gekomen was, verdween hij weer.
Intusschen had detective Marholm met een zijner collega’s Miss Toni
afgehaald en naar Scotland Yard vervoerd.
Zij werd in een bijzonder veilige cel opgesloten.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
BIJ DR. SABATINI
De „Bloeddorstige” was stom van verbazing, toen graaf Albergo bij hem
binnentrad en naar Miss Toni vroeg.
„Gij zijt krankzinnig”, antwoordde hij. „Miss Toni is niet hier. Spoed
u terug naar het restaurant en tracht door middel van een flinke fooi
van den kellner te weten te komen, wie hem die boodschap opdroeg. Breng
mij het antwoord.”
Toen graaf Albergo het huis verliet, zag hij niet, dat een donkere
gedaante, die in een diepe portiek stond, hem nakeek totdat hij uit bet
gezicht was verdwenen.
Kort daarop verliet Raffles de portiek. Hij nam in een der nabijgelegen
straten een auto en liet zich naar de woning van dr. Sabatini brengen.
Voor het huis liet hij de auto wachten en hij belde.
Toen hem geopend werd, sprak hij:
„Ik ben de magistraatsbeambte Tyler en kom op aanbeveling van graaf
Albergo, dien ik zooeven sprak. Ik zoek een dokter voor mijn doodzieke
vrouw. Zeg den dokter, dat ik met een auto op hem wacht.”
Er verliep eenigen tijd voordat de vrouw hem kwam vertellen, dat dr.
Sabatini te vermoeid was om nog te kunnen uitgaan.
„Ga nog eens terug”, sprak Raffles, „en zeg hem, dat graaf Albergo een
goed vriend van mij is en mij bij den dokter aanbeveelt.”
Hij gaf het mopperende oudje een geldstuk en deze ging weer naar den
dokter terug. Reeds twee minuten later meldde zij:
„Hij komt.”
Raffles stond bij de auto te wachten.
„Dr. Sabatini?” vroeg hij op zeer beleefden toon, terwijl hij zijn hoed
afnam.
De „Bloeddorstige” keek Raffles met scherpe blikken aan, maar bij het
onzekere licht van de straatlantaarns kon hij hem niet nauwkeurig
onderscheiden.
„Is uw vrouw ziek?” vroeg hij bij het instappen.
„Ja, dokter”, antwoordde Raffles, hem volgende, „zij heeft hooge
koorts, ijlt en ik ben zeer bang voor haar leven.”
De auto reed met volle snelheid. De chauffeur had een groote fooi
gekregen en het adres, dat Raffles hem had opgegeven als einddoel van
den tocht, was de villa in Regent-Park.
„Kent gij graaf Albergo?” vroeg dr. Sabatini.
„Gij kwaamt bij mij op zijn aanbeveling, nietwaar?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „ik ken hem zeer goed en hoop, hem dezen
grooten dienst te kunnen vergelden. Hij noemde mij u als zeer bekwaam.”
Raffles zag, dat dr. Sabatini wantrouwende blikken door het raampje
wierp.
„Het is een flinke weg, dien wij afleggen. Zijn wij hier niet in
Regent-Park?” vroeg de dokter toen eindelijk de auto voor het huis van
Raffles stilhield.
„Neen”, antwoordde de ander, „hier is Windsor-Park.”
„Dien naam ken ik niet”, antwoordde dr. Sabatini, „maar ik verlaat mijn
huis zelden.”
Zij verlieten samen de auto en Raffles opende het ijzeren hek.
Dr. Sabatini bleef wantrouwig staan.
„Het gebouw is volkomen donker”, sprak hij.
„Onze kamers liggen aan den anderen kant”, verzekerde Raffles hem, de
deur openend. Dadelijk draaide hij de electrische lichten aan.
„Mag ik u verzoeken, mij langs deze trap te volgen?” vroeg Raffles.
Eenige oogenblikken later stond de „Bloeddorstige” in de studeerkamer
van Raffles en deze bood hem een fauteuil bij den haard aan.
„Gij moet mij een oogenblik verontschuldigen”. sprak hij tot dr.
Sabatini, „ik zal mijn vrouw van uw komst op de hoogte brengen.”
Raffles verliet de kamer en dr. Sabatini keek vol verbazing naar een
mooie staande klok. Waar had hij die klok ook weer gezien?
Plotseling maakte een vreeselijke gedachte zich van hem meester. Was
deze klok niet, maanden geleden, in alle couranten afgebeeld geweest
als meesterstuk van Raffles?
Het koude angstzweet kwam op zijn voorhoofd.—
Was hij hier in de woning van den meesterdief?—
Hield men hem hier gevangen?—
Tevergeefs trachtte hij zichzelf gerust te stellen met de overtuigende
gedachte, dat Raffles immers dood was.
Daar werd de deur der kamer geopend.
Verschrikt wendde de „Bloeddorstige” zijn hoofd naar die richting
en—als versteend, met wijdgeopenden mond en uitpuilende oogen—keek hij
naar de elegante, slanke gestalte van Raffles.
Met een spottend lachje naderde deze. Hij hield een revolver in de
rechterhand, in de linker- een paar stalen boeien, zooals Scotland Yard
die gebruikte.
Dr. Sabatini wilde schreeuwen, maar angst en vrees snoerde zijn keel
toe. Hij kon geen enkel geluid geven.
„Het doet mij genoegen, u zoo kort na mijn dood bij mij te zien”, sprak
Raffles, „en ik ben zoo vrij u daarom een geschenk aan te bieden. Geef
mij uw handen en neem het in ontvangst, dr. Sabatini. Maak geen enkele
andere beweging, mijn Browningpistool heeft de eigenaardigheid, zelfs
een spijkerkop te raken.”
Dr. Sabatini waagde het niet, zich te verzetten. Raffles legde de
boeien om zijn bevende handen en liet de stalen sloten met een knal
dichtspringen.
Daarop ging Raffles tegenover den dokter zitten en stak een sigarette
aan.
„De ontploffing gelukte uitstekend”, zoo begon hij op gezelligen
conversatietoon, „men kon het twee mijlen ver hooren en niemand
vermoedde, dat er eigenlijk alleen om mij zooveel lawaai werd gemaakt.
Maar ik zie, dat uw voeten sidderen, alsof gij koorts hadt. Ik bezit
daarvoor een goed geneesmiddel. Kijk eens hier”—hij haalde een tweede
paar boeien uit zijn zak te voorschijn en deed ook die den angstigen
dr. Sabatini aan, zoodat deze nu aan handen en voeten geboeid in zijn
stoel zat.
„Wat wilt gij met mij doen?” sprak hij met heesche stem.
„Wat men doet met een dollen hond of met een roofzuchtigen tijger”,
antwoordde Raffles, „en sta mij nu toe, dat ik u uw dubbelganger
voorstel.”
Hij verdween in zijn kleedkamer en veranderde daar zichzelf, met behulp
van was, verf, een grijzen baard en pruik in een frappant gelijkend
evenbeeld van dr. Sabatini.
Deze meende een geestverschijning te zien, toen Raffles in de
studeerkamer terugkwam.
De Groote Onbekende lachte en, terwijl hij dr. Sabatini’s overjas en
hoed nam, sprak hij:
„Ziet gij, dat is kunst! Een kunst, waarvan ik aanhanger ben. Uw
bedrijf, dokter, het scheermes en het halsafsnijden, is een ellendig en
gemeen werkje. En nu zal ik uw zakken inspecteeren.”
„Laat mij heengaan”, smeekte dr. Sabatini, „ik bied u een vorstelijk
vermogen aan.”
„Dat bezit ik al”, lachte Raffles, terwijl hij uit een der broekzakken
van den dokter diens brandkastsleutel te voorschijn haalde, „ik zal het
geld van uw slachtoffers aan allerlei weldadigheidsinstellingen
aanbieden. En nu, vaarwel. Ik zal een cel voor u bestellen in de Old
Bailey-gevangenis.
Slaap wel!”
„Erbarming!” kermde het opperhoofd der moordenaars.
Raffles ging, zonder te antwoorden, heen.
Beneden in de vestibule draaide hij het electrische licht uit, hij
sloot de voordeur achter zich dicht en nam plaats in de auto.
„Terug!” beval hij en met razende snelheid verdween de auto.
„Mijnheer is lang weggebleven”, sprak de oude. huisbewaarster tot hem,
„graaf Albergo wacht boven in de voorkamer.”
Lord Lister, die precies de gewone manier van doen van den
„Bloeddorstige” nabootste, mompelde een paar onverstaanbare woorden in
zijn grijzen baard en ging naar boven.
Hij had, bij het wachten op den dokter, nauwkeurig gadegeslagen hoe de
ligging van diens kamers was. De mat verlichte vensters hadden het hem
verraden.
Nu moest hij van graaf Albergo zien af te komen.
Toen deze den vermeenden dr. Sabatini zag binnenkomen, riep hij uit:
„Meester, Miss Toni is gevangen genomen!”
„Ik weet het!” antwoordde Raffles.
„Wat moet ik doen? De makkers wachten in het restaurant Umberto in
Eastend op uw bevelen.”
„Ik heb hier een sleutel”, sprak Raffles, zijn eigen huissleutel te
voorschijn halend, „die past op het huis van Raffles, Regent Park. Neem
morgenvroeg een wagen—een gesloten meubelwagen—en zorg ervoor, dat
verscheiden der onzen zich als behangersknechts verkleeden. In dien
wagen moet de brandkast en alle kostbaarheden van dien speurhond worden
geladen. Breng echter alles hierheen. Wij willen de erfenis van dien
man in bezit nemen.
Zorg ervoor, om tien uur daar te zijn. Ik zal eveneens komen. Wij
kunnen ongestoord werken; niemand woont in het huis.
En laat mij nu rusten, ik ben vermoeid.”
Graaf Albergo maakte een onderdanige buiging en kuste de hand van
Raffles, waaraan de kostbare diamant schitterde, welke hij den dokter
had afgenomen.
Zoodra de graaf was heengegaan, trad Raffles de studeerkamer van Dr.
Sabatini binnen, waar hij zijn werk begon.
In de brandkast welke hij allereerst opende, ontdekte hij een vermogen
van bijna twee millioen pond sterling in allerlei papieren van waarde.
Hij vulde een grooten koffer, dien hij daar zag staan, met het geld en
begon daarna de schrijftafel door te zoeken.
Daar vond hij al dadelijk een keurig bijgehouden register, vermeldende
de slachtoffers, die op bevel van den „Bloeddorstige” door de Zwarte
Hand waren vermoord.
Maar—wat van nog veel grooter waarde was—de lijst der leden van de
Zwarte Hand.
Dat was het, wat hij zocht.
Nu begaf hij zich naar de vestibule, waar de huisbewaarster op zijn
bevelen scheen te wachten.
Hij riep haar in het Italiaansch toe:
„Zorg dadelijk voor een rijtuig!”
„Een rijtuig?—Nu, in den nacht?” vroeg de oude. vrouw verbaasd.
„Dadelijk!” beval Raffles, en hij wachtte, tot zij het huis verliet.
Het duurde een half uur, een rijtuig voor het huis stilhield.
Raffles liet den koetsier in huis komen en deze moest den zoo
waardevollen koffer uit de studeerkamer naar het rijtuig dragen.
Daarop volgde Raffles, die tot de huishoudster sprak:
„Niemand mag weten, dat ik op reis ga. Ik ben morgenavond terug”.
De oude kuste zijn handen en sloot de deur achter hem.
Raffles riep den koetsier toe: „Hotel Cecil!” en hij reed weg met de
millioenen der Camorra.
Charly Brand was verbaasd toen hij tegen drie uur des nachts werd
gewekt en Raffles zijn kamer binnentrad. Twee huisknechts volgden met
den koffer.
„Daar ben ik, mijn jongen,” lachte Lister, nadat de knechts waren
heengegaan, „en ik breng de krijgskas der Camorra mee. Het is de moeite
waard, hoor!
Nu wil ik een cigarette gaan rooken en een nachtelijk kop thee drinken.
Daarop laat ik mij telefonisch verbinden met Scotland Yard, en zal ik
onzen vriend Baxter een roemvol werk geven. Hij kan morgen ten uitvoer
brengen, wat nog geen enkelen ambtenaar van politie is gelukt: De
Zwarte Hand onschadelijk maken”.
Detective Marholm was aan de telefoon, toen Raffles Scotland Yard
opriep. Hij herkende de stem en sprak:
„Hallo, Lord Lister, is er vandaag nog meer te doen? Het is al vrij
laat!”
„Voor ons beroep de beste tijd”, schertste Raffles door de telefoon,
„de burgers slapen en slechts de dieven en detectives zijn wakker. Ik
heb veel werk voor u. Gij kunt morgen om 10 uur in mijn oude woning het
opperhoofd van de Zwarte Hand geboeid in ontvangst nemen en een half
dozijn zijner medemoordenaars daarenboven.
Zij komen, verkleed als behangers, om mijne woning leeg te plunderen.”
„Allright!” antwoordde detective Marholm, „ik zal zorgen dat alles in
orde is.” En in stilte wenschte Marholm Raffles te zijn.
Den volgenden dag schreeuwden de couranten jongens luid het
sensatiebericht uit, omtrent het laatste meesterstuk van Raffles tegen
de Camorra of Zwarte Hand.
Dr. Sabatini en vele zijner handlangers eindigden hun leven aan de
galg.
Voordat de „Bloeddorstige” aan de galg hing, ontving hij van een
onbekenden afzender een courant. Hierin stond met vette letters het
volgende berichtje:
„Raffles schenkt twee millioen pond aan de weeshuizen van Londen! Een
koninklijke gift!”
„Ten koste van mij!” mompelde Dr. Sabatini, „vervloekt!”—