Het valt niet te ontkennen, dat bij ons in Wermeland, in dien tijd de
bosschen groot waren en de akkers klein, de velden om de hoeven
uitgestrekt, maar de kamertjes eng, de wegen smal, maar de heuvels
steil, de deuren laag, maar de drempels hoog, de kerken onaanzienlijk,
maar de godsdienstoefeningen lang, de levensdagen weinige, maar de
bekommeringen vele. Toch waren daarom de Wermelanders geen klagers of
tobzielen.
Wel bedierf de vorst het koren, wel teisterden de wilde dieren den
veestapel, en de roodvonk de kinderschaar, maar zeker bewaarden zij zoo
lang mogelijk hun moed en hun vroolijkheid. Hoe zou het anders met hen
zijn gegaan?
Maar dat kwam misschien door dat op alle hoeven een trooster was. Er
was een, die bij den rijke, zoowel als bij den arme kwam, een, die
nooit ontrouw werd en onvermoeid.
Denk nu maar niet, dat die trooster iets plechtigs of verhevens was,
als b.v. het woord Gods, of een goed geweten, of liefdesgeluk. En denk
ook niet, dat hij iets leelijks of gevaarlijks was, als b.v. drank of
spel! Hij was maar iets heel onschuldigs en gewoons, niets anders dan
het vuur, dat ’s winters op den haard vlamde.
Lieve hemel, wat maakte dat de kleinste kamer niet mooi en gezellig!
En dat schertste maar voortdurend met de menschen daar binnen, den
heelen avond door. Dat knapte en kraakte, alsof het hen uitlachte. Dat
spatte en siste, alsof het iemand nadeed, die knorrig en nijdig was.
Soms zag het geen kans om een blok knoestig hout baas te worden. En dan
vulde het de heele kamer met rook en damp, als om de menschen te doen
begrijpen, dat het te slechte kost gekregen had om van te leven. Soms
koos het juist een oogenblik uit, dat de menschen het vlijtigst aan ’t
werk waren om in elkaar te zinken tot een gloeienden hoop, zoodat ze de
handen op de knieën moesten leggen en hardop lachen tot het weer
opvlamde. Het allerondeugendst werd het, als de huismoeder kwam met de
kookpan op drie pooten, en verlangde dat het eten zou koken. Een enkele
keer was het gewillig en gedienstig en deed zijn werk vlug en goed;
maar meestal danste het uren lang luchtig en uitgelaten om de pan met
pap, zonder die aan ’t koken te brengen. Wat kwam er niet een glans in
de oogen van den huisvader, als hij nat en koud uit sneeuw en modder
thuiskwam en het haardvuur hem ontving met warmte en gezelligheid! Hoe
goed was het niet om aan het wakende licht te denken, dat uitstroomde
in den donkeren winternacht, als een leidende ster voor arme zwervers
en als een afschrikkend teeken voor lossen en wolven.
Maar het haardvuur kon meer doen dan verwarmen, verlichten en eten
koken; het had slag van gewichtiger dingen dan vonkelen, knappen,
spatten en rook en damp uitzenden. Het was in staat den lust tot spelen
in de ziel van de menschen te wekken.
Want wat is ook de ziel van een mensch anders dan een spelende vlam?
Die flakkert in, boven en om den mensch, zooals de vuurvlam in, boven
en om het vergankelijk brandhout flakkert. Wanneer nu zij, die om het
vuur bijeenzaten op een winteravond, er een poos stil in hadden zitten
kijken, begon het te spreken tegen een ieder in zijn eigen taal.
„Broeder ziel,” zei de vlam, „zijt ge niet een vlam als ik? Waarom zijt
ge zoo somber en zwaarmoedig?”
„Zuster vlam,” antwoordde de menschenziel, „ik heb den heelen dag hout
gehakt of huisgehouden. Ik ben nu tot niets anders in staat, dan tot
stil naar U zitten kijken.”
„Dat weet ik wel,” zei het vuur. „Nu is het avond. Doe als ik. Flakker
en geef licht. Speel en geef warmte.”
En de zielen gehoorzaamden het haardvuur en begonnen te spelen. Zij
vertelden sagen, ze gaven raadsels op, ze speelden op de viool, ze
sneden figuren en bloemen in werktuigen en rijtuigen en ze deden
spelletjes en zongen liederen; ze bedachten pandspelletjes en
herinnerden zich oude spreuken. En onder de hand ontdooiden de ijskoude
ledematen, en smolt de knorrigheid weg uit het gemoed. Ze werden
opgewekt en hadden pleizier. Het haardvuur en het spel van den haard
gaf hun weer lust om het armoedige en moeilijke leven te dragen.
Wat vooral bij het haardvuur thuishoorde waren toch wel de verhalen van
allerlei heldendaden en avonturen. Want dat was iets, dat jong en oud
vermaakte; en iets waar nooit een eind aan kwam. Want heldendaden en
avonturen zijn er, goddank, altijd genoeg geweest in deze wereld.
Maar nooit zijn er zooveel geweest als in den tijd van Koning Karel,
hij was een held onder helden, en er bestond een schat van verhalen
over hem en zijn mannen. Die vergingen niet met hem en zijn
heerschappij; zij leefden voort na zijn dood; zij waren zijn beste
nalatenschap.
Van niemand vertelde men zoo graag als van den Koning zelf, maar naast
hem sprak men graag over den Generaal op Hedeby, dien men gezien en
gesproken had en dien men van top tot teen kon beschrijven.
De Generaal was zóó sterk, dat hij ijzer kon buigen, zooals anderen een
houtspaan. Hem was ter oore gekomen, dat er in Smedsby in Svartsjö een
smid woonde, die de beste paardehoeven in den omtrek maakte. De
Generaal reed naar hem toe en vroeg Mickel in Smedsby zijn paard te
beslaan. Toen nu de smid uit de smidse kwam met een afgewerkten hoef,
vroeg de Generaal of hij dien zien mocht. De hoef was sterk, en goed
gemaakt, maar de Generaal lachte, toen hij hem zag.
„Moet dat ijzer heeten?” zei hij, en boog den hoef uit elkaar en brak
hem in tweeën.
De smid schrikte en meende, dat hij slecht werk had geleverd.
„Er moet ergens een barst in het ijzer zijn geweest,” zei hij en ging
haastig naar binnen om een anderen hoef te halen. Maar ’t ging met dien
als met den vorige, alleen met dit verschil, dat hij in elkaar geknepen
werd als een schaar tot hij barstte.
Maar toen begon Mickel onraad te vermoeden. „Of je bent Koning Karel
zelf, of je bent Sterke Bengt van Hedeby,” zei hij tegen den Generaal.
„Dat was niet zoo heelemaal misgeraden Mickel,” zei de Generaal. En
later gaf hij Mickel de volle betaling voor vier nieuwe hoeven en voor
de twee, die hij had gebroken.
Nog veel meer verhalen waren er over den Generaal en ze werden
aanhoudend verteld, zoodat in de heele provincie geen mensch was, die
hem niet kende, eerbiedigde en bewonderde. En van zijn ring wist men
ook, en dat die met hem in ’t graf had moeten gaan; maar dat de
begeerigheid van de menschen zóó groot was geweest, dat die hem was
afgestolen.
Men kan dus wel begrijpen, dat als iets de menschen belangstellend,
nieuwsgierig en verontwaardigd kon maken, het dit feit was, dat de ring
teruggevonden en weer was weggeraakt, dat Ingilbert dood in ’t bosch
was gevonden; dat de mannen van Olsby nu verdacht werden zich den ring
te hebben toegeëigend en nu in hechtenis zaten. Als de kerkgangers naar
huis gingen op den Zondagmiddag, kon men nauwelijks wachten tot ze de
kerkkleeren hadden uitgetrokken en wat gegeten hadden, of ze moesten
vertellen van alles, wat er getuigd en bekend was, en waartoe men
meende, dat de beklaagden zouden worden veroordeeld.
Er werd over niets anders gepraat. Elken avond werd er recht gesproken
bij het haardvuur, bij armen en rijken.
’t Was een gruwelijke, wonderlijke zaak en moeilijk om te beoordeelen.
’t Was niet gemakkelijk een vonnis te vellen, want het was moeilijk, ja
bijna onmogelijk te denken, dat de Ivarssons en hun pleegzoon een man
zouden hebben doodgeslagen om een ring in handen te krijgen, hoe
kostbaar die ook wezen mocht.
Daar was nu ten eerste Erik Ivarsson. Hij was een rijk man, met groote
akkers en veel gebouwen. Als hij een fout had, was het, dat hij
hoogmoedig was en al te bezorgd voor zijn eer. Maar juist daarom was
het moeilijk te begrijpen, dat welk kleinood ter wereld ook hem er toe
zou kunnen brengen een onteerende daad te doen.
Nog minder kon men zijn broer Ivar verdenken. Wel was hij arm, maar hij
woonde bij zijn broer, en kreeg bij hem alles wat hij kon verlangen.
Hij was zoo goedhartig, dat hij alles had weggegeven, wat hij bezat.
Hoe zou het zulk een man in de gedachten kunnen komen, te moorden en te
stelen?
Wat Paul Eliasson betreft, van hem wist men, dat hij hoog aangeschreven
stond bij de Ivarssons, en met Marit Eriksdochter zou trouwen, die de
eenige erfgenaam van haar vader was. Anders was hij het, die men het
eerst zou kunnen verdenken, omdat hij een geboren Rus was, en van de
Russen wist men, dat ze stelen niet voor zonde hielden. Ivar Ivarsson
had hem bij zich gehad, toen hij uit de Russische gevangenschap
teruggekomen was. Hij was toen drie jaar oud, had geen ouders meer en
zou in zijn eigen land zijn doodgehongerd. Nu was hij toch in
rechtschapenheid en eerlijkheid opgevoed en had zich altijd goed
gedragen. Marit Eriksdochter en hij waren samen opgegroeid; zij hadden
elkaar altijd liefgehad, en men kon ’t niet met elkaar overeenbrengen,
dat een man, die geluk en rijkdom verwachtte, dat alles op het spel zou
zetten door een ring te stelen.
Maar aan den anderen kant moest men aan den Generaal denken, den
Generaal, waar men van had hooren vertellen van dat men nog klein was
af, den Generaal, dien men kende als zijn eigen vader, den Generaal,
die groot en sterk en vertrouwbaar was, den Generaal, die dood was en
dien men het liefste, wat hij bezat, had afgestolen.
De Generaal had geweten, dat Ingilbert Baardson den ring bij zich had,
toen hij vluchtte, want anders zou Ingilbert rustig heen hebben kunnen
gaan en zou niet gedood zijn geworden. De Generaal moest er ook van
weten dat de mannen uit Olsby den ring hadden genomen, anders zouden
zij den Ritmeester niet zijn tegengekomen.
Ze zouden niet gevangen genomen en in hechtenis gehouden zijn.
Het was héél moeilijk den weg in zulk een zaak te vinden; maar men
vertrouwde nog meer op den Generaal dan op Koning Karel zelf, en bij de
meeste rechtzaken, die in de kleine hutjes gevoerd werden, viel het
vonnis, dat de beklaagden schuldig waren.
Zeker wekte het groote verwondering, dat de werkelijke rechtbank, in
het gerechtsgebouw in Broby, na ten strengste de zaak te hebben
onderzocht, maar de beklaagden niet te hebben kunnen overtuigen of tot
bekentenis brengen, zich genoodzaakt zag hen van moord en diefstal vrij
te spreken.
Zij werden toch niet vrijgelaten, want het vonnis van de rechtbank
moest bekrachtigd worden door het hooge gerechtshof, en dit meende, dat
de mannen uit Olsby schuldig waren en gehangen moesten worden.
Maar ook dit vonnis werd niet uitgevoerd, want het vonnis van het hooge
gerechtshof moest eerst door den Koning bekrachtigd worden.
Maar toen het Koningsvonnis gevallen was, stelden de kerkgangers dezen
eenen keer hun middagmaal uit, tot zij den inhoud aan de
thuisgeblevenen hadden verteld.
Want de inhoud van ’t vonnis was in ’t kort dit: dat daar het volkomen
duidelijk bleek, dat een van de beklaagden gemoord en gestolen had,
maar dat niemand zich schuldig wilde verklaren, zou Gods oordeel
tusschen hen richten. Ze zouden op de volgende rechtszitting in
tegenwoordigheid van de rechters, de gezworenen en de menigte met
elkaar dobbelen. Die den laagsten worp deed, zou schuldig worden
verklaard en ’t leven verliezen door gehangen te worden; maar de
anderen zouden volkomen vrij gesproken worden en tot hun dagelijksch
leven terugkeeren.
Dat was een wijs vonnis, een rechtvaardig vonnis. Alle menschen in
Wermeland waren er mee tevreden. Was het niet mooi van den ouden
Koning, dat hij niet meende helderder in deze duistere zaak te kunnen
zien, dan iemand anders, maar op den Almachtige vertrouwde? Nu
eindelijk zou men de waarheid aan het licht zien komen.
Behalve dat, was er nog iets eigenaardigs aan deze rechtszaak. Die werd
niet van mensch tot mensch gevoerd; maar een doode was in de zaak
betrokken, een doode, die begeerde zijn eigendom terug te krijgen.
In andere gevallen kon men nog aarzelen op de dobbelsteenen te
vertrouwen, maar niet in dit. De doode Generaal wist wel wie het was
die hem zijn eigendom onthield. Dat was het beste van het
Koningsvonnis, dat het den ouden Generaal de gelegenheid gaf vrij te
spreken en te veroordeelen.
Men zou bijna denken, dat Koning Frederik de beslissing aan den
Generaal wilde overlaten. Hij had hem misschien in den oorlogstijd
gekend en wist, dat hij een man was, waarop men vertrouwen kon. Dit zou
wel de bedoeling kunnen zijn. Dat was niet gemakkelijk uit te maken.
Hoe het ook was, allen wilden die gerechtszitting bijwonen, waar het
Godsoordeel zou worden uitgesproken. Ieder die niet te oud was om te
loopen of te klein om te kruipen, ging op weg. Zulk een gewichtige
gebeurtenis had in lange jaren niet plaats gehad. Men kon zich niet
vergenoegen, met zoo langzamerhand van anderen te hooren hoe het was
afgeloopen. Neen, hier moest ieder zelf bij zijn!
Wel lagen de hoeven ver uit elkaar verspreid, en wel was het gewoonlijk
zoo, dat men een mijl ver kon loopen zonder een mensch te ontmoeten,
maar als allen uit de provincie op één plek bijeen kwamen, waren zij er
bijna verwonderd over, dat er zoo velen waren. Ze stonden in vele rijen
dicht opeen voor het gerechtshof. Het zag er uit als wanneer een
bijenzwerm zwart en zwaar voor een bijenkorf hangt, op een zomerdag. Ze
waren ook als zwermende bijen, in dit opzicht, dat ze niet in de gewone
stemming waren. Ze waren niet stil en plechtig, zooals gewoonlijk bij
de kerk, en ook niet vroolijk en gemoedelijk, zooals op de markt, maar
ze waren woest en prikkelbaar, ze waren bezeten van haat en wraaklust.
En is dat verwonderlijk? Ze hadden met de moedermelk den afschuw van
misdadigers ingedronken. Ze waren in slaap gezongen met liedjes over
rondzwervende vogelvrijen. Ze beschouwden alle dieven en moordenaars
als ongedierte, als heksenkinderen; ze hielden hen niet meer voor
menschen. Ze dachten er in ’t geheel niet aan, dat men jegens hen
barmhartigheid moest toonen.
Ze wisten, dat zulk een verschrikkelijk schepsel vandaag gevonnisd zou
worden en daar waren ze blij om, „Nu komt dan Goddank zoo’n
bloeddorstig monster uit de wereld,” dachten zij. „Nu kan die ons ten
minste geen kwaad meer doen!”
Het Godsoordeel zou niet in het gerechtshof plaats hebben; maar, wat
goed was, buiten in de vrije lucht. Wel was het hinderlijk, dat een
compagnie soldaten de plaats voor het gerechtshof afzette, zoodat men
er niet dicht genoeg bij kon komen. En de menschen riepen de soldaten
veel scheldwoorden toe, omdat ze hun in den weg stonden. Dat zouden ze
anders niet gedaan hebben, maar vandaag waren ze overmoedig en
vermetel. De menschen hadden vroeg van huis moeten gaan om een plaats
dicht bij den kring soldaten te krijgen, zoodat ze daar veel lange,
vervelende uren moesten staan wachten. En ze hadden in dien tijd niet
veel genoegelijks om naar te kijken. De gerechtsdienaar kwam naar
buiten en zette een groote trommel midden op de plaats. Dat was ten
minste prettig, want nu zag men immers, dat zij die daar binnen zaten,
de zaak nog voor den avond zouden laten doorgaan. De gerechtsdienaar
droeg ook nog een stoel en een tafel naar buiten, en een pen en
inktkoker voor den griffier. Ten laatste kwam hij met een kleinen
beker, waarin een paar dobbelsteenen rammelden. Hij wierp ze telkens op
het trommelvel. Hij wilde zeker probeeren of ze wel in orde waren en nu
zoo en dan weer anders vielen, zooals dobbelsteenen behooren te doen.
Daarna haastte hij zich weer naar binnen, en dat was geen wonder, want
zoodra hij zich vertoonde, riepen de menschen hem leelijke woorden en
grappen toe. Dat zouden ze anders niet gedaan hebben, maar dien dag
waren ze niet bij hun gezond verstand.
De rechter en de gezworenen werden door den kring van de soldaten
gelaten en liepen of reden naar het gerechtshof. Zoodra ze in ’t zicht
kwamen, kwam de menigte in beweging. ’t Was niet zoo, dat men
fluisterde en mompelde, zooals men anders zou hebben gedaan. Neen! Men
riep hun met luider stem groeten toe en opmerkingen. Dat kon immers
niemand beletten. Er waren zoo velen, die daar wachtten en ze waren
geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. De heeren, die
kwamen, werden ook toegelaten in het gerechtshof. Dat was Löwensköld
van Hedeby en de proost van Bro, en de Mijneigenaar van Hedeby, en de
Kapitein van Helgesäter, en natuurlijk nog vele anderen. En allen
moesten ze hooren, hoe goed zij het hadden, die niet buiten hoefden te
blijven staan en om een plaats vechten, en nog veel anders bovendien.
Als ze niemand anders hadden om scheldwoorden toe te roepen, richtten
ze zich tot een jong meisje, dat zich zoo dicht bij den kring soldaten
hield als haar mogelijk was. Ze was klein en tenger, en telkens weer
probeerden de mannen naar voren te dringen en haar plaats in te nemen;
maar als dat gebeurde, riepen zij, die dicht bij haar stonden, dat zij
de dochter was van Erik Ivarsson van Olsby en dan werd ze met rust
gelaten.
Maar in plaats daarvan hagelde het stekelige woorden over haar. Men
vroeg haar wat ze ’t liefst wilde, dat haar vader of haar verloofde
gehangen zou worden. En ieder verwonderde er zich over, dat iemand, die
de dochter van een dief was, de beste plaats moest hebben.
Zij, die ver achter in het bosch woonden, verbaasden er zich over, dat
zij den moed had daar te blijven staan; maar toen hoorden ze nog wat
anders. Dat wicht was niet bang. Ze had alle rechtszittingen
bijgewoond, en geen enkele maal had ze geschreid. Ze was altijd kalm
geweest. Ze had de beklaagden toegeknikt en toegelachen, alsof ze er
zeker van was, dat ze den volgenden dag zouden worden vrijgelaten. En
de beklaagden hadden nieuwen moed gekregen, als ze haar zagen. Ze
hadden gedacht, dat er ten minste één was, die wist, dat ze onschuldig
waren. Eén was er, die niet kon gelooven, dat een armzalige gouden ring
hen tot misdaad zou kunnen verleiden.
Mooi, lief en geduldig was ze, zooals ze daar in de rechtzaal zat. Ze
had nooit iemand gehinderd of gekwetst. Ze had den rechter en de
gezworenen en zelfs den leensman tot haar vrienden gemaakt. Zooiets
wilden ze wel niet toegeven, maar men beweerde, dat het gerecht hen
niet zou hebben vrijgesproken, als zij niet in de zaal was geweest. Het
was zoo onmogelijk te gelooven, dat iemand, waar Marit Eriksdochter van
hield, zich aan een misdaad zou schuldig maken.
En nu was ze hier ook bij, opdat de gevangenen haar zouden zien. Ze
stond hier om hun tot steun en troost te wezen. Ze wilde voor hen
bidden onder de proef, hen aanbevelen in Gods genade.
Men kon immers niets weten. Men zegt wel, dat de appel niet ver van den
boom valt; maar ze zag er zoo goed en onschuldig uit. En zeker had ze
een liefdevol hart, nu ze kon blijven staan, waar ze stond.
Ze moest toch alles hebben gehoord, wat men haar toeriep; maar ze
antwoordde niet, ze schreide niet, ze probeerde niet te vluchten. Ze
wist, dat de ongelukkige gevangenen blij zouden zijn haar te zien. Ze
was immers de eenige, de eenige in die heele bende, die een menschelijk
gevoel voor hen had.
Maar hoe het ook was, ze stond daar niet heelemaal voor niet. Er waren
toch menschen die eigen dochters hadden, even zacht en onschuldig als
zij, die in hun hart dachten, dat ze haar niet graag zouden zien staan
waar zij stond.
Hier en daar werd een stem gehoord, die haar verdedigde of die
tenminste de grappenmakers en schreeuwleelijkers tot zwijgen trachtte
te brengen.
Niet alleen omdat er een eind kwam aan het lange wachten, maar ook om
Marit Eriksdochter was men blij toen de deuren van ’t gerechtshof open
werden gedaan en de zaak begon. In plechtigen optocht kwamen eerst de
gerechtsdienaar, de leensman en de gevangenen, die zonder boeien of
banden waren, al werd elk van hen ook bewaakt door twee soldaten.
Daarna verscheen de koster, de proost, de gezworenen, de griffier en de
rechter.
Achter die allen aan kwamen de heeren en enkele boeren, die zoo groot
aanzien hadden, dat ze mee in den kring mochten komen. De leensman en
de gevangenen gingen links van het gerechtshof staan, de rechter en de
gezworenen rechts; de heeren bleven in ’t midden staan. De griffier nam
plaats aan de tafel met zijn papieren. De groote trommel stond nog
steeds verlaten midden op de plaats, zichtbaar voor allen.
Op ’t zelfde oogenblik, dat de optocht te voorschijn kwam, ontstond er
onrust en gedrang in de menschenmassa. Verscheiden groote en sterke
mannen zochten zich een weg te banen naar de eerste rijen. Vooral
legden ze het er op aan Marit Eriksdochter weg te dringen. Maar uit
angst, dat ze achteraf geschoven zou worden, boog ze zich voorover, en
klein en mager als ze was, kroop ze tusschen de beenen van een paar
soldaten door naar binnen in den kring.
Dat was volkomen in strijd met de goede orde en de leensman gaf ook den
gerechtsdienaar een wenk om Marit Eriksdochter te verwijderen. Die kwam
dadelijk naar haar toe, legde de hand op haar schouder als om haar in
hechtenis te nemen en leidde haar naar het gerechtshof. Maar toen ze
goed en wel bij de menschenmassa gekomen waren, die voor het gebouw
stond, liet hij haar los. Hij had al wel zooveel van haar gezien, om te
weten, dat ze, als ze eenmaal in de buurt van de gevangenen was, niet
weg zou loopen en als de leensman haar wou laten pakken, zou ze
gemakkelijk te vinden zijn.
Maar wie had nu ook nog tijd om aan Marit Eriksdochter te denken. De
proost en de koster waren naar voren gekomen en stonden midden op de
plaats. Beide namen den hoed af en de koster sloeg een psalm op en
begon te zingen. En toen zij, die buiten den kring stonden, dat
hoorden, begonnen zij te begrijpen, dat wat nu gebeuren zou, iets
groots en plechtigs was, het plechtigste, wat zij nog ooit hadden
bijgewoond, een aanroep aan den Almachtigen, alwetenden God om Zijn wil
te mogen weten.
Nog plechtiger werden zij gestemd toen de proost sprak. Hij bad tot
Christus, Gods Zoon, die zelf eens voor het gerecht van Pilatus had
gestaan, en smeekte hem zich over de beklaagden te ontfermen, zoodat ze
geen onrechtvaardig vonnis zouden krijgen. Hij smeekte hem zich ook
over de rechters te ontfermen, zoodat ze niet genoodzaakt zouden worden
een onschuldige ter dood te veroordeelen.
En ten slotte smeekte hij hem zich over de menigte te ontfermen, opdat
zij niet een groot onrecht zouden doen, door hun getuigenis te steunen,
zooals eenmaal de Joden bij Golgotha.
Ze luisterden allen naar den proost met ontbloote hoofden. Zij dachten
niet meer aan hun armzalige aardsche gedachten. Ze waren in een andere
stemming gekomen. Het was hun alsof hij God zelf van uit Zijn hemel in
hun midden riep, en ze voelden Zijn nabijheid.
’t Was een mooie herfstdag met blauwen hemel, kleine witte wolken en
boomen vol goudgele bladeren. Vluchten trekvogels zweefden
onophoudelijk over hun hoofden naar het zuiden. ’t Was iets ongewoons,
dat men er zoo velen zag op één dag. Men meende, dat dit iets moest
beteekenen. Was dat een teeken van God, dat Hij hun plan goedkeurde?
Toen de proost zijn rede geëindigd had, kwam de Voorzitter van de
rechtbank naar voren en las het Koningsvonnis voor. Dat was lang met
veel passages, die moeilijk te volgen waren. Maar zij begrepen, dat de
wereldlijke macht als ’t ware haar zwaard en scepter, wijsheid en
wetenschap neerlegde en leiding van God begeerde. En zij baden, zij
baden allen, dat God zou helpen en leiden.
Daarop nam de leensman de dobbelsteenen en verzocht den rechter en nog
vele andere aanwezigen een worp te doen om te zien of zij in orde
waren. En de menschen hoorden hoe ze op het trommelvel vielen met een
zonderlinge rilling. Die kleine dingen, die zooveel mannen in het
ongeluk hadden gestort, zouden ze nu waardig geacht worden om Gods wil
te verkondigen?
Toen de dobbelsteenen onderzocht waren, werden de drie gevangenen naar
voren geleid. De beker werd eerst aan Erik Ivarsson gegeven, die de
oudste was. Maar tegelijk legde de leensman hun uit, dat dit nog niet
het afdoende besluit was. Nu moesten ze allen uitsluitend werpen om de
volgorde tusschen hen aan te geven.
Den eersten keer viel het zoo uit, dat Paul Eliasson de laagste worp
deed en Ivar Ivarsson de hoogste. Dus moest hij beginnen.
De drie beklaagden droegen dezelfde kleeren, die ze aan hadden gehad,
toen zij den Ritmeester op hun tocht van de zomerwei waren
tegengekomen, en die waren nu vuil en versleten. En even slecht als hun
kleeren zagen zij, die ze droegen, er uit. Maar allen vonden, dat Ivar
Ivarsson zich het beste had gehouden van de drie. Dat kwam zeker
doordat hij soldaat was geweest en door veel lijden in den oorlog en
gevangenschap was gehard. Hij hield zich nog rank en trad moedig en
onverschrokken op.
Toen Ivar Ivarsson op de trommel toetrad en den beker met de
dobbelsteenen van den leensman aannam, wilde deze hem wijzen hoe hij
den beker vasthouden en hoe hij de steenen werpen moest. Maar toen
glimlachte de man.
„’t Is niet voor ’t eerst, Leensman, dat ik met de dobbelsteenen
rammel,” zei hij zoo luid, dat allen hem hoorden.
„Sterke Bengt van Hedeby en ik hebben ons daar al menig avond mee
vermaakt in de steppen. Maar ik heb nooit gedacht, dat ik nog eens met
hem zou moeten spelen.”
De leensman wilde hem vermanen zich te haasten, maar de menschen
luisterden graag naar hem. Het was een dapper man, die kon schertsen nu
hij voor zulk een beslissing stond.
Hij vouwde beide handen om den beker en men zag, dat hij bad. Toen hij
zijn „Onze Vader” gebeden had, riep hij met luider stem. „En nu bid ik
U, Heer Christus, Gij, die mijn onschuld kent, dat Gij mij een lagen
worp zult laten doen, want ik heb geen kind en geen verloofde, die om
mij zullen schreien!”
Toen hij dit had gezegd, slingerde hij de dobbelsteenen op het
trommelvel, dat het klonk.
En allen, die buiten stonden, wenschten op dat oogenblik, dat Ivar
Ivarsson vrij komen zou. Zij hielden van hem, omdat hij dapper en goed
was. Zij konden niet begrijpen, dat ze hem ooit voor een misdadiger
hadden gehouden.
Het was bijna niet uit te houden zoo lang te moeten blijven staan,
zonder te weten hoe de dobbelsteenen waren gevallen. De rechter en de
leensman bogen zich voorover om het te zien; de gezworenen en de
heeren, die tegenwoordig waren, kwamen naderbij en zagen de uitkomst.
Allen schenen verwonderd, sommigen knikten Ivar Ivarsson toe; een paar
van hen schudden hem de hand, maar de menigte kreeg niets te hooren.
Zij begonnen te mompelen en te morren.
Toen wenkte de rechter den leensman en die klom op de trappen van het
gerechtshof om beter gezien en gehoord te kunnen worden.
„Ivar Ivarsson heeft twee dubbele zessen geworpen. Dat is de hoogste
worp!”
Allen begrepen, dat Ivar Ivarsson vrij was en daar waren ze blij om. Er
waren verscheidenen, die begonnen te roepen: „Gefeliciteerd, Ivar
Ivarsson!”
Maar nu gebeurde er iets, dat allen met verbazing vervulde: Paul
Eliasson barstte in luide vreugdekreten uit, rukte de muts van zijn
hoofd en gooide die omhoog. Dat kwam zóó onverwacht, dat de wachters
het hem niet konden beletten. Maar men verwonderde zich over Paul
Eliasson. Het was wel waar, dat Ivar Ivarsson als een vader voor hem
was geweest; maar nu ging het om zijn leven. Kon hij er werkelijk blij
om zijn, dat een ander was vrij gesproken?
Onmiddellijk daarna werd de vorige orde hersteld. De rechterlijke
autoriteiten gingen rechts; de gevangenen en hun wachters links; andere
toeschouwers trokken zich terug tot voor het gerechtshof, zoodat de
trommel vrij stond in het midden, zichtbaar van alle zijden. Nu was het
Erik Ivarsson, die de doodsproef moest doorstaan.
Een gebroken en oud man kwam aanstrompelen met onzekere stappen. Men
herkende hem nauwelijks. Kon dat Erik Ivarsson zijn, die altijd forsch
en met gezag optrad? Zijn oogen waren dof en velen dachten, dat hij
zich nauwelijks bewust was van wat hij deed. Maar toen hij den beker
met de dobbelsteenen in zijn hand had, deed hij een poging om zich rank
te houden en een paar woorden te zeggen.
„Ik dank God, dat mijn broer Ivar Ivarsson nu vrijgesproken is,” zeide
hij, „want hoewel ik in deze zaak even onschuldig ben als hij, is hij
toch altijd de beste van ons beiden geweest. En ik bid Onzen Heer Jezus
Christus, dat Hij mij een lagen worp zal laten doen, zoodat mijn
dochter zal kunnen trouwen met hem, dien zij liefheeft en gelukkig met
hem leven tot het eind van haar dagen.”
Het was met Erik Ivarsson als met vele andere oude menschen, dat hun
vroegere kracht in hun stem bewaard schijnt te blijven. Wat hij zeide
werd door allen gehoord, en wekte groote ontroering. Het leek niet op
Erik Ivarsson te erkennen, dat iemand anders beter was geweest dan hij,
en den dood te wenschen om iemand anders gelukkig te maken. Er was
niemand in de heele menschenmassa, die nog aan hem kon denken als aan
een roover of een dief. Ze stonden met de tranen in de oogen en baden
tot God, dat hij een hoogen worp zou mogen doen.
Hij schudde de dobbelsteenen bijna niet in den beker, maar keerde die
langzaam om en liet de steenen vallen. Zijn oogen waren te oud dan dat
hij de punten op de dobbelsteenen zou kunnen zien; en hij keek er niet
eens naar, maar bleef voor zich uit staren.
Maar de rechter en de anderen haastten zich naar hem toe. En nu zag men
dezelfde uitdrukking van verwondering op hun gezichten als de vorige
maal.
Het was alsof de menigte daarbuiten begrepen had wat er gebeurd was,
lang voor dat de leensman den uitslag had bekend gemaakt. Een vrouw
riep: „God zegene je, Erik Ivarsson!” en daarna werd een kreet uit vele
monden gehoord: „Geloofd zij God, omdat Hij je hielp, Erik Ivarsson!”
Paul Eliasson’s muts vloog in de lucht weer als de vorige keer, en weer
was men verbaasd. Dacht hij er dan niet aan, wat dit voor hem
beteekende?
Erik Ivarsson stond daar versuft en onverschillig. Geen licht kwam er
op zijn gezicht. Men meende, dat hij misschien afwachtte, dat de
leensman den uitslag bekend zou maken, maar ook toen dat gebeurde en
hij hoorde, dat hij twee dubbele zessen had geworpen, zooals zijn
broer, bleef hij ongevoelig. Hij wilde terug strompelen naar zijn
vroegere plaats en was zoo afgemat, dat de gerechtsdienaar den arm om
hem heen moest slaan om hem overeind te houden.
Nu was het de beurt van Paul Eliasson om vooruit te treden naar de
trommel en zijn geluksworp te doen en men wendde de blikken naar hem.
Allen hadden ’t al voor bewezen gehouden, dat hij de eigenlijke
misdadiger was, en nu was hij immers zoo goed als geoordeeld, want
hooger worp dan de Ivarssons konden de dobbelsteenen niet geven.
Men was eerst niet ontevreden met dien uitslag, maar nu zag men, dat
Marit Eriksdochter tot dicht bij Paul Eliasson geslopen was.
Hij omhelsde haar niet; geen kus of liefkoozing werd tusschen hen
gewisseld. Zij stond alleen dicht, dicht tegen hem aan gedrukt, en hij
hield den arm om haar heen geslagen. Niemand kon zeggen hoe lang ze zoo
hadden gestaan, want aller aandacht was op het dobbelspel gericht
geweest.
In ieder geval stonden ze daar zij aan zij, op een onbegrijpelijke
manier tot elkaar gekomen, niettegenstaande de wachters en de
afschrikwekkende autoriteiten, niettegenstaande de duizenden
toeschouwers, niettegenstaande dat vreeselijke spel om leven en dood,
waar zij in betrokken waren.
Dat was liefde; en het was iets ver boven de aardsche liefde dat hen
vereenigde. Zij hadden zoo bijeen kunnen staan op een zomermorgen, als
ze den heelen nacht hadden gedanst en er voor ’t eerst over gesproken,
dat zij man en vrouw wilden worden. Ze hadden zoo kunnen staan na het
eerste avondmaal, als ze alle zonden uit hun ziel voelden weggenomen.
Ze hadden zoo kunnen staan, als ze de gruwelen van den dood hadden
doorgemaakt en aan de andere zijde gekomen, elkaar weer ontmoet hadden,
en gevoeld, dat zij in eeuwigheid bij elkaar behoorden.
Zij stond hem aan te zien met innige liefde, en er was iets in hun
ziel, dat den menschen zei, dat ze juist met Paul Eliasson medelijden
moesten hebben. Hij was een jonge boom, die niet zou blijven staan tot
hij bloeide en vruchten droeg; hij was een roggeakker, die vertreden
zou worden vóór hij iemand iets van zijn rijkdom zou kunnen schenken.
Hij nam stil zijn arm van Marit’s middel weg en volgde den leensman
naar den trommel. Er was geen onrust aan hem te bespeuren, toen hij den
beker in de hand had. Hij hield geen toespraak tot het volk zooals de
anderen, maar hij keerde zich tot Marit.
„Wees niet bang,” zei hij. „God weet, dat ik even onschuldig ben als de
anderen.”
Daarop schudde hij de dobbelsteenen speelsch om en liet ze in den beker
ronddraaien tot ze over den rand sprongen en op het trommelvel vielen.
Hij stond ze onbewegelijk met de oogen te volgen; maar toen ze
eindelijk beide stil lagen, behoefde de menigte niet te wachten tot de
leensman den uitslag verkondigen zou. Paul Eliasson riep zelf met
luider stem: „Ik heb dubbele zessen geworpen, Marit, precies als de
anderen!”
Het kwam hem niet in de gedachte, dat hij daardoor niet vrijgesproken
zou zijn, en hij kon zich van blijdschap niet stilhouden. Hij sprong
hoog op, wierp zijn muts in de lucht, omhelsde den wachtsoldaat, die
het dichtste bij hem stond en kuste hem.
Toen dachten allen: „Je kunt wel zien, dat hij een Rus is. Als hij een
Zweed was geweest, zou hij niet zoo ontijdig gejubeld hebben.”
De rechter, de leensman, de gezworenen en de notabelen gingen langzaam
en kalm naar de trommel, en bekeken de dobbelsteenen. Maar ze zagen er
dezen keer niet uit, alsof ze blij waren. Ze schudden het hoofd, en er
was niemand, die Paul Eliasson gelukwenschte.
De menschenmassa kwam in heftige beweging; maar niemand jubelde.
Niemand dacht, dat er bedrog in het spel was; want dat was onmogelijk.
Maar allen voelden zich angstig, omdat het Godsoordeel geen klaarheid
had gebracht.
Waren nu alle beklaagden onschuldig? Of waren ze even schuldig?
Men zag den Ritmeester snel op den rechter toegaan. Hij wou zeker
zeggen, dat er nog niets was uitgemaakt; maar de rechter wendde zich
onwillig van hem af.
De rechter en de gezworenen trokken zich terug in ’t gerechtshof om te
overleggen, en in dien tijd durfde niemand zich te verroeren of te
spreken; ja, bijna niet te fluisteren. Zelfs Paul Eliasson hield zich
stil. Hij scheen nu te begrijpen, dat het Godsoordeel op meer dan één
manier kon worden uitgelegd.
Het gerecht verscheen weer na een kort overleg en de rechter
verkondigde, dat het gerecht geneigd was den uitslag zoo op te vatten,
dat alle drie de beklaagden waren vrijgesproken. Paul Eliasson rukte
zich los van zijn wachters, en wierp zijn muts in de lucht onder luid
gejubel; maar dat was nog even te vroeg, want de rechter ging voort:
„Maar deze uitspraak van het gerecht zal den Koning worden meegedeeld
door een koerier, die nog vandaag naar Stockholm zal worden afgezonden,
en de beklaagden zullen in hechtenis worden gehouden tot de
bekrachtiging van het vonnis door Zijne Majesteit in ons bezit is.”