in Londen behooren tot de Camorra. Maar ik zal het den man daar ginds
een beetje ongemakkelijk maken. Ik wensch hem niet als schildwacht voor
het huis.
En die lui moeten merken, dat ik niet bang voor hen ben. Iedere
Engelsche misdadiger, die aan onze galgen den dood vond, is een
gentleman vergeleken bij die laffe, achterdochtige, moordzuchtige
schurken.
Het zijn duivels in menschengedaante. Zij hebben geen eerbied voor
leeftijd of geslacht.
En nu, Charly, moet je toonen dat je een waardig leerling van mij bent.
Je moet dien kerel weg zien te krijgen.”
„Best!” antwoordde Charly, „zeg mij maar, wat ik moet doen.”
„Luister”, antwoordde Raffles, „je verlaat het huis door de tuindeur.
Daarna klim je over de schuttingen van de aangrenzende tuinen tot aan
het vierde huis van hier. Ik heb dat alles al bekeken toen ik het huis
kocht.
Het is zonder eenig gevaar en heel gemakkelijk te doen.
Het vierde huis is onbewoond. Hier heb je een sleutel ervan, hij past
op de huisdeur. Door die deur, welke je open laat, ga je de straat op.
Ga eerst een eindje naar rechts, ga naar den overkant en kom dan terug
aan de zij waar de Italiaan staat.
Zoodra je bij den kerel bent gekomen, ga je dichtbij hem staan, steekt
je pijp aan en rookt hem in het gezicht om hem te tergen.
Laat al het verdere aan mij over. Ik denk, dat de kerel gauw zal
heengaan. Dit oogenblik zal ik gebruiken door hem te volgen. Jij keert
daarna in huis terug en bewaakt het, opdat geen van die zwartharige
schurken bij ons kan binnensluipen.”
Charly Brand maakte zich gereed. Daarna opende hij een geheime kast in
de gang, waarin verschillende wapens hingen. Hij nam een revolver en
wilde die in zijn zak steken.
Maar Raffles sprak hoofdschuddend:
„Leg dat wapen weer op zijn plaats, Charly, het dient nergens toe, dat
zware ding mee te dragen. In een strijd met de Camorristen zou je er
geen nut van hebben. Zij zijn veel te geslepen om man tegen man te
vechten. Zij vallen iemand steeds in den rug aan.”
„Zal ik dan ongewapend gaan?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „je wapen zal ik zijn en, ik hoop, dat je
niet twijfelt aan de deugdelijkheid ervan.”
„Neen”, sprak Charly Brand, „je hebt mij reeds uit de pijnlijkste
omstandigheden gered, zonder dat ooit een haar van mijn hoofd is
gekrenkt.”
„Ga dan nu.”
Lord Lister bracht zijn jongen vriend naar de achterdeur, opende deze
en sprak:
„Tel nauwkeurig vier tuinen. Tot weerziens!”
Daarop verdween Charly over de schutting.
Raffles ging weer naar het venster om de uitwerking van Charly’s komst
op den vreemdeling te zien.
Het duurde een kwartier eer Charly met slenterende schreden de straat
afkwam. Met de handen in de zakken van zijn overjas en den kraag in de
hoogte blies hij den Italiaan, toen hij dezen genaderd was, dikke
tabakswolken in het gelaat.
Raffles lachte zachtjes en fluisterde:
„Hij doet het heel handig!”
En alsof hij hem wilde doorrooken, blies Charly Brand onophoudelijk den
rook zijner tabakspijp in het gezicht van den vreemdeling.
Nu ging de orgeldraaier eenige schreden meer naar links.
Dadelijk volgde Charly hem.
Maar nu werd de man boos. Met een woedend gebaar keerde hij zich om en
riep op zoo luiden toon, dat Raffles het achter de gesloten luiken kon
hooren:
„Maledetto! Zoekt gij ruzie met mij?”
Charly Brand lachte minachtend en spuwde op Engelsche manier voor de
voeten van den Italiaan.
Als antwoord stiet de ander een groven Italiaanschen vloek uit.
Charly Brand spuwde opnieuw en sprak:
„De duivel moge je halen, gele Italiaan! Als jij mij in den weg staat
en mij belet om te spuwen, waar ik wil, dan zal ik je een flinken por
in je ribben geven op echt Engelsche manier!”
Charly bootste op uitstekende wijze de spraak van een Ier na.
Maar de ander bleef ondanks de zware beleediging merkwaardig kalm.
In het halfdonker der straat zag Raffles dat de Italiaan een sigaar
aanstak.
Daarop ging hij langzaam verder.
Charly volgde.
Nu waren beiden zoover verwijderd, dat de groote onbekende ze nog
slechts onduidelijk kon zien.
Charly Brand moest weer een beleediging hebben geuit.
Daar weerklonken van de andere zijde der straat de haastige schreden
van een man.
Dadelijk vermoedde Raffles, dat de komst van dien man in verband stond
met den Italiaan en Charly Brand.
Eenige seconden luisterde hij ademloos en hij zag, dat een mannelijke
gestalte als een roofdier langs de straat sloop naar de beide
twistenden.
Een korte woordenwisseling volgde, daarna eenige luide Engelsche
vloeken en eindelijk weerklonk een kreet:
„Raffles! Raffles!”
Nu trok deze een pelsmuts over het hoofd, deed haastig een jas aan,
waarin een Browning pistool stak en stormde de straat op.
Er konden slechts enkele seconden verloopen zijn sinds hij den kreet
had vernomen. Maar geen spoor was er in de straat meer van Charly Brand
te ontdekken, alleen een gebroken tabakspijp lag op het plaveisel.
Dit was zelfs voor Raffles een sterk stukje.
Hij dacht na:
„Brand was niet alleen. Hij was met den Italiaan en den anderen man.
Met behulp van dezen derde had de Italiaan Charly overmeesterd en
weggesleept. Maar toch! Drie menschen konden in Londen onmogelijk
spoorloos verdwijnen! Zij moeten te vinden zijn!”
De groote onbekende snelde de straat langs tot aan den hoek der
Liverpoolstreet.
Daar stond in behaaglijke rust een agent van politie, tot wien Raffles
riep:
„Hebt gij hier eenige oogenblikken geleden drie mannen gezien, die uit
de Websterstreet kwamen?”
„Ja, mijnheer!” antwoordde de agent op beleefden toon.
„Welken weg namen zij?” vroeg Raffles.
De politieagent dacht even na en antwoordde:
„Zij gingen de straat over naar den hoek aan den overkant, of liever
twee van hen liepen en sleepten een derde mee, die blijkbaar te veel
had gedronken.”
„Die man was niet dronken, maar door een slag bewusteloos gemaakt. Dat
hadt gij moeten zien!”
„Het is mijn zaak niet, Sir,” antwoordde de agent, „om te onderzoeken,
wat ik niet kan weten. De mannen namen daarginds een rijtuig en reden
in de richting van de Theems.”
„Kent gij den koetsier?” vroeg Raffles op zenuwachtigen toon.
„Neen, mijnheer, in dit stadsgedeelte komen zelden rijtuigen.
Als gij echter een misdaad vermoedt, zal ik hulp doen aanrukken.”
„Dat is doelloos,” antwoordde Raffles, „ik zal het zaakje alleen
opknappen.”
Langzaam ging hij naar zijn huis terug. Hij had in zijn opgewondenheid
vergeten te sluiten en was ongerust, dat iemand zou zijn
binnengeslopen. Maar zijn vrees bleek ongegrond.
Hij vond bij zijn huiszoeking niemand en ging, in gepeins verzonken,
bij den haard zitten.
Hij moest Charly Brand te hulp komen. Die kerels hielden een kort
proces.
Plotseling hoorde hij boven zijn hoofd duidelijk het kraken van
planken, zooals men dat verneemt als iemand er over loopt.
John Raffles luisterde met gespannen aandacht.
Maar onmiddellijk was alles weer rustig.
Hij stond op en liep naar de deur, die naar de gang leidde. Toen hij er
vlak bij stond en de deur juist wilde openen, zag hij, dat de kruk
bewoog.
Bliksemsnel schoof hij den grendel, die zich aan de deur bevond,
ervoor. Als antwoord klonk een luide Italiaansche vloek.
Een wapen bezat Raffles niet. Zijn overjas, waarin de revolver, hing in
de gang.
Hij overlegde een oogenblik, toen trad hij naar het venster en keek
naar buiten. Hij zag, dat orgeldraaier weer tegenover zijn huis stond.
Hij had den hoed niet meer zoo diep over de oogen getrokken en Raffles
merkte op, dat de man een vollen baard droeg.
Dadelijk haalde hij uit zijn borstzak een pakje zwarte baardwol te
voorschijn, dat hij, om zich snel te kunnen vermommen, altijd bij zich
droeg. Met kleefstof bevestigde hij den zwarten baard aan zijn kin en
met behulp van een spiegeltje veranderde hij zijn gelaat op
meesterlijke wijze, terwijl zijn vijanden aan de andere zijde der deur
tevergeefs trachtten, deze te openen.
Daarop snelde hij door een kleine, aan den tuin grenzende achterkamer,
opende zacht het venster van dit vertrek en sprong onhoorbaar naar
buiten.
Eenige minuten later zag de Italiaan op straat iemand naderkomen en hij
gaf zijn makkers, die zich in de woning van Raffles bevonden, een
teeken.
De vreemdeling was intusschen dichtbij gekomen en, terwijl hij een
sigarette te voorschijn haalde, verzocht hij den Italiaan, die op wacht
stond, om vuur.
Bereidwillig wilde deze een doosje lucifers te voorschijn halen, maar
reeds ontving hij een vuistslag tegen den slaap en bewusteloos viel hij
neer.
Haastig boog de vreemdeling zich over hem heen, nam hem den hoed van
het hoofd, trok hem de overjas uit en kleedde zichzelf hiermede. Hij
bond den Italiaan vast met de leeren riemen, die hij bij zich droeg,
daarop draaide hij een prop van zijn zakdoek, stopte die den
bewustelooze in den mond en opende met een looper de huisdeur, die het
dichtstbij was. Hierachter legde hij den man neer, sloot daarna de deur
weer en ging zelf op de plaats van den Italiaan staan.
Hij moest een kwartier wachten, daarna zag hij eenige mannen uit zijn
huis komen, die hem vloekend naderden.
„Hij is gevlucht. Wij gaan nu naar de Club. Volg ons!” sprak een der
mannen op zachten toon tot hem.
Raffles volgde zijn vijanden en dacht na over een plan, hoe hij zich
uit de klauwen van deze geheele bende zou redden.
Hij begreep, dat hij met brutale kerels te doen had, die voor niets
terugdeinsden.
Behalve een doek, dien hij in den jaszak van den geknevelden Italiaan
had gevonden, droeg hij geen wapenen bij zich.
Na een wandeling van een half uur hielden de Italianen halt voor een
kleine woning. Na een bepaald teeken werd de voordeur geopend en zij
verdwenen.
Vastberaden ging Raffles ook bij de deur staan, waar hij het door hem
afgeluisterde teeken nabootste en zonder aarzeling werd ook hem de deur
geopend.
Een oude Italiaansche vrouw liet hem binnen. Aan het eind der gang
stond een deur half open en uit de kamer weerklonken woest door elkaar
schreeuwende mannenstemmen.
Het waren verwenschingen, die zij uitten, omdat Raffles hun was
ontvlucht. Daarop riep een der Italianen:
„Dr. Sabatini heeft bevolen, dat de handlanger van Raffles, die in den
kelder gevangen zit, in een zak gepakt moet worden, die bezwaard moet
worden met molenstenen en nog hedennacht in de Theems geworpen.”
Nauwelijks had Raffles deze woorden gehoord, of hij sloop langs de
trap, die naar den kelder leidde, naar beneden, waar hij in een
afgesloten gedeelte het kermen en zuchten van een mensch vernam.
Een eenvoudig slot, dat Raffles zonder eenige moeite opende, gaf hem
toegang en in het volgende oogenblik bevond hij zich bij Charly Brand,
die op den vloer lag.
Haastig maakte hij diens boeien los, trok hem de prop uit den mond en
vroeg fluisterend:
„Ik ben het! Kan je loopen?”
„Jawel!” antwoordde Charly zacht. „Ik kan loopen als de beste Engelsche
windhond.”
„Goed”, sprak zijn vriend, „volg mij dan en wees over niets ongerust.
Zorg er alleen voor, dat je wegkomt. Wees onbezorgd over mij, wat er
ook gebeurt.”
Charly Brand’s hand vasthoudend, leidde hij dezen langs de trap tot in
de gang. Daar zat de oude Italiaansche vrouw te breien.
Toen zij de beide mannen zag, wilde zij schreeuwen, maar reeds sloot
John Raffles haar den mond.
Daarop riep hij Charly Brand toe:
„Schuif de grendels terug van de deur,—en nu vooruit! Ik volg!”
Haastig gehoorzaamde Charly dit bevel en hij hoorde alleen nog dat
Raffles hem zacht toeriep:
„R. P.”
Dit was die afgesproken benaming voor hun woning in Regent Park. Daarop
liep Charly Brand, zoo snel zijn voeten hem konden dragen, de straat op
en spoedig was hij uit het oog verdwenen.
Hij zag het wanhopige gevecht niet meer, waarin zijn vriend was
gewikkeld
De oude vrouw had de polsen van den Grooten Onbekende met
bovenmenschelijke kracht vastgehouden en door hun worsteling was de
stoel, waarop de oude zat, omgevallen. Dit geluid had de Camorristen
uit de achterkamer naar de gang gelokt. Als een bende wolven stortten
zij zich op Raffles en overweldigden hem, ondanks zijn wanhopige
zelfverdediging.
ZESDE HOOFDSTUK.
EINDELIJK OVERGELEVERD.
Twintig paar oogen keken Raffles vol haat aan, toen hij zwaar geboeid
in de achterkamer op den vloer lag. De misdadigers schreeuwden hem de
gemeenste verwenschingen en vloekwoorden toe, toen de deur plotseling
werd geopend en verschillende mannen met dr. Sabatini verschenen.
Dadelijk trad een diepe stilte in.
Niemand durfde zich bewegen, zoo groot was hun ontzag voor den
„Bloeddorstige”.
Het welwillende glimlachje was nu van zijn gelaat verdwenen, hij
vertoonde zich nu in zijn ware gedaante.
Zijn wenkbrauwen waren loerend samengeknepen en met snijdenden blik
keek hij naar Raffles.
„Zoo, ben je daar”, sprak hij tot den geboeide, „dat bevalt mij”.
„Mij niet minder”, lachte de Groote Onbekende, „ik heb allang
gewenscht, den grootsten schurk der geheele wereld te leeren kennen”.
„Hondsvod!” siste de Bloeddorstige. „Nu, er viel hier niet veel voor je
te stelen”.
„O, toch wel!” lachte Raffles vergenoegd, „ik heb mijn vriend
gestolen”.
Verbaasd keek de bloeddorstige zijn mannen aan. Zij hadden hem nog
niets verteld van de vlucht van Charly Brand.
„Waar is de handlanger van dezen kerel?” vroeg dr. Sabatini.
„Bevrijd en gevlucht!” antwoordde een der Camorristen.
„Duivel!” vloekte Dr. Sabatini, „en wiens schuld is dat? Wie had de
wacht?”
„Wij hielden hier in huis geen wacht voor noodzakelijk”, antwoordde
graaf Albergo.
„Die man moet morgen weer in onze macht zijn. Hij kent ons geheim
lokaal en is dus gevaarlijk voor ons. Als ge hem hebt gevonden, snijdt
hem dan dadelijk de keel af. Hij mag niets verraden.”
Nu sprak de Bloeddorstige weer tot Raffles.
„Je zult wel weten, waarom je moet sterven. Je zult den morgen niet
meer beleven. Het was verstandiger geweest, als je je niet met onze
zaken had bemoeid”.
„Het was allang mijn plan, om u voor uw misdaden te straffen, dr.
Sabatini. Onze politie is niet tegen u opgewassen. Daarom beschouw ik
het als mijn sport, het voor haar op te nemen en u te toonen, dat al
die moorden niet ongestraft gepleegd worden. Zulke schurken, die er een
beroep van maken om hunne medemenschen de keel af te snijden, behooren
aan de galg en ik zal spoedig het genoegen smaken, u eraan te zien
hangen.”
Een schreeuw van woede onderbrak de woorden van Raffles. Met gebalde
vuisten stond de oude man voor hem, en een blik van doodelijken haat
trof den Grooten Onbekende.
„Neemt hem mee!” beval de Bloeddorstige.
„Waar moet hij sterven?” vroeg graaf Albergo.
„Domoor” lachte Raffles, „als gij niet voortmaakt, zal mijn vriend u
geheel Scotland Yard op uw dak sturen!”
„Maledetto!” vloekte dr. Sabatini, „dat is waar. Wij moeten dit huis
verlaten. Laten wij ons dus haasten en in mijn huis samenkomen. Morgen
zullen wij zijn huis met een bezoek vereeren.
Ik hoop, dat het de moeite waard zal zijn, wat hij voor ons
bijeengestolen heeft.
Brengt hem in de bovenkamer. Ik zal hem daar zelf behandelen. Waar is
Miss Toni?”
„Zij wacht op mij in het restaurant Monti”, antwoordde graaf Albergo.
Nu grepen verschillende kerels Raffles op en sleepten hem langs een
trap naar een hoogere verdieping.
In een donker vertrek bonden zij hem op een stoel vast.
Dr. Sabatini bracht een wekkerklok mee, een uurwerk zooals men ze in
goedkoope winkels ziet.
Maar de groote wijzer was afgeschroefd en daarvoor inplaats bevond zich
een smal, vlijmscherp scheermes.
Dr. Sabatini zette het uurwerk op een zuil. Daarop knoopte hij aan een
haak, die aan het plafond was bevestigd, een langen zijden draad, die
vlak langs het uurwerk liep, zoodat het over den rand heenreikende
scheermes den draad op een bepaald punt moest doorsnijden.
Aan dezen draad bond dr. Sabatini eenige centimeter onder het uurwerk
een dynamietbom. (Zie het titelblad).
Na het ontploffen van deze helsche machine zou de politie hier niet
veel meer kunnen vinden.
„Zet den wekker zoo, dat hij over vijf minuten zijn werk doet”, sprak
dr. Sabatini tot graaf Albergo, „en verlaat daarna onmiddellijk het
huis. Ik ben bang, dat de vluchteling de politie heeft gewaarschuwd.
Vooruit! Zet den gevangene voor de klok. Hij kan van zijn laatste
oogenblikken genieten”.
De Camorristen schoven Raffles tot dichtbij het uurwerk. Daarop
onderzochten zij nogmaals zijn boeien en gingen heen.
Dr. Sabatini, die het langst bleef, sprak tot den geboeide:
„Je ziet, dat je eindelijk je meester hebt gevonden. Aangename reis!”
Met een hoonenden lach ging hij naar de deur.
Maar John Raffles riep hem na:
„Denk eraan, dat ik je de galg beloofd heb!”
„Hondsvod!” stiet de ander woedend uit.
Daarop verliet hij de kamer en sloot de deur.
Eenige seconden later hadden de Camorristen het huis verlaten.
Raffles herademde.
„Domme kerels”, sprak hij tot zichzelf, „ze denken mij als een
luchtballon naar de andere wereld te sturen en zij vergeten, dat
daarvoor in de eerste plaats mijn eigen toestemming noodig is. Aan het
werk dus!”
De brandende kaars, die op tafel stond, verspreidde voldoende licht om
den Grooten Onbekende zijn werk gemakkelijker te maken.
Hij schoof langzaam vooruit met den stoel, waarop men hem geboeid had.
Voorzichtig boog hij zich voorover, met zijn mond nam hij het
wekkerklokje op en gooide het op den vloer.
Nu liet hij ook zichzelf vallen en ging zoo liggen, dat zijn
rechterhand, die aan een der stoelpooten vastgebonden was, het
scheermes kon beetpakken.
Na eenige oogenblikken had Raffles zich van zijn boeien bevrijd.
Hij rekte zijn leden uit, ging daarop naar de deur en opende deze met
een kleinen steeksleutel, dien hij in zijn vestzakje had.
Haastig verliet hij nu het huis door de tuindeur, want hij vermoedde,
dat een wacht van Camorristen het huis bewaakte.
Als een kat sprong hij over de schuttingen der aangrenzende tuinen en
eindelijk bereikte hij door een leegstaand gebouw de straat.
Van daar kon hij het huis zien, waarin men hem gevangen had gehouden.
Twee mannen stonden aan de overzij der straat er naar te kijken.
Raffles lachte en liep verder.
Hij ging een kleinen winkel binnen en kocht zich voor het laatste
geldstuk, wat hij had, cigaretten. Toen hij, behagelijk rookend, verder
ging, hoorde hij plotseling aan het eind der straat een geweldige
ontploffing.
Terzelfder tijd snelden de beide mannen, die Raffles voor het huis had
zien staan, de straat langs en schreeuwden:
„Brand! Brand!”
Van alle kanten stroomden menschen toe en eindelijk kwamen brandweer en
politie.
Er viel niets meer te redden.
Het huis was geheel verwoest en de brandweer nam als oorzaak
gasontploffing aan.
Maar Raffles wist beter.
Hij had een rijtuig genomen en reed naar huis.
Charly Brand wachtte in zenuwachtige spanning op hem en ontving hem met
de woorden:
„Waar bleef je zoo lang?”
„Men heeft mij in de lucht laten vliegen”, lachte Raffles. „De
Camorristen hielpen mij met een dynamietpatroon naar de andere wereld.
Raffles is dood—leve Raffles!”
De Groote Onbekende sprak nu op meer ernstigen toon:
„En nu mijn jongen, betaal den koetsier, die voor de deur wacht, dan ga
ik soupeeren. Het wordt tijd!”
Na het souper kleedde Raffles zich zorgvuldig en sprak tot Charly
Brand.
„Je moet nu met mij meegaan en ook de oude kamerdienaar Victor. Jullie
gaat tot nader order in het Cecil Hotel wonend. Noem je daar mr. James
Bennet uit Manchester.
Ik kom je daar morgen bezoeken. Verlaat het hotel niet, voordat ik je
afhaal”.
Charly Brand maakte zich gereed en met den ouden kamerdienaar verliet
Raffles, nadat hij alles goed had afgesloten, de villa.
Aan het Strand nam hij afscheid van Charly en reed alleen verder.
Voor het bekende voorname restaurant der demi-monde steeg hij uit. In
dit lokaal hoopte hij Miss Toni te zullen vinden.
Graaf Albergo had deze plaats genoemd als zijn rendez-vous met haar.
John Raffles doorliep de weelderig uitgedoste zalen en zag in een stil
hoekje „de dame met de dievenlantaarn”, zooals hij haar noemde, zitten,
waar zij blijkbaar op iemand wachtte.
Graaf Albergo was nog niet aanwezig.
Met de vrijmoedigheid van een man van de wereld nam Raffles aan haar
tafeltje plaats en op ongegeneerden toon vroeg hij:
„Willen wij samen soupeeren?”
„Ik dank u”, antwoordde de Miss, „ik wacht op een vriend”.
„Op graaf Albergo?” vroeg Raffles op zachten toon, zich amuseerend over
het verbaasde gelaat van de dame. Zenuwachtig keek zij hem aan en
vroeg:
„Hoe weet gij dat?”
„Ik weet alles, ik ben gedachtenlezer”, schertste de Groote Onbekende.
„Als gij mij uw mooie handen wilt geven, zal ik u uit de lijnen
waarzeggen”.
„Gij schertst, mijnheer”.
„Neen, Lady, volstrekt niet, ik kan u het verleden en de toekomst
onthullen”.
„Onzin,” antwoordde Miss Toni, „dat is onmogelijk!”
„Ik wed het!” lachte Raffles.
„Goed”, sprak de dame, „wed een banknoot van tien pond tegen een souper
met mij. Kunt gij mij zeggen waar ik vanmiddag ben geweest?”
John Raffles nam een banknoot van tien pond uit zijn portefeuille en
legde die op tafel.
„Ik neem het aan”, sprak hij.
„Allright”, lachte Miss Toni, hem haar handen voorhoudend. „Ga uw
gang—”
Lord Lister hield haar handen vast en keek er oogenschijnlijk zeer
oplettend naar. Daarop sprak hij op zachten toon.
„Gij zijt heden bij Dr. Sabatini geweest!”
Verschrikt keek Miss Toni hem aan en haar handen welke hij vasthield,
beefden.
„Hoe kunt gij dat weten?” vroeg de mooie misdadigster met trillende
lippen.
„Ik zei u immers dat ik gedachtenlezer ben”, schertste Raffles, „en nu
zal ik u nog meer vertellen. Ik weet, dat gij twee nachten geleden bij
een zekeren Mr. Morton zijt geweest—een juwelier—gij hadt een
dievenlantaarn bij u—en waart bezig den winkel leeg te stelen.
Bovendien kennen wij elkaar reeds uit New-York. Gij heet niet Toni,
maar Marietta, en men zocht u in New-York wegens moord. Misschien
herinnert gij u het lijk, dat in een vat werd verborgen en den blonden
Oostenrijker—jammer dat Petrosino dood is.—Het zou hem genoegen doen, u
eindelijk te leeren kennen, hoewel de zwarte Marietta is veranderd in
een blonde Toni”.
Met oogen vol ontzetting staarde de ontmaskerde naar den heer tegenover
haar, haar adem stokte en de zaal scheen met haar rond te draaien.
Zij wilde haar handen uit de zijne trekken. Maar tevergeefs. Zij werden
als door schroeven vastgehouden en plotseling haalde Raffles uit zijn
zak een paar handboeien, die hij in een oogwenk de dame aandeed.
„Stevige armbanden”, sprak hij op spottenden toon tot de half
bewustelooze vrouw, „en volg mij nu, zonder veel opzien te verwekken,
naar het bureau van het restaurant”.
De Groote Onbekende deelde den chef van de inrichting mede, dat hij een
gevaarlijke misdadigster had moeten gevangen nemen en dat deze nu in
het bureau moest worden opgesloten, totdat de detectives zouden zijn
gekomen.
Daarop telefoneerde hij naar Scotland Yard en liet zich met detective
Marholm verbinden.
„Kom dadelijk naar het Italiaansche restaurant in de Oxfordstreet om de
daar in het bureau opgesloten Camorriste af te halen”.
„Heb ik de eer met Raffles te spreken?” vroeg Marholm.
„Jawel, mijn waarde”, lachte deze, „ik zie wel, dat wij goede kennissen
zijn. Verzuim vooral niet om dadelijk te komen”.
„Dadelijk!” beloofde Marholm.
De Groote Onbekende ging in de zaal terug, om graaf Albergo te wachten.
Deze liep reeds zoekend langs de tafeltjes.
Raffles riep een kellner, gaf dezen een goede fooi en sprak:
„Deel dien heer, die daar langs de tafeltjes loopt, mede, dat de dame,
die hij zoekt, Miss Toni, naar Dr. Sabatini is gegaan. Hij wordt
verzocht, haar daar af te halen. Maar zeg niet, dat ik u deze boodschap
gaf”.
De kellner, die in dit restaurant der demi-monde aan dergelijke dingen
gewend was, glimlachte bescheiden en snelde naar graaf Albergo.
De Groote Onbekende zag, dat deze eerst ongeloovig het hoofd schudde,
en daarna de zaal verliet.
Dadelijk volgde Raffles hem, want hij wilde weten, waar de woning van
dr. Sabatini was en in een huurrijtuig volgde hij de equipage van den
graaf.
Zonder te vermoeden, dat men hem volgde, had de graaf het rijtuig in de
nabijheid van de woning van den „Bloeddorstige” verlaten. Het laatste
eindje ging hij te voet.
Als een schaduw sloop Raffles in de donkere straat den Italiaan na en
een zegevierend lachje gleed over zijn gelaat, toen hij den graaf de
stoeptreden van het huis van Dr. Sabatini zag beklimmen.
Dadelijk nadat Albergo was binnengegaan, haastte Raffles zich om het
naambordje te gaan lezen.