„Hebt gij wapens bij u?” vroeg hij, voordat wij de herberg

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 20 DE BLOEDDORSTIGE.

DE BLOEDDORSTIGE.

EERSTE HOOFDSTUK

DE GEHEIMZINNIGE DOODE.

„Ik heb gisternacht een merkwaardige ontdekking gedaan”, sprak Raffles

tot zijn vriend Charly Brand, met wien hij zich in zijn studeerkamer

bevond.

„Om een uur na middernacht ging ik door Lincolnstreet en zag daar twee

mannen, die uit een huurrijtuig stapten en een schijnbaar in onmacht

gevallen dame met zich meesleepten. Aangezien de heeren in avondtoilet

waren en in uiterst vroolijke stemming, vermoedde ik, dat de dame te

veel champagne had gedronken. Voor het huis van den juwelier Morton

bleven zij staan en een der heeren haalde een huissleutel uit zijn zak

en opende de naast het magazijn gelegen huisdeur.

Ik ken dat huis, en weet, dat alleen de oude juwelier Morton met een

huishoudster en knecht daar woont. Bij een bezoek aan den winkel heb ik

vroeger den eigenaar eens gezien. Ik houd hem voor iemand van diep in

de zestig.

De oude Morton heeft een aartsvaderlijk uiterlijk.

Dit alles viel mij in, toen ik van de overzijde der straat het huis

bekeek.

Ik wilde reeds verder gaan, toen een schitterend licht, dat uit het

magazijn naar buiten viel, mij deed stilstaan. Eerst dacht ik, dat het

de nachtwaker was, die ik voor bewusteloos of beschonken had gehouden,

later echter onderscheidde ik duidelijk, dat de dame, die ik voor

bewusteloos of beschonken had gehouden, binnen stond en met een echte

dievenlantaarn, zooals die in Whitechapel gebruikt worden wier systeem

zeer verouderd is, bij de gesloten kasten bezig was.

Dit interesseerde mij.

Een vrouwelijke collega op het gebied van juweelendiefstal, dat was

iets nieuws voor mij.

Ik stak voorzichtig de stille straat over, en terwijl ik door het

getraliede etalageraam keek, zag ik, dat de dame juweelen in een leeren

tasje pakte, maar plotseling haar werk staakte, omdat een onderdrukte

kreet, zooals een mensch die slaakt, als hij in doodsangst verkeert,

vanuit het inwendige van het huis weerklonk.

Een oogenblik later was die kreet verstomd. Maar reeds had mijn

vrouwelijke collega haar lantaarn bedekt en ik moest mij van het raam

verwijderen, opdat zij mijn schaduw niet zou ontdekken.

Wat kon er in dat huis zijn voorgevallen? Een moord?

Hadden de makkers van de dame, terwijl zij in den winkel werkte, den

ouden juwelier vermoord?

Mijn gedachtengang werd door een helder lichtschijnsel gestoord, dat

weer door het winkelraam op straat viel.

„Onvoorzichtig!” dacht ik. „Dat moeten nieuwelingen zijn in het vak.

Hoe durven zij in den nacht den winkel verlichten, waardoor de eerste

de beste politieagent of nachtwaker, die voorbij komt, alles kan zien?”

Juist was ik van plan om als een gewoon voorbijganger voor het venster

te gaan staan om naar binnen te kijken, toen met langzame, zware

schreden een agent van politie naderde.

Dadelijk liep ik hem tegemoet, maar toen ik hem voorbij was, bleef ik

staan om met grooten omhaal een cigarette aan te steken.

Ik deed dit, om, zonder zijn attentie te trekken, hem te kunnen

nakijken. Ik verwachtte elk oogenblik, dat hij zijn fluitje te

voorschijn zou halen en om hulp roepen.

Verder zag ik, dat de agent in den helderverlichten winkel naar binnen

keek en tot mijn groote verbazing merkte ik daarna op, dat hij naar

binnen groette en verder ging.

Nu ging ik zelf ook terug en wierp mijn cigarette weg, om voor het

winkelraam een nieuwe aan te steken.

Op mijn gemak kon ik alles nu zien.

In den verlichten winkel zag ik de dame in een stoel zitten, terwijl

zij nauwkeurig een sieraad bekeek. Voor haar stond een van haar

gezellen in gekleede jas en naast dezen de oude juwelier.

De juwelier scheen de dame een beschrijving van het sieraad te geven en

bekrachtigde zijn woorden met drukke handgebaren. Ik ging verder, en

trachtte deze geheimzinnige zaak op te helderen.

De dame met de dievenlantaarn, die ik eerst had gezien en de kreet,

dien ik had gehoord, deden mij aan de echtheid van het tooneeltje, dat

ik zoo juist aanschouwde, twijfelen.”

Nadenkend keek John Raffles de rookwolkjes van zijn cigarette na,

terwijl Charly Brand antwoordde:

„Je zult je vergist hebben, Edward, wie weet, wat jij voor een

dievenlantaarn hebt aangezien”.

„Mijn beste Charly! Je weet, dat ik in mijn museum een verzameling van

alle mogelijke instrumenten mijner collega’s heb. Ik heb daarbij

precies zoo’n lantaarn als die, welke de dame gebruikte. En juist het

feit, dat zij een dievenlantaarn gebruikte, zooals de moderne vaklui

die niet meer ter hand nemen, bewijst mij, dat ik òf een beginnelinge,

òf een schepsel uit Whitechapel of Eastend voor mij had.”

„Die dievenlantaarn zal het eigendom van Mr. Morton zijn”, antwoordde

Charly Brand.

„Onzin!” lachte John Raffles, „met welk doel zou hij er zoo’n ding op

nahouden, terwijl hij electrisch licht in zijn winkel heeft.”

„Dat is waar,” meende Charly nadenkend, „maar je hebt zelf gezegd, dat

mr. Morton een huishoudster en een bediende heeft. Als er een misdaad

is gepleegd op mr. Morton, dan zou dat toch vanmorgen ontdekt moeten

zijn. Maar de couranten spreken er niet van”.

„Je hebt gelijk”, sprak Raffles, een nieuwe cigarette aanstekend, „maar

ik ben ervan overtuigd, dat ik hier voor een geheim sta en nog heden

zal ik er werk van maken, dit op het spoor te komen.

Bovendien heb ik ontdekt, dat mr. Morton—wat ik niet wist—in zijn

winkel zeldzame paarlen had. En voor paarlen heb ik altijd een

bijzonderen hartstocht gehad.

Ik durf gerust zeggen, reeds de mooiste exemplaren, die er in de wereld

bestaan, in handen gehad te hebben. Ik zal dus waarschijnlijk vannacht

de kleinodiën van mr. Morton eens gaan bekijken”.

Charly Brand lachte en Lord Lister keek hem verbaasd aan.

„Ik lach”, sprak Charly, „om je uitdrukking, om de paarlen van mr.

Morton eens te willen „bekijken”. Ik wist niet, dat het je gewoonte was

om kostbaarheden te bekijken, zonder ze je toe te eigenen.”

„Dat spreekt immers vanzelf”, sprak John Raffles, terwijl hij op zijn

horloge keek, „dat is mijn sport!”

Hij scheen, terwijl hij naar de wijzerplaat keek, over een plan na te

denken.

Na eenige oogenblikken stond hij op, stak zijn horloge bij zich en nam

zijn pelsjas op.

„Ga je uit?” vroeg Charly Brand.

„Ja”, antwoordde zijn vriend, „ik ben van plan, een inkoop te gaan doen

bij mr. Morton, en als je lust heb, mag je met me meegaan”.

Charly stond op en kleedde zich ook. Daarop verliet het tweetal het

huis.

Een huurrijtuig bracht hem naar de zaak van mr. Morton in

Lincolnstreet.

Zij lieten het rijtuig voor de deur wachten en gingen den winkel

binnen.

Een jonge man, dien Raffles bij zijn vroeger bezoek in den winkel niet

had gezien, stond achter de toonbank om hun te woord te staan.

John Raffles groette hem van uit de hoogte en vroeg:

„Is mr. Morton te spreken?”

„Het doet mij leed”, antwoordde de gevraagde, „mr. Morton is voor

eenige dagen op reis en ik vertegenwoordig hem”.

„Dat verbaast mij”, antwoordde Raffles. „Ik heb met dien heer een

gewichtige afspraak, want ik wilde een kostbaar paarlensieraad van hem

koopen”.

De Groote Onbekende merkte op, dat op het gelaat van den jongen man een

uitdrukking van verlegenheid zichtbaar werd. Na eenige aarzeling echter

antwoordde hij:

„Zeker, mijnheer, dat komt uit. Ik herinner mij, dat mr. Morton mij van

uw bezoek op de hoogte heeft gesteld en mij heeft bevolen, u

verschillende paarlsnoeren te laten zien.”

De oogen van Raffles vonkelden bij het hooren van deze woorden en

kregen een koude, scherpe uitdrukking.

Hij had zijn prooi in zijn macht.

Hij had noch een afspraak met den juwelier gemaakt, noch over den

aankoop van paarlen gesproken.

„Maar kan ik de sieraden zien?” vroeg hij.

„Het doet mij leed”, antwoordde de jonge man, „ik zond ze hedenmorgen

aan een dame, die ook voornemens is, ervan te koopen”.

„Uw manier van zaken doen verbaast mij zeer”, sprak Raffles op scherpen

toon. „Ik betaalde reeds de helft van den prijs aan mr. Morton en

ontving daarvoor een quitantie van hem, zoodat hij in geen geval het

recht heeft, de stukken nog te verkoopen.”

„Neem het niet kwalijk”, verontschuldigde zich de jonge man, die,

zooals Raffles zag, zijn verlegenheid trachtte te verbergen, „mr.

Morton schijnt het vergeten te hebben. Hij moest inderhaast op reis”.

„Wanneer kan ik de paarlen krijgen?” vroeg Raffles.

„Ik zal ze binnen een paar uur terug hebben”, luidde het antwoord.

„Het is goed”, knikte de groote onbekende, „als ik tijd heb, zal ik

vanavond nog eens terugkomen. Anders kom ik morgenochtend om negen uur,

want ik wil de paarlen morgen cadeau doen”.

Met een korten groet verliet hij met Charly Brand den winkel.

Toen zij in het rijtuig zaten, sprak Raffles:

„De muizen zitten in de val. Ik vergiste mij dus niet. Daar is, ondanks

onze wereldberoemde Londensche politie, een reusachtig misdrijf

gepleegd. Ik wed een pond tegen een pruimepit!”

„Jij hadt detective moeten worden”, lachte zijn secretaris, „want je

bezit de grootste bekwaamheden voor dat beroep”.

Raffles antwoordde glimlachend:

„Mijn beste Charly, om de inbrekerssport goed te kunnen beoefenen, moet

men allereerst een geboren detective zijn.

Maar het beroep van detective is te nutteloos voor de menschheid, want

heb je wel ooit gehoord, dat de heeren der Londensche politie de

bestolen of bedrogen lieden ooit weer in het bezit van hun eigendom

hebben gesteld? En ik beweer, dat een goed detective dit behoort te

doen. Met de inhechtenisneming van een misdadiger bewijst men dien

bestolene slechts een halven dienst en een nadeel aan het overige deel

der maatschappij”.

„Een nadeel?” vroeg Charly.

„Ja zeker”, luidde het antwoord, „want die man wordt in de gevangenis

onderhouden, op kosten der anderen”.

Bij deze woorden bleef het rijtuig staan voor het huis van Lord Lister

in Regent Park.

„Als je vanavond nog een bezoek in den winkel van den juwelier wilt

brengen, moeten wij ons niet lang ophouden,” meende Charly.

„Vanavond ga ik er niet heen”, antwoordde Lord Lister, „maar ik zal,

zooals dat mijn gewoonte is, mijn bezoek in het nachtelijk uur brengen.

De paarlen zullen zeker aanwezig zijn en dat is het voornaamste doel

van mijn bezoek. Ik ga niet graag tevergeefs”.

Hij verzonk na die woorden in een diep nadenken en Charly waagde het

niet, hem te storen.

Hij wist, dat een dergelijk stilzwijgen bij Raffles steeds het begin

van een groot plan was.

In de buurt van het Strand liet Raffles het rijtuig stilhouden en

beiden stegen uit.

Raffles hield ervan, tegen den avond een wandeling te maken langs de

wonderschoone kaden van de Theems.

Dikwijls nam hij van zijn diner stukjes brood en vleeschrestjes mee om

daarmede de boven het water vliegende meeuwen te voederen.

Hij schepte behagen in deze elegante zeevogels.

Ook heden haalde hij uit zijn overjas een pakje met broodkorstjes te

voorschijn en begon de dieren te voeren.

Als een witte, dwarrelende sneeuwwolk omringden de vogels hem en

sommige waren zoo dapper, dat zij hem de stukjes brood uit zijn hand

pikten.

Voorbijgangers bleven staan om naar het schilderachtige tooneeltje te

kijken, zelfs een politie-agent ging naast Raffles staan en glimlachte.

Charly dacht met een spottenden trek op het gelaat:

„Als die man eens wist, wie deze dierenvriend is—het geluk is hem zoo

dichtbij en toch zoo veraf!”

Plotseling klonken de schelle stemmen van courantenjongens.

Iedereen wendde zich tot hen.

Wat was er nu weer gebeurd?

Ook Raffles wierp haastig zijn laatste stukjes brood voor de vogels en

luisterde naar het geschreeuw der jongens:

„Petrosino, de schrik van de Maffia, in Palermo vermoord!”

Dadelijk ging Raffles naar den dichtstbijzijnden jongen om een blad te

koopen.

Met een somberen trek op het gelaat doorvloog hij bij het licht van een

gaslantaarn het sensatie-artikel en gaf het daarna aan Charly Brand.

Vol belangstelling las deze het volgende:

EEN AMERIKAANSE DETECTIVE VERMOORD.

DE WRAAK DER MAFFIA.

(Eigen draadbericht.)

Rome, 13 Maart.

Petrosino, de beroemde New Yorksche detective, de schrik van het

geheime verbond der Manovera, werd hedennacht te Palermo

doodgeschoten.

Petrosino, Siciliaan van geboorte, was om tot nu toe onbekende

redenen, in zijn geboorteland teruggekomen. De Zwarte Hand had hem

sinds lang ten doode gedoemd.

De politie vond in de portefeuille van den vermoorde veel

documenten, betrekking hebbende op het geheime genootschap en

brieven van den Italiaanschen minister van justitie Leonardi.

Men kent de daders niet, het zijn waarschijnlijk leden van de

Maffia, die de bevelen van hun Amerikaansche broeders stipt

gehoorzaamden.— —

Charly Brand legde de courant neer en sprak:

„Een griezelige vereeniging.”

„De courant vergist zich”, antwoordde Raffles, „het hoofd-comité van de

Zwarte Hand bevindt zich niet in New-York, maar in Londen.”

„Hoe weet je dat? Ben je al in aanraking geweest met die gevaarlijke

bende?”

„Ik weet het van Petrosino zelf.”

Charly Brand keek vol belangstelling zijn vriend aan.

„Ken je Petrosino?”

„Ja, mijn beste Charly! In New York noemde men hem den Italiaanschen

Sherlock Holmes. Hij was de schrik van alle naar Amerika gevluchte

Italiaansche misdadigers. Hij wist, dat zij hem duizenden keeren den

dood hadden toegezworen, maar hij beweerde altijd: ik doe mijn plicht

en als God het wenscht, dan zal ik sterven.”

„Dat is zeer interessant, wat je mij daar vertelt. Misschien wil je mij

nog meer meedeelen omtrent je ontmoeting met dien Italiaanschen

Sherlock Holmes- Petrosino.”

Het gebeurde uiterst zelden, dat Raffles van zijn verleden vertelde.

Voor hem was alles wat gebeurd was, voorgoed afgedaan.

„De dooden en het doode moet men laten rusten,” was een zijner

lijfspreuken. „het spreken hierover ontstemt iemand.”

Raffles stak een sigarette aan en vervolgde met Charly zijn wandeling.

Eenige oogenblikken liepen zij zwijgend voort, daarop sprak hij:

„Het is eigenaardig. Terwijl ik de meeuwen voederde, dacht ik aan

Petrosino en alsof de doode mij nog een teeken wilde geven, las ik in

hetzelfde oogenblik het courantenbericht.”

„Je was blijkbaar zeer bevriend met hem.”

Raffles’ gelaat had een uitdrukking van oprechte droefheid.

„Ik was een tijdlang zeer bevriend met hem en hij was een prachtmensch.

Iemand, die ideaal dacht en handelde. Alleen uit idealisme aanvaardde

hij het gevaarlijke beroep.

Geen enkele natie der wereld—zelfs China niet—bezit een zoo duivelsche

misdadigersklasse als Italië.

Bij hen vergeleken zijn de Engelsche en Duitsche boeven goede, brave

kerels. Die Italianen echter doen denken aan de tijden van Nero. Een

duivel zou geen afschuwelijker misdaden kunnen bedenken, dan deze

Italiaansche Maffiaten—de leden van de Zwarte Hand.”

„Hoe kwam het, dat je aan Petrosino dacht?”

„In verband met den ouden Morton, den juwelier.”

„Dat begrijp ik niet.”

„De kerel, die mij voorloog, dat hij den heer Morton gedurende diens

afwezigheid vertegenwoordigde, was een Italiaan.”

„Een Italiaan? En moet hij daarom een misdadiger zijn?”

„Petrosino heeft mij ervan overtuigd, dat honderd uitgeweken Italianen

gelijk staan aan driehonderd misdadigers.”

Charly Brand schudde het hoofd en Raffles vervolgde glimlachend:

„Zij zijn erger dan gevaarlijk, mijn jongen. Jouw hersens zouden niet

in staat zijn, schanddaden uit te denken zooals deze schurken ze

uitvoeren.”

„Hoe leerde je Petrosino kennen?”

„Vijf jaar geleden in New York, toen ik mij daar bevond op mijn

wereldreis, juist terugkomend uit Japan en in gezelschap van een

reismakker, een Oostenrijksch jong en levenslustig officier, zekeren

baron von Rhoden. Ik was toen nog Lord Edward Lister en vermoedde niets

van mijn tegenwoordig bestaan als John C. Raffles. In die dagen leerde

ik Petrosino kennen.”

Hij zweeg en trok haastig aan zijn sigarette, als iemand, die

onaangename herinneringen wil wegblazen.

En zonder dat Charly hem meer behoefde te vragen, ging Raffles voort:

„Wij waren beiden—de baron en ik—voor het eerst in New York. Zonder

gids—alleen met een plattegrond van de stad—trokken wij de reuzenstad

door en kwamen op een goeden dag in de Italiaansche wijk. Wij

vermoedden niet, hoe gevaarlijk het daar was.

Het eigenaardige, bonte gewoel in die straten interesseerde ons.

Er werden processies gehouden ter eere van den een of anderen heilige.

De straten waren versierd met vlaggen en guirlandes, altaren,

heiligenbeelden en honderden brandende waskaarsen waren overal

opgesteld.

Dit was niet het gewone New-York, maar Napels in New-York.

Het Amerikaansche volk is zeer geschikt tegenover zijn nieuwe

medeburgers en zoodoende hebben de Italianen een groote wijk van

New-York geheel ingericht als Italiaansche kolonie. Petrosino schatte

het aantal bewoners dezer kolonie op driemaal honderdduizend zielen.”

„Dat is evenveel als de bevolking bedraagt van een der grootste

Italiaansche steden.”

„Ja en je moogt gerust zeggen, de grootste Italiaansche

misdadigerskolonie. Het is voor de Amerikaansche detectives en

politieagenten een absolute onmogelijkheid, daar hun dienst uit te

oefenen. Daarom stelde de Amerikaansche regeering Italiaansche

bijzondere detectives aan, waarvan Petrosino de leiding op zich nam.”

„Wil je mij vertellen, hoe je hem hebt leeren kennen? Ik brand van

nieuwsgierigheid!”

„Door een vreeselijke gebeurtenis leerde ik hem kennen. Ik noemde je

reeds den naam van baron Von Rhoden.”

Charly knikte bevestigend.

„Hij beging de domheid op een onzer tochten door de Italiaansche wijk

verliefd te worden op een zwartoogige Siciliaansche.

Zij was blijkbaar de dochter van een kastelein. Wij waren het wijnhuis

binnengegaan om daar een echt Italiaansch diner te bestellen en het

meisje bediende ons. Dadelijk bemerkte ik, dat zij sterk koketteerde

met den baron en dat hij haar blikken beantwoordde.

De Italiaansche wijn deed zijn bloed sneller vloeien.

Zonder op mijn waarschuwing te letten, bemoeide hij zich met haar en

gaf, toen wij heengingen, een biljet van een dollar als fooi, wat zij

met een verleidelijk glimlachje aannam.

Sinds dat oogenblik begon de baron mijn gezelschap lastig te vinden.

Hij lachte om mijn waarschuwingen en daar ik noch zijn voogd, noch een

familielid van hem was, bekommerde ik mij verder niet om hem.”

Raffles zweeg en stak een nieuwe sigarette aan. De lucifer, dien hij

gebruikte, trilde in zijn hand.

Charly Brand merkte hieraan, dat zijn vriend aan iets verschrikkelijks

dacht.

Reeds vreesde hij, dat Raffles niet verder zou vertellen, toen deze

vervolgde:

„Ik had den baron in drie dagen niet gezien, toen de gerant van het

hotel in mijn kamer kwam en mij zeer ontsteld vroeg, of ik niet wist

waar de baron zich bevond.

Sinds twee dagen was hij niet in het hotel geweest, al zijn eigendommen

lagen onaangeroerd, er waren gewichtige brieven voor hem gekomen, de

consul had meerdere malen naar hem gevraagd, enzoovoorts.

Ik wist geen antwoord te geven, maar een zenuwachtige ongerustheid

maakte zich van mij meester.

Wat was er met den baron gebeurd?

Dadelijk herinnerde ik mij de ontmoeting in de herberg tusschen den

baron en de Siciliaansche.

Zou de baron daar misschien te vinden zijn?

Ik besloot, dadelijk nasporingen te gaan doen.

Binnen eenige uren bevond ik mij in de herberg, die aan de tweede

Avenue in New-York ligt.

Toen ik het lokaal binnentrad, was het gevuld met een half dozijn

Italianen, die luide door elkaar praatten.

Bij mijn binnenkomen zwegen zij en wierpen mij wantrouwende blikken

toe.

Elk dezer kerels had een misdadigerstronie. Toonbeelden van

schurkachtigheid.

Ik deed, alsof zij mij volmaakt onverschillig waren en bestelde bij den

waard een flesch Chianti, een Italiaansche volkswijn.

„Breng ze ongeopend!” beval ik, daar een plotseling wantrouwen mij aan

allerlei verdoovingsmiddelen deed denken.

Toen de herbergier de flesch op mijn tafeltje zette, vroeg ik naar zijn

mooie dochter.

„Marietta is naar buiten”, antwoordde hij met onverschillig gelaat.

„Mijnheer moet over een week terugkomen.”

Ik dronk eenige glazen wijn, betaalde en ging naar mijn hotel terug.

Ik was kalmer geworden.

Het plotselinge vertrek der Italiaansche en het verdwijnen van den

baron moesten verband met elkaar hebben.

Maar den volgenden dag werd ik door de middagbladen uit mijn rust

opgeschrikt.

Ik liep langs den Broadway en deed eenige inkoopen voor mijn aanstaand

vertrek, toen de courantenjongens iets schreeuwden, dat iedereen deed

stilstaan.

Afschuwelijk was de tijding:

„Het in stukken gehakte lijk in het vat op den Broadway.”

Ik kocht een courant en las:

„Hedenmorgen deden eenige straatreinigers tegen acht uur op den

hoek van Broadway en de 22e straat een ontzettende ontdekking. Een

wijnvat, dat vlak bij het trottoir stond en dat door duizenden

achteloos werd voorbijgegaan, wekte de opmerkzaamheid der beide

arbeiders en een van hen lichtte een zak op, die het vat bedekte.

In het volgende oogenblik week hij met een kreet van afschuw terug.

Een afgehakt hoofd staarde met glazen oogen uit het vat.

Spoedig hadden duizenden zich rondom de vreeselijke vondst

verzameld.

De chef van politie Drummond snelde met zijn detectives naar de

plaats van de misdaad en onderzocht den afschuwelijken inhoud van

het vat.

Men vond het geheel in stukken gehakte lichaam van een ontkleeden

man.

Geen enkele bijzonderheid verraad de geheimzinnige afkomst van den

vermoorde.

Wie kan hij zijn?”

Ik stond secondenlang na te denken en staarde op het nummer der

courant.

„Dat is baron Rhoden!” riep een inwendige stem.

Ik rilde en trachtte tevergeefs deze gedachte mij af te zetten.

Een uur later brachten de nieuwsbladen een ander bericht:

„Petrosino aan het werk!”

„De Zwarte Hand heeft den man in het vat vermoord!”

Het artikel luidde:

„Petrosino, de chef van onze Italiaansche geheime politie,

onderzocht den moord en ontdekte, dat het vat een wijnvat is,

zooals de Italianen uit Sicilië krijgen. Ook de manier, waarop de

ongelukkige vermoord is, duidt met alle stelligheid op Italianen.

Men heeft hem met een scheermes de keel afgesneden. Blijkbaar heeft

men hier weer te doen met een slachtoffer van de Zwarte Hand.

Petrosino roept ieder op, die iemand vermist, om den vermoorde in

oogenschouw te nemen. De ongelukkige is ongeveer 30 jaar oud, heeft

blond, op militaire wijze kortgeknipt haar, een kleine, blonde

snor, grijsblauwe oogen; lengte 1.69 M., goedverzorgde handen, die

erop wijzen, dat hij tot den beteren stand behoort. Aan den pink en

wijsvinger der rechterhand moet de vermoorde ringen gedragen

hebben.”

Mijn haren rezen ten berge, toen ik dit las.

Ik weet niet, hoe ik in een rijtuig ben gekomen en in de lijkenkamer

van het hoofdbureau van politie.

Weinige minuten konden verloopen zijn sinds ik het courantenbericht had

gelezen, toen ik door de ruit van de lijkenkamer de verglaasde oogen

van baron Von Rhoden zag, die mij vol ontzetting schenen aan te staren.

Met een kreet wankelde ik terug.

Ik was zoo ontdaan, dat ik een steun zocht en die werd mij verstrekt

door een ernstig persoon met een waardig uiterlijk: Petrosino!

Hij ondersteunde mij, leidde mij uit het vertrek in zijn bureau en

sprak:

„Hebt gij den doode herkend?”

„Ja”, antwoordde ik, „het is mijn reismakker, een Oostenrijksch

officier, baron Von Rhoden.”

„Vergist gij u niet?”

„Neen. Hij is sinds vier dagen uit het hotel verdwenen.”

„Zijt gij in staat mij inlichtingen te geven of uw vriend onder de hier

wonende Italianen kennissen of liever—vijanden had? Eigenlijk is elk

Oostenrijker een vijand der Italianen. Het kan een politieke moord

zijn.”

„Dat betwijfel ik, Mr. Petrosino.”

„Waarom?”

Ik vertelde nu van onzen zwerftocht door de Italiaansche wijk. Met

gespannen aandacht luisterde Petrosino. Hij kon nauwelijks het slot van

mijn beknopt verhaal afwachten. Hij trilde van ongeduld, om het spoor

te volgen.

„Zoudt gij mij dadelijk kunnen vergezellen?”

Ik knikte bevestigend.

Petrosino wendde zich tot een zijner beambten:

„Laat dadelijk een rijtuig voorkomen!”

Binnen eenige seconden bevonden wij ons in het rijtuig en snelden langs

de tweede Avenue naar de door mij aangeduide herberg.

Op eenigen afstand liet Petrosino het rijtuig stilhouden.

„Hebt gij wapens bij u?” vroeg hij, voordat wij de herberg

binnentraden.

Ik toonde hem mijn revolver.

„In orde!”

Daarop gingen wij samen naar binnen.

Duidelijk bemerkten wij, dat de waard ontsteld opkeek, toen wij

tegenover hem stonden.

Er waren slechts twee gasten.

Ik herkende in hen twee der kerels van den vorigen dag.

De een was blijkbaar van reusachtige lichaamskracht.

„Hallo, Signore Toni Oliva!” riep Petrosino tot den waard, terwijl hij

hem de hand reikte.

„Veel eer, Signore Petrosino!” antwoordde de herbergier, zijn gerimpeld

gelaat tot een vriendelijken grijnslach vertrekkend, „wat verschaft mij

het genoegen, U bij mij te zien?”

Petrosino had de eigenaardige gewoonte, nooit gebruik te maken van een

masker of vermomming. Hij hield ervan, regelrecht op zijn doel af te

gaan. Hij bediende zich nimmer van list, maar hield ervan, brutaal aan

te vallen.

„Kom eens hier, Signore Oliva, ik moet u spreken, zonder dat het buffet

ons van elkaar scheidt.”

Een boosaardige uitdrukking verscheen in de oogen van den waard.

Aarzelend kwam hij achter de toonbank vandaan.

„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.

„Een kleinigheid. Kijk dezen heer eens goed aan. Kent gij hem?”

De herbergier haalde de schouders op.

„Neen, Signore!”

„Neen?”

„Neen!”

Op het volgende oogenblik weerklonk een woeste kreet, daarna het

rinkelen van ijzer.

Petrosino had met groote handigheid den waard de handboeien omgedaan.

„Miserabile!” vloekte de geboeide en wendde zich tot de twee aanwezige

Italianen, die aanstalten maakten om den waard ter hulp te komen.

Petrosino had een revolver te voorschijn gehaald. Hij kende de knapen.

„Blijft zitten!” beval hij, „geen stap voorwaarts! Ik hoop, dat gij

Petrosino kent!”

„Hondenvanger!” mompelde de Hercules met een blik vol haat.

Petrosino lette niet op dien uitroep en wendde zich opnieuw tot den

geboeide:

„Waar is het meisje, dat hier tot voor korten tijd bediende?”

„Naar buiten.”

„Waar?”

„Vervloekt! vraag een ander uit! Wat gaat het u aan, waar Marietta is!”

„Mooi!” Petrosino opende de straatdeur en floot.

Als paddestoelen uit den grond verschenen van alle kanten een dozijn

der meest gevreesde lieden van Petrosino.

Zij waren hem ongemerkt gevolgd.

„Wil je nu vertellen, waar Marietta is?” riep Petrosino den waard toe.

Een half gesmoord „Neen!” was het antwoord.

In het volgende oogenblik paste Petrosino den beruchten, door alle

misdadigers gevreesden, „derde graad” toe.

Een vuistslag, waarop bliksemsnel een half dozijn andere volgden, trof

het gelaat van den herbergier en deed hem luid schreeuwen van woede en

pijn.

Een pauze volgde.

Petrosino wachtte op antwoord.

Opnieuw hief hij zijn hand op, maar nu kromp de waard ineen en riep

uit:

„Sla niet! Erbarming! Zij is hier in huis. Maar bij alle heiligen,

Signore, ik zweer het u, wij hebben niets te maken met den verdwenen

Duitscher!”

Koud en scherp keek Petrosino hem aan.

„Wie beschuldigt u ervan iets te maken te hebben met den verdwenen

Duitscher?”

Sidderend stond de waard tegenover hem, zijn knieën schenen hem niet

meer te kunnen dragen.

Hij zag in, dat hij een domheid had begaan.

„Geef antwoord, Oliva!”

„Het stond in de couranten. Ik heb eerst nu dien heer die bij u is,

herkend. De Duitscher was met hem in de herberg.”

„Hoe weet je, dat hij de verdwenene is? Kende je zijn naam?”

Weer sidderde de waard.

Hij was niet tegen Petrosino opgewassen. Plotseling viel hij op zijn

knieën en smeekte om genade.

Petrosino mat hem met een minachtenden blik.

„Je kunt ongestraft heengaan, als je vertelt, wie de misdaad heeft

gepleegd.”

De waard noemde een massa namen.

Plotseling weerklonk een afschuwelijk gehuil.

De Hercules was naar den knielenden waard gesprongen, had hem van

achteren in de haren gegrepen, zijn hoofd achterover gebogen en met

reuzenkracht hem met een scheermes den hals afgesneden.

Dit alles was sneller gegaan dan de tijd, dien men noodig heeft om adem

te halen.

Daarop knalde een schot.

De Hercules hief de armen in de hoogte, stiet een halfverstikten kreet

uit en viel, met het gezicht naar beneden, over het lijk van zijn

slachtoffer heen.

Onverschillig stak Petrosino zijn revolver weer bij zich.

Hij was het, die geschoten had.

Daarop boog hij zich neer en sloeg de hemdsmouwen van den rechterarm

van de beide dooden op.

Alle detectives keken vol belangstelling toe. Op de armen was een

kleine tatoueering zichtbaar.

Een zwarte hand.

„De Maffia”, sprak Petrosino, „ik heb het dadelijk gedacht. Nu zullen

wij het zwarte lokvogeltje vangen en daarna hen, wier namen ik van

Oliva heb vernomen.”

Met eenige detectives doorzocht hij het huis.

Niets werd echter gevonden.

Marietta, die ongetwijfeld den ongelukkigen baron in de handen van de

Maffia had gespeeld, was gevlucht.

Maar in den kelder van de herberg werden gewichtige bewijzen gevonden

omtrent de medeplichtigheid van den waard.

Een vertrek in de kelderafdeeling was, als een slagerswerkplaats,

geheel met bloed bevlekt.

Hier moest de ongelukkige uit den weg zijn geruimd.

Ook de kleeren van den vermoorde werden in een kist gevonden, en zoo

bevonden zich in den kelder een aantal ledige wijnvaten, die er precies

zoo uitzagen als de ton, waarin het verminkte lijk gevonden was.

Nu begon Petrosino een ware jacht te houden op de medeplichtigen van

den waard.

Achttien Maffiaten bracht hij achter slot en grendel, maar Marietta

bleef onvindbaar.

Ook de beweegreden tot den moord op den baron werd vastgesteld.

Hij had op den dag van zijn dood vijfduizend dollar, bij zich.”— — — —

—

Raffles, die dit alles op langzamen toon had verteld, wreef met de hand

over zijn voorhoofd en nam zijn hoed af, om zijn verhit hoofd af te

koelen.

Het was het langste verhaal, dat Raffles ooit had gedaan.

Hij keek op zijn horloge.

Het was zeven uur.

„Wij gaan soupeeren, mijn jongen, en dan aan het werk.”

Plotseling bleef hij midden op straat staan en floot zachtjes.

Verbaasd keek Charly Brand hem aan.

„Wat is er?”

Een diepe zucht ontwrong zich aan de borst van Raffles.

„Nu weet ik, waarom ik aan Petrosino moest denken en aan het verminkte

lijk in het vat en aan het zwarte lokvogeltje—aan Marietta.

Verduiveld, Charly—het noodlot kan grillig zijn—ik heb eindelijk de

zwarte Marietta ontdekt—zij is de dame met de dievenlantaarn!”

„Werkelijk?”

„Ik verwed er een kapitaal om!”

„Dus hebben wij hier met Maffiaten te doen?”

„Zeer zeker, mijn jongen. Dat wordt een interessant stukje werk.

Misschien kan ik den ongelukkigen Petrosino nog in zijn graf een

genoegen doen en de Maffiaten, de zwarte Marietta, eindelijk aan den

rechter overleveren.”

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN DIEF IN DEN NACHT.

Niemand zou in de twee als arbeiders verkleede mannen, die tegen twee

uur in den nacht met de handen in hun broekzakken, verkleumd langs de

huizenrijen slenterden, den gevreesden gentleman-inbreker John C.

Raffles en diens vriend Charly Brand herkend hebben.

Zij slopen langs den winkel van juwelier Morton, welke hel verlicht was

ter bescherming tegen dieven.

De groote onbekende bleef eenige seconden staan om het korte

tabakspijpje, dat hij in den mond had, aan te steken. Toen een

politieagent op dit oogenblik voorbijkwam, mompelde John Raffles een

Ierschen vloek, spuwde meerdere malen voor zich uit en ging daarna

verder.

Tien huizen voorbij de zaak van Morton bleef hij opnieuw staan. Het was

voor een oud gebouw in oud-Engelschen stijl. Het was slechts drie ramen

breed en in de kelderruimte bevond zich een papierhandel.

Nadat Raffles eenige malen naar rechts en links had gekeken, haalde hij

een looper te voorschijn waarmee hij de huisdeur opende.

Haastig duwde hij Charly Brand in de donkere ruimte, trad toen zelf

binnen en sloot de deur weer dicht.

Een oogenblik bleef hij luisterend staan, toen de schreden van een

voorbijganger hoorbaar werden. Eerst toen deze niet meer vernomen

werden, keerde hij zich om en haalde uit zijn zak een voortreffelijk

bewerkte electrische lantaarn te voorschijn, bij wier wit licht de

muren van de smalle gang zichtbaar werden, waarin balen papier en

kisten tot aan de zoldering waren opgestapeld.

Charly Brand keek angstig om zich heen, maar de groote onbekende, die

dit opmerkte, sprak:

„Wees onbezorgd, zaken van deze soort houden er geen nachtwakers op na.

Hier bevindt zich zelden iets, wat de moeite waard zou zijn om

meegenomen te worden. Volg mij nu naar de hoogere verdiepingen.

Zij klommen nu naar boven tot op zolder. Hier opende de groote

onbekende met een looper een houten deur en dadelijk daarna bevonden

zij zich onder het schuine, spitse dak van het huis.

Je zult een beetje moeten klimmen ouwe jongen,” fluisterde Raffles,

terwijl hij een dakvenster opende, „trek je schoenen uit opdat je niet

uitglijdt. Het zijn hier in de straat allemaal oude huizen met spitse

gevels en men kan daar niet zoo gemakkelijk overheen wandelen als over

platte daken. Wees voorzichtig!”

Hijzelf trok eveneens zijn schoenen uit en klauterde toen door het

venster op het dak.

Een oogenblik later kropen zij op handen en voeten voort. De huizen

waren bijna allen van dezelfde hoogte. Toen zij ongeveer den halven weg

hadden afgelegd, ging Raffles schrijlings zitten om een oogenblikje uit

te rusten en noodigde zijn vriend uit, hetzelfde te doen.

„Deze dakenwandeling doet mij denken aan een bestijging van den Mont

Blanc”, fluisterde de groote onbekende. „Ik moest met mijn gids twee

uur achtereen langs een bevroren weg kruipen. Aan weerskanten van het

spitse dak, dat sneeuw en ijs over een kloof hadden gevormd, was een

afgrond van 1000 meter diepte. Het was een uitstekende oefening en ik

denk nog dikwijls met groot genoegen aan die klimpartij terug.”

„Ik ben niets gesteld op dergelijke waaghalzerijen,” mompelde Charly

Brand. „Ik kan niet beweren, dat het zitje op dit dak mij zoo bijzonder

aangenaam is en ik geloof, dat wij als wij hier van vier verdiepingen

naar beneden vallen, hetzelfde resultaat zullen bereiken alsof wij een

paar duizend meter van den Mont Blanc neer zouden storten. Ik zal blij

zijn, als ik weer vasten grond onder mijn voeten heb.”

„Wij zijn er gauw,” troostte zijn vriend hem en zwijgend vervolgden zij

hun weg.

Toen zij het tiende dak bereikt hadden, lichtte John Raffles een klein

dakvenstertje op en klom naar binnen, terwijl hij zich aan Charly Brand

vasthield.

Toen hij half in het venster zat, riep hij zijn vriend toe, de spits

van het dak los te laten en zijn hand vast te houden.

Men moest eenige meters langs het steile dak naar beneden glijden om

het raam te bereiken.

Door een onvoorzichtige beweging liet Charly bij het naar beneden

glijden de hand van zijn vriend los en, voordat deze hem weer had

kunnen grijpen, gleed Charly Brand langs het glibberige dak voorbij het

raam.

Een oogenblik stokte Raffles’ adem, hij verwachtte elke seconde het

doffe vallen van een lichaam op de steenen te zullen hooren.

De seconden leken hem uren.

Zijn gedachten werkten koortsachtig; hoe zou hij zijn vriend kunnen

helpen!

Daar hoorde hij in het donker zacht zijn naam roepen. Een schok van

vreugde doortrilde hem; Charly moest dus een steunpunt gevonden hebben.

„Waar ben je?” vroeg Raffles zacht.

„Ik hang aan een schoorsteen,” klonk het terug, „kom me alsjeblieft

helpen.”

„Dadelijk,” antwoordde Raffles en liet, onverschillig of hij gezien

werd, het licht van zijn electrische zaklantaarn over het dak schijnen.

Charly Brand was ongeveer twaalf meter, tot aan de dakgoot, naar

beneden gegleden en had daar een steunpunt gevonden aan een der ijzeren

staven, die tot ondersteuning van een schoorsteen dienst deden. Hieraan

hing hij. Slechts de helft van zijn lichaam was te zien, de andere

helft hing over de smalle goot naar beneden.

„Ik kom al! Houd je vast,” riep Raffles.

De groote onbekende knoopte zijn blouse los en wond een leeren riem van

zijn lichaam af, die daar eenige malen omheen was gedraaid, een riem,

zooals de Amerikaansche cowboys ze gebruiken.

Het eene uiteinde knoopte hij vast aan een ijzeren haak van het

raampje, het andere eind bond hij om zijn middel.

Daarop gleed hij naar beneden.

Met groote krachtsinspanning boog hij zich over naar Charly Brand en

trok hem op het dak terug. Daarop maakte hij den riem los en bond hem

om Charly heen.

„Je knieën zullen wel trillen, arme kerel,” sprak hij, „ik zal daarom

alleen het raampje binnenklimmen en jou met den riem naar mij toe

hijschen. Ik had je al dadelijk moeten vastjorren.”

„Het zou beter zijn geweest,” antwoordde Charly Brand, „want ik heb

mijn knieën en handen bij die glijpartij bezeerd.”

„Beter dan dat je je nek hadt gebroken.”

Na deze woorden klom de groote onbekende als een kat langs het dak naar

boven en door het geopende raam.

Nu viel het hem gemakkelijk, zijn vriend op te hijschen en binnen een

paar minuten stond deze naast hem op den zolder van het huis, waarin de

winkel van juwelier Morton zich bevond.

John Raffles, die zich op zijn nachtelijke tochten steeds van al het

noodige voorzag, haalde een fleschje cognac te voorschijn en liet

Charly daaruit drinken.

Voldoende verkwikt volgde Charly Brand nu zijn vriend. Door allerlei

rommel liepen zij over den zolder en bereikten door een niet afgesloten

deur de trap van het huis. Het was hier volslagen donker en geen geluid

werd vernomen.

Zacht gleden zij langs de leuning naar beneden. Toen zij in de gang

waren gekomen, begaf John Raffles zich naar de kamer achter den winkel,

waarin naar hij begreep, de juwelier gewoonlijk sliep.

Daar deze op reis was, moest dus òf de kamer leeg zijn, òf de jonge

man, die zich als vertegenwoordiger van Morton uitgaf, moest zich daar

bevinden.

John Raffles luisterde secondenlang aan de deur en toen hij geen enkel

geluid vernam, drukte hij voorzichtig de klink neer. Tot zijn groote

verbazing opende de deur zich vanzelf met een zacht, piepend geluid.

De groote onbekende hield de deur onmiddellijk vast en, om alle verdere

geluid te vermijden, haalde hij een oliekannetje te voorschijn uit zijn

gereedschapstasch en smeerde de hengsels. Daarop trad hij de kamer

binnen.

Een ondeelbaar oogenblik liet hij het licht van zijn zaklantaarn door

de kamer schijnen. Hij zag, dat het vertrek antiek gemeubeld was en dat

aan de rechterzijde, dichtbij een kachel, het bed stond.

Hierin lag mr. Morton te slapen.

Eerst meende Raffles niet goed te zien, want de juwelier was immers op

reis?

Onhoorbaar sloop hij naar de legerstede, boog zich er over heen en

luisterde. Na eenige minuten hoorde Charly Brand, die op eenigen

afstand was blijven staan, hoe Raffles uitriep:

„Duivelsch! De man is dood! Kom hier, Charly!”

Charly sloop naar binnen en zag, hoe de groote onbekende het licht

zijner zaklantaarn op het gelaat van mr. Morton liet vallen.

Lord Lister legde zijn hand op het voorhoofd van den juwelier en

voelde, dat dit ijskoud was. Hij schudde het lichaam heen en weer en

onderzocht den hartslag.

Tevergeefs!

Mr. Morton bewoog zich niet meer en beide vrienden begrepen, dat zij

een lijk voor zich hadden.

Nu begonnen de vrienden het lijk te onderzoeken, om te zien of het

lichaam teekenen van geweld vertoonde. Maar zij ontdekten niets.

„De man is vermoord”, sprak Raffles tot Charly Brand, „maar het is

vreemdste manier om iemand te vermoorden, die ik ooit heb ontdekt. Hij

heeft geen enkele wond, zijn dood is mij een raadsel. Maar je ziet

Charly, dat ik gelijk had.

Gisternacht zagen wij dezen man in zijn winkel staan en hedenmorgen

vertelde een jongeman mij, dat mr. Morton op reis was. Ik ben nu

nieuwsgierig om te vernemen, hoe dit alles in elkaar zit en voor alles

wil ik onderzoeken of de paarlen in de brandkast van den overledene

liggen.”

Op dit oogenblik werden op de eerste etage schreden vernomen. Dadelijk

doofde Raffles het licht uit en luisterde.

Hij vernam het onduidelijk gemompel van twee stemmen. Boven werd een

deur geopend en duidelijk hoorden zij een mannenstem, die in gebroken

Engelsch met Italiaanschen tongval sprak:

„Je zult je vergissen, mio amigo. Maar neem je revolver in elk geval

mee, wij zullen gaan kijken.”

„Zij komen”, fluisterde Charly Brand. „Wat moeten wij doen?”

John Raffles dacht eenige seconden na.

De kamer bood geen gunstige plaats voor een schuilhoek—en de beide

Italianen zouden zeker alles doorzoeken.

„Ga naast den doode liggen”, beval Raffles, terwijl hij opnieuw zijn

lantaarn liet branden.

Met een rilling van afschuw strekte Charly Brand zich in het bed uit en

Raffles legde het dekbed zoo netjes over zijn vriend, dat er niets meer

van hem te zien was. Daarop ging hijzelf aan de andere zijde van den

gestorvene liggen, doofde het licht uit en trok het dekbed nu ook over

zichzelf heen, zoodat niets zijn aanwezigheid verried.

Door een kleine opening was Lord Lister in staat, de kamer te overzien.

Hij herkende duidelijk den jongen man, die hem des middags had bediend,

vergezeld door een ouderen. Deze laatste droeg een petroleumlamp en

verlichtte daarmede het vertrek.

Zooals Raffles wel had vermoed, keken de mannen onder het bed, openden

de kast en gingen daarna in den winkel. Na eenige minuten kwamen zij

terug en de oudste sprak:

„Je ziet, dat je je vergist hebt, of denk je misschien dat de doode

weer levend is geworden en in zijn huis rondkijkt, of alles in orde is?

Stel je gerust, die wordt niet meer levend.”

Met een kreet van ontzetting omknelde de jonge man den arm van zijn

makker en riep:

„Alle heiligen! Pietro, de doode beweegt zich!”

„Je bent een lafaard!” sprak de persoon, die Pietro werd genoemd, „een

groote lafaard. Het flikkerende licht bedriegt je!”

Maar op dit oogenblik werd ook hij door een panischen schrik bevangen.

Met oogen vol ontzetting staarden beiden naar den doode en zagen, dat

diens rechterarm zich langzaam ophief en een dreigende beweging tegen

hen maakte.

Met een woesten gil namen zij de vlucht en snelden naar de trap. De

beide indringers hoorden, dat zij de deur van hun kamer op de eerste

etage zorgvuldig afsloten.

Dadelijk sprongen Raffles en Charly Brand uit het bed.

„Nu zijn wij ongestoord”, lachte Raffles, „den geheelen nacht. De

bandieten komen niet terug. Ik heb hun een grooten schrik bezorgd door

den arm van het lijk te bewegen. Nu kunnen wij op ons doode gemak de

brandkast van mr. Morton onderzoeken. Ga nu mee in den winkel, ga daar

achter de deur liggen en zoodra je de schreden van iemand in de straat

verneemt, geef je mij een teeken, opdat ik mij in den helderverlichten

winkel achter de toonbank kan verbergen.”

Charly Brand deed wat hem bevolen werd, terwijl zijn vriend zich met

zijn werktuigen naar de brandkast begaf. Herhaaldelijk gaf Charly het

afgesproken teeken en telkenmale verborg Raffles zich achter de

toonbank, totdat de voorbijganger het huis was voorbij gegaan.

Na een half uur werkens had hij de brandkast geopend en nam hij er een

kistje uit met losse, geslepen diamanten en uit een etui een collier

paarlen. Het waren tachtig buitengewoon mooie, matrose Indische

paarlen.

Andere voorwerpen van waarde vond hij niet in de brandkast en nadat hij

deze had gesloten, verliet hij den winkel.

In de kamer van den doode vond hij quitanties en eenige stempels van

Morton.

Met deze stempels onderteekende hij de quitantie, daarop nam hij van de

schrijftafel een brief met de handteekening van Morton en stak dezen

met de quitanties in zijn borstzak. Hierna sloop hij met Charly Brand

lang de trap terug en samen verlieten zij het huis langs denzelfden

weg, dien zij gekomen waren.

Een half uur later liepen zij weer met de handen in de broekzakken, de

Lincolnstreet door.

Tegen vier uur in den morgen bereikten zij hun huis.

DERDE HOOFDSTUK.

BEDROGEN GAUWDIEVEN.

Het was tegen negen uur in den morgen, toen John Raffles reeds weer met

Charly Brand den winkel van den juwelier Morton binnenging. De winkel

was leeg en zij moesten een poosje wachten voordat de jonge man

verscheen, die hen den vorigen dag had bediend.

Voordat John Raffles iets kon zeggen, sprak de jonge man op

zenuwachtigen toon:

„Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik nog niet in staat ben om u

het paarlencollier te verkoopen, omdat de dame het mij nog niet

terugzond. Ik ben bang, dat de ketting, dien ik op onvoorzichtige wijze

naar een hotel zond, mij afhandig is gemaakt.”

„Zoo,” antwoordde lord Lister, terwijl hij zijn portefeuille te

voorschijn haalde, waaruit hij een quitantie van mr. Morton nam. Dit

quitantie-formulier, dat hij des nachts had medegenomen, had hij thuis

ingevuld tot een bedrag van 2000 pond sterling, met de opmerking, dat

dit geld terugbetaald zou worden, ingeval Morton het paarlencollier,

dat 5000 pond sterling moest kosten, niet meer in zijn bezit had.

„Wees zoo vriendelijk, mij dan het bedrag van 2000 pond sterling terug

te betalen. Ik wensch de paarlen nu niet meer te koopen.”

De jonge man trommelde zenuwachtig met de vingers op de toonbank en

wist niet, wat hij moest antwoorden.

„Ik heb niet veel tijd,” sprak de klant, „geef mij mijn geld terug.”

„Het spijt mij,” antwoordde de verkooper. „Mr. Morton liet dat bedrag

niet hier, gij moet geduld hebben tot mijnheer terugkeert.”

John Raffles amuseerde zich in stilte over den in het nauw gedreven

misdadiger. Hij hield hem als een snoek aan den hengel.

„Het is jammer,” sprak hij, „maar ik heb mijn geld noodig om elders een

paarlencollier te koopen. Ik geef u een uur den tijd. Gij kunt

intusschen Mr. Morton telegrafeeren of op de een of andere manier het

geld trachten ter leen te krijgen. Als ik het bedrag over een uur niet

krijg, dan zie ik mij genoodzaakt, naar de politie te gaan en Mr.

Morton wegens verduistering aan te klagen.”

Zonder te groeten verliet hij met Charly Brand den winkel en begaf zich

naar een restaurant aan de overzijde der straat.

Terwijl zij daar ontbeten, sprak hij tot Charly:

„Een prachtige zaak. Die geschiedenis amuseert mij meer dan het beste

blijspel. Deze misdadigers hebben geen moeite en tijd gespaard en

bovendien een zware misdaad begaan om in het bezit van de zaak van den

juwelier te komen en nu moeten zij, zonder dat zij er iets aan kunnen

doen, hun geheelen buit aan mij overleveren. Meer dan 2000 pond

sterling is het zilver- en goudwerk in den winkel niet waard.”—

Na een uur stond hij op en ging hij den winkel binnen. Hier stond

behalve de jonge man ook diens oudere vriend.

De groote onbekende zag, dat deze hem met wantrouwende blikken aanzag.

„Hebt gij het geld?” vroeg Raffles.

„Ja”, antwoordde de jonge man, „ik heb mij het geld verschaft, want ik

kon mr. Morton niet bereiken.”

Hij opende de kas en nam daaruit verschillende pakjes Engelsch

bankpapier, die hij Lord Lister overreikte.

Langzaam telde Raffles het papiergeld na en nadat hij de quitantie op

de toonbank had gelegd, stak hij het geld in zijn borstzak met de

woorden:

„Het is vreemd, dat mr. Morton, met wien ik reeds jarenlang zaken doe

en dien ik als een zeer stipt, ervaren koopman ken, zich dezen grooten

verkoop aan mij laat ontglippen. Wilt u mijnheer voor mij groeten?”

Met een ironischen glimlach verliet hij weer het huis.

Toen hij de deur achter zich wilde dicht doen, hoorde hij, hoe een der

twee heeren op zachten toon: „Vervloekte kerel!” mompelde.

John Raffles sloot de deur, stak een sigarette aan en ging vergenoegd

rookend heen.

„Nu zal ik de schurken aan Scotland Yard overleveren”, sprak hij tot

Charly Brand, „opdat mijn vriend Baxter weer wat te doen krijgt. Die

kerel schijnt weer te slapen.”

In een huurrijtuig reed hij naar huis.

Na een half uurtje reeds verliet hij het huis weer, in de vermomming

van een ouden, grijzen Engelschen marinekapitein, Charly Brand verkleed

als roodharig Iersch bediende en per rijtuig begaven zij zich opnieuw

naar de zaak van juwelier Morton.

Bij zijn binnentreden vond hij den jongen man bezig, verschillende

kisten, die goud- en zilverwerken bevatten, uit te pakken.

„Ik kom hier”, sprak John Raffles, terwijl hij een brief te voorschijn

haalde, die voorzien was van Morton’s stempel, „naar aanleiding van een

schrijven van Mr. Morton, dat deze mij een week geleden zond en waarin

hij mij aanbood, zijn huis te koopen. Is die heer Morton aanwezig?”

„Het doet mij leed, maar Mr. Morton is tijdelijk op reis”, klonk het

antwoord.

„Op reis?” herhaalde Raffles op den toon der grootste verbazing.

„Op reis? Maar Mr. Morton schreef mij toch, dat hij mij heden

verwachtte.”

Lord Lister No. 0020: De bloeddorstige · 第 1 / 4 段