„Het spijt mij”, antwoordde de jonge man, „Mr. Morton moest voor

dringende zaken op reis”.

„Dat is erg jammer”, sprak de nieuwe bezoeker, „omdat ik slechts eenige

uren verlof kon krijgen en reeds hedenavond naar mijn schip moet

terugkeeren. Dan wilt gij zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij toch even

het huis te laten zien?”

De jonge man wist niet, wat hij zou antwoorden; radeloos staarde hij

John Raffles en Charly Brand aan.

„Ik ken het huis van vroeger”, begon de vermeende kooper weer, „als ik

mij goed herinner, grenst aan dezen winkel een groote kamer met een

uitgang naar de binnenplaats. Gij staat mij zeker wel toe, even te

kijken?”

Zonder een antwoord af te wachten, liep Raffles achter de toonbank

langs en reeds wilde hij de deur naar de kamer openen, toen plotseling

de jonge man als een kat naar den indringer sprong, hem van de deur

wegstiet en uitriep:

„Halt, mijnheer! Mr. Morton heeft mij uitdrukkelijk verboden, iemand

gedurende zijn afwezigheid in de kamers toe te laten”.

„Maak u toch niet belachelijk”, antwoordde de kapitein, terwijl hij,

quasi goedig, zijn rechterhand op den schouder van den jongen man

legde, tevergeefs trachtte deze zich hieraan te onttrekken.

Nog voordat hij iets had kunnen zeggen, had Raffles de deur naar de

kamer geopend en een luide uitroep van goed voorgewende verbazing

ontsnapte hem.

Hij staarde naar den in het bed liggenden juwelier, wiens doodengelaat

als uit was gekneed op het kussen lag.

Op dit oogenblik traditie de jonge man, die nog steeds door Raffles

werd vastgehouden, zich los te rukken en te vluchten. Maar de vermeende

kooper hield hem vast en, nadat hij hem een slag tegen het voorhoofd

had gegeven, legde hij den bewusteloozen jongen man op den grond neer.

Daarop begaf hij zich naar het in het vertrek aanwezige

telefoontoestel, en liet zich verbinden met het hoofdbureau van

politie, Scotland Yard.

„Zend dadelijk verscheiden bekwame mannen naar Lincolnstreet 16, huis

van juwelier Morton”, verzocht Raffles den bedienenden beambte van

Scotland Yard. „Er is daar een groote misdaad gepleegd.”

In minder dan tien minuten arriveerde een politie-auto voor den winkel

en de groote onbekende, die door de etalage-vensters naar de personen

keek, die er uitstapten, sprak tot Charly Brand:

„Natuurlijk! Onze oude vriend, inspecteur Baxter, geeft zich

persoonlijk de groote eer, een misdaad te ontdekken”.

Zoo was het. De inspecteur van politie betrad het eerst den winkel en

John Raffles stelde zich aan hem voor als de kapitein der Engelsche

marine, sir Charles Lobster. Met korte woorden vertelde hij, terwijl

hij hem den brief van Morton toonde, waarvan de beambte niet kon

vermoeden, dat lord Lister hem zelf had geschreven, dat de jonge man

hem had belogen en hem had verteld, dat de juwelier Morton op reis was,

terwijl de man in de kamer achter den winkel dood in zijn bed lag. Deze

leugen had hem aanleiding gegeven om de hulp der politie in te roepen.

„Ik dank u”, sprak Baxter, op militaire wijze groetend, „wij zullen

voorzichtigheidshalve den knaap dadelijk de handboeien aandoen”.

De beambten boeiden den jongen man en terwijl zij hem de stalen banden

om de polsen legden, verschoof de mouw van den onderarm en detective

Marholm deinsde plotseling terug, alsof hij een heet ijzer had

beetgepakt. Hij sprak tot Baxter, naar den ontblooten onderarm van den

geboeide wijzende:

„Kijk eens naar die tatoeëring, inspecteur Baxter!”

Baxter, de beambten, John Raffles en Charly Brand keken allen op en

zagen op den linkerarm een zwart gebrande rechterhand met uitgestrekte

vingers.

„Het teeken van de „Zwarte Hand”, sprak Baxter.—„Vervloekt! Wij hebben

hier te doen met de zwaarste misdadigers. Die man daar is een lid van

de geheime vereeniging der Italiaansche Camorra”.

Op dit oogenblik werd de deur der kamer opengeworpen, en de oudere

makker van den geboeiden Italiaan snelde binnen, in de rechterhand een

revolver, in de linker een dolk houdend.

„Maledetto!” brulde hij, „wat wilt gij hier?”

„Jou gevangen nemen!” riep Baxter uit.

„De duivel hale u allen te zamen!” antwoordde de Italiaan, terwijl hij

zijn revolver op Baxter richtte.

Maar op hetzelfde oogenblik knalde achter Baxter een schot. Met een

vloek liet de Italiaan de opgeheven revolver vallen en een bloedstroom

vloeide uit zijn rechterhand. De detectives grepen hem, ontnamen hem

den dolk, en boeiden hem ondanks alle tegenstand.

„Wie heeft op den kerel geschoten?” vroeg Baxter.

„Dat deed ik”, antwoordde John Raffles doodbedaard, terwijl hij een

cigarette aanstak.

De inspecteur van politie boog, en sprak:

„Dan hebt gij mij naar alle waarschijnlijkheid het leven gered,

mijnheer!”

De zeeofficier glimlachte:

„Het is mij een groot genoegen, u in het leven te kunnen behouden, heer

inspecteur! Ik zou u zeer missen!”

Nu klonk de stem van detective Marholm, die zijn chef toeriep:

„Kijk eens, inspecteur! Ook deze man heeft op zijn linkerarm het

geheime teeken der Camorra!”

Baxter wierp hierop een korten blik, daarna ging hij met den

politiearts, die hem vergezeld had, naar den doode, om dezen te

onderzoeken.

„De dokter verklaarde echter, dat het onmogelijk was, voorloopig vast

te stellen, of de juwelier eene natuurlijken of een gewelddadigen dood

gestorven was.

„Dan zullen wij het huis doorzoeken”, beval Baxter, en allen begaven

zich naar de hooger gelegen vertrekken.

Hier vonden zij echter niets verdachts. Slechts een grenzenlooze

verwarring toonde aan, dat de kamers dagenlang niet gereinigd waren.

In een der vertrekken verrieden de rondliggende kleedingstukken, dat

het door een vrouwspersoon werd bewoond.

Maar tevergeefs doorsnuffelden de detectives het huis, de dame was niet

te vinden. En toch hoopten Baxter en Raffles beiden, van haar meer

omtrent den dood van Morton te vernemen.

Waar was zij gebleven en wie was zij?

In deze kamer vond Raffles in een tafella een witten baard.

Vol belangstelling keken de detectives hem en braken zich tevergeefs

het hoofd, tot welk doel hij gebruikt was.

Maar Raffles begreep het gebruik.

Hij hield den baard den oudsten Italiaan voor het gelaat en sprak

lachend:

„Hier is Mr. Morton, heeren, al lijkt hij ook niet sprekend!”

Een woedenden blik werd hem door den geboeide toegeworpen.

Raffles had diens geheim ontdekt.

Deze Italiaan was in den afgeloopen nacht de valsche Mr. Morton

geweest, die, inplaats van den doode, de juweelen aan de dame in den

winkel toonde.

Baxter had uit de aangrenzende huizen eenige bewoners laten halen om

van hen te vernemen, wie de bedienden van den heer Morton waren geweest

en of men misschien wist, waar zij gebleven waren.

Tot groote verbazing van den inspecteur Baxter en ook van John Raffles,

wezen de buren van Morton den oudsten Italiaan aan als bediende van den

overledene.

Daarentegen konden zij geen inlichtingen geven betreffende het

uiterlijk van de huishoudster en de beide geboeide Camorristen zwegen.

Alleen Raffles wist, hoe de huishoudster er uitzag. Het moest de dame

zijn, die hij in den nacht met de dievenlantaarn in den winkel had

gezien, een mooie, blonde vrouw. Een niet alledaagsch gezicht en Lord

Lister sprak tot zichzelf, dat hij deze dame onder de demi-mondaines in

het Piccadilly-Circus of na theatertijd in de Strand-restaurants wel

zou vinden.

Hij nam afscheid van Baxter en beloofde hem den volgenden dag in

Scotland Yard te zullen opzoeken.

Toen Lord Lister den winkel reeds verlaten had, riep Baxter tot

detective Marholm:

„Loop den kapitein na, ik vergat, hem naar zijn adres te vragen!”

En Marholm holde, zoo snel zijn korte beentjes hem konden dragen,

Raffles na, en ontdekte hem, toen hij juist op het punt was, in een

auto weg te rijden.

„Wacht als het u belieft, een oogenblikje!” riep hij bijna ademloos.

De Groote Onbekende liet den chauffeur nog even halt houden en vroeg

den naderenden Marholm, wat hij wenschte.

„Mijnheer de inspecteur wenscht uw adres”, riep de detective uit, „hij

heeft het noodig voor zijn acten!”

„Best”, antwoordde Raffles, „hier hebt gij mijn kaartje.”

Hij haalde een kaartje uit zijn visiteboekje te voorschijn, vouwde het

dubbel en gaf het aan Marholm.

„Groet den inspecteur van politie Baxter voor mij en herhaal hem nog

eens, dat het mij veel genoegen doet, hem het leven te hebben gered!”

riep hij Marholm toe en in hetzelfde oogenblik gaf hij den chauffeur

het bevel weg te rijden.

„Ik zal de boodschap overbrengen!” kon Marholm nog roepen, daarop tufte

de auto heen en was na een minuut in het gewoel der menschen en

voertuigen verdwenen.

Langzaam liep Marholm naar de juwelierszaak terug om Baxter het

visitekaartje van den kapitein te brengen. Onder het loopen ontvouwde

hij het kaartje, om het adres te lezen.

Hij moest plotseling blijven staan, en een luide kreet maakte de

voorbijgangers opmerkzaam op hem.

Daarop barstte hij uit in een luid lachen en de omstanders dachten, dat

hij dronken of krankzinnig was, toen hij proestend en schaterend

doorliep. En hij lachte nog, toen hij zijn chef Baxter het kaartje gaf

en deze, zoodra hij den naam las, als door een wesp gestoken, opsprong

en uitriep:

„Raffles!”

„Jawel!” hijgde Marholm, bijna stikkend—„John C. Raffles zendt ons zijn

visitekaartje. Jongens! De Groote Onbekende verdient het om inspecteur

van politie van Londen te worden!”

De detectives lachten.

Maar de geboeide Camorristen wierpen elkaar een blik van

verstandhouding toe. Zij wisten nu, wie hun in de val had gelokt, en

zij zwoeren Raffles bloedige wraak.

VIERDE HOOFDSTUK.

IN HET HUIS VAN DEN BLOEDDORSTIGE.

Reeds dienzelfden avond hadden de Londensche bladen lange artikelen

over de gevangenneming van twee leden der gevreesde Zwarte Hand en de

vreemde omstandigheden, waaronder deze had plaats gehad.

„John Raffles, de misdadiger-detective!” schreeuwden de

courantenjongens, en gaven hiermede den Grooten Onbekende een nieuwen

eeretitel.

Een diep gesluierde dame kocht aan het Strand een avondblad van een der

jongens. Zij scheen zeer gehaast te zijn, want zij wachtte niet op het

kleingeld, dat de jongen haar wilde teruggeven. Verbaasd keek de boy

haar na; hij dacht, dat zij zich vergist had en daar hij een eerlijk

kereltje was, liep hij haar na en haalde haar in juist toen zij in een

auto steeg.

„Houdt het geld maar!” riep de dame hem toe en de auto verdween.

In de gesloten auto sloeg zij den sluier, die haar gelaat bedekte,

terug en met bevende handen opende zij het avondblad.

„Raffles slimmer dan de Zwarte Hand” luidde het hoofd van het

sensatieartikel op de eerste pagina en daarop volgde de beschrijving

van de gebeurtenissen in den winkel van Morton.

Onder het lezen verscheen een uitdrukking van woede op het gelaat der

dame, waardoor haar madonna-achtig, schoon gelaat een duivelschen trek

kreeg. Haar volle lippen werden stijf opeen gedrukt en toen zij het

artikel had uitgelezen, kneep zij de courant samen en fluisterde:

„Wij zijn ontmaskerd—vervloekt!”

Woedend stampte zij met haar klein, elegant geschoeid voetje, op den

vloer van het rijtuig.

Om zichzelf te kalmeeren, nam zij uit haar handtaschje een cigarette,

die zij aanstak.

Nadenkend keek zij naar het drukke straatgewoel, Haar gelaat had een

harde, vastberaden uitdrukking en een gevaarlijk licht schoot uit haar

mooie oogen, als de loerende blikken van een kat, die zijn prooi zoekt

in het donker.

Het was een groote tocht dien zij maakte. De auto reed van het Strand

over de Theems naar de Tower. Vlak bij de Towerbrug gaf de dame den

chauffeur een teeken om halt te houden en riep zij een daar

passeerenden man met zwarten baard.

Deze schrok, toen hij zijn naam hoorde, liep naar de auto, en de

chauffeur hoorde, dat de vreemdeling haastig eenige woorden in het

Italiaansch wisselde.

Daarop riep hij tot den chauffeur: „Verder rijden”, en nam bij de dame

plaats.

„Wat zeg je van de gevangenneming van onze kameraden, Charlotte?” vroeg

de dame.

„Een vervloekte geschiedenis, Miss Toni”, antwoordde de zwarte man, „ik

vernam het daar juist uit de couranten en dacht er over na, om

onmiddellijk naar, het clublokaal te gaan”.

„Wij moeten een middel vinden om de gevangenen te bevrijden en, wat nog

gewichtiger is, dien Raffles. onschadelijk te maken. Als wij hem te

pakken krijgen, moet hij op ongekende wijze gemarteld worden”.

De man met den zwarten baard antwoordde schouderophalend:

„Ik geloof, dat de bevrijding van onze makkers ons zal gelukken, maar

ik betwijfel of wij in staat zullen zijn, Raffles in onze macht te

krijgen”.

Weer stampte de dame woedend met haar voet, en riep uit:

„Het moet! Hij had het voldoende moeten achten, Pietro en Jimmi het

gestolene af te nemen.

Mij kwam de geheele zaak met den kooper van het paarlencollier al

dadelijk verdacht voor. Ik vermoedde een detective. Niemand kon

vermoeden, dat wij met den Grooten Onbekende te doen hadden. Het was

dom van mij, ik had gisteren het paarlencollier niet aan Jimmi en

Pietro terug moeten geven.

Maar zij waren bang voor een ontdekking en wilden bovendien het sieraad

voordeelig verkoopen.

Dit was nu een goede gelegenheid voor hen en wij zouden nu in het bezit

zijn van meerdere duizenden ponden sterling, als niet”—zij zweeg en

beet toornig in haar onderlip.

De zwarte sprak lachend:

„Als Raffles niet was gekomen en jullie het paarlencollier had

afgenomen, benevens nog tweeduizend pond sterling en de beide domkoppen

naar Scotland Yard had afgeleverd. Het is eigenlijk belachelijk, hoewel

het mijn makkers zijn.

Jammer! Deze Raffles moest voorzitter van de Zwarte Hand zijn! Ik

geloof, dat wij dan in staat waren om geheel Londen in het Kanaal onder

te dompelen en alleen het geld over te houden.”

„Uw oordeel is zeer eigenaardig”, antwoordde Miss Toni. „Ons ongeluk

schijnt u te amuseeren.”

„Neen, maar wel het meesterstuk van Raffles”, sprak de ander, „voor het

overige plaats ik mij op uw standpunt, Miss Toni, dat het onze plicht

is om iedereen, die onze makkers schade berokkent, het scheermes door

de keel te jagen.”

De auto hield stil bij den hoek eener donkere straat en Miss Toni

verliet met den donkerharigen man het voertuig.

Nadat zij den chauffeur hadden betaald, liepen zij de donkere straat in

en bleven staan, voor een bescheiden huis van twee verdiepingen. Een

hooge stoep leidde naar de huisdeur en onder de bel stond op een

porceleinen bord te lezen:

Dr. Sabatini,

Arts en Verloskundige.

Een oude vrouw opende de deur en liet hen binnen, een Italiaanschen

groet mompelend.

Miss Toni scheen het huis te kennen, want zonder vragen ging zij langs

de trap naar boven en zonder kloppen trad zij een kamer binnen, waar

verschillende mannen bijeen zaten.

Hun gebruinde gezichten en zwarte baarden verrieden duidelijk, dat zij

Italianen waren. Met zuidelijke levendigheid begroetten zij Miss Toni

en naar geleider en galant hielpen zij het meisje haar pelsmantel

afleggen. De mannen maakten den indruk, beschaafde en goed opgevoede

gentlemen te zijn.

Zij waren met zorgvuldige elegance gekleed en schenen van Italiaanschen

adel te zijn, want Miss Toni noemde hen graaf en baron. Niemand had in

deze heeren de hoofden van de beruchte Camorra, de Zwarte Hand,

vermoed.

„Waar is Dr. Sabatini?” vroeg Miss Toni aan een hunner.

„Hij heeft een conferentie met Sergew Iwanowitsch in de zijkamer. De

Rus is heden met belangrijke berichten uit Petersburg gekomen. Men

bereidt daar een nieuwe revolutie voor en wij hopen daarbij nu meer

voordeel te hebben dan bij de laatste, waar die laffe Revolutionairen

bang waren voor de Regeering.”

„Ik denk, dat het van meer gewicht is om dadelijk met Dr. Sabatini te

spreken over de bevrijding van onze makkers”, antwoordde Miss Toni.

„Wees onbezorgd”, sprak een ander, „de kameraden van onze afdeeling

detectives hebben zooeven hunne bevelen ontvangen van Dr. Sabatini. Het

is bijna zeker, dat reeds hedennacht de gevangenen zullen worden

bevrijd en hier komen.”

Een zilveren bel weerklonk in de aangrenzende kamer. Dit was het

teeken, dat Dr. Sabatini zijn conferentie had beëindigd en dat de

wachtenden konden binnentreden.

Miss Toni opende de deur en trad, gevolgd door de Camorristen, de kamer

van Sabatini binnen.

Het vertrek was gevuld met zware, donkere meubelen. Een prachtig

gebeeldhouwde schrijftafel stond dicht bij de vensters, die door zware

fluweelen gordijnen waren bedekt. Twee brandende kaarsen in hooge,

zilveren kandelaars wierpen hun licht over een menigte papieren op de

schrijftafel en over een ouden man met witten baard, die aan het

schrijfbureau zat en wiens uiterlijk deed denken aan dat van een Doge

van Venetië uit de oude tijden.

Dit was Dr. Sabatini, het opperhoofd der Zwarte Hand, de president der

meest gevreesde en gevaarlijke misdadigersvereeniging der wereld.

Niemand zou dien grijsaard met zijn welwillend en eerbiedwaardig

uiterlijk hebben verdacht van een dier vreeselijke misdaden, welke hij

had gepleegd en toch kon een tijger niet wreeder zijn dan deze oude

man.

Vol trots noemde hij zich „De Bloeddorstige”.

In eerbiedige houding bleven de binnenkomenden in de deuropening staan

en alleen Miss Toni mocht, na een handbeweging van den ouden man, op

een stoel naast de schrijftafel plaats nemen, nadat de Rus Iwanowitsch

van dezen zetel was opgestaan.

Dr. Sabatini keek Miss Toni scherp en doordringend aan en sprak:

„Wat voor een grenzenlooze domheid hebt gij begaan?”

„Een domheid?” vroeg Miss Toni met zachte stem.

„Ja zeker, een domheid”, herhaalde Dr. Sabatini, „gij hadt, toen Morton

dood was, dadelijk alles van waarde moeten meenemen en doen

verdwijnen.”

„Wij hoopten”, antwoordde het meisje, „de stukken van waarde uit de

zaak tot goede prijzen te kunnen verkoopen. Daarom bleven wij!”

„De stommeriken zullen gestraft worden”, sprak Dr. Sabatini. „Ik zal

hen naar onze afdeeling in New York sturen en zij moeten daar weer als

nieuwelingen beginnen. Het is eenvoudig ondenkbaar, hoe gij een zaak,

die zoo goed was voorbereid, hebt kunnen bederven.

Het was mij gelukt, door aanbevelingen Pietro als huisbediende bij den

juwelier te plaatsen en eveneens jou als huishoudster.

En daarna, toen de man zonder opzien door mij naar de eeuwigheid was

geholpen en gij zijn paarlen en diamanten tot uw beschikking hadt, laat

ge u door dien kwajongen van een Raffles overdonderen.”

Hij wendde zich tot de Camorristen, die bij de deur Waren blijven staan

en sprak:

„Ik heb een plan uitgewerkt, om den grooten onbekende en zijn

handlanger te straffen. Binnen drie dagen zal deze man voor zijn

brutaliteit om twee onzer makkers aan de politie over te leveren, met

den dood worden gestraft. Hier is het vonnis, graaf Albergo.”

Deze naderde Dr. Sabatini en nam een vel papier in ontvangst, dat

voorzien was van een zwarte hand, een doodshoofd en twee daaronder

gekruiste beenderen en waarop het doodvonnis geschreven stond van John

C. Raffles.

Nadat de graaf het geschrift had doorgelezen, gaf Dr. Sabatini hem een

couvert, waarop met de schrijfmachine het juiste adres van Lord Edward

Lister alias John Raffles was geschreven.

„Deze brief moet den man nog dezen nacht worden gebracht”, beval Dr.

Sabatini, „en hier is het plan. Volgt het nauwkeurig op, dan zal de

groote onbekende over drie dagen niet meer tot de levenden behooren.”

Hij maakte een handbeweging als teeken, dat hij verder niet lastig

gevallen wenschte te worden.

Met een eerbiedige buiging namen de Camorristen afscheid, terwijl Miss

Toni de haar toegestoken hand van Dr. Sabatini, waaraan een

buitengewoon groote, prachtige diamant schitterde, aan haar lippen

drukte.

Daarop verliet ook zij het vertrek.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Het was tegen twee uur in den nacht, toen de huisbel der woning van

Lord Lister in Regent Park weerklonk en de uit zijn slaap gewekte oude

kamerdienaar door het kleine raampje in de huisdeur de donkere gestalte

van een man zag, die hem op zijn vraag, wat hij wenschte, antwoordde:

„Hier is een gewichtige brief, dien hij nog hedennacht aan Lord Lister

moet geven.”

Door de opening schoof hij den bediende den brief toe en verdween. Deze

ging in de slaapkamer van Lord Lister om zijn meester te wekken.

Raffles opende den brief en las hem kalm door. Daarop kleedde hij zich

vluchtig aan en begaf zich naar het slaapvertrek van Charly Brand, een

verdieping hooger.

Verschrikt sprong Charly op en riep:

„Is er iets gebeurd?”

„Niets van beteekenis”, antwoordde Raffles, „men zond mij alleen mijn

doodvonnis.”

„Je doodvonnis?” herhaalde Charly Brand, zonder te begrijpen. „Heb je

dan een moord gepleegd?”

„Dat niet”, antwoordde Raffles, „maar ik ben zoo vrij geweest, twee

leden van een moordenaarsbende aan de politie over te leveren. Dit

doodvonnis bevat trouwens ook het jouwe, mijn jongen!”

„Ik vind het een onaangenaam zaakje”, meende Charly Brand. „Ik heb nog

niet veel zin, een gewelddadigen dood te sterven. Wat denk je te doen?”

„Wij zullen morgen vroeg”, antwoordde Raffles, „het kleine huis van

twee verdiepingen in de Websterstreet betrekken, dat ik voor twee

maanden huurde. Wij moeten onze huidige woning een tijdlang mijden,

totdat ik met die misdadigersbende heb afgerekend. Deze zaak is een

beetje ernstiger dan een met een der heeren van Scotland Yard. Het zijn

brutale schurken, met wie wij te maken hebben, maar ik zal hen te woord

staan.

Dit wordt een interessant geval!”

VIJFDE HOOFDSTUK.

LIST TEGEN LIST.

De Websterstreet was een nauwe, donkere straat en hierin bevond zich

het kleine, smalle huis, dat Raffles voor eenige maanden had gehuurd,

om behalve zijn villa, een toevluchtsoord te hebben.

Het was slechts drie ramen breed, en slechts voor één gezin ingericht.

De vorige eigenaar was gestorven en John Raffles had van de erfgenamen

het huis met den geheelen inboedel gehuurd.

„Wij moeten hier een tijdje ons zelf bedienen”, sprak de groote

onbekende tot zijn vriend, nadat zij het huis waren binnengetreden. „Ik

wensch niet, dat iemand in de buurt opmerkt, dat dit huis bewoond

wordt.

Wij zullen de luiken gesloten houden, en de zware gordijnen, die voor

de ramen hangen, stellen ons in staat om binnen licht te branden,

zonder dat iemand op straat het merkt. En nu zullen wij het ons voor

alles gemakkelijk maken. Ik zal de kachel aanleggen en jij kunt

intusschen levensmiddelen en wat meer noodig mocht zijn, inkoopen.”

Een uur later zaten zij bij een vroolijk brandend haardvuur een kop

thee te drinken en Raffles vertelde Charly Brand gebeurtenissen uit

zijn vroeger leven in Indië en Afrika.

Toen het donker werd, draaide Raffles de lamp in de kamer uit en opende

de gordijnen voor de vensters. Door de reten van de gesloten luiken kon

hij door de smalle straat kijken, want een voor het huis staande

lantaarn verspreidde voldoende licht.

John Raffles had eenige minuten door de reet gekeken, toen hij zich tot

Charly Brand wendde en sprak:

„Kom eens hier, Charly, en kijk eens naar den man, die tegenover ons

huis in die oude portiek zit en blijkbaar zoo vol attentie naar ons

huis kijkt alsof het de Westminster Abdij was of het Paleis van den

Koning.”

Charly Brand ging haar zijn vriend en keek naar de donkere gestalte aan

de overzij.

„Waarvoor houdt je dien man?” vroeg Raffles.

Charly antwoordde:

„Ik kan zijn gezicht niet zien, hij heeft zijn hoed ver over het

voorhoofd getrokken. Maar naar zijn kleeding te oordeelen, is het een

Italiaansche draaiorgelman, zooals men die veel in de straten van

Londen ziet.”

„Je hebt gelijk, „antwoordde Raffles, „het is geen detective, maar een

Italiaansche orgeldraaier. Zulk een vermomming kiest een detective

niet, het zou te veel opvallen. En als men zich verkleedt, mag men niet

opvallen, of wel men moet een geestelijke, een ambtenaar of een

militair voorstellen, iemand voor wien de menschen respect hebben.”

„Welk belang kan die man er bij hebben, naar ons huis te kijken?”

„Je bent een domoor”, sprak John Raffles, „ondanks al mijn

voorzorgsmaatregelen is het dien schurken, dien Camorristen, gelukt,

ons spoor te volgen en die man staat daar aan de overzij alleen voor

ons.

Het is een der Camorristen en ik wed, als naar gewoonte, tien pond

sterling tegen een pruimepit, dat ik gelijk heb.

Lord Lister No. 0020: De bloeddorstige · 第 2 / 4 段