Op een herfstdag, ongeveer dertig jaar na dit merkwaardige dobbelspel
bij het gerechtshof van Broby, zat Marit Eriksdochter op de stoep voor
het kleine huisje op de Groote Hoeve in Olsby, waar zij woonde, en
borduurde een paar kinderwanten. Zij wilde ze volgens een mooi patroon
borduren met randen en ruiten, opdat het kind, waar zij ze voor
bestemde, er blij mee zou zijn, maar ze kon geen patroon bedenken.
Nadat ze lang op de trap had zitten teekenen met een houtje, ging ze
naar binnen en deed haar kleerenkist open om er een of ander
kleedingstuk uit te halen, dat ze nawerken kon. Heel beneden op den
bodem vond zij een muts met een kwast, die kunstig geborduurd was, met
veel verschillende steken en randen en na eerst een paar oogenblikken
geaarzeld te hebben nam ze die mee naar buiten op de stoep.
Terwijl Marit nu de muts keerde en draaide om het borduursel na te
zien, merkte zij dat er mot in gekomen was en dat die er gaatjes in
gebeten had. „Ja, goeie hemel, dat is toch geen wonder,” dacht ze. „’t
Is nu zeker minstens dertig jaar geleden, dat die alle dagen gebruikt
werd. ’t Is goed, dat ik die uit de kleerenkist nam, zoodat ik zag hoe
het er mee gesteld was.”
De muts was versierd met een grooten mooien kwast, en daar hadden de
motten bizonder krachtig in huisgehouden, want toen Marit de muts
schudde, vlogen de draden naar alle kanten. Ja, de kwast vloog er zelfs
af, en viel op haar knie. Ze nam die op om te zien of die zooveel
geleden had, dat hij niet meer vast te zetten was, en toen meende zij
iets te zien blinken tusschen de draden. Ze trok die gauw uit elkaar en
vond toen een grooten zegelring van goud met een rooden steen, met grof
linnen garen binnen in den kwast vastgenaaid.
De kwast en de muts vielen haar uit de handen. Ze had den ring nog
nooit gezien; maar ze hoefde niet naar het koninklijke naamcijfer op
den steen te kijken of naar de inscriptie aan den binnenkant, om te
weten wat het voor een ring was, en aan wien die behoorde. Ze leunde
tegen ’t hek van de stoep, sloot de oogen en zat daar stil en bleek,
als een stervende. Ze meende, dat haar hart zou breken.
Ter wille van dien ring hadden haar vader, Erik Ivarsson, haar oom,
Ivar Ivarsson en haar verloofde, Paul Eliasson, het leven moeten laten
en nu moest zij dien vastgenaaid vinden in den kwast op Paul’s muts.
Hoe was die daar gekomen? Wanneer was die daar gekomen? Had Paul
geweten, dat hij daar was?
Neen; ze zeide dadelijk tot zich zelf, dat hij het onmogelijk had
kunnen weten.
Ze herinnerde zich hoe hij met die muts had gewuifd en hem hoog in de
lucht had gegooid, toen hij meende, dat hij en de oude Ivarssons
vrijgesproken waren.
Ze zag alles voor zich, alsof het gisteren gebeurd was. Die groote
menschenmassa, die in ’t begin vol haat en vijandschap was geweest
tegenover haar en haar naasten kring; maar die ten slotte aan hun
onschuld geloofde. Ze herinnerde zich den heerlijken, diep blauwen
herfsthemel, de trekvogels, die verdwaald waren en over de
gerechtsplaats fladderden. Paul had ze gezien en in dat oogenblik, dat
ze tegen hem aangeleund had gestaan, had hij haar toegefluisterd dat
zijn ziel weldra daar boven zou rond zwerven in den hoogen, als een
kleine verdwaalde vogel. En hij had haar gevraagd of hij dan op
Olsbyhoeve komen mocht en onder aan de goot wonen.
Neen, Paul kon niet geweten hebben, dat er gestolen goed verborgen was
in die muts, die hij omhoog had gegooid naar dien heerlijken
herfsthemel.
En toen die andere dag. Haar hart kromp ineen, zoo vaak ze daaraan
dacht; maar nu moest ze het toch doen. Er was bericht gekomen uit
Stockholm, dat het Godsoordeel zoo moest worden opgevat, dat alle drie
de beklaagden even schuldig waren en dat zij gehangen moesten worden.
Zij was er bij geweest, toen het vonnis werd uitgevoerd, opdat de
mannen, die zij liefhad, zouden weten, dat er een mensch was, dat in
hen geloofde en over hen treurde. Maar daarom had ze niet naar den
galgenheuvel behoeven te gaan. Alle menschen waren van gedachten
veranderd sedert dien laatsten keer. Allen die om den kring soldaten
stonden, die de gerechtsplaats afzetten, waren goed voor haar geweest.
De menschen hadden overlegd en onder elkaar alles nagegaan, en zij
waren tot de overtuiging gekomen, dat het Godsoordeel zoo moest
verstaan worden: dat alle drie beklaagden onschuldig waren. De Generaal
had ze alle drie den hoogsten worp laten doen. Dat kon niets anders
beteekenen. Geen van hen had den ring genomen.
Er was een algemeen weeklagen, toen de drie mannen naar buiten werden
gebracht. Vrouwen hadden geschreid, de mannen hadden met gebalde
vuisten gestaan, en de tanden op elkaar gebeten. Men zei, dat de
gemeente Bro verwoest zou worden, zooals Jeruzalem, omdat men het leven
aan onschuldige mannen had ontnomen. De menschen hadden den
veroordeelden troostwoorden toegeroepen en de beulen gehoond. En vele
vervloekingen waren over het hoofd van Ritmeester Löwensköld
neergekomen. Er werd gezegd, dat hij in Stockholm geweest was en dat
het zijn schuld was, dat het Godsoordeel in het nadeel van de
aangeklaagden was uitgelegd.
In ieder geval was het dit, dat alle menschen haar vertrouwen en geloof
deelden, wat haar over dien dag had heen geholpen. En niet alleen over
dien dag: maar over al dien tijd, tot op dezen dag toe. Wanneer de
menschen, die zij ontmoette, haar voor de dochter van een moordenaar
hadden gehouden, had zij het leven niet kunnen verdragen.
Paul Eliasson was de eerste geweest, die op ’t kleine vloertje onder de
galg gestapt was. Hij was eerst op de knieën gevallen en had tot God
gebeden; toen had hij zich tot den predikant gewend, die naast hem
stond en had hem iets gevraagd. Toen had Marit gezien hoe de predikant
hem de muts van ’t hoofd had genomen. En toen alles voorbij was had de
predikant de muts aan Marit gegeven met de groeten van Paul. Hij zond
haar die als een teeken, dat hij in zijn laatste ure aan haar had
gedacht.
Zou zij nu ooit kunnen gelooven, dat Paul haar die muts als een
gedachtenis zou hebben gestuurd, als hij had geweten, dat het gestolen
goed daarin verborgen was? Neen, als er iets zeker was in deze wereld,
dan was het dit, dat hij niet wist, dat de ring, die aan den vinger van
den doode had moeten zitten, in de muts verborgen was.
Marit Eriksdochter boog zich haastig voorover, hield de muts op voor
haar oogen en onderzocht die. „Waar kan Paul die muts vandaan hebben
gekregen?” Ik heb die niet voor hem gemaakt, en ook niemand anders op
de hoeve. Hij moet die op de markt hebben gekocht of misschien tegen
die van een ander hebben geruild.
Ze keerde de muts nog eens om en bekeek het patroon. „Die is zeker eens
mooi en sierlijk geweest,” dacht zij. „Paul hield van sierlijke dingen.
Hij was nooit blij, als we grijze kleeren voor hem weefden. Hij wilde
een of andere kleur aan de stof hebben. Zijn mutsen moesten ’t liefste
rood zijn, met een grooten kwast. Deze hier heeft hij zeker mooi
gevonden.”
Ze legde de muts neer, en leunde weer tegen ’t hek van de stoep om zich
in het verleden te verdiepen.
Zij was in ’t bosch dien morgen, toen Ingilbert van schrik was
gestorven. Zij zag hoe Paul met haar vader en haar oom over het lijk
gebogen stonden. De beide ouden hadden besloten, dat Ingilbert naar het
dorp gedragen zou worden, en ze waren heengegaan om takken voor de baar
af te hakken. Maar Paul was een oogenblik achtergebleven om Ingilbert’s
muts te bekijken. Hij had zoo’n zin in die muts gekregen, omdat hij met
rood, blauw en wit garen was geborduurd in allerlei figuren en hij had
hem ongemerkt voor de zijne verruild. Hij had er geen kwaad mee
bedoeld. Hij was misschien niet anders van plan geweest dan hem een
oogenblik te behouden. Zijn eigen muts, die hij Ingilbert gegeven had,
was zeker even goed geweest, maar niet uit zooveel kleuren en niet zoo
kunstig geborduurd.
Maar Ingilbert had den ring in zijn muts genaaid, vóór hij van huis
ging. Hij had misschien gedacht, dat hij vervolgd zou worden, en daarom
had hij het kleinood willen verbergen. En toen hij gevallen was, had
niemand er aan gedacht den ring in de muts te zoeken, Paul Eliasson
zeker wel het allerminste.
Zoo was het alles gegaan. Zij zou er een eed op hebben kunnen doen,
maar men kan nooit zeker genoeg zijn.
Zij legde den ring weer in haar kist, en met de muts in de hand ging
zij naar den stal om met het melkmeisje te spreken.
„Kom eens buiten, Märta,” riep zij in den donkeren stal, „en help mij
even met een patroon, waaruit ik niet wijs kan worden.”
Toen het meisje voor den dag kwam, reikte ze haar de muts toe.
„Ik weet, dat je zoo ver in ’t borduren bent, Märta,” zei ze. „Ik zou
een van deze patronen na willen werken, maar ik kan ’t niet uittellen.
Toe, zie jij er even naar. Je verstaat die kunst beter dan ik.”
’t Meisje nam de muts en zag er even naar. Ze keek verwonderd. Toen
ging ze weg uit den schaduw van den schuurmuur en bekeek haar weer.
„Waar heb je die muts vandaan?” vroeg zij.
„Die heeft jaren lang in mijn kist gelegen,” antwoordde Marit. „Waarom
vraag je dat zoo?”
„Omdat ik die muts hier voor mijn broer Ingilbert heb geborduurd, den
laatsten zomer, dat hij leefde,” zei het melkmeisje. „Ik heb haar niet
meer gezien sinds dien morgen, dat Ingilbert van huis ging. Hoe kan die
nu hier komen?”
„Die is misschien van hem afgegleden, toen hij viel,” zei Marit.
„Misschien heeft een van onze knechts haar in ’t bosch gevonden en haar
hierheen gebracht.
„Maar als je zulke treurige herinneringen aan die muts hebt, wil je
misschien liever ’t patroon niet voor me nawerken?”
„Geef hem mij maar, dan zal ik je morgen ’t patroon brengen,” zei het
meisje.
Zij nam de muts en keerde naar den stal terug; maar Marit hoorde dat
zij tranen in haar stem had.
„Neen, je moet het niet doen, als het je zoo’n verdriet doet,” zei ze.
„Niets doet me verdriet, als ik het voor jou doe, Marit.”
’t Was Marit, die aan Märta Baardsdochter had gedacht, toen ze alleen
in ’t bosch zat na den dood van haar broeder en vader en haar had
aangeboden melkmeisje op de Groote Hoeve in Olsby te worden. Märta
vergat nooit haar dankbaarheid te toonen, omdat zij beneden bij de
menschen had mogen komen.
Marit ging weer terug naar de stoep voor haar huisje en nam haar
borduurwerk op; maar ze was niet rustig genoeg om te werken; ze leunde
met haar hoofd tegen het hek, zooals tevoren. Zij probeerde er zich in
te denken, wat haar nu te doen stond.
Als iemand op Olsbyhoeve geweten had, hoe vrouwen er uitzien, die het
leven achter zich gelaten hebben om in een klooster te gaan wonen, zou
hij hebben gelegd, dat Marit op een van haar leek. Haar gezicht was
geelbleek en zonder rimpels. Voor een vreemde zou het bijna onmogelijk
zijn te zeggen of zij oud of jong was. Er was iets vredigs en stils
over haar, als over iemand, die de gewoonte had afgelegd iets voor zich
zelf te wenschen. Men zag haar nooit heel blij, maar ook nooit heel
bedroefd.
Na dien zwaren slag had Marit wel gevoeld, dat het leven voor haar
voorbij was. Zij had de Groote Hoeve geërfd van haar vader; maar ze
begreep immers wel, dat zij, als ze die behouden wou, moest trouwen,
zoodat de hoeve een bestuurder kreeg. Om daaraan te ontkomen had ze de
geheele plaats afgestaan aan een van haar neven zonder andere betaling,
dan dat zij kost en inwoning op de hoeve zou hebben, zoolang zij
leefde.
Zij was daar tevreden mee en had er nooit spijt van gehad. Er was geen
gevaar voor, dat de tijd haar lang zou vallen bij gebrek aan arbeid. De
menschen hadden groot vertrouwen in haar wijsheid en goedheid en zoodra
iemand ziek was, stuurde men gewoonlijk een verzoek aan haar om te
komen. Kinderen kwamen ook graag bij haar. Zij had gewoonlijk haar
huisje vol kleine kinders. Zij wisten, dat zij altijd tijd had om hen
bij hun kleine bekommeringen en zorgen te helpen.
Terwijl Marit daar zoo zat na te denken wat zij nu met den ring moest
doen, kwam er een sterke toorn in haar op. Ze dacht er over hoe
gemakkelijk de ring gevonden had kunnen worden.
Waarom had de Generaal het niet zoo geschikt, dat hij ontdekt werd? Hij
had aldoor geweten waar hij was, dat begreep ze nu. Maar waarom had hij
het niet zoo geschikt, dat Ingilbert’s muts was onderzocht? In plaats
daarvan liet hij drie onschuldigen ter dood brengen ter wille van den
ring. Daar had hij macht voor; maar niet om den ring voor den dag te
laten komen!
Marit had zich in ’t eerste oogenblik voorgesteld, dat zij naar den
proost zou gaan met een of ander verhaal en hem den ring geven. Maar
neen, dat wilde ze niet.
Want het was zóó, dat Marit, waar zij zich ook vertoonde, in de kerk en
op feesten met groote achting werd begroet. De verachting, die op de
dochter van een misdadiger schijnt te rusten, drukte haar nooit. De
menschen hadden de vaste overtuiging, dat er een onrecht was begaan en
dat wilden zij goed maken. Zelfs de notabelen waren gewoon naar Marit
toe te gaan, als ze haar op het kerkplein zagen, om een paar woorden
met haar te wisselen. Tot zelfs de familie op Hedeby toe, ja, niet de
Ritmeester zelf, maar zijn vrouw en schoondochter hadden een paar
pogingen gedaan om Marit te naderen. Maar tegenover hen had zij altijd
een afwijzende houding aangenomen. Ze had tegen niemand van die hoeve
een woord gesproken sinds de terechtstelling.
Zou ze nu heengaan en bekennen dat tot zekere hoogte de menschen van
Hedeby gelijk hadden gehad? Het was gebleken dat de ring in ’t bezit
van de menschen op Olsby was. Misschien zou men er wel toe komen te
zeggen, dat ze wel geweten hadden, waar hij was, en dat ze de
gevangenschap en het verhoor hadden verdragen in de hoop vrijgesproken
te worden en in staat te zijn hem te verkoopen.
In ieder geval begreep Marit, dat het zou beschouwd worden als een
rechtvaardiging van den Ritmeester en zelfs van zijn vader, als zij den
ring afgaf en vertelde waar ze dien had gevonden.
Ritmeester Löwensköld was nu een man van tachtig jaar, rijk en machtig,
geacht en geëerd. De Koning had hem tot baron verheven, en geen ongeluk
had hem ooit getroffen. Hij had voortreffelijke zonen, ook zij waren
welgesteld en gelukkig getrouwd.
Die man had Marit alles, alles, alles, afgenomen! Ze zat daar alleen
zonder eigendom, zonder man, zonder kind, door zijn toedoen. Ze had
jaren lang verwacht, dat een of ander straf hem zou treffen; maar die
was niet gekomen.
Marit schrikte op uit haar diepe gedachten. Ze had gehoord, dat
kindervoeten aan kwamen loopen op de hoeve, en dan kon ze wel begrijpen
dat het om haar te doen was.
’t Waren twee jongens van tien à elf jaar. De eene was de zoon des
huizes, Niels, den andere kende ze niet. ’t Was, zooals ze dacht: ze
kwamen haar wat vragen.
„Marit,” zei Niels, „dit is Adriaan van Hedeby. We waren daar op den
weg aan ’t spelen; maar toen werden we boos op elkaar, en ik rukte de
muts van Adriaan stuk.”
Marit keek Adriaan aan. Een mooie jongen met iets zachts en
vriendelijks over zich.
Ze bracht de hand aan haar hart. Ze voelde altijd pijn en angst, als ze
een Löwensköld zag.
„Nu zijn we weer goed op elkaar,” zei Niels, „en ik bedacht je te
vragen of je Adriaan zijn muts wilt maken vóór hij naar huis gaat.”
„Ja,” zei Marit, „dat wil ik wel.”
Ze nam de gescheurde muts aan en stond op om in het huisje te gaan.
„Dat moet een teeken van God zijn,” mompelde zij.
„Speel jelui nu maar even buiten op de plaats!” zei ze tegen de
jongens. „’t Zal gauw klaar zijn.”
Ze sloot de deur van het huisje achter zich af, en zat daar alleen,
terwijl ze het gat in de muts van Adriaan Löwensköld stopte.