Waarin Passepartout maar al te blij is dat hij met het verlies
zijner schoenen er af komt.
Iedereen weet dat Indië, deze groote omgekeerde driehoek, wiens basis
in het noorden en toppunt in het zuiden gelegen is, een oppervlakte
heeft van veertien honderd duizend vierkante mijlen, en een zeer
ongelijk verspreide bevolking telt van honderd tachtig millioen
inwoners. Het britsche Gouvernement oefent onbepaald gezag uit over een
zeker gedeelte van dit onmetelijke land, en heeft te Calcutta een
gouverneur-generaal, als ook gouverneurs te Madras, Bombay en Bengalen
en een luitenant-gouverneur te Agra.
Maar eigenlijk Engelsch-Indië heeft niet meer dan een oppervlakte van
zeven honderd duizend vierkante mijlen, met een bevolking van honderd a
honderd tien millioen inwoners. Daaruit blijkt genoegzaam, dat de
koningin over een aanzienlijk deel van dit grondgebied niet regeert, en
inderdaad, de woeste en geduchte hindoesche rajahs in het binnenland
zijn nog geheel onafhankelijk.
Sedert 1576—toen de eerste engelsche kolonie gesticht werd op de plek
waar het tegenwoordige Madras ligt—tot het jaar, waarin onder de
Cipayers een groote opstand plaats had, was de beroemde Indische
Compagnie alvermogend. Zij annexeerde langzamerhand de verschillende
provinciën, die zij van de rajahs kocht tegen renten, welke zij niet of
bijna niet betaalde; zij stelde haren gouverneur-generaal en alle
verdere ambtenaren in burgerlijke of militaire betrekkingen aan; maar
nu is zij te niet gegaan, en de engelsche bezittingen in Indië behooren
rechtstreeks aan de kroon.
Het karakter des lands, de zeden, de ethnographische indeeling van dit
uitgestrekte schiereiland wijzigen zich elken dag. Voorheen reisde men
er met verschillende ouderwetsche vervoermiddelen, te paard, te voet,
met karren, kruiwagens, draagstoelen, op den rug van bedienden, in
koetsen enz. Thans zijn het stoombooten, die met groote snelheid den
Indus en den Ganges bevaren, terwijl een spoorweg Indië in zijne
geheele breedte doorsnijdt en zich in verschillende takken splitst,
zoodat Bombay en Calcutta slechts drie dagen van elkaar verwijderd
zijn.
De spoorweg doorsnijdt Indië niet in eene rechte lijn; de afstand
hemelsbreed is niet meer dan duizend of elf honderd mijlen en de
treinen, die slechts met een matige snelheid rijden, zouden geen drie
dagen noodig hebben om het van het eene einde naar het andere einde
over te steken; maar deze afstand wordt wel een derde grooter door de
bocht over Allahabad, dat in het noorden van het schiereiland is
gelegen.
Ziehier in het kort de richting van den Great Indian Peninsular
Railway. Wanneer hij het eiland Bombay verlaat, passeert hij Salsette,
komt op het vasteland juist tegenover Tannah, doorsnijdt het oostelijk
gedeelte van de bergketen Ghâtes, strekt zich vervolgens naar het
noorden uit tot aan Burhampore, slingert zich door het nagenoeg
onafhankelijke landschap van Bundelkund, buigt zich tot Allahabad en
dan naar het oosten, ontmoet daar den Ganges bij Benares, verwijdert er
zich een weinig van, om vervolgens weder door het zuid-oosten over
Burdivan en de fransche stad Chandernagor te Calcutta te eindigen.
Het was ’s namiddags half vijf toen de Mongolia te Bombay aankwam, en
de trein naar Calcutta vertrok precies om acht uur.
Mijnheer Fogg nam dus van zijne medespelers afscheid, verliet de
mailboot, gaf aan zijn bediende eenige inlichtingen omtrent
boodschappen, die deze te doen had, en beval hem zeer uitdrukkelijk aan
om vooral vóór acht uur aan het station te wezen; en met zijn
gelijkmatigen tred, den slinger van een klok gelijk, begaf hij zich
naar het bureel voor de paspoorten.
Te Bombay dacht hij er evenmin aan om iets te gaan zien van de
wonderen, noch het stadhuis, noch de prachtige bibliotheek, noch de
vesting, noch de dokken, noch de katoenmarkt, noch de winkels, noch de
moskeeën, noch de synagogen, noch de armenische kerken, noch den
prachtigen afgodstempel van Malabar-hill, versierd met zijne twee
veelhoekige torens. Hij bezichtigde ook niet de meesterstukken van
ivoor, noch die geheimzinnige onderaardsche begraafplaatsen, welke aan
de zuid-oostzijde der reede verborgen zijn, noch de kanherische grotten
op het eiland Salsette, bewonderenswaardige overblijfselen der
boeddhistische bouwkunde. Niets van dat alles. Toen hij van het bureel
der paspoorten terugkwam, begaf Phileas Fogg zich bedaard naar het
station en ging daar dineeren. Onder de verschillende gerechten prees
de kastelein hem zeer aan een ragout van inheemsche konijnen, die
uitstekend moest wezen.
Phileas Fogg bestelde zulk een konijnenragout, proefde dien zeer
nauwkeurig, maar ondanks zijne gekruide saus, vond hij hem
afschuwelijk.
Hij liet den logementhouder komen.
„Mijnheer,” zeide hij, hem strak aanziende, „is dat konijn?”
„Ja, mylord,” antwoordde deze zonder blikken of blozen.
„En het heeft niet gemauwd, toen men het doodde?”
„Gemauwd! Maar! mylord! een konijn! Ik bezweer u....”
„Mijnheer de logementhouder,” hernam Phileas Fogg koel, „zweer niet,
maar herinner u slechts dit: vroeger werden de katten in Indië als
heilige dieren beschouwd. Dat was een goede tijd.”
„Voor de katten, mylord?”
„En ook voor de reizigers.”
Toen Fogg deze opmerking gemaakt had, vervolgde hij rustig zijn diner.
Eenige oogenblikken na den heer Fogg, kwam ook de inspecteur Fix, die
eveneens de Mongolia verlaten had, bij den directeur van politie te
Bombay. Hij maakte zich als detective bekend, alsmede de zending
waarmede hij belast was, en zijn toestand tegenover den vermoedelijken
dief. Toen vroeg hij of men een bevel tot inhechtenisneming ontvangen
had?
Men had niets ontvangen. Ook kon dat bevel nog niet zijn aangekomen,
daar het eerst na Fogg moest zijn afgezonden.
Fix was zeer teleurgesteld. Hij vorderde van den directeur een bevel
tot inhechtenisneming van den heer Fogg. De directeur weigerde. De zaak
betrof de politie in de hoofdstad en deze alleen kon dus ook het bevel
uitvaardigen. Deze vastheid van beginselen, deze strenge inachtneming
der wet is zeer verklaarbaar door de engelsche zeden, die, in zake van
persoonlijke vrijheid, volstrekt geen willekeur toelaten.
Fix drong er ook niet meer op aan, en begreep dat hij het bevel tot
inhechtenisneming moest afwachten. Maar hij besloot toch zijn
geheimzinnigen schurk niet uit het oog te verliezen, zoolang deze te
Bombay vertoefde. Hij twijfelde er niet aan of Phileas Fogg zou eenige
dagen te Bombay blijven,—men weet, dit was ook Passepartout’s
overtuiging—zoodat het bevel van inhechtenisneming nog altijd vroeg
genoeg zou aankomen.
Maar na de laatste bevelen, die zijn meester hem gegeven had, toen hij
de Mongolia verliet, begreep Passepartout wel, dat het te Bombay
evenzoo zou gaan als te Suez en te Parijs: dat de reis hier niet zou
eindigen en zij ten minste nog tot Calcutta zou worden voortgezet en
misschien nog wel verder. Hij begon zich dan ook af te vragen of die
weddenschap niet ernstig was gemeend en of het noodlot hem niet
medesleepte—hem die zoo rustig hoopte te leven—om een reis om de wereld
te maken in tachtig dagen.
In afwachting wandelde hij na eenige hemden en sokken gekocht te
hebben, de straten van Bombay eens door. Er heerschte groote drukte, en
te midden van Europeanen van elken landaard, zag hij Perzen met puntige
mutsen, Bunhyas met ronde tulbanden, Armeniërs met lange kleederen,
Parsis met zwarte bisschopsmutsen enz. Het was juist het feest, gevierd
door de Parsis of Goeboes die rechtstreeks afstamden van de volgelingen
van Zoroaster, welke de meest nijvere, beschaafde, ontwikkelde en aan
hun landaard getrouwe Hindoes zijn en tot welk ras de rijkste
kooplieden onder de inboorlingen van Bombay behoorden. Dien dag vierden
zij een soort van godsdienstig carnaval met optochten en allerlei
vermakelijkheden, waarbij ook bayadères tegenwoordig waren in
rooskleurige tulle gekleed, behangen met goud en zilver, en die op de
tonen der viool en van den tam-tam bewonderenswaardig dansten, ofschoon
zij geen oogenblik de regelen der welvoegelijkheid overschreden. Het
zal wel overbodig zijn te zeggen, dat Passepartout deze merkwaardige
plechtigheden beschouwde met wijd opengespalkte oogen en ooren om des
te beter te zien en te hooren, en dat zijne houding en zijn gelaat
volkomen geleken op die van een kind, dat pas kwam kijken.
Ongelukkig voor hem en voor zijn meester, wiens reis hij dreigde in
gevaar te brengen, dreef hem zijne nieuwsgierigheid verder dan hem wel
betaamde.
Wel begaf Passepartout, na dit carneval der Parsis nog eenigen tijd te
hebben aanschouwd, zich naar het station, maar toen hij het prachtige
afgodsbeeld van Malabarhill voorbij ging, rees het noodlottige plan bij
hem op, om het inwendige ook eens te bezichtigen. Twee dingen waren hem
evenwel geheel onbekend: ten eerste dat de toegang tot sommige
hindoesche afgodstempels den christen verboden is, en ten tweede, dat
de geloovigen er zelven niet mogen ingaan zonder hunne schoenen aan de
deur uit te doen. Men moet hierbij opmerken, dat het engelsche
Gouvernement, om politieke redenen, den godsdienst van dit land
eerbiedigt en tot in de kleinste bijzonderheden koel doet eerbiedigen,
en dat een ieder, die deze regels overtreedt, streng gestraft wordt.
Passepartout, die volstrekt geen kwaad vermoedde en als een onnoozel
reiziger het inwendige van Malabar-hill met zijn verblindende
brahmaansche versierselen van klatergoud bewonderde, werd plotseling op
de geheiligde steenen geworpen. Drie priesters snelden in vreeselijke
woede naar hem toe, trokken hem zijne schoenen en kousen uit en
begonnen hem duchtig te slaan, waarbij zij onverstaanbare kreten deden
hooren.
Maar de vlugge en sterke Franschman was met een sprong weder op de
been, en met een stomp en een schop wierp hij twee van zijne
tegenstanders op den grond, die erg in hun lange kleederen verward
geraakten, waarop hij zoo gauw hij kon den tempel uitliep, zoodat hij
al spoedig den anderen Hindoe vooruit was, die hem was nageloopen en
het volk op hem aanhitste.
Vijf minuten voor achten, dus slechts eenige minuten voor het vertrek
van den trein, kwam Passepartout, blootshoofd, barrevoets, in de
verwarring zijn pakje met boodschappen verloren hebbende, aan het
station van den Great Indian Peninsular Railway.
Toen Fix aan de aanlegplaats kwam, was hij Fogg gevolgd naar het
station. Hij begreep dat de schurk Bombay ging verlaten. Hij had
terstond zijn plan gevormd en wel om hem te volgen tot Calcutta en, zoo
het noodig was, nog verder. Passepartout zag Fix niet, daar deze zich
schuil hield, maar Fix hoorde Passepartout zijn lotgevallen in korte
woorden aan zijn meester vertellen.
„Ik hoop dat dit u niet meer gebeuren zal,” antwoordde Fogg bedaard, en
nam plaats in een der waggons.
De arme knecht volgde met bloote voeten en nog geheel verslagen, zonder
een woord te spreken, zijn meester. Fix ging in een anderen waggon,
toen eensklaps een gedachte hem weerhield en zijn plan van vertrek
wijzigde.
„Neen,” zeide hij, „ik blijf: een vergrijp op het engelsch
grondgebied.... Ik heb mijn man.”
Op dit oogenblik deed de locomotief een schel gefluit hooren en de
trein verdween in de duisternis.