel vooruit. Den 13en had men Mokka in het

gezicht, dat in een ring van verwoeste muren scheen te liggen,

waarboven eenige groene dadelboomen. In de verte ontdekte men tegen de

bergen de uitgestrekte koffievelden. Passepartout was in verrukking

toen hij deze beroemde stad zag, en hij vond zelfs dat zij met hare

ronde muren en geslechte vesting, die tot oor moest dienen, veel op een

reusachtige kop koffie geleek.

Den volgenden nacht passeerde de Mongolia de straat Bab-el-Mandeb,

welke arabische naam beteekent: Poort der Tranen, en den anderen

morgen, den 14en liep zij te Steamer-Point ten noordwesten van de reede

van Aden binnen. Hier moest zij weder brandstof opdoen.

Een ernstige en belangrijke zaak is de zorg voor de steenkolen der

mailbooten, op zulke afstanden van de plaats waar zij worden gedolven.

Voor de Peninsular-Company is dit eene jaarlijksche uitgave van acht

honderd duizend pond sterling, want men heeft op verscheidene punten in

die ver verwijderde zeeën depots moeten vestigen en daar kost het

hectoliter kolen veertig gulden.

De Mongolia had nog zestien honderd vijftig mijlen af te leggen vòor

zij Bombay bereikte en moest vier uur te Steamer-Point blijven, om haar

voorraad in te nemen. Maar dit oponthoud kon aan het programma van Fogg

volstrekt geen nadeel doen. Dit alles had men berekend. Daarenboven was

de Mongolia, in plaats van in den morgen van den 15en October te Aden

te komen, reeds den 14en aldaar gearriveerd. Dit was dus een winst van

vijftien uren.

Fogg en zijn bediende gingen nu aan land. De gentleman wilde zijn

paspoort laten viseeren. Fix volgde hem onopgemerkt. Toen deze

formaliteit afgeloopen was, keerde Phileas Fogg weer naar boord terug,

om daar zijn geschorst spel te hervatten.

Passepartout slenterde, volgens gewoonte, door de stad, tusschen

Somanlis, Banianen, Perzen, Joden, Arabieren en Europeanen, die de

25,000 inwoners van Aden uitmaken. Hij bewonderde de versterkingen, die

deze stad tot een Gibraltar der Indische Zee maken, en de prachtige

waterleidingen, waaraan de engelsche ingenieurs, twee duizend jaren na

die van koning Salomo, arbeidden.

„Zeer-merkwaardig! zeer merkwaardig!” mompelde Passepartout bij zich

zelven, toen hij weer aan boord was. „Ik zie dat het zeer nuttig is om

te reizen, wanneer men iets nieuws wil zien.”

Ten zes ure des avonds stoomde de Mongolia weder voort en was spoedig

in de Indische Zee. Er waren haar nog honderd acht en zestig uren

toegestaan, om den weg van Aden naar Bombay af te leggen. De Indische

Zee was haar ook verder zeer gunstig. De wind bleef noord-west. De

zeilen kwamen den stoom te hulp.

Het schip, dat nu zwaarder belast was, slingerde minder. De passagiers

kwamen in nieuwe toiletten op het dek. Het zingen en dansen nam weer

een aanvang. De reis werd dus onder de gunstigste omstandigheden

volbracht. Passepartout was zeer ingenomen met den aangenamen

reisgenoot, dien het toeval hem in den persoon van Fix verschaft had.

Zondag 20 October, tegen 12 uur, kreeg men de indische kust in ’t

gezicht. Twee uur later kwam de loods aan boord der Mongolia. Aan den

horizon teekenden zich de bergen schilderachtig tegen den donkeren

hemel af. Weldra zag men de palmen, die boven de stad uitstaken. De

mailboot stoomde de haven binnen, welke gevormd wordt door de eilanden

Salsette, Colaba, Elephanto en Butcher en ten half vijf lag zij voor de

kade van Bombay.

Phileas Fogg had dien dag zijn drie en dertigsten robber gespeeld; zijn

partner en hij hadden door vernuftige berekening schlem gemaakt.

De Mongolia moest eerst den 22en October te Bombay aankomen. Zij kwam

er den 20en, dus had men sedert het vertrek uit Londen twee dagen

gewonnen, wat Phileas Fogg niet naliet terstond in zijn register te

vermelden.

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 10 / 39 题