’t Waren niet minder dan vijftien man, die met den Ritmeester
meegingen, toen hij om vier uur in den morgen op dievenjacht uitging.
En ze waren in de beste oorlogsstemming. Zij hadden een rechtvaardige
zaak en behalve dat ook den Generaal om op te steunen. Nu de doode de
zaak zóóver had gebracht, zou hij die ook wel goed ten einde brengen.
Intusschen hield het woeste veld niet op, voor ze een mijl van Hedeby
waren weggereden. In ’t begin ging de tocht over den bodem van een wijd
dal, dat gedeeltelijk ontgonnen was en bezaaid met kleine hoeven. Hier
en daar op de heuvels verhieven zich vrij groote dorpen. Een daarvan
was Olsby, waar Baard Baardson zijn hoeve had gehad, vóór de Generaal
die verbrand had.
Daaromheen lag het groote bosch als een dikke vacht over de aarde; boom
aan boom stond daar zonder tusschenruimte. Maar toch was er nog hier en
daar invloed van menschen merkbaar. Er waren smalle paden in ’t bosch,
die naar zomerweiden en kolenbranderijen leidden.
’t Was alsof de Ritmeester en zijn mannen een andere houding kregen,
alsof ze er anders uitzagen, toen ze in het groote bosch kwamen. Ze
waren hier vroeger op jacht geweest op groot wild, en de jagerstemming
kwam over hen. Ze begonnen scherp tusschen het kreupelhout te kijken,
en ze liepen op een heel andere manier: lichter en als ’t ware
sluipend.
„Wij spreken één ding af, jongens,” zei de Ritmeester. „Geen van jelui
moet zich ongelukkig maken om dien dief, maar jelui moet hem aan mij
overlaten. Zorg alleen maar, dat jelui hem niet laat ontsnappen.”
Dat bevel hadden ze zeker niet gehoorzaamd. Al die mannen, die den
vorigen dag heel vreedzaam hooi op hoopen hadden gezet, brandden van
verlangen om Ingilbert, dien dief, eens flink in te peperen wat hij had
gedaan.
Intusschen waren ze juist zoo ver gekomen, dat de groote dennen, die
nog uit vroeger tijden waren overgebleven, zoo dicht stonden, dat ze
een onafgebroken dak boven hun hoofden vormden, en alleen nog maar mos
den grond bedekte, toen ze drie mannen zagen aankomen, die een baar van
takken droegen, waarop een vierde lag.
De Ritmeester en zijn troep liepen hen snel tegemoet, en de dragers
bleven staan toen ze zóóveel menschen zagen. Ze hadden groote
varenbladen over het gezicht van den liggende gelegd, zoodat niemand
kon zien wie het was, maar de mannen van Hedeby meenden toch wel te
weten wie het was, en een rilling ging hun over den rug.
Ze zagen den ouden Generaal niet bij de baar. O neen! Zelfs geen
schaduw van hem. Maar ze wisten toch, dat hij daar was. Hij was met den
doode uit het bosch gekomen. Hij stond met den vinger naar hem te
wijzen.
De drie mannen, die de baar droegen, waren bekend als goede menschen.
’t Waren Erik Ivarsson, die een groote hoeve in Olsby had, en zijn
broer Ivar Ivarsson, die nooit getrouwd was en bij zijn broeder op de
ouderlijke hoeve woonde. Die twee waren al op jaren, maar de derde was
een jonge man. Ook hem kenden ze allen. Hij heette Paul Eliasson en was
een pleegzoon van de Ivarssons.
De Ritmeester ging naar de Ivarssons toe en zij zetten de baar neer om
hem de hand te geven. Het was alsof de Ritmeester de uitgestoken handen
niet zag. Hij kon de oogen niet van de varenbladen afhouden, die ’t
gezicht van hem, die op de baar lag, bedekten.
„Is dat Ingilbert Baardson, die daar ligt?” vroeg hij met een vreemde,
harde stem. Het klonk bijna alsof hij spreken moest, hoewel hij niet
wilde.
„Ja,” antwoordde Erik Ivarsson, „maar hoe kan Mijnheer de Ritmeester
dat weten? Herkende U hem aan zijn kleeren?”
„Neen,” zei de Ritmeester, „ik herkende hem niet aan zijn kleeren. Ik
heb hem in geen vijf jaar gezien.”
Zoowel zijn eigen mannen als de vreemden zagen hem verwonderd aan. Ze
vonden allen, dat er iets ongewoons en griezeligs over hem was, dien
morgen. Hij was zich zelf niet. Hij was niet beleefd en vriendelijk,
zooals gewoonlijk.
Hij begon de Ivarssons uit te vragen. Wat hadden zij in den vroegen
morgen in het bosch te maken, en waar hadden zij Ingilbert gevonden? De
Ivarssons waren groote boeren en ze vonden het onaangenaam zich zoo te
laten uithooren; maar het voornaamste kwam hij toch te weten.
Ze waren den vorigen dag met meel en toespijs naar hun volk op de
zomerweide gegaan, die een paar mijlen verder het bosch in lag, en
waren daar den nacht overgebleven. Vroeg in den morgen waren ze op weg
naar huis gegaan en toen was Ivar Ivarsson voor de twee anderen uit
geloopen. Hij was soldaat geweest, en hij verstond de kunst van groote
stappen te nemen. Het was niet zoo gemakkelijk hem bij te houden.
Toen Ivar Ivarsson de anderen een goed eind vooruit was, zag hij een
man, die hem op het pad tegemoet kwam. Het bosch was daar tamelijk
open. Geen kleine struiken, maar enkel groote stammen waren daar en hij
had den man al in de verte gezien. Maar hij had hem niet dadelijk
kunnen herkennen. Er zweefden nevelvlokken tusschen de boomen, en als
de zon daarin scheen, werden ze als goudachtige rook. Men kon er wel
doorheen zien, maar niet duidelijk.
Ivar Ivarsson had gemerkt, dat de man, toen hij hem door den nevel heen
in ’t oog kreeg, was blijven staan en met grooten schrik de handen
afwerend voor zich uit gestoken had. Ja, toen Ivar nog een paar stappen
had gedaan, was hij op de knieën gevallen en had geroepen, dat hij niet
dichterbij moest komen. Het scheen immers, dat hij niet recht wijs was
en Ivar Ivarsson had gauw naar hem toe willen loopen om hem gerust te
stellen, maar toen had de andere zich opgericht en was het bosch in
gevlucht. Hij had toch maar een paar sprongen gedaan. Bijna dadelijk
was hij neergevallen en onbewegelijk blijven liggen. Toen Ivar Ivarsson
bij hem kwam, was hij al dood.
Ivar Ivarsson had nu den man herkend als Ingilbert Baardson, den zoon
van Baard Baardson, die vroeger in Olsby gewoond had, maar naar een
zomerwei was verhuisd, nadat zijn hoeve verbrand was en zijn vrouw zich
verdronken had. Hij kon niet begrijpen hoe Ingilbert dood neergevallen
was, zonder dat iemand een hand naar hem had uitgestoken en hij
probeerde hem weer bij te brengen door hem te schudden; maar dat
gelukte niet. Toen de anderen bij hem kwamen, hadden zij dadelijk
gezien, dat hij dood was. Maar omdat de Baardsons hun buren in Olsby
waren geweest, hadden ze Ingilbert niet in ’t bosch willen achterlaten,
maar ze hadden een baar gemaakt en hem meêgenomen.
De Ritmeester stond met een donker gezicht te luisteren. Hij vond dit
zeer waarschijnlijk. Ingilbert lag daar, als toegerust voor een lange
reis, met een ransel op den rug en schoenen aan de voeten. De
berenspies, die op de baar lag, was ook zeker van hem. Hij had zeker
naar vreemde landen willen trekken om den ring te verkoopen, maar toen
hij in den mist in ’t bosch Ivar Ivarsson was tegengekomen, had hij
gemeend den geest van den Generaal te zien. Ja zeker, zoo was het
gegaan. Ivar Ivarsson was gekleed in een ouden soldatenjas en had den
rand van den hoed opgeslagen op de manier van de Karoliners. De
afstand, de mist en ’t slechte geweten verklaarden de vergissing.
Maar de Ritmeester bleef toch even misnoegd. Hij had zich opgewonden
tot toorn en bloeddorst. Hij had Ingilbert Baardson willen dooddrukken
met zijn sterke armen. Hij had een afloop voor zijn wraakzucht noodig
en hij vond dien niet.
Intusschen begreep hij zelf, dat hij onredelijk was. En hij bedwong
zich in zooverre, dat hij de Ivarssons vertelde, waarom hij met zijn
mannen het bosch in was getrokken. En hij voegde er bij, dat hij wilde
onderzoeken of de doode den ring nog in zijn bezit had.
Hij was zoo gestemd, dat hij had gewild, dat de mannen uit Olsby „neen”
hadden gezegd, zoodat hij met strijd zijn recht had moeten veroveren.
Maar zij vonden zijn wensch heel natuurlijk, en trokken zich wat terug,
terwijl een paar van de mannen van den Ritmeester de zakken van den
doode onderzochten, zijn schoenen, zijn ransel en iederen zoom van zijn
kleeren.
De Ritmeester volgde in ’t begin met de grootste aandacht dat
onderzoek, maar eens keek hij toevallig naar de boeren en meende toen
op te merken, dat ze spottende blikken wisselden, alsof ze er zeker van
waren, dat hij niets zou vinden.
Zoo ging het ook. Men moest met zoeken ophouden, zonder dat de ring
gevonden was. Maar toen de zaak zoo uitviel, was het natuurlijk, dat de
Ritmeester zijn verdenking tegen de boeren richtte. En zoo ging het
zijn mannen ook. Waar was de ring gebleven? Ingilbert had hem
natuurlijk bij zich, toen hij vluchtte. Waar was hij dan nu?
Nu ook was er niemand, die den Generaal zag; maar men voelde hem. Hij
stond midden in de groep en wees naar de drie mannen uit Olsby. Zij
hadden den ring.
’t Was meer dan waarschijnlijk, dat zij de zakken van den doode hadden
onderzocht en den ring gevonden.
’t Was ook mogelijk, dat het verhaal, dat ze zoo juist gedaan hadden,
niet waar was; maar dat het heel anders was toegegaan. Die mannen hier,
die van dezelfde plaats waren als de Baardsons, wisten misschien, dat
hij den ring had. Misschien hadden zij gehoord, dat Baard overleden
was, en toen ze zijn zoon in ’t bosch tegenkwamen, hadden ze begrepen,
dat hij van plan was met den ring te vluchten, en toen hadden ze hem
overvallen en gedood om den schat te bemachtigen. Ze zagen geen ander
bloedspoor aan hem dan een wond in het voorhoofd. De Ivarssons hadden
gezegd, dat hij het hoofd tegen een steen had gestooten, maar kon die
wond ook niet komen van den groven knuppel, dien Paul Eliasson in de
hand had?
De Ritmeester stond voor zich neer op den grond te kijken. In hem werd
een strijd gestreden. Hij had nooit anders dan goeds van die drie
mannen gehoord, en het stond hem tegen hen van moord en diefstal te
verdenken.
Al zijn mannen waren om hem heen komen staan. Een paar van hen stonden
al met hun wapen te zwaaien. Er was niemand, die geloofde, dat men van
die plaats zou wegkomen zonder strijd.
Toen trad Erik Ivarsson op den Ritmeester toe.
„Mijn broer en ik, en ook Paul Eliasson, die onze pleegzoon is en gauw
mijn schoonzoon worden zal, wij begrijpen wel wat de Ritmeester en zijn
mannen van ons denken. En wij meenen nu, dat we niet van elkaar moeten
gaan, zonder dat U ook onze zakken en kleeren hebt onderzocht.”
Bij dat aanbod week het duister wat uit de ziel van den Ritmeester. Hij
maakte tegenwerpingen. De Ivarssons en ook hun pleegzoon waren zulke
mannen, dat hun geen verdenking kon treffen.
Maar de boeren wilden een eind aan de zaak maken. Zij begonnen zelf hun
zakken om te keeren, en hun schoenen uit te doen, en toen gaf de
Ritmeester zijn mannen een wenk, dat zij doen moesten, wat ze
verlangden.
Geen ring werd gevonden; maar in den rugzak van Ivar Ivarsson vond men
een klein beursje van geitenleer.
„Is die beurs van U?” vroeg de Ritmeester, toen hij haar had onderzocht
en leeg bevonden.
Als nu Ivar Ivarsson maar „ja” had geantwoord, zou de zaak daarmee
misschien afgeloopen zijn; maar in plaats daarvan erkende hij met de
grootste kalmte: „Neen, die lag op het pad, niet ver van de plaats waar
Ingilbert lag. Ik nam haar op en gooide die in mijn rugzak, omdat zij
er heel en ongebruikt uitzag.”
„Maar juist in zoo’n beurs lag de ring, toen de proost hem Ingilbert
toegooide,” zei de Ritmeester, en nu was het duister weer in zijn stem
en gezicht teruggekomen. „En nu blijft er niet anders over dan dat U,
de Ivarssons, met mij meê naar den leensman gaat, wanneer U me niet
liever den ring vrijwillig teruggeeft.”
Maar nu was het gedaan met het geduld van de mannen uit Olsby!
„De Ritmeester heeft geen recht ons in hechtenis te nemen!” zei Erik
Ivarsson. Hij greep op ’t zelfde oogenblik de speer, die naast
Ingilbert lag, om zich een weg te banen. En zijn broer en schoonzoon
sloten zich bij hem aan.
De mannen uit Hedeby weken in de eerste verbazing achteruit, zelfs de
Ritmeester, die lachte van voldoening omdat hij zijn boosheid in daden
kon uiten. Hij trok zijn sabel en hieuw de speer in tweeën. Maar dat
was ook het eenige wapenfeit in den strijd, want zijn eigen mannen
trokken hem terug, en ontrukten hem het wapen. Want het geval was zoo,
dat ook de leensman Carelius het noodig had gevonden dien morgen naar
het groote bosch te gaan. Met een van zijn mannen, verscheen hij op het
pad, juist op dit beslissend oogenblik.
Er werd opnieuw onderzocht en verhoord, maar tenslotte werden toch Erik
Ivarsson, zijn broer en hun pleegzoon Paul Eliasson gevangen genomen en
in hechtenis gebracht als sterk verdacht van moord en diefstal.