Waarin Passepartout een weinig meer spreekt dan hem misschien
wel betaamt.
In weinig oogenblikken had Fix Passepartout ingehaald. Deze liep te
slenteren en rond te kijken, want hij voor zich achtte zich niet
verplicht om iets te zien.
„Wel, vriend,” zeide Fix, hem aansprekende, „is uw paspoort al
geviseerd?”
„O, zijt gij het, mijnheer,” antwoordde de Franschman, „ik dank u nog
wel. Alles is in orde.”
„En nu bekijkt gij de stad eens?”
„Ja, maar wij reizen zoo gauw, dat het mij is alsof ik droom. Alzoo
zijn wij te Suez?”
„Te Suez.”
„In Egypte?”
„In Egypte, juist.”
„Dus in Afrika.”
„In Afrika?”
„In Afrika!” herhaalde Passepartout. „Ik kan het niet gelooven.
Verbeeld u eens mijnheer, dat ik niet verder dacht te komen dan Parijs,
en die groote hoofdstad heb ik niet weer gezien dan van zeven uur ’s
morgens tot acht uur veertig, van het noorderstation tot het station
van Lyon en dan nog door de raampjes van een rijtuig bij een slagregen!
Ja, ik heb er spijt van! Ik had zoo graag Père-Lachaise en het Cirque
in de Champs-Elysées nog eens weergezien.”
„Gij hebt dus wel veel haast?” vroeg de inspecteur van politie.
„Ik niet, maar mijn meester. A propos, ik moet nog sokken en hemden
koopen! Wij hebben geen koffers bij ons; niets meer dan een valies.”
„Ik zal u naar een winkel brengen, waar gij alles van dien aard kunt
vinden.”
„Mijnheer,” antwoordde Passepartout, „gij zijt wezenlijk de
hulpvaardigheid zelve.”
Al pratende wandelden zij samen verder.
„Maak vooral dat ik niet te laat aan de boot kom!”
„Gij hebt nog al den tijd,” antwoordde Fix; „het is eerst twaalf uur!”
Passepartout keek op zijn reusachtig horloge.
„Twaalf uur,” zeide hij. „Wel neen! het is negen uur twee en vijftig
minuten.”
„Uw horloge loopt achter,” antwoordde Fix.
„Mijn horloge! Een familiestuk dat al van mijn overgrootvader afkomstig
is! Het loopt geen vijf minuten in het jaar achter. Het is een echte
chronometer!”
„Ik begrijp al hoe het komt,” antwoordde Fix. „Gij hebt uw horloge
geregeld naar de londensche klok, die ongeveer twee uur verschilt met
die van Suez. Gij moet altijd zorgen uw horloge te regelen naar de
hoofdstad van het land, waarin gij u bevindt.”
„Ik! Aan mijn horloge komen!” riep Passepartout uit, „neen dat nooit!”
„Wel, dan zal het ook niet in overeenstemming blijven met de zon.”
„Des te erger voor de zon, mijnheer! Zij is aan het kortste eind!”
En de brave knecht borg met eene fiere beweging zijn horloge weer in
zijn vestjeszak.
Eenige oogenblikken daarna begon Fix weer:
„Gij hebt dus Londen zeer overhaast verlaten?”
„Nu, dat geloof ik! Laatstleden woensdag avond tegen acht uur. Tegen
alle gewoonten in, kwam mijnheer Fogg op dat uur van zijn club terug en
om negen uur waren wij al op weg.”
„En waar gaat u meester dan naar toe?”
„Altijd maar vooruit! Hij maakt de reis om de wereld!”
„De reis om de wereld?” herhaalde Fix.
„Ja, in tachtig dagen! Een weddenschap zooals hij beweert, maar onder
ons gezegd, geloof ik er niets van. Dat zou toch wat al te dwaas zijn.
Er steekt wat anders achter.”
„Zoo; dan is ’t een zonderling, die mijnheer Fogg.”
„Dat zou ik denken.”
„Hij is dus rijk?”
„Dat blijkt, en hij neemt een aardig duitje met zich mede, in geheel
nieuwe banknoten. Hij ziet ook op geen geld onder weg. Begrijp eens!
hij heeft een prachtigen prijs uitgeloofd aan den machinist der
Mongolia, als wij vóór den vastgestelden tijd te Bombay aankwamen!”
„En gij zijt al lang bij uw meester?”
„Ik!” antwoordde Passepartout, „ik ben pas den dag van ons vertrek in
zijn dienst getreden.”
Men kan gemakkelijk begrijpen welk een indruk deze mededeelingen te
weeg brachten op den reeds overspannen geest van den inspecteur van
politie.
Dat overijlde vertrek uit Londen even na dien verbazend grooten
diefstal, en daarbij de haast om in verafgelegen landen te komen, dat
alles onder voorwendsel van een dwaze weddenschap, paste zoo volkomen
in elkaar, dat het Fix wel in zijn vermoeden moest versterken. Hij deed
den Franschman nog meer vertellen en verkreeg de zekerheid, dat de
knecht zijn meester volstrekt niet kende, dat Fogg zeer op zich zelf te
Londen leefde, en dat men den gentleman voor rijk hield, zonder te
weten waarmede hij zijn rijkdom verkregen had, dat het een
raadselachtig man was enz. Maar tegelijkertijd mocht Fix de zekerheid
erlangen dat Phileas Fogg niet te Suez aan land ging maar werkelijk
naar Bombay reisde.
„Is Bombay nog ver af?” vroeg Passepartout.
„Vrij ver,” antwoordde de inspecteur, „nog ongeveer tien dagen
zeereis.”
„En waar ligt Bombay?”
„In Indië.”
„In Azië?”
„Natuurlijk.”
„Lieve hemel! Weet ge ... daar is iets dat mij geweldig hindert ...
mijn kraan!”
„Welke kraan?”
„Mijn gaskraan, die ik vergeten heb uit te draaien en die nu voor mijne
rekening brandt. Ik heb uitgerekend dat zij in de vier en twintig uren
voor twee shillings verbrandt, juist zes stuivers meer dan ik verdien,
en gij begrijpt dat zoo de reis lang duurt....”
Begreep Fix deze mededeeling over het gas? Het is niet waarschijnlijk;
hij hoorde er ook al niet meer naar, want hij wist nu wat hem te doen
stond. Zij waren thans aan den winkel gekomen. Fix liet zijn metgezel
binnen gaan om zijne boodschappen te doen, en beval hem aan vooral niet
te laat aan de Mongolia te komen. Hij zelf snelde toen in allerijl naar
het consulaat.
Nu zijne overtuiging vaststond, kreeg Fix weer al zijn koelbloedigheid
terug.
„Mijnheer,” zeide hij tot den consul, „thans twijfel ik er niet meer
aan: het is de man, dien ik hebben moet. Hij laat zich voor een
zonderling doorgaan, die in tachtig dagen de reis om de wereld wil
doen.”
„Dan is hij al een heel slimme vogel,” antwoordde de consul, „en hij
denkt weer in Londen terug te komen na de politie van de twee
werelddeelen van het spoor te hebben geleid.”
„Dat zullen we eens zien,” antwoordde Fix.
„Maar bedriegt ge u niet?” vroeg de consul nogmaals.
„Neen; ik bedrieg mij niet.”
„Waarom zou deze dief er dan op gestaan hebben, om zijne passage te
Suez door een visa bewezen te hebben?”
„Ja, waarom, dat weet ik niet, mijnheer de consul,” antwoordde de
detective, „maar luister.”
En in korte woorden vertelde hij den hoofdinhoud van zijn gesprek met
den bediende van gemelden Fogg.
„Waarlijk,” zeide de consul, „alle vermoedens zijn tegen dien man. En
wat gaat gij nu beginnen?”
„Naar Londen seinen, met het verzoek om mij een bevel tot
inhechtenisneming te zenden naar Bombay; mij op de Mongolia inschepen,
mijn dief tot in Indië volgen, en daar op engelsch grondgebied hem zeer
beleefd aan te spreken met mijn bevelschrift in de eene hand en de
andere op zijn schouder.”
Na deze woorden vertrok de inspecteur, en begaf hij zich naar het
telegraafkantoor. Daar zond hij den inspecteur der hoofdstad de
dépêche, die men kent.
Een kwartier later ging Fix met zijne kleine bagage en een goed gevulde
beurs aan boord der Mongolia, en de snelle boot stak met volle vaart de
Roode Zee over.