VI.

Oct. 1904.

Te Denver nam ik afscheid van het Interparliamentary-gezelschap. Dit

ging niet verder westwaarts, terwijl mij de nieuwheid der westersche

samenleving aantrok. Deze in haar wording en in haar uiting naar buiten

waar te nemen, scheen mij een niet genoeg te waardeeren genot. Het

gezelschap ging, na één dag te Denver te hebben doorgebracht en dáár

door de bevolking op gulle wijze te zijn ontvangen, over Chicago naar

Washington, en van daar naar New-York terug.

Te Washington werd het door den President der Vereenigde Staten

ontvangen, en wat daar verder gebeurde, met betrekking tot

het arbitrage-vraagstuk, is natuurlijk de geheele wereld over per

telegraaf medegedeeld. Een paar uitstapjes per spoor werden den leden

der Interparlementaire Conferentie te Denver aangeboden. Het eene

ging naar een pas aangelegde spoor, die hoog over de Rocky Mountains

een directe verbinding brengt met de far west. De aanleg had veel

van de Gothard lijn tusschen Flüelen en Göschenen en werd als een

meesterstuk van ingenieurswerk geroemd. Aan dien tocht nam ook Bryan

deel, de candidaat der Democratische Partij voor het Presidentschap

der Vereenigde Staten in 1896 en 1900. In een korte, kernachtige

speech leerden wij de groote gaven van hem als redenaar kennen. Een

ander uitstapje ging naar de landbouw-school, op 2 uren sporen van

Denver gelegen.

Daar kregen wij een denkbeeld van de hoogte waarop de landbouw en de

vruchtenteelt in Colorado staan. De eerste behoeft voor Nederland

niet onder te doen en de laatste staat er oneindig veel hooger. De

keurigste vruchten worden daar op land, dat 15 jaar geleden nog braak

lag, geteeld en bij wagonvrachten naar de oostelijke Staten van Amerika

gezonden. De appels, die het langst goed blijven, worden naar Europa,

ook wel naar Nederland uitgevoerd. In de nabijheid waren eenige groote

beetwortel-suikerfabrieken. Op het verbouwen van beetwortels legt men

zich overal in de westersche Staten met energie toe. In Wyoming, in

Montana, in Utah, overal zag ik beetwortelvelden en de suikerfabrieken

in de onmiddellijke nabijheid daarvan.

Voor onze suikerfabrikanten wel een reden tot bezorgdheid. Al zal de

uitvoer van suiker uit Nederland niet dadelijk belangrijk afnemen, te

rekenen valt er mede, dat op den duur Amerika geen beetwortelsuiker

meer invoert. In 1902 fabriceerde het reeds 150.000 ton suiker van

bieten op eigen bodem verbouwd (10 jaren te voren was het slechts 5000

ton). De cijfers van 1903 vond ik in "The Statistician and Economist

1903/04" niet vermeld, maar zij zullen zeker belangrijk hooger zijn. In

verhouding tot de 2 millioen ton, die jaarlijks worden ingevoerd,

moge dit cijfer miniem schijnen, men bedenke wel dat bietenbouw,

op groote schaal, nog nieuw is in Amerika en dat zulk een bouw,

indien hij rendeert, in weinige jaren ontzaglijk toeneemt. De

bodem schijnt hier bijzonder geschikt voor de suikerbietenteelt,

en van regeeringswege worden tegenwoordig voor onafzienbare velden

irrigatiewerken aangelegd. Dat wil zeggen, dat honderdduizenden bunders

grond, die voorheen ongebruikt bleven liggen, omdat er wegens gebrek

aan water niets op verbouwd kon worden, thans onder cultuur komen en

in niet geringe mate de voortbrenging doen toenemen.

Den dag van vertrek werd eerst nog een automobiel-tocht door en om

de stad georganiseerd. De houders van automobielen waren opgeroepen;

ruim honderd gaven daaraan gehoor. Men kan zich de welvaart dezer

stad met 175.000 inwoners ongeveer voorstellen, wanneer men weet

dat daar over de 200 automobielen worden gehouden; meer dan één

op 1000 inwoners. Maar die welvaart bleek ook uit de talrijke vrij

groote villa's in de buitenwijken der stad. Er waren er onder die op

kasteelen geleken; er waren er ook van bescheiden omvang, maar allen

hadden slechts twee of drie verdiepingen en stonden geheel op zichzelf,

aan vier kanten door tuin of grasveld omgeven.

Ik bleef nog enkele dagen te Denver, vóór ik verder westwaarts trok en

genoot daar de heerlijke, opwekkende berglucht, waarvoor deze stad, op

1700 meter boven de zee gelegen, vermaard is. Van de 1500 fabrieken en

werkplaatsen, die Denver volgens statistische gegevens telt, bemerkt

men bij het ademen niets. De lucht is zuiver en droog als in het

hooggebergte van Zwitserland. De kostbare openbare gebouwen, waarvan

ik alleen wil noemen het Statehouse en de High-school, bewijzen dat

men ook aan de aesthetica wel offers wil brengen. Jammer dat men dit

in de westersche Staten niet doorvoert met de telephoonpalen. Deze

onooglijke masten heeft men, zooals ze uit het bosch kwamen, van de

schors ontdaan en toen met wat witte verf besmeerd. Zóó staan ze op

kleinen afstand in het midden der straten of op zij langs de breede

trottoirs; practisch misschien en voldoende aan hun bestemming,

maar hinderlijk leelijk tevens. Dat is zoo te Denver en is evenzoo

in andere westersche steden van Amerika.

Die steden zijn alle pas aan 't opkomen. Nog slechts weinige jaren

geleden waren zij niet meer dan nederzettingen. Zij hebben dit nu

vóór op de oude steden van Europa, dat zij geheel naar de eischen

der hygiëne konden worden aangelegd en dan ook alle flinke, breede

straten hebben van ten minste 30 meter; de straten in Salt Lake City

zijn zelfs 40 meter breed; met breede trottoirs, zoodat van den rijweg

door voetgangers nooit gebruik gemaakt wordt.

De high-school te Denver is, wat inrichting en leerplan betreft,

gelijk te stellen met onze gymnasia. Op onbekrompen wijze heeft de

stad voor dit onderwijs gezorgd. Het wordt, als alle onderwijs van

overheidswege, gratis gegeven. Hun, die de leermiddelen niet kunnen

betalen, worden ze gratis verstrekt. De school telt meer dan duizend

leerlingen; jongens en meisjes, ongeveer gelijk in aantal, en heeft

een uitgebreide bibliotheek. De directeur der school, die den titel

van professor voert, maakte mij opmerkzaam op een groot aantal etsen

en gravures naar schilderijen van bekende Hollandsche meesters, in

een der bijzalen van de bibliotheek, en verzekerde mij dat niets

de leerlingen meer aantrok dan de geschiedenis der Nederlandsche

kunst. Ik was er juist op 't oogenblik dat een half uur gepauseerd

werd voor den lunch. De leerlingen gingen dien op het groote grasveld,

dat aan 4 kanten de school omgeeft, gebruiken. Ieder had namelijk

een trommeltje, waarin zich de boterham en eenige vruchten bevonden,

mede naar de school genomen.

Opvallend was de groote orde, waarmede deze duizend levenslustige

jonge menschen, van tusschen 14 en 20 jaar, de school verlieten en na

een half uurtje weder binnenkwamen. Opvallend ook hoe alle meisjes

zich na den lunch bezig hielden aan ééne zijde van het grasveld en

alle jongens hetzelfde deden aan de andere zijde.

Eene proefneming op sociaal gebied wordt thans te Denver genomen, die

de belangstelling onzer vereeniging Pro Juventute overwaard is. Er

is namelijk in 1903 eene wet in werking getreden, waarbij kinderen

beneden 16 jaar, die een misdrijf of overtreding hebben gepleegd,

worden verwezen naar de "Juvenile Court". Daar kunnen ze worden

veroordeeld, tot opzending naar een verbeterhuis, óf ze ontvangen

een terechtwijzing van den rechter en worden verder onder toezicht

geplaatst van een door den Staat gesubsidieerde "Vereeniging tot

bevordering van het werk der Juvenile Court".

Sedert de wet in werking is, werd de opzending naar een

"detention-school", zooals het verbeterhuis genoemd wordt, heel zelden

noodig geoordeeld, terwijl het onder toezicht plaatsen als regel gold.

Judge Lindsay, van wien ik vele bijzonderheden vernam, is de vader van

deze wet. Hij werd na de invoering als eerste judge van de Juvenile

Court benoemd en was zeer enthousiast over de gunstige werking

ervan. De judge is een 40-jarig ongehuwd heer met ongekunstelde

levendige manieren, die al zijn tijd en al zijn energie wijdt aan de

verbetering van het opkomend geslacht. Terwijl ik bij hem zat, kwamen

achtereenvolgens drie jeugdige boefjes zich melden. Zij waren wegens

ernstige misdrijven--meestal stelen, brandstichten of mishandeling

van dieren--niet veroordeeld, maar moesten iedere week bij den judge

komen om te vertellen hoe het met hen ging. Door de hoofden der scholen

of door de leden der bovengenoemde vereeniging wordt hij natuurlijk

mede voortdurend op de hoogte gehouden. Alleraardigst was de joviale

manier van omgang tusschen den rechter en deze jongens. Open en rond

vertelden zij de onschuldige jongensstreken, die zij gedurende de

week hadden uitgevoerd en de rechter lachte hartelijk mede. Aan het

eind volgde een kleine vermaning om toch vooral op te passen, dat zij

niet in de oude fout zouden vervallen, wat zij met een "certainly not,

Judge" oprecht beloofden. De ouders dier kinderen worden natuurlijk

ook gewaarschuwd om toe te zien en dit is vooral daarom noodig,

omdat volgens diezelfde wet, de ouders ook gestraft kunnen worden

wegens verwaarloozing der opvoeding van de kinderen.

Het rooken en het drinken van alcohol door kinderen beneden 16 jaar,

is bij diezelfde wet verboden; en strafbaar kunnen worden gesteld bij

overtreding de ouders en de kinderen en degenen die tabak of drank

aan de kinderen verkoopen. Deze mogen ook niet in herbergen worden

toegelaten; degenen die hen daarheen medenemen of de houder die hen

daar toelaat, kunnen worden gestraft.

De Judge verzekerde mij de beste resultaten van deze bijzondere

wetgeving te hebben verkregen en dat verwondert mij niet bij zulk een

uitvoering. Waar vindt men echter de Lindsay's die zulk een regeling

in een levend beginsel van ons maatschappelijk samenzijn weten om

te zetten?

Onder zeer gunstige indrukken verliet ik de hoofdstad van Colorado. Ik

kan begrijpen dat de betrekkelijk vele Hollanders, die er wonen,

aan hun nieuw vaderland gehecht worden en het oude na eenigen tijd

vergeten. Tot de laatsten behoort echter niet het oud-raadslid

van Amsterdam, de heer M. P. Pels, die nu reeds 15 jaar te Denver

woont, maar nog in hart en nieren Nederlander en Amsterdammer is

gebleven. Met hartelijke vreugde is hij iederen Nederlander, die zich

tot hem begeeft, van dienst en met groote erkentelijkheid denk ik

terug aan de vele zorgen die hij had om mij het verblijf te Denver

zoo aangenaam mogelijk te maken.

Het doel van de verdere reis was Utah en zijn hoofdstad Salt Lake City:

het land der Mormonen! Welk Nederlander denkt hierbij niet onmiddellijk

aan de veelwijverij? De pers in Europa heeft zooveel jaren lang van

dit merkwaardig volk niets anders medegedeeld, dan overdreven en soms

onware voorstellingen omtrent het huwelijks-leven der Mormonen, dat

men langzamerhand is gaan gelooven, dat dit zoo ongeveer het eenige

was, dat van hen te zeggen viel. En dit is onjuist. Wie het voorrecht

had in Europa kennis te maken met bewoners van Utah die ons werelddeel

kwamen bezoeken, wist reeds dat de veelwijverij, als onderdeel van hun

kerkleer, feitelijk buiten werking was gesteld en geheel zal hebben

afgedaan, zoodra de generaties, waaronder die leer in practijk werd

gebracht, 1844-1891, zullen zijn uitgestorven. In 1882 werd een wet in

't leven geroepen, waarbij veelwijverij werd strafbaar gesteld. Heel

streng werd aan die wet de hand niet gehouden. De beweging, toen

op touw gezet voor een scherpe toepassing, had eene proclamatie ten

gevolge in 1891, die aan de instelling een einde maakte.

De Mormonen zelf namen in hun 13 artikelen des geloofs op de verklaring

(art 12) "Wij gelooven als onderdanen van Koningen, Presidenten,

Regeerders en Overheidspersonen de wet te moeten gehoorzamen, eeren

en steunen", en mijn vaste overtuiging is, dat zij zich daaraan

thans houden.

Wat evenwel nog steeds aanleiding geeft tot valsche geruchten in Europa

omtrent de samenleving der Mormonen, dit zijn de oude verhoudingen

die vóór de proclamatie van 1891 dateeren. Die verhoudingen konden

niet ongedaan worden gemaakt. De 65-jarige president der kerk,

Joseph F. Smith, vóór enkele jaren als getuige opgeroepen in een

onderzoek naar de al of niet toepassing der leer door een tot lid van

den Senaat gekozen Mormoon, verklaarde open en rond van zichzelf,

meerdere vrouwen te hebben, maar tot geen prijs tekort te willen

schieten in de verplichtingen, die hij bij de verschillende huwelijken

tegenover haar op zich had genomen.

En zoo zijn er meerderen in Utah. Maar zij sterven uit. De jongere

geslachten houden zich aan artikel 12 hunner geloofsbelijdenis en

voegen zich in dit opzicht geheel naar de eischen van het sociale

leven.

Er is echter juist dezer dagen een nieuwe beweging tegen de Mormonen

op touw gezet, voortkomende uit politieke kringen. Zij heeft zich

geuit in de oprichting in Utah eener nieuwe organisatie, zich noemende

"Amerikaansche Partij". Deze stelt zich ten doel: "scheiding van kerk

en staat." Toen ik pas van die leus hoorde, klonk zij mij vreemd in

de ooren, daar toch geen land ter wereld zich met zijn staatswezen

zoo onzijdig gehouden heeft tegenover een kerk, als Noord-Amerika.

Het bleek mij dan ook bij navraag, dat de bedoeling dezer leuze was,

geen candidaten voor regeerings-colleges of voor openbare ambten

te stellen of te steunen, die deel uitmaken van den clerus van een

kerkgenootschap. Die leuze hindert geen der andere kerkgenootschappen,

daar het zelden of nooit voorkomt, dat een priester voor een openbaar

ambt (gouverneur, rechter, burgemeester) of voor een wetgevend lichaam

gecandideerd wordt.

In de Mormonen-kerk bestaat echter eene organisatie, die duizenden,

dus ongeveer alle, bekwame en ijverige aanhangers der kerk, tot leden

van den clerus maakt. Deze priesters vervullen niet, zooals in andere

kerken, betaalde ambten. Allen hebben een maatschappelijken werkkring

en vervullen het priesterschap als eere-ambt, waarvoor geen bezoldiging

genoten wordt. De besten onder hen worden voor dat ambt gekozen.

Is het wonder, dat deze zelfde personen mede het eerst in aanmerking

komen, wanneer de Mormonen een keuze hebben te doen voor een

staatkundige betrekking? Het gevaar, dat de gekozene bij de vervulling

dier betrekking de belangen van zijn kerk niet uit het oog verliest,

is natuurlijk aanwezig. Evengoed als het gevaar bestaat, dat een

heftig bestrijder van het Mormonisme, indien hij tot een openbaar

ambt geroepen wordt, de belangen der Mormonen zal veronachtzamen.

Mij is echter bij onderzoek uit geen enkel feit gebleken, dat de

hoofdmannen der Mormonen, gedurende de halve eeuw dat zij in dezen

Staat geregeerd hebben, hun kerk op een of andere wijze ten koste van

het algemeen belang hebben bevoordeeld. Daarentegen wordt door vriend

en vijand erkend, dat zij dezen Staat tot grooten bloei hebben gebracht

en zijn bevolking tot een der welvarendste van geheel de wereld. Het is

inderdaad een lust te zien hoe hier, door ijver en vlijt, maar vooral

door taaie volharding een woestenij, grooter in omvang dan ons geheele

land, is herschapen in vruchtbare akkers, in weelderige boomgaarden,

in groene weiden. Overal heerscht welvaart. Armoede kent men in den

Staat Utah niet.

De meerderheid der bevolking bestaat nog altijd uit aanhangers der

Mormoonsche kerk. Maar de welvaart die er heerscht en de rijkdom

aan mineralen die nog in den grond verborgen ligt, heeft stroomen

van menschen uit andere Staten daarheen gelokt. Met het gevolg, dat

de verhouding tusschen Mormonen en niet-Mormonen spoedig ten gunste

der laatsten kan verkeeren. En dit vooruitzicht openbaart zich thans

reeds in een georganiseerd verzet tegen deze aanhangers der "kerk van

Jezus Christus der heiligen van de laatste dagen", zooals zij zich

noemen. Wanneer men de leiders der nieuwe politieke partij vraagt,

wat hen noopt om onder de leuze "scheiding van kerk en staat" tegen

de Mormonen te velde te trekken, dan krijgt men uit de onbestemde

antwoorden den indruk, dat het verzet veeleer voortkomt uit afkeer van

het streng dogmatisch geloof der Mormonen en hun zelfverheerlijking

als uitverkorenen Gods, dan uit eenig politiek beginsel. En dit is

ook natuurlijk, omdat de politieke partij-verdeeling bij de Mormonen

zich precies voordoet als bij het geheele Amerikaansche volk.

De partij der Democraten telt onder hen zeer vele aanhangers, al heeft,

naar mij verzekerd werd, de partij der Republikeinen er nog altijd

de overhand. Of nu een democratisch Mormoon zal gaan stemmen op een

democratisch candidaat, die niet tot zijn kerk behoort, liever dan

op den republikeinschen candidaat, die wel tot zijn kerk behoort,

wie zal dat zeggen?

Ik vroeg het sommigen op den man af, doch kreeg zulk een onbepaald

antwoord, dat ik voor mijzelf geen conclusie durf trekken.

Doch wat zij ook mogen doen, zij zullen voor ons Nederlanders altijd

blijven een sympathiek volk, omdat zij, trots alle vervolging, volhard

hebben in hun geloof en daardoor de kracht konden ontwikkelen om

honderdduizenden tot welvaart te brengen.

Mocht het hun lot zijn, de leiding over het land, dat zij voor hun

volk als de door God aangewezen woonplaats beschouwen, en dat zij

door wijs beleid tot zoo hooge ontwikkeling hebben gebracht, te zien

overgaan in handen van hun tegenstanders op kerkelijk gebied, dan is

het stellig te hopen dat deze in verdraagzaamheid voor de Mormonen

niet zullen onderdoen. Er bestaat waarschijnlijk geen sekte die deze

deugd in hooger mate eigen is dan de Mormonen. Bovendien bezitten zij

de maatschappelijke deugd van geen alcohol te gebruiken en niet te

rooken. Neemt men dat alles in aanmerking dan zal het voorzeker zeer

quaestieus zijn of de verandering van gouvernement wel verbetering

zal brengen.

Brieven uit en over Amerika · 第 16 / 32 题