VI.

’t Waren niet minder dan vijftien man, die met den Ritmeester

meegingen, toen hij om vier uur in den morgen op dievenjacht uitging.

En ze waren in de beste oorlogsstemming. Zij hadden een rechtvaardige

zaak en behalve dat ook den Generaal om op te steunen. Nu de doode de

zaak zóóver had gebracht, zou hij die ook wel goed ten einde brengen.

Intusschen hield het woeste veld niet op, voor ze een mijl van Hedeby

waren weggereden. In ’t begin ging de tocht over den bodem van een wijd

dal, dat gedeeltelijk ontgonnen was en bezaaid met kleine hoeven. Hier

en daar op de heuvels verhieven zich vrij groote dorpen. Een daarvan

was Olsby, waar Baard Baardson zijn hoeve had gehad, vóór de Generaal

die verbrand had.

Daaromheen lag het groote bosch als een dikke vacht over de aarde; boom

aan boom stond daar zonder tusschenruimte. Maar toch was er nog hier en

daar invloed van menschen merkbaar. Er waren smalle paden in ’t bosch,

die naar zomerweiden en kolenbranderijen leidden.

’t Was alsof de Ritmeester en zijn mannen een andere houding kregen,

alsof ze er anders uitzagen, toen ze in het groote bosch kwamen. Ze

waren hier vroeger op jacht geweest op groot wild, en de jagerstemming

kwam over hen. Ze begonnen scherp tusschen het kreupelhout te kijken,

en ze liepen op een heel andere manier: lichter en als ’t ware

sluipend.

„Wij spreken één ding af, jongens,” zei de Ritmeester. „Geen van jelui

moet zich ongelukkig maken om dien dief, maar jelui moet hem aan mij

overlaten. Zorg alleen maar, dat jelui hem niet laat ontsnappen.”

Dat bevel hadden ze zeker niet gehoorzaamd. Al die mannen, die den

vorigen dag heel vreedzaam hooi op hoopen hadden gezet, brandden van

verlangen om Ingilbert, dien dief, eens flink in te peperen wat hij had

gedaan.

Intusschen waren ze juist zoo ver gekomen, dat de groote dennen, die

nog uit vroeger tijden waren overgebleven, zoo dicht stonden, dat ze

een onafgebroken dak boven hun hoofden vormden, en alleen nog maar mos

den grond bedekte, toen ze drie mannen zagen aankomen, die een baar van

takken droegen, waarop een vierde lag.

De Ritmeester en zijn troep liepen hen snel tegemoet, en de dragers

bleven staan toen ze zóóveel menschen zagen. Ze hadden groote

varenbladen over het gezicht van den liggende gelegd, zoodat niemand

kon zien wie het was, maar de mannen van Hedeby meenden toch wel te

weten wie het was, en een rilling ging hun over den rug.

Ze zagen den ouden Generaal niet bij de baar. O neen! Zelfs geen

schaduw van hem. Maar ze wisten toch, dat hij daar was. Hij was met den

doode uit het bosch gekomen. Hij stond met den vinger naar hem te

wijzen.

De drie mannen, die de baar droegen, waren bekend als goede menschen.

’t Waren Erik Ivarsson, die een groote hoeve in Olsby had, en zijn

broer Ivar Ivarsson, die nooit getrouwd was en bij zijn broeder op de

ouderlijke hoeve woonde. Die twee waren al op jaren, maar de derde was

een jonge man. Ook hem kenden ze allen. Hij heette Paul Eliasson en was

een pleegzoon van de Ivarssons.

De Ritmeester ging naar de Ivarssons toe en zij zetten de baar neer om

hem de hand te geven. Het was alsof de Ritmeester de uitgestoken handen

niet zag. Hij kon de oogen niet van de varenbladen afhouden, die ’t

gezicht van hem, die op de baar lag, bedekten.

„Is dat Ingilbert Baardson, die daar ligt?” vroeg hij met een vreemde,

harde stem. Het klonk bijna alsof hij spreken moest, hoewel hij niet

wilde.

„Ja,” antwoordde Erik Ivarsson, „maar hoe kan Mijnheer de Ritmeester

dat weten? Herkende U hem aan zijn kleeren?”

„Neen,” zei de Ritmeester, „ik herkende hem niet aan zijn kleeren. Ik

heb hem in geen vijf jaar gezien.”

Zoowel zijn eigen mannen als de vreemden zagen hem verwonderd aan. Ze

vonden allen, dat er iets ongewoons en griezeligs over hem was, dien

morgen. Hij was zich zelf niet. Hij was niet beleefd en vriendelijk,

zooals gewoonlijk.

Hij begon de Ivarssons uit te vragen. Wat hadden zij in den vroegen

morgen in het bosch te maken, en waar hadden zij Ingilbert gevonden? De

Ivarssons waren groote boeren en ze vonden het onaangenaam zich zoo te

laten uithooren; maar het voornaamste kwam hij toch te weten.

Ze waren den vorigen dag met meel en toespijs naar hun volk op de

zomerweide gegaan, die een paar mijlen verder het bosch in lag, en

waren daar den nacht overgebleven. Vroeg in den morgen waren ze op weg

naar huis gegaan en toen was Ivar Ivarsson voor de twee anderen uit

geloopen. Hij was soldaat geweest, en hij verstond de kunst van groote

stappen te nemen. Het was niet zoo gemakkelijk hem bij te houden.

Toen Ivar Ivarsson de anderen een goed eind vooruit was, zag hij een

man, die hem op het pad tegemoet kwam. Het bosch was daar tamelijk

open. Geen kleine struiken, maar enkel groote stammen waren daar en hij

had den man al in de verte gezien. Maar hij had hem niet dadelijk

kunnen herkennen. Er zweefden nevelvlokken tusschen de boomen, en als

de zon daarin scheen, werden ze als goudachtige rook. Men kon er wel

doorheen zien, maar niet duidelijk.

Ivar Ivarsson had gemerkt, dat de man, toen hij hem door den nevel heen

in ’t oog kreeg, was blijven staan en met grooten schrik de handen

afwerend voor zich uit gestoken had. Ja, toen Ivar nog een paar stappen

had gedaan, was hij op de knieën gevallen en had geroepen, dat hij niet

dichterbij moest komen. Het scheen immers, dat hij niet recht wijs was

en Ivar Ivarsson had gauw naar hem toe willen loopen om hem gerust te

stellen, maar toen had de andere zich opgericht en was het bosch in

gevlucht. Hij had toch maar een paar sprongen gedaan. Bijna dadelijk

was hij neergevallen en onbewegelijk blijven liggen. Toen Ivar Ivarsson

bij hem kwam, was hij al dood.

Ivar Ivarsson had nu den man herkend als Ingilbert Baardson, den zoon

van Baard Baardson, die vroeger in Olsby gewoond had, maar naar een

zomerwei was verhuisd, nadat zijn hoeve verbrand was en zijn vrouw zich

verdronken had. Hij kon niet begrijpen hoe Ingilbert dood neergevallen

was, zonder dat iemand een hand naar hem had uitgestoken en hij

probeerde hem weer bij te brengen door hem te schudden; maar dat

gelukte niet. Toen de anderen bij hem kwamen, hadden zij dadelijk

gezien, dat hij dood was. Maar omdat de Baardsons hun buren in Olsby

waren geweest, hadden ze Ingilbert niet in ’t bosch willen achterlaten,

maar ze hadden een baar gemaakt en hem meêgenomen.

De Ritmeester stond met een donker gezicht te luisteren. Hij vond dit

zeer waarschijnlijk. Ingilbert lag daar, als toegerust voor een lange

reis, met een ransel op den rug en schoenen aan de voeten. De

berenspies, die op de baar lag, was ook zeker van hem. Hij had zeker

naar vreemde landen willen trekken om den ring te verkoopen, maar toen

hij in den mist in ’t bosch Ivar Ivarsson was tegengekomen, had hij

gemeend den geest van den Generaal te zien. Ja zeker, zoo was het

gegaan. Ivar Ivarsson was gekleed in een ouden soldatenjas en had den

rand van den hoed opgeslagen op de manier van de Karoliners. De

afstand, de mist en ’t slechte geweten verklaarden de vergissing.

Maar de Ritmeester bleef toch even misnoegd. Hij had zich opgewonden

tot toorn en bloeddorst. Hij had Ingilbert Baardson willen dooddrukken

met zijn sterke armen. Hij had een afloop voor zijn wraakzucht noodig

en hij vond dien niet.

Intusschen begreep hij zelf, dat hij onredelijk was. En hij bedwong

zich in zooverre, dat hij de Ivarssons vertelde, waarom hij met zijn

mannen het bosch in was getrokken. En hij voegde er bij, dat hij wilde

onderzoeken of de doode den ring nog in zijn bezit had.

Hij was zoo gestemd, dat hij had gewild, dat de mannen uit Olsby „neen”

hadden gezegd, zoodat hij met strijd zijn recht had moeten veroveren.

Maar zij vonden zijn wensch heel natuurlijk, en trokken zich wat terug,

terwijl een paar van de mannen van den Ritmeester de zakken van den

doode onderzochten, zijn schoenen, zijn ransel en iederen zoom van zijn

kleeren.

De Ritmeester volgde in ’t begin met de grootste aandacht dat

onderzoek, maar eens keek hij toevallig naar de boeren en meende toen

op te merken, dat ze spottende blikken wisselden, alsof ze er zeker van

waren, dat hij niets zou vinden.

Zoo ging het ook. Men moest met zoeken ophouden, zonder dat de ring

gevonden was. Maar toen de zaak zoo uitviel, was het natuurlijk, dat de

Ritmeester zijn verdenking tegen de boeren richtte. En zoo ging het

zijn mannen ook. Waar was de ring gebleven? Ingilbert had hem

natuurlijk bij zich, toen hij vluchtte. Waar was hij dan nu?

Nu ook was er niemand, die den Generaal zag; maar men voelde hem. Hij

stond midden in de groep en wees naar de drie mannen uit Olsby. Zij

hadden den ring.

’t Was meer dan waarschijnlijk, dat zij de zakken van den doode hadden

onderzocht en den ring gevonden.

’t Was ook mogelijk, dat het verhaal, dat ze zoo juist gedaan hadden,

niet waar was; maar dat het heel anders was toegegaan. Die mannen hier,

die van dezelfde plaats waren als de Baardsons, wisten misschien, dat

hij den ring had. Misschien hadden zij gehoord, dat Baard overleden

was, en toen ze zijn zoon in ’t bosch tegenkwamen, hadden ze begrepen,

dat hij van plan was met den ring te vluchten, en toen hadden ze hem

overvallen en gedood om den schat te bemachtigen. Ze zagen geen ander

bloedspoor aan hem dan een wond in het voorhoofd. De Ivarssons hadden

gezegd, dat hij het hoofd tegen een steen had gestooten, maar kon die

wond ook niet komen van den groven knuppel, dien Paul Eliasson in de

hand had?

De Ritmeester stond voor zich neer op den grond te kijken. In hem werd

een strijd gestreden. Hij had nooit anders dan goeds van die drie

mannen gehoord, en het stond hem tegen hen van moord en diefstal te

verdenken.

Al zijn mannen waren om hem heen komen staan. Een paar van hen stonden

al met hun wapen te zwaaien. Er was niemand, die geloofde, dat men van

die plaats zou wegkomen zonder strijd.

Toen trad Erik Ivarsson op den Ritmeester toe.

„Mijn broer en ik, en ook Paul Eliasson, die onze pleegzoon is en gauw

mijn schoonzoon worden zal, wij begrijpen wel wat de Ritmeester en zijn

mannen van ons denken. En wij meenen nu, dat we niet van elkaar moeten

gaan, zonder dat U ook onze zakken en kleeren hebt onderzocht.”

Bij dat aanbod week het duister wat uit de ziel van den Ritmeester. Hij

maakte tegenwerpingen. De Ivarssons en ook hun pleegzoon waren zulke

mannen, dat hun geen verdenking kon treffen.

Maar de boeren wilden een eind aan de zaak maken. Zij begonnen zelf hun

zakken om te keeren, en hun schoenen uit te doen, en toen gaf de

Ritmeester zijn mannen een wenk, dat zij doen moesten, wat ze

verlangden.

Geen ring werd gevonden; maar in den rugzak van Ivar Ivarsson vond men

een klein beursje van geitenleer.

„Is die beurs van U?” vroeg de Ritmeester, toen hij haar had onderzocht

en leeg bevonden.

Als nu Ivar Ivarsson maar „ja” had geantwoord, zou de zaak daarmee

misschien afgeloopen zijn; maar in plaats daarvan erkende hij met de

grootste kalmte: „Neen, die lag op het pad, niet ver van de plaats waar

Ingilbert lag. Ik nam haar op en gooide die in mijn rugzak, omdat zij

er heel en ongebruikt uitzag.”

„Maar juist in zoo’n beurs lag de ring, toen de proost hem Ingilbert

toegooide,” zei de Ritmeester, en nu was het duister weer in zijn stem

en gezicht teruggekomen. „En nu blijft er niet anders over dan dat U,

de Ivarssons, met mij meê naar den leensman gaat, wanneer U me niet

liever den ring vrijwillig teruggeeft.”

Maar nu was het gedaan met het geduld van de mannen uit Olsby!

„De Ritmeester heeft geen recht ons in hechtenis te nemen!” zei Erik

Ivarsson. Hij greep op ’t zelfde oogenblik de speer, die naast

Ingilbert lag, om zich een weg te banen. En zijn broer en schoonzoon

sloten zich bij hem aan.

De mannen uit Hedeby weken in de eerste verbazing achteruit, zelfs de

Ritmeester, die lachte van voldoening omdat hij zijn boosheid in daden

kon uiten. Hij trok zijn sabel en hieuw de speer in tweeën. Maar dat

was ook het eenige wapenfeit in den strijd, want zijn eigen mannen

trokken hem terug, en ontrukten hem het wapen. Want het geval was zoo,

dat ook de leensman Carelius het noodig had gevonden dien morgen naar

het groote bosch te gaan. Met een van zijn mannen, verscheen hij op het

pad, juist op dit beslissend oogenblik.

Er werd opnieuw onderzocht en verhoord, maar tenslotte werden toch Erik

Ivarsson, zijn broer en hun pleegzoon Paul Eliasson gevangen genomen en

in hechtenis gebracht als sterk verdacht van moord en diefstal.

De groote betoovering · 第 7 / 13 题