van het geologisch onderzoek zeer wel in overeenstemming te brengen.
Maar men dient dan zeker te weten, welke die uitkomsten zijn. Zoodra
men daarnaar echter een eenigszins nauwkeurig onderzoek instelt, stuit
men op allerlei bezwaren en wordt alles te meer onzeker, naarmate men
dieper onderzoekt en verder doordringt. Natuurlijk heeft niemand en kan
niemand eenig bezwaar hebben tegen de feiten, welke de geologie aan
het licht brengt. Die feiten zijn evengoed woorden Gods als de inhoud
der H. Schrift, en dus door ieder geloovig te aanvaarden. Maar van
die feiten moet zeer streng de exegese onderscheiden worden, welke de
geologen daarvan voordragen. Iets anders zijn de verschijnselen, welke
de aarde vertoont; iets anders de combinaties, hypothesen, conclusies,
welke door de onderzoekers der aarde daarmede verbonden zijn. Ongerekend
nu de volstrekt niet denkbeeldige mogelijkheid, dat ook de waarneming,
constateering en beschrijving van de geologische feiten en verschijnselen
soms wel ter dege onder den invloed eener apriorische wereldbeschouwing
staat, leert de geologie tegenwoordig eenparig, dat de aardoppervlakte
uit verschillende lagen is samengesteld, die alle duidelijk de kenmerken
dragen van in het water bezonken te zijn; dat deze aardlagen, waar en
inzoover zij ergens aanwezig zijn, altijd in eene zekere orde voorkomen,
zoodat b.v. eene lagere formatie nooit tusschen hoogere inligt; en
eindelijk dat deze aardlagen eene groote massa van fossilen bevatten,
die wederom niet bont dooreen in alle lagen verstrooid zijn, maar te
lager van soort zijn naarmate zij in lagere sedimenten voorkomen. Dat
zijn de feiten; en daarop zijn dan door de geologen al die langdurige
geologische perioden gebouwd, welke vroeger reeds werden opgesomd. Maar
juist tegen deze geologische perioden bestaan zeer ernstige bezwaren.
1º. Vooreerst verdient het overweging, dat de geologie nog eene jonge
wetenschap is. Zij is nog geen honderd jaren oud. In de eerste helft
van haar bestaan was zij bij mannen als von Buch, de Saussure enz.
volstrekt niet vijandig aan de Schrift; eerst toen Lyell e. a. haar in
dienst van de evolutieleer stelden, werd zij een wapen ter bestrijding
van het bijbelsch scheppingsverhaal. Reeds deze overweging maant tot
voorzichtigheid; als de geologische wetenschap ouder en rijker wordt,
zal zij op dit punt waarschijnlijk zichzelve herzien. 2º. De geologie kan
men noemen de archaeologie der aarde. Zij leert ons toestanden kennen,
waarin de aarde vroeger verkeerd heeft. Maar zij zegt ons natuurlijk over
de oorzaak, het ontstaan, den duur enz. van die toestanden zoo goed
als niets. Uit de verschijnselen der aarde eene geschiedenis der aarde
te willen construeeren, lijkt apriori een even hachelijk ondernemen, als
om uit de archaeologische overblijfselen van een volk zijne geschiedenis
te willen opmaken. Als hulpmiddel moge de archaeologie zeer nuttig
zijn; zij kan de historie niet vervangen. De geologie biedt belangrijke
gegevens, maar zij kan uitteraard nooit eene Schöpfungsgeschichte
leveren. Wie dat beproeft, moet ieder oogenblik tot gissingen de
toevlucht nemen. Alle geboorte, zeide Schelling, is uit duisternis
tot licht. Alle oorsprongen liggen in het duister. Als men ons niet
zegt, wie onze ouders en voorouders waren, dan weten wij het niet.
Indien er geen scheppingsverhaal is, is en blijft ons de geschiedenis
der aarde onbekend. 3º. De geologie kan dan ook nooit tot aan het
scheppingsverhaal toekomen; zij staat vanzelf op den grondslag van het
geschapene en nadert Gen. 1 niet; zij kan constateeren wat zij waarneemt,
maar de oorsprongen er van niet anders dan vermoeden. Zeer juist en
schoon zegt de geoloog Ritter von Holger: Wir haben das Unangenehme,
dass wir erst ins Theater gekommen sind, nachdem bereits der Vorhang
gefallen ist. Wir müssen das Schauspiel das gegeben wurde, aus dem auf
der Bühne zurückgebliebenen Dekorationen, Versatzstücken, Waffen u. s.
w. (das sind namentlich die paläontologischen Entdeckungen oder die
Versteinerungen) zu _erraten_ suchen, daher ist es sehr verzeihlich,
wenn wir uns _irren_, bij Trissl, Das bibl. Sechstagewerk 1894 S. 73.
4º. Ofschoon de aardlagen, waar en voorzoover zij ergens voorkomen, in
zekere orde gelegen zijn, toch is het evenzeer een feit, dat zij nergens
alle bij elkaar en compleet voorkomen, maar sommige worden hier, andere
elders gevonden. Wir haben nirgends ein vollständiges Exemplar des
Buches der Erde, sondern verstreut über dieselbe eine grosse Menge
von defecten Exemplaren von dem verschiedensten Formate und auf sehr
verschiedenem Materiale, Pfaff, Schöpf. 5. De reeks en de orde der
aardlagen en dus ook van de daarop gebouwde geologische perioden
wordt daarom niet onmiddellijk door de feiten aan de hand gedaan,
maar rust op eene combinatie van feiten, die aan allerlei gissing en
dwaling blootstaat. Er behoort naar de erkentenis der geologen zelven
veel geduld en moeite toe, om de juiste orde der aardlagen vast te
stellen, Geikie, Geologie, deutsch von O. Schmidt, Strassburg 1886 S.
55. Pfaff, Schöpf. 5. 5º. Van de oppervlakte der aarde is nog maar
een zeer klein gedeelte onderzocht, vooral Engeland, Duitschland en
Frankrijk. Van de andere deelen van Europa is nog weinig, van het
grootste deel van Azië, Afrika, Nieuw-Holland enz. is nog zoo goed als
niets bekend. Zelfs Häckel geeft toe, dat nauwelijks het duizendste
gedeelte van de aardoppervlakte palaeontologisch is onderzocht,
Nat. Schöpf. 1874 S. 355. En deze berekening is zeker niet te laag
geraamd. Latere onderzoekingen kunnen dus nog allerlei andere feiten
aan het licht brengen. De hypothesen en conclusies der geologie zijn
dus in elk geval op een onvoldoend getal gegevens gebouwd. 6º. Het
is een feit, hetwelk hoe langer hoe meer van den kant der geologie
erkenning vindt, dat de tijd van de formatie der aardlagen volstrekt
niet kan bepaald worden uit den aard en de hoedanigheid dier lagen. Die
Beschaffenheit der Schichten, zegt Pfaff, t. a. p. 5, giebt durchaus
keinen Anhaltspunkt an die Hand, um über die Zeit ihrer Bildung einen
Aufschluss zu erhalten. Onder invloed van het darwinisme, dat alles
verklaren wilde door oneindig kleine veranderingen in oneindig groote
tijdsruimten, heeft men wel van millioenen van jaren gesproken. Maar dat
zijn eenvoudig mythologische getallen, waarvoor alle grond ontbreekt,
Schelling, Werke, II 1 S. 229. De geologen weten nog volstrekt niet, of
vroeger dezelfde dan wel andere omstandigheden hebben geheerscht. En
zelfs bij gelijke omstandigheden groeit alles in de jeugd veel sneller
en sterker dan in latere jaren. Bovendien zijn al de gronden, waarop
de geologen tot dusver hun getallen bouwden, onhoudbaar gebleken.
De deltavormingen, de heffingen en dalingen van het vasteland, de
steenkoolformaties enz. zijn alle als grondslag van berekening weer
prijsgegeven. Bezadigde natuurvorschers spreken tegenwoordig dan ook
geheel anders. Es fehlet uns jeder exacte Massstab zur Berechnung
vorhistorischer Ereignisse, Zittel, Aus der Urzeit, 2e Aufl. 1875
S. 556. 7º. Ook de orde, waarin de aardlagen voorkomen, kan geen
maatstaf ter berekening van den tijd en den duur harer formatie zijn.
Natuurlijk is op eene bepaalde plaats de onderste laag ouder dan de
bovenste, maar alle recht ontbreekt, om de verschillende aardlagen
van verschillende plaatsen bijeen te voegen en alzoo eene reeks van
formaties en perioden te vormen. Wie jetzt in unseren Meeren an einer
Stelle sich Kalkniederschläge bilden, während zu derselben Zeit an
anderen Orten sich Lagen von Sand oder Lehm übereinander absetzen, so
haben sich auch in früheren Zeiten an verschiedenen Orten gleichzeitig
verschiedenartige Schichten gebildet, und wieder gleichartige zu
verschiedenen Zeiten, Pfaff, ib. De lagen uit zoogenaamd verschillende
perioden zijn niet constant verschillend, en degene, die voor even
oud worden gehouden, zijn niet altijd qualitatief gelijk, Trissl 61.
In denzelfden tijd kunnen in verschillende deelen der aarde gelijke
formaties hebben plaats gehad, gelijk dat nog tegenwoordig menigmaal
geschiedt. 8º. De tijd van de formatie der aardlagen en de orde van
hare ligging wordt dan ook tegenwoordig bijna uitsluitend bepaald naar
de petrefacten, die erin aangetroffen worden, cf. art. Geognosie bij
Brockhaus. De geologie is afhankelijk geworden van de palaeontologie,
en deze staat heden ten dage bijna schier geheel in dienst van de
evolutieleer. Van te voren wordt als bewezen aangenomen, dat de
organische wezens van de lagere tot de hoogere zich hebben ontwikkeld;
en daarop wordt dan de orde en de duur van de sedimentformaties
gebouwd. Omgekeerd gebruikte men dan de orde der sedimenten weer
als een bewijs voor de evolutietheorie en maakte zich alzoo aan een
circulus vitiosus schuldig. Nu wordt echter de evolutieleer door
de palaeontologie veelmeer weerlegd dan begunstigd. Want in de
verschillende lagen komen verschillende fossilen van planten en dieren
niet voor in eenige weinige exemplaren en soorten. Maar bij iedere laag
staat de geologie in eens en plotseling voor eene onoverzienbaar rijke
wereld van organisch leven, in soorten onderscheiden en door geen
overgangsvormen aangevuld. Zelfs worden er petrefacten van planten
en dieren aangetroffen, welke sedert uitgestorven zijn, alle latere
formaties in grootte en sterkte overtreffen en de natuur als het ware
doen kennen in hare eerste scheppende kracht, in hare weelderige
vruchtbaarheid, Pfaff, Schöpf. 667-709. 9º. Nu is het wel waar, dat de
fossilen niet in alle lagen bont dooreen verspreid zijn, maar dat in
bepaalde lagen ook in den regel bepaalde planten en dieren voorkomen.
Doch ook hieruit is noch voor de evolutieleer noch voor de geologische
perioden iets met zekerheid af te leiden. Immers, de verschillende
soorten van planten en dieren waren en zijn overeenkomstig haar aard en
levensvoorwaarden over de oppervlakte der aarde verspreid; ze leefden
in verschillende plaatsen en zonen, en ze moesten dus ook versteenen in
de verschillende sedimenten, die er op verschillende plaatsen gevormd
werden. De petrefacten zijn daarom geen representanten van den tijd van
ontstaan der organische wezens, maar van de hoogere of diepere zonen,
in welke zij leefden. Onderstel toch, dat de thans levende planten
en dieren over geheel de aarde heen plotseling in aardlagen begraven
werden en versteenden, dan zou noch uit de onderscheidene soorten van
fossilen noch uit de verschillende lagen, waarin zij voorkwamen, eenig
besluit te trekken zijn ten aanzien van den tijd van hun ontstaan. En
daarbij komen dan nog allerlei andere omstandigheden, die de indeeling
en berekening der geologische perioden schier onmogelijk maken, zooals
bijv., dat de onderscheidene soorten van planten en dieren in den
eersten tijd niet zoo over de gansche aarde verbreid waren als later;
dat van tal van planten en dieren in de verschillende lagen geen
petrefacten zijn bewaard; dat velerlei oorzaken sommige planten en
dieren kunnen gebracht hebben in plaatsen en zonen, waarin zij van
nature niet leefden; dat dezelfde aardlagen wel doorgaans maar lang
niet altijd dezelfde soorten van fossilen bevatten, en dat daarom
aardlagen, die qualitatief gelijk zijn en eerst in denzelfden tijd waren
geplaatst, later weer elders werden thuisgebracht, omdat men er nieuwe
en andere petrefacten in vond, enz. 10º. De geologen erkennen zelf
menigmaal, dat de geologische perioden niet streng te scheiden zijn.
Vooral bij de tertiaire en quaternaire periode komt dit uit. Hier is
schier alles onzeker. Onzeker is de grens, de aanvang, het einde, de
duur dier beide tijdperken. Onzeker is de oorzaak, de uitgebreidheid, de
duur der zoogenaamde ijsperiode; er is verschil over, of er één of meer
ijstijden moeten aangenomen worden; en zelfs is heel het bestaan van een
ijstijd nog aan ernstigen twijfel onderworpen. Onzeker is de oorzaak, de
tijd en de wijze, waarop de groote voorhistorische dieren zijn omgekomen,
wier fossilen soms nog geheel ongeschonden zijn bewaard. Onzeker is
het optreden van den mensch, vóór of na den ijstijd, in de tertiaire
of quaternaire periode, tegelijk met of na den mammuth, mastodon en
rhinoceros. Onzeker is de oorzaak van de diluviale formatiën en van
hare uitbreiding over heel de aarde heen. Onzeker is de oorzaak en de
tijd van de berg- en gletschervormingen, waarbij alleen het feit, dat
de verschuivingen der gletschers uit het Noorden naar het midden van
Europa voor de Scandinavische bergen eene hoogte zouden vereischen van
44000 meter, een bijna onoverkomelijk bezwaar oplevert enz. 11º. Daarbij
komt nog ten slotte, dat de Schrift en de eenparige traditie van bijna
alle volken van een ontzaglijken vloed verhaalt, die een geweldigen
omkeer heeft gebracht in heel den toestand der aarde. Volgens de
Schrift treedt er na den zondvloed een gansch andere toestand in voor
mensch en aarde. De menschheid vóór den zondvloed onderscheidde zich
door groot verstand, krachtigen ondernemingsgeest, titanischen moed,
langen levensduur, sterke lichamelijke ontwikkeling, schrikkelijke
goddeloosheid. En zonder twijfel was de natuur, het planten- en
dierenrijk, daarmede in overeenstemming. Maar in den zondvloed komen
bijna alle menschen om, vele soorten van planten en dieren sterven
uit, de natuur wordt aan banden gelegd, een zachter bedeeling treedt
in, de bedeeling, in welke wij leven. Deze getuigenissen der Schrift
worden van allen kant door de geologie bevestigd. De mensch uit de
tertiaire periode is nog niet gevonden, en het is niet waarschijnlijk,
dat hij ooit gevonden zal worden; de menschheid was toen vóór den
zondvloed waarschijnlijk nog niet over de aarde verspreid; de zondvloed
verklaart, dat er van de menschen vóór dien tijd geen fossilen over
zijn; de schedels en beenderen, die van menschen hier en daar gevonden
zijn, waren allen afkomstig uit den quaternairen tijd en van de onze
niet verschillend. Voorts leert de geologie duidelijk, dat de mensch
nog gelijktijdig met den mammuth, het hebr. behemoth, Job 40 vs. 10,
heeft geleefd en dat de mammuth dus nog thuis hoort in den historischen
tijd. De algemeenheid der diluviale formaties bewijst, dat de zondvloed
over heel de aarde zich moet hebben uitgestrekt. De bergen zijn voor
een groot gedeelte in den historischen tijd ontstaan. De oorzaken
der ijsperiode, indien ze al bestaan heeft, zijn volkomen onbekend en
kunnen dus zeer goed gelegen hebben in den zondvloed en in de daling
der temperatuur, die daarna allerwege intrad. Eerst door en na het
diluvium heeft de aarde hare tegenwoordige gedaante gekregen. Tegen
de vereenzelviging van diluvium en zondvloed is eigenlijk maar één
ernstig bezwaar, en dat is de tijd. De geologie plaatst den ijstijd en
het diluvium gewoonlijk eenige duizenden jaren vóór Christus. Maar
eenerzijds is daartegen op te merken, dat de chronologie der Schrift
ook nog geenszins vast staat. Men behoeft nog niet zoo ver te gaan
als de Sacy, die zeide: il n’y a pas de chronologie biblique, om toch
Voetius toe te stemmen, als hij verklaarde: ex S. Scriptura exacta
supputatio haberi non potest, Disp. V 153. Het is niet onmogelijk, dat
soms geslachten zijn overgesprongen en persoonsnamen als volksnamen
zijn bedoeld. En andererzijds zijn de geologische berekeningen, gelijk
boven gezegd is, veel te onzeker, dan dat daaraan een bezwaar tegen
bovenstaande opvatting kan worden ontleend. 12º. Wanneer wij dit alles
saamvatten en in rekening brengen, dan biedt de Schrift van het
oogenblik der schepping af aan in Gen. 1:1 tot den zondvloed toe eene
meer dan genoegzame tijdsruimte aan voor de plaatsing van al die feiten
en verschijnselen, welke de geologie en palaeontologie in deze eeuw
aan het licht hebben gebracht. Het is niet in te zien, waarom deze
alle niet in dien tijd eene plaats zouden kunnen vinden. Meer heeft de
theologie nu ook niet te doen; zij heeft zich niet in te laten met de
oorzaken dier verschijnselen; de verklaring der feiten verblijve aan de
geologie! Maar misschien kan de Schrift daarbij toch beteren dienst
bewijzen, dan de natuurwetenschap gewoonlijk vermoedt. Immers, zij wijst
er ons op, dat de schepping een Goddelijk werk bij uitnemendheid is. Er
hebben bij het ontstaan en de formatie der dingen krachten gewerkt, er
hebben tot den zondvloed toe toestanden bestaan, en er heeft in dien
vloed eene catastrophe plaats gehad, gelijk die na dezen tijd niet meer
zijn voorgekomen. De wording wordt altijd door andere wetten beheerscht
dan de ontwikkeling. De wetten van het creatuur zijn niet de regel
der creatie en veel minder die van den Creator. Voorts houde zich
de theologie alleen aan de onbetwistbare feiten, welke de geologie
doet kennen, maar wachte zich voor de hypothesen en conclusies, die
de geologen daaraan toevoegen. Daarom ziet ze af van elke poging, om
de zoogenaamde geologische perioden met de zes scheppingsdagen te
vereenzelvigen. Immers is het niet anders dan eene onbewijsbare meening,
dat die perioden successief en in die orde op elkander gevolgd zijn.
Daarmede wordt niet ontkend, dat b. v. de azoische formaties reeds van
het oogenblik der schepping af begonnen zijn. Veeleer wijst alles er op,
dat ze toen onder de werking van allerlei mechanische en chemische
krachten reeds een aanvang hebben genomen. Maar de geologie weet er
niets van, dat ze niet ook later tegelijk met de palaeozoische enz.
hebben plaats gehad, en gist beide naar de oorzaken en naar de wijze
van haar ontstaan. En zoo is het met alle andere perioden. Het is
zeer waarschijnlijk, dat het zoogenaamde tertiaire tijdperk nog tot aan
den zondvloed reikt, en dat diluvium en ijstijd met deze catastrophe
samenvallen. Vervolgens wordt door het gelijktijdig voorkomen van plant-
en dierfossilen in de zoogenaamde palaeozoische periode niets voor de
orde van hun ontstaan beslist. De geologie weet toch van het ontstaan
van die organische wezens niets af; zij vindt ze maar dringt tot hun
oorsprong niet door. En ook zij moet aannemen, dat het plantenrijk vóór
het dierenrijk is ontstaan, om de eenvoudige reden, dat de dieren van de
planten leven. Voorzoover de geologie iets over de orde van ontstaan
der dingen zeggen kan, stemt zij met de Schrift volkomen overeen. Eerst
de anorganische schepping; dan de organische, beginnende met het
plantenrijk; daarna het dierenrijk en ook dit weder in dezelfde orde,
eerst de water-, dan de landdieren, en daaronder vooral de zoogdieren,
Pfaff, Schöpf. 742. Zoo wachten wij als Christenen en als theologen
de _zekere_ resultaten der natuurwetenschap met eenig vertrouwen af.
Voor diepgaand en alzijdig onderzoek behoeft de theologie niet bevreesd
te zijn. Zij wachte zich slechts, om al te groote waarde te hechten
aan een onderzoek, dat nog geheel nieuw, onnauwkeurig en onvolledig
is en daarom telkens door gissingen en vermoedens wordt aangevuld.
Ze zij op hare hoede, om al te voorbarig concessies te doen aan en
overeenstemming te zoeken met zoogenaamde wetenschappelijke resultaten,
die iederen dag omvergestooten en door dieper onderzoek in hunne
onhoudbaarheid kunnen worden aangetoond. En zij hebbe als wetenschap
van de Goddelijke en eeuwige dingen geduld, totdat de wetenschap, die
haar bestrijdt, dieper en breeder hebbe onderzocht en, gelijk het in de
meeste gevallen gaat en gegaan is, zichzelve corrigeere. Zoo houdt de
theologie beter hare waardigheid en eere op, dan door onophoudelijk zich
te plooien naar de meeningen van den dag. Cf. Howorth, The mammoth
and the flood 1887. Bosizio, Das Hexaemeron und die Geologie, Mainz
1865. Trissl, Das bibl. Sechstagewerk vom Standp. der kath. Exegese u.
v. Standp. der Naturw. 2e Aufl. Regensburg 1894. Id. Sündfluth oder
Gletscher 1894. Hahn, Die Entstehung der Weltkörper, Regensburg 1895.
§ 32. DE OORSPRONG VAN DEN MENSCH.
1. De schepping loopt uit op den mensch. In hem sluiten geestelijke en
stoffelijke wereld zich saam. Volgens het eerste scheppingsverhaal is de
mensch, man en vrouw saam, geschapen op den zesden dag, Gen. 1:26v.,
nadat de schepping der landdieren was voorafgegaan. Ook de Schrift
leert daarin eene nauwe verwantschap van mensch en dier. Beide zijn
op denzelfden dag geschapen, beide zijn ook gevormd uit het stof der
aarde. Maar bij die verwantschap is er ook een groot onderscheid. De
dieren worden op Gods bevel door de aarde voortgebracht, Gen. 1:24;
de mensch echter wordt geschapen na eene beraadslaging Gods, naar zijn
beeld, tot een heer over alle dingen. Deze korte aanduidingen worden
in het tweede scheppingsverhaal toegelicht en uitgebreid. Het eerste
scheppingsverhaal geeft eene algemeene geschiedenis der schepping,
welke in den mensch haar doel en haar einde vindt; het tweede handelt
bijzonder van de schepping des menschen en van de verhouding, waarin de
andere schepselen tot hem staan. In het eerste bericht is de mensch het
einde der natuur, in het tweede de aanvang der geschiedenis. Het eerste
verhaal toont, hoe alle andere schepselen den mensch voorbereiden; het
tweede leidt de geschiedenis in van de verzoeking en van den val des
menschen en beschrijft daartoe vooral zijn oorspronkelijken toestand. In
het eerste bericht wordt daarom de schepping van alle andere dingen,
van hemel, aarde, uitspansel enz. in den breede en in geregelde orde
verhaald, en de schepping des menschen niet uitvoerig besproken;
het tweede onderstelt de schepping van hemel en aarde, geeft geen
chronologische maar eene zakelijke orde, en zegt niet wanneer planten
en dieren zijn geschapen maar beschrijft alleen, in welke verhouding zij
naar hun wezen tot den mensch staan. Gen. 2:4b-9 houdt niet in, dat de
planten maar alleen, dat de hof in Eden gevormd is na den mensch; de
schepping der planten wordt door den schrijver zonder twijfel tusschen
vers 6 en 7 gedacht. Evenzoo wordt in Gen. 2:18v. de schepping der
dieren wel eerst na die van den mensch gesteld, maar niet om daarmede
den objectieven gang der schepping te beschrijven, doch alleen om aan
te wijzen, dat de hulpe voor den man niet onder de dieren maar alleen
in een hem gelijk wezen te vinden is. De beschrijving eindelijk van de
schepping der vrouw is in geen enkel opzicht met die in Gen. 1 in strijd
maar daarvan alleen eene nadere verklaring. Cf. Hengstenberg, Authentie
des Pentateuchs I 306 f. Oehler, Altt. Theol. § 18. Köhler, Lehrb. der
bibl. Gesch. des A. T. I 24. Baumstark, Christl. Apologetik II 458
f. H. van Eyck van Heslinga, De eenheid van het scheppingsverhaal,
Leiden, Daamen 1896.
2. Deze Goddelijke oorsprong van den mensch is in de christelijke kerk
en theologie nimmer betwijfeld. Maar buiten de openbaring zijn er
allerlei gissingen over de herkomst des menschen gewaagd. Vele sagen
der Heidenen schrijven de schepping van den mensch nog aan de goden
of halfgoden toe, zoo bv. bij Hesiodus, Op. et Dier. Lib. I 23-25.
Ovidius, Metam. I 82 sq. 363 sq. En ook de wijsbegeerte, vooral van
Socrates, Plato, Aristoteles erkende in den uit het stof der aarde
gevormden mensch gewoonlijk een hooger, redelijk beginsel, dat van
de goden afkomstig was. Maar meermalen zijn en in de religie en in
de philosophie toch gansch andere denkbeelden gekoesterd over den
oorsprong des menschen. Nu eens komt de mensch autochthonisch uit de
aarde voort, dan heeft hij zich ontwikkeld uit een of ander dier, of
ook wordt hij gehouden voor de vrucht van een of anderen boom enz., cf.
Andrew Lang, Onderzoek naar de ontwikkeling van godsdienst, kultus en
mythologie, Uit het Eng. door Dr. L. Knappert I 1893 bl. 143. 275. Met
het materialisme in de vorige eeuw in Frankrijk kwam deze beschouwing
van den oorsprong des menschen weer in eere; de mensch werd geheel
en al, ook naar zijne psychische zijde, verklaard uit de stof. Sedert
dien tijd won de idee der evolutie hoe langer hoe meer veld. Linnaeus
1778 en Blumenbach 1840 handhaafden nog het soortelijk onderscheid
tusschen mensch en dier. Maar Kant hield den overgang des menschen
uit een vroegeren dierlijken tot een lateren menschelijken toestand
reeds voor iets, dat vanzelf sprak, Kritik der Urtheilskraft § 77-80,
Ueber die verschiedenen Racen der Menschen 1775. Lamarck 1744-1829,
Sint-Hilaire 1772-1844, Oken 1779-1851, von Baer 1836, H. Spencer
1852, Schaaffhausen 1853, Huxley 1859, Nägeli 1859 waren allen reeds
voorstanders van de dierlijke afstamming van den mensch. De philosophie
leerde deze reeds lang vóór de natuurwetenschap. En Charles Darwin
1809-1882 was dus lang niet de eerste, die de aan zijn naam verbonden
leer heeft voorgedragen. Zijn roem is het alleen geweest, dat hij eene
zeer groote menigte van waarnemingen deed, die betrekking hadden op
het leven van mensch en dier en beider verwantschap in het licht
stelden; dat hij deze op eigenaardige wijze wist te combineeren en in
dienst te stellen van de reeds heerschende hypothese; en dat hij een
weg aanwees, waarin deze afstamming des menschen van het dier, naar
het scheen, mogelijk werd gemaakt, The origin of species by means of
natural selection 1859, holl. vert. Het ontstaan der soorten, door Dr.
T. C. Winkler, 2e uitg. 1883. The descent of man 1871, holl. vert.
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, bewerkt door
Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, 3e dr. 1884. Eene gansche schaar
van geleerden, Lyell, Owen, Lubbock, Tylor, Hooker, Tyndall, Huxley,
Moleschott, Haeckel, Hellwald, Büchner, Vogt enz. achtte daarmee
de vroegere hypothese zoo goed als bewezen en gaf ze uit voor een
onomstootelijk resultaat der natuurwetenschap. Onder het darwinisme is
nu de leer te verstaan, dat de soorten, waarin vroeger de organische
wezens werden ingedeeld geen constante eigenschappen dragen maar
veranderlijk zijn; dat de hoogere organische wezens uit de lagere zijn
voortgekomen en met name de mensch zich langzamerhand in den loop der
eeuwen uit een uitgestorven apengeslacht ontwikkeld heeft; dat het
organische op zijne beurt uit het anorganische is ontstaan, en dat dus
evolutie de weg is, waarin onder de heerschappij van louter mechanische
en chemische wetten al het bestaande tot aanzijn is gekomen. Dat is de
thesis of liever de hypothese. Deze evolutie tracht Darwin te verklaren
en mogelijk te maken door de volgende overwegingen: vooreerst leert de
natuur ons allerwege kennen een struggle for life, waaraan elk wezen
deelneemt en waardoor het gedwongen wordt, zich te ontwikkelen en te
volmaken of anders te gronde te gaan; ten tweede kiest de natuur uit
tal van planten, dieren, menschen zulke tot voortleven en voortteling
uit (natural selection), welke het gunstigst georganiseerd zijn, en
deze natuurlijke teeltkeus wordt gesteund door de sexueele teeltkeus,
waardoor ieder wijfje aan het best georganiseerde mannetje de voorkeur
geeft; ten derde gaan de alzoo, in den weg van struggle en selection
verworven, gunstige eigenschappen van ouders op kinderen of ook op
kleinkinderen (atavisme) over, en volmaken de organismen hoe langer
hoe meer. Natuurlijk zijn dit geen bewijzen, maar alleen onderstellingen
en verklaringen, hoe naar Darwins meening de evolutie mogelijk zou
zijn. Bewijzen voor de hypothese worden eigenlijk alleen ontleend aan de
verwantschap, die er tusschen de organische wezens valt op te merken
en die ook in physisch en psychisch opzicht tusschen dier en mensch
bestaat; aan de verandering en overerving van eigenschappen, die we
telkens in menschen- en dierenwereld waarnemen; aan de rudimentaire
organen, die den mensch uit zijn vroegeren dierlijken toestand zijn
overgebleven; aan de embryologie, volgens welke de hoogere organismen
als embrya de ontwikkelingtrappen der lagere doorloopen, Romanes, De
bewijzen voor de theorie van Darwin, uit het eng. door Spaink, Amst.
1884.
3. Met hoeveel gezag dit darwinisme nu ook aanstonds is opgetreden,
het heeft toch van den beginne aan ernstige tegenspraak gevonden,
niet alleen bij theologen en philosophen, maar ook bij allerlei
natuurkundigen, zooals Agassiz, Essay on the classification 1865,
Dawson, Die Natur und die Bibel, aus dem Engl. Gütersloh 1877, Nägeli,
Entstehung u. Begriff der naturhist. Art, 2e Aufl. 1865. Mech. phys.
Theorie der Abstammungslehre 1883. Wigand, Der Darwinismus u. s. w. 3
Bde 1874-77, en voorts Dana, Flourens, de Beaumont, Jordan, Blanchard,
Quatrefages, Oswald Heer, Oscar Fraas, Ad. Bastian, R. Wagner, Pfaff,
Kölliker enz. Virchow herhaalt schier ieder jaar op de vergadering van
natuurvorschers zijn protest tegen hen, die het darwinisme uitgeven
voor een dogma. Duboys Reymond sprak van sieben Welträthsel, die door
de natuurwetenschap niet konden worden opgelost en schreef niet lang
vóór zijn dood, dat wij misschien weer tot het supranaturalisme terug
moesten keeren. De vroeger met spot verworpen levenskracht wordt weer
in bescherming genomen door Gustave Bunge; bij Max Verworn, Wilhelm
Ostwald, Ed. Rindfleisch is eene neiging naar het pantheisme en
mysticisme te bespeuren; zelf Haeckel prees het monisme als eenheid
van religie en wetenschap aan. Romanes, die beslist darwinist was,
stierf in 1895 verzoend met het geloof der Anglikaansche kerk. Er
is ongetwijfeld eene reactie tegen het materialisme en darwinisme in
aantocht. En daarbij komt nog de kritiek, waaraan het darwinisme door
theologen en philosophen onderworpen is. Ook zij hebben in deze kwestie
recht van spreken en hebben gewichtige bezwaren ingebracht, cf. Ulrici,
Gott u. die Natur 1866. Gott u. der Mensch I 1874. Zöckler, Gesch. der
Bez. II 579 f. Id. Die Lehre v. Urstand des Menschen 1879 S. 113 f.
Hartmann, Wahrheit u. Irrthum im Darw. 1875. Carneri, Sittlichkeit u.
Darw. Wien 1877. Weygoldt, Darw. Relig. Sittl. Leiden 1878. Hamann,
Entwicklungslehre u. Darwinismus, Jena 1892. Dutoit-Haller, Schöpfung
u. Entw. nach Bibel u. Naturw. Basel 1892. Joh. Ranke, Der Mensch,
Leipzig 2e Aufl. 1894. Ebrard, Apol. I 352 f. Steude, Christ. u.
Naturwiss. 1895 S. 148 f. Bettex, Naturstudium u. Christ. 2e Aufl.
1896. Pesch, Die grossen Welträthsel II 147. 171 f. Reusch, Bibel
u. Natur 330 f. Gutberlet, Der Mensch, sein Ursprung u. seine Entw.
Paderborn 1896. Hettinger, Apol. I 167 f. Kuenen, Theol. Tijdschr.
X 408v. Lamers, Nieuwe Bijdr. III 185v. Serrurier, Gids Mei 1895.
Tijdspiegel April 1896 bl. 455. Wet. Bladen Mei 1896. Salisbury in zijne
openingsrede van The britisch association of science in Oxford Aug.
1894 enz.
Met het oog op deze kentering is de theologie dikwerf al te voorbarig
geweest en heeft zich al te haastig geschikt naar de evolutieleer,
b.v. Powell, Evidences of Christianity 1860. Temple, Christ. en
Natuurwetenschap, vert. door Dr. J. W. Gunning, Haarlem 1887. Drummond,
De opkomst van den mensch, 1895. Carrière, De zedel. wereldorde bl.
365v. enz. Er bestaan toch tegen het darwinisme veel te ernstige
en wichtige bezwaren, dan dat het als wetenschappelijke verklaring
der verschijnselen aanvaard worden kan. Vooreerst toch is het geheel
onmachtig, om den oorsprong des levens ook maar eenigszins begrijpelijk
te maken. Men nam eerst de toevlucht tot de generatio aequivoca,
d. i. tot het ontstaan van organische wezens door toevallige
verbinding van anorganische stoffen. Toen de onderzoekingen van
Pasteur hare onhoudbaarheid bewezen, greep men de onderstelling aan,
dat de protoplasmen of levenskiemen door meteoorsteenen van andere
hemellichamen op de aarde waren gebracht (Helmholtz, Thomson). Toen
ook deze hypothese niet veel meer dan een inval bleek, werd de leer
verkondigd, dat de cellen en levenskiemen, altijd naast het anorganische
hadden bestaan en dus evenals stof, kracht, beweging enz. eeuwig
waren. Maar daarmede werd de ongenoegzaamheid der evolutie-theorie
door de voorstanders zelven uitgesproken; wie stof, beweging, leven
eeuwig maakt, lost het raadsel niet op maar wanhoopt aan de oplossing.
In de tweede plaats is het darwinisme ook niet in staat, de verdere
ontwikkeling van de organische wezens te verklaren. De Schrift erkent
eenerzijds de waarheid, die er in de evolutie ligt, als zij planten
en dieren op Gods bevel uit de aarde laat voortkomen, Gen. 1:11,
20, 24; maar ter andere zijde zegt ze, dat de aarde deze organische
wezens alleen kon voortbrengen door een woord van Gods almacht, en
dat die organische wezens van den beginne aan soortelijk onderscheiden
naast elkaar bestonden; ze hebben allen hun eigen aard, Gen. 1 vs.
11, 21. Daardoor is niet uitgesloten, dat binnen de soorten allerlei
veranderingen kunnen plaats grijpen, en is evenmin het recht der
wetenschap verkort, om de grenzen der soorten nader aan te wijzen.
Zelfs is het volstrekt niet noodzakelijk, om in alle soorten, welke de
botanie en zoölogie thans opnoemt, oorspronkelijke scheppingen te zien;
het begrip van soort is nog lang niet scherp en duidelijk bepaald.
Maar het staat evenzeer vast, dat de wezenlijke verscheidenheid en
ongelijkheid der schepselen op Gods scheppende almacht berust. Hij is
het, die onderscheid maakt tusschen licht en duisternis, dag en nacht,
hemel en aarde, plant en dier, engel en mensch, Thomas, S. Theol.
I qu. 47. En deze verscheidenheid en ongelijkheid der schepselen,
bepaaldelijk van de organische wezens, blijft in het darwinisme een
raadsel. Als de mensch van het dier ware afgestamd, zou juist het
groote verschil, dat tusschen beide bestaat en in heel het organisme
uitkomt, een onoplosbaar raadsel blijven. Het is thans wel algemeen
erkend, dat de vele soorten van planten en dieren niet uit ééne of
ook zelfs uit vier of vijf oorspronkelijke organismen afgeleid kunnen
worden; die soorten loopen morphologisch en physiologisch veel te
sterk uiteen. De natural en de sexual selection zijn ongenoegzaam,
om zoodanige soortveranderingen mogelijk te maken, en zijn dan ook
door Darwin zelf reeds belangrijk beperkt en gewijzigd. Bovendien,
zulke overgangen uit de eene soort in de andere zijn nooit noch in ’t
verleden noch in den tegenwoordigen tijd waargenomen. Dezelfde soorten
van planten en dieren, die wij nu kennen, bestonden ook vóór duizenden
jaren en traden in eens in grooten getale op. De overgangsvormen,
welke de thans bestaande soorten nader tot elkaar zouden brengen,
zijn nergens gevonden. De palaeontologie bewijst geen langzaam en
rechtlijnig opklimmen van de organische wezens uit het lagere tot het
hoogere, maar toont, dat allerlei soorten van den beginne af naast
elkander bestonden. Zulke overgangsvormen zouden echter in grooten
getale te vinden moeten zijn, omdat de morphologische veranderingen
zoo langzaam, eerst in duizenden van jaren, plaats hadden en telkens
van zoo geringe beteekenis waren. Het laat zich niet denken, dat
deze alle toevalligerwijs door catastrophen zouden zijn omgekomen; te
minder, omdat al de lagere organismen tot den huidigen dag toe, in
weerwil van hunne onvolmaaktheid en ongeschiktheid tot den strijd om
het leven, naast de hoogere zijn blijven voortbestaan. Daarbij komt, dat
van verschillende zijden, vooral door Aug. Weismann, op goede gronden
de stelling verdedigd is, dat juist verworven eigenschappen niet
overerven, Koster, Wet. Bladen, Maart 1897 bl. 321-344. Geheel in
tegenspraak met Darwins theorie zijn de morphologische eigenschappen
het minst en de physiologische het meest variabel. Indien die
morphologische veranderingen ook zoo langzaam voortgingen en telkens
zoo gering van beteekenis waren, konden zij in den struggle for life
ook niets baten; ze waren in den tijd van overgang eer een gebrek dan
eene volkomenheid. Zoolang het ademen door kieuwen overging in het
ademen door longen, was het eer een beletsel dan een voordeel in den
strijd om het bestaan. Om al deze redenen deed de natuurkundige, wiens
wetenschap op feiten steunen moet, beter, in deze van een oordeel zich
te onthouden. Het materialisme en het darwinisme zijn beide historisch
en logisch geen resultaat der experimenteele wetenschap maar der
philosophie. Trouwens, Darwin zegt zelf, dat vele der beschouwingen,
die hij voordroeg, in hooge mate bespiegelend zijn, Afst. des menschen II
365. Hij heeft volgens Haeckel geen nieuwe feiten ontdekt, maar ze wel
op eigenaardige wijze gecombineerd en geutiliseerd, Nat. Schöpf. 1874
S. 25. De groote verwantschap van mensch en dier is altijd erkend en in
het animal rationale uitgedrukt. Maar daarmede verbond men in vroeger
tijd de monistische philosophie nog niet, dat eene zuivere potentie, die
niets is, zooals atomen, chaos, cellen enz, toch alles worden kan. Dat
is eerst door het pantheisme, materialisme en darwinisme ontdekt! Ten
derde is bij het darwinisme het ontstaan van den mensch een onoplosbaar
probleem. Positieve bewijzen voor ’s menschen dierlijke afstamming zijn
er eigenlijk niet. De ontogenie van Häckel kan na de weerlegging van
Bischoff en anderen niet meer als bewijs gelden. De argumenten, die
men ontleende aan allerlei in holen gevonden menschenbeenderen en
menschenschedels, het laatst in Ned. Indië, cf. Prof. Hubrecht in Gids
Juni 1896, zijn beurtelings het een na het ander weer prijsgegeven.
Het onderzoek eenerzijds van de anthropoide apensoorten en andererzijds
van allerlei beenderen, schedels, abnormale menschen, mikrocephalen,
dwergen enz., is geëindigd met te constateeren, dat het onderscheid
van dier en mensch wezenlijk is en altijd heeft bestaan, Pfaff, Schöpf.
721. Algemeen is dan ook erkend, dat geen apensoort, zooals ze thans
bestaat of bestaan heeft, de stam van het menschelijk geslacht kan
zijn. De sterkste verdedigers van het darwinisme geven toe, dat er een
overgangssoort moet aangenomen worden, waarvan echter het geringste
spoor tot dusver niet gevonden is. Virchow zeide op de vergadering
van natuurvorschers in 1894: Bis jetzt is noch kein Affe entdeckt
worden, der als der eigentliche Urvater des Menschen betrachtet
werden konnte, auch kein Halbaffe. Diese Frage steht nicht mehr im
Vordergrund der Forschung, bij Hettinger, Apol. III 297. Bovenal echter
blijft het darwinisme in de vierde plaats de verklaring schuldig van
den mensch naar zijne psychische zijde. Darwin begon met de poging,
om alle geestelijke verschijnselen bij den mensch, bewustzijn, taal,
religie, zedelijkheid enz. uit verschijnselen afteleiden, die bij de
dieren voorkwamen, Afst. des menschen, hoofdst. 3 en 4. The expression
of emotions in man and animals 1872, en vele anderen zijn hem daarin
gevolgd. Maar ook deze pogingen zijn tot dusver niet geslaagd. Evenals
het wezen van kracht en stof, de oorsprong der beweging, het ontstaan
des levens, de teleologie, behooren ook het bewustzijn, de taal, de
wilsvrijheid, de religie, de zedelijkheid nog tot de Welträthsel, die op
oplossing wachten. De gedachte, die zuiver geestelijk is, staat tot de
hersenen in eene gansch andere verhouding dan de gal tot de lever en de
urine tot de nieren. De taal is en blijft naar het woord van Max Müller
de Rubicon tusschen ons en het dier. De psychologische verklaring
van den godsdienst is onhoudbaar, deel I 208. En de afleiding van
de redelijkheid uit de sociale instincten laat aan de autoriteit
der zedewet, aan het kategorische van den zedelijken imperatief,
aan het „Sollen” van het goede, aan geweten, verantwoordelijkheid,
schuldbewustzijn, berouw, wroeging, straf geen recht wedervaren. Ja,
ofschoon het darwinisme op zichzelf nog niet met het materialisme
indentisch is, toch beweegt het zich in die lijn, vindt het daar zijn
voornaamsten steun, maar bereidt alzoo ook de verkeering van religie
en zedelijkheid voor en doodt het menschelijke in den mensch. Het doet er
niets toe, of men al zegt, dat het beter is, een hoog ontwikkeld dier
dan een gevallen mensch te zijn; de leer van de dierlijke afstamming van
den mensch tast in den mensch het beeld Gods aan en verlaagt hem tot
het beeld van orang-oetan en chimpanse. En dat beeld Gods is op het
standpunt der evolutie niet te handhaven. Het dwingt ons terug te gaan
tot de creatie, gelijk de Schrift ze ons leert.
4. In verband met deze leer over den oorsprong des menschen komt de
evolutie ook met de Schrift in strijd ten aanzien van den ouderdom,
de eenheid en de oorspronkelijke woonplaats van den mensch. Een
hooge ouderdom werd aan het menschelijk geslacht toegeschreven door
vele volken, zooals de Japanneezen, de Indiërs, de Babyloniërs, de
Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen, die van verschillende wereldtijden
en van 10 en 100 duizenden jaren spraken. De nieuwere anthropologie
is meermalen tot deze fabelachtige getallen teruggekeerd, maar blijft
zich evenmin als de heidensche mythologie gelijk; ze varieert tusschen
10 en 250 duizend jaren en meer. Over het bestaan van den mensch in
de tertiaire periode heerscht groot verschil van gevoelen; het wordt
door de meesten, ook door velen, die overigens darwinist zijn, ontkend,
zooals Virchow, Mor, Wagner, Oskar Schmidt, Häckel, Zittel e. a.
De vraag is daarom ook zoo moeilijk te beantwoorden, wijl de grenzen
tusschen tertiaire en quaternaire periode niet zijn aan te wijzen.
Maar ook al heeft de mensch in de tertiaire periode geleefd en al is
hij een tijdgenoot van den mammuth geweest, dan bewijst dit niet dat
de mensch zoo oud is, maar dat die periode veel jonger is, dan men
oorspronkelijk heeft gedacht. Veel onzekerder zijn de berekeningen, welke
gebouwd zijn op de paalwoningen die men in Zwitserland en elders vond,
op de beenderen en schedels die in holen bij Luik, Amiens, Dusseldorf
enz. werden ontdekt, op de deltavormingen van Nijl en Mississippi en
op de steen-, brons- en ijzerperiode, die volgens sommigen elkander
chronologisch opvolgden. Al de berekeningen, hierop gebouwd, zijn
dan ook telkenmale door bezadigde natuuronderzoekers weersproken en
weerlegd, zooals Fraas, Quenstedt, Pfaff, Dawson, Tylor, Virchow,
Schaaffhausen, Kjerulf, zelfs Hellwald, Culturgesch. I 10. Hier nog
meer dan bij den ouderdom der aarde geldt het, dat men wel getallen
noemen kan, maar dat men geen stof heeft voor eene geschiedenis in zoo
langen tijd. Van veel meer waarde voor de bepaling van den ouderdom van
het menschelijk geslacht zijn de chronologische gegevens, welke door de
historie en de monumenten van verschillende volken worden aan de hand
gedaan. De geschiedenis van Indië en China levert geen vaste basis voor
de chronologie en klimt slechts enkele eeuwen vóór Christus op. Maar
met de geschiedenis van Egypte en Babylonië is het eenigszins anders
gesteld. Hier is ongetwijfeld eene oude beschaving; ze bestaat reeds
zoover wij in de historie terug kunnen gaan. De Schrift zelve leert dat
ook duidelijk. Maar toch is de chronologie nog zoo onzeker, dat er niets
op te bouwen valt. Dit blijkt afdoende daaruit, dat de regeering van den
egyptischen koning Menes volgens Boeckh begint in 5702, volgens Brugsch
in 4455, volgens Lepsius in 3893, volgens Bunsen in 3623, volgens
Wilkinson in 2691 enz.; en dat Bunsen den historischen tijd voor Babylon
laat beginnen in 3784, v. Gutschmid in 2447, Brandis in 2458, Oppert
in 3540 enz., Hettinger, Apol. III 258 f. Ieder beoefenaar der oude
geschiedenis heeft zijn eigen chronologie; het is een labyrinth, waarbij
de draad ontbreekt; alleen bij het volk van Israel is er in eigenlijken
zin van eene geschiedenis en van eene tijdrekening sprake. Fritz Hommel
zegt daarom terecht, dat de chronologie voor de eerste duizend jaren
vóór Christus vrij vast staat, soms tot in bijzonderheden toe; dat in de
tweede duizend jaren vóór Christus slechts enkele vaste punten schijnen
gegeven te zijn, en dat in de derde duizend jaren, d. i. vóór 2000 v.
Chr. alles onzeker is, Gesch. des alten Morgenlandes, Stuttgart 1895 S.
38. Trouwens, het menschelijk geslacht kan ook om andere redenen geen
vele duizenden jaren vóór Christus hebben bestaan. De bevolking der
aarde zou dan ten tijde van Christus veel grooter zijn geweest en veel
meer zijn verspreid. En toch duizend jaren v. C. was het grootste deel
der aarde nog onbewoond, Noord-Azië, Midden- en Noord-Europa, Africa
ten Z. van de Sahara, Australië, de Zuidzee-eilanden, Amerika. Zelfs
ten tijde van Christus was, behalve in Azië, de menschheid voornamelijk
nog wonende rondom de Middellandsche zee. Indien de menschheid zoo oud
ware, zouden er ook veel meer ruïnen van steden en overblijfsels van
menschen gevonden zijn, die nu slechts schaarsch in getal zijn en tot
een deel der aarde beperkt. De betrouwbaarste getallen gaan daarom niet
hooger op dan tot vijf à zeven duizend jaren v. Chr., Pfaff, Schöpf.
710-728. Gander, Die Sündflut 1896 S. 78-90. Upham haalt in een artikel
over Die Zeitdauer der geolog. Epochen in het tijdschrift Gaea XXX
1894 S. 621 f. verschillende geleerden aan, die den ijstijd omstreeks
zeven of acht duizend jaren vóór Christus plaatsen. Indien wij daarbij
bedenken, dat er ook over de chronologie des bijbels nog alles behalve
overeenstemming bestaat, dan is er ook bij dit punt geen belangrijk
verschil tusschen Schrift en wetenschap. Maar zelfs indien naar de
gewone berekening de zondvloed plaats had in 2348 v. Chr., was er tot
de roeping van Abraham in 1900 een tijdperk van 450 jaren, dat voldoende
is om aan Eufraat en Nijl vrij machtige rijken te doen opkomen. Noach
en zijne drie zonen konden, elk huwelijk gerekend op zes kinderen, in
veertien generaties van 33 jaren, dat is in 462 jaren, meer dan twaalf
millioen afstammelingen hebben. Verg. verder over den ouderdom van het
menschelijk geslacht: Zöckler, Gesch. der Bez. II 755 f. Id. Lehre vom
Urstand 87 f. Id. Herzog² 9, 583. Vigouroux, Les livres saints etc.
III 452 s. Schanz, Apol. des Christ. I 333 f. Dessailly, L’antiquité
de la race humaine d’après les sciences contemporaines, Paris 1893. P.
Schanz, Das Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896. Reusch, Bibel
u. Natur 518 f. Hettinger, Apol. der Christ. I⁷ 281-310.
5. De eenheid van het menschelijk geslacht staat voor de H. Schrift
vast, Gen. 1:26, 6:3, 7:21, 10:32, Mt. 19:4, Hd. 17:26, Rom. 5:12v., 1
Cor. 15:21v. 45v. maar is door de volken, welke buiten de openbaring
leefden, schier nooit erkend. De Grieken hielden zichzelven voor
autochthonen en zagen uit de hoogte op de barbaren neer. En deze
tegenstelling wordt haast bij alle volken gevonden. Zelfs werd in
Indie allengs eene scherpe scheiding tusschen de vier klassen des
volks gemaakt, en voor elk een eigen oorsprong aangenomen. Eerst de
Stoa sprak uit, dat alle menschen één συστημα πολιτικον, één lichaam
vormden, waarvan elk een lid was, en predikte daarom ook algemeene
gerechtigheid en menschenliefde, Zeller, Philos. der Gr. IV 287 f.
Na de renaissance kwam hier en daar het denkbeeld weer op van een
verschillenden oorsprong van het menschelijk geslacht. Dit denkbeeld
trad nu eens op in den vorm van eigenlijk polygenisme bij Caesalpinus,
bij Blount en andere deisten; deels als coadamitisme d. i. afstamming
der verschillende rassen van verschillende stamvaders, bij Paracelsus
e. a., deels als praeadamitisme, d. i. afstamming der wilde en
donkerkleurige volken van een stamvader vóór Adam, terwijl deze dan
alleen de stamvader was van de Joden of ook van de blanke menschheid,
bij Zanini en vooral bij Isaac de la Peyrère. Deze laatste gaf in 1655
zonder naam van schrijver, drukker of plaats een werkje uit, getiteld:
Praeadamitae; en daarachter een Systema theologiae ex praeadamitarum
hypothesi. Daarin werd beweerd, dat er al lang vóór Adam menschen
hadden bestaan, met beroep op Gen. 4:14, 16, 17, 6:2-4. Deze menschen
stamden af van dat eerste paar, welks schepping in Gen. 1 wordt
bericht. In Gen. 2 echter wordt de schepping verhaald van Adam en
Eva, die de stamvaders waren van de Joden. Dezen overtraden de wet,
die hun in het paradijs was gegeven, en vielen in nog grootere zonden
dan de volken uit den eersten mensch afkomstig, want dezen zondigden
niet, zooals Paulus, Rom. 5:12-14 het uitdrukt, in gelijkheid der
zonde van Adam; zij overtraden geen positieve wet; zij begingen peccata
naturalia maar geen peccata contra legem. Deze theorie maakte een tijd
lang grooten opgang en riep van allen kant bestrijders op, Spanheim,
Op. III 1249 sq. Turret. Theol. El. V qu. 8. Marck, Historia Paradisi
II 2 § 3 sq. Moor, Comm. II 1001-5. M. Vitringa II 127, cf. Studien
en Bijdragen van de Moll en Scheffer IV 238 f. Zöckler, Gesch. der
Bez. I 545 f. II 768 f. Urstand 231 f. Maar ze raakte toch spoedig
in vergetelheid. Slechts enkelen, zooals Bayle, Arnold, Swedenborg
achtten ze niet geheel verwerpelijk. Vooral toen in de vorige eeuw
de kennis van de volken uitgebreid werd en het groote onderscheid
in kleur, haar, gestalte, gewoonte enz. tusschen de volken werd
ingezien, toen kwamen velen weer op het denkbeeld van verschillende
stamvaders, Sullivan 1795, Crüger 1784, Ballenstedt 1818, Stanhope
Smith 1790, Cordonnière 1814, Gobineau 1853-55 e. a. Door sommigen
werd dit dienstbaar gemaakt aan de verdediging der slavernij, zooals
door Dobbs in Ierland tegen Wilberforce, door Morton, Nott, Gliddon,
Knox, Agassiz e. a. Een ander soort van polygenisme werd door Schelling
geleerd, Werke, II 1 S. 500-515. Hij nam ook vele rassen van menschen
aan vóór Adam, maar deze hadden zich van een laag, dierlijk standpunt
zoo opgeheven en ontwikkeld, dat ze eindelijk _hem_ voortbrachten, in
wien het menschelijke eerst tot openbaring kwam en die daarom terecht
den naam van de mensch, haadam, dragen kon. En evenzoo werd een zeker
praeadamitisme geleerd door Oken, Carus, Baumgärtner, Perty, Bunsen,
cf. ook Bilderdijk, Opstellen v. godg. en zedek. inh. II 75. Strauss,
Dogm. I 680 enz. Daarbij kwam nu na 1860 het darwinisme, dat vanwege
zijne leer der variabiliteit zeer goed monogenistisch kon zijn maar toch
bij vele zijner aanhangers polygenistisch werd. De ontwikkeling van dier
tot mensch heeft op verschillende tijden en plaatsen plaats gehad en
aan verschillende rassen het aanzijn gegeven, Häckel, Schaaffhausen,
Caspari, Vogt, Büchner enz. Op darwinistisch standpunt is echter
de vraag naar den ouderdom van den mensch niet te beantwoorden. De
overgang van dier tot mensch heeft zoo langzaam plaats gehad, dat er
eigenlijk geen eerste mensch is geweest. Tegenover dit polygenisme
is het monogenisme nog verdedigd door von Humboldt, Blumenbach, St.
Hilaire, v. Baer, v. Meyer, Wagner, Quatrefages, Darwin, Peschel,
Ranke; ook Virchow acht het niet onmogelijk, Hettinger, Apol. III 224.
Nu is het bestaan van volken en rassen in de menschheid zeer zeker een
belangrijk probleem, waarvan de oplossing nog lang niet is gevonden. Het
verschil in kleur, haar, schedel, taal, voorstellingen, godsdienst,
zeden, gewoonten enz. is zoo groot, en de verbreiding der ééne
menschheid over de gansche aarde b.v. naar de Zuidzee-eilanden, naar
Amerika enz. is zoo onbekend, dat de gedachte aan een verschillenden
oorsprong der volken haast niet verwonderen kan. De Schrift leidt
het ontstaan der talen en der volken dan ook af uit eene daad Gods,
waardoor Hij ingreep in de ontwikkeling der menschheid, Gen. 11, cf.
Schelling, Werke II 1 S. 94-118. Lüken, Die Tradit. des Mensch. 278 f.
Auberlen, De goddel. openbaring I. Kaulen, Die Sprachenverwirrung zu
Babel, Mainz 1861. Strodl, Die Entstehung der Völker, Schaffh. 1868.
Het ontstaan der volken heeft eene diepe, religieus-ethische beteekenis
en getuigt van geestelijk verval. Hoe wilder en ruwer de menschheid
wordt, hoe meer de talen, de voorstellingen enz. uiteengaan. Naarmate
men meer afgesloten leeft, neemt het taalverschil toe. Spraakverwarring
is gevolg van verwarring in de gedachten, in het bewustzijn, in het
leven. En toch is in die gedeeldheid en scheuring nog de eenheid
bewaard. De taalwetenschap heeft verwantschap en eenheid van oorsprong
ontdekt, waar die vroeger in de verste verte niet werd vermoed. Het
bestaan van rassen en volken is een feit, en toch is de aanwijzing
hunner grenzen zoo moeilijk, dat er het grootste verschil over bestaat.
Kant nam 4, Blumenbach 5, Buffon 6, Peschel 7, Agassiz 8, Haeckel 12,
Morton zelfs 22 verschillende rassen aan, Peschel, Völkerkunde, 316
f. Onder alle rassen zijn er weer overgangen, die met alle indeeling
den spot schijnen te drijven. Genesis 10 houdt dan ook de eenheid der
menschheid bij alle verscheidenheid vast en Joh. von Müller zeide niet
ten onrechte: von diesem Kapitel muss alle Historie anfangen. Tegen
deze eenheid kan nu het darwinisme eigenlijk geen bezwaar inbrengen.
Het onderscheid tusschen mensch en dier is toch altijd veel grooter
dan tusschen de menschen onderling. Indien de mensch uit een dier
zich ontwikkelen kon, is niet in te zien, waarom de gemeenschappelijke
oorsprong der menschheid op zichzelve bezwaar ontmoeten zou. Het
darwinisme biedt inderdaad de middelen aan de hand, om allerlei
veranderingen binnen dezelfde soort onder allerlei invloeden van
klimaat, levenswijze enz. mogelijk en begrijpelijk te maken. In zoover
bewijst het aan de verdediging der waarheid uitnemenden dienst. Want,
hoe groot het verschil tusschen de rassen ook wezen moge, de eenheid
en de verwantschap van alle menschen treedt bij dieper onderzoek toch
daardoor te sterker op den voorgrond. Zij komt daarin uit, dat ouders
van de verschillende rassen paren en vruchtbare kinderen kunnen
voortbrengen; dat iedere klasse van menschen elke zone der aarde
bewonen en daar leven kan; dat volken, die nooit met elkander in
aanraking zijn geweest, toch verschillende eigenschappen en gebruiken
met elkander gemeen hebben, zooals gebaarden, decimaalstelsel,
huidverving, tatoueering, besnijdenis, couvade enz.; dat tal van
physiologische verschijnselen bij alle rassen gelijk zijn, zooals de
opgerichte houding, de schedelvorm, het gemiddeld gewicht der hersens,
getal en lengte der tanden, de duur der zwangerschap, het gemiddeld
aantal polsslagen, de innerlijke bouw van het organisme, van hand,
voet enz., de gemiddelde leeftijd, de temperatuur van het lichaam,
de periodiciteit der katameniën, de vatbaarheid voor ziekten enz.;
en dat zij eindelijk in intellectueel, religieus, moreel, sociaal,
politiek opzicht allerlei dingen gemeen hebben, taal, verstand, rede,
herinnering, kennisse Gods, geweten, zondebewustzijn, berouw, offers,
vasten, gebed, tradities over eene gouden eeuw, over den zondvloed
enz. De eenheid van het menschelijk geslacht, door de Schrift geleerd,
wordt door dit alles ten sterkste bevestigd. Zij is ten slotte geen
onverschillige zaak, gelijk soms is beweerd. Zij is integendeel van
het hoogste belang; zij is de onderstelling van religie en moraal. De
solidariteit van het menschelijk geslacht, de erfzonde, de verzoening
in Christus, de universaliteit van het rijk Gods, de katholiciteit
der kerk, de naastenliefde, zijn daarop gebouwd. Verg. Zöckler, Die
einheitl. Abstammung des Menschengeschlechts, Jahrb. f. d. Theol.
1863 S. 51-90, Id. Gesch. der Bez. II 768 f. Id. Lehre vom Urstand
231 f. Rauch, Die Einheit des Menschengeschlechts, Augsburg 1873. Th.
Waitz, Ueber die Einheit des Menschengeschlechts und den Naturzustand
des Menschen, Leipzig 1859. H. Ulrici, Gott und der Mensch, I 2 S.
146 f. Lotze, Mikrokosmos II³ S. 101 f. Peschel, Völkerkunde S. 14 f.
Reusch, Bibel und Natur S. 459 f. Schanz, Apol. des Christ I 318-333.
Vigouroux, Les livres saints IV 1-120. Delitzsch, Neuer Comm. zu
Genesis S. 199. Hettinger, Apol. des Christ. I⁷ S. 223-280.
6. Eindelijk is er ook verschil over de oorspronkelijke woonplaats, van
den mensch. Genesis verhaalt, dat God, nadat Hij Adam geschapen had,
een hof plantte in Eden. Eden, עֵדֶן, vreugde, vreugde-land, is
dus niet hetzelfde als het paradijs maar is een landstreek, waarin de
hof of tuin, גַן, LXX παραδεισος, volgens Spiegel van het zendsche
pairidaêze omtuining, geplant werd. Dit paradijs heet dan verder hof
van Eden, Gen. 2:15, 3:23, hof Gods, Ez. 31:8, 9, hof van Iahveh,
Jes. 51:3, en wordt soms met Eden vereenzelvigd, Jes. 51:3, Ezech.
28:13, 31:9. Verder plantte God dien hof in Eden מִקֶּדֶם, van het
oosten af, oostwaarts, tegen het oosten, nl. van het standpunt des
schrijvers uit. Van de landstreek Eden ging een stroom uit om den hof
te bewateren; en van daar, d. i. van dien hof uit, bij zijn uitstroomen
uit den hof verdeelde hij zich in vier hoofden of takken, die de namen
van Pison, Gihon, Hiddekel en Phrath dragen. De beide laatste rivieren
zijn de Tiger en de Eufraat; maar over de beide eerste is er altijd
verschil geweest. De kerkvaders dachten even als Josephus bij den
Pison gewoonlijk aan den Ganges en bij den Gihon aan den Nijl. Maar een
nauwkeurig onderzoek naar de ligging van het paradijs werd door hen
niet ingesteld. Het aardsche paradijs vloeide voor hen dikwerf met het
hemelsche saam en werd dan allegorisch verklaard. Augustinus, de Gen.
ad litt. VIII, 1 zegt, dat er drie gevoelens waren over het paradijs.
Sommigen vatten het op als een aardsch, anderen als een hemelsch
paradijs en nog anderen vereenigen beide meeningen. Wie het hielden
voor een aardsch paradijs, dachten dan, dat het zeer hoog gelegen was
geweest tusschen hemel en aarde in, dat het zelfs reikte tot aan de
maan, of dat heel de aarde eens het paradijs was geweest, of dat het
gelegen had aan gene zijde van den oceaan. Volgens sommigen was het
paradijs na den val geheel en al verwoest, vooral door den zondvloed;
volgens anderen bestond het nog maar, was het door bergen en zeeën
ontoegankelijk geworden; en nog anderen meenden, dat het opgenomen was
in den hemel. De eerste, die de ligging van het paradijs geographisch
trachtte aan te wijzen, was Augustinus Steuchus uit Gubbio, vandaar
Eugubinus, † 1550. In zijn in 1535 te Lyon verschenen werk Kosmopoiia
ontwikkelde hij de zoogenaamde Pasitigrishypothese, volgens welke de
vier rivieren de mondingen zijn van één grooten stroom, den vereenigden
Tiger-Eufraat, en het paradijs dus gelegen had in de nabijheid der
tegenwoordige stad Korna. Deze hypothese vond veel bijval bij Roomschen
als Pererius, Jansen, Lapide, Petavius, Mersenna, bij Gereformeerden
als Calvijn op Gen. 2:10, Marck, Histor. Paradisi 1705 lib. I, bij
Lutherschen e. a. en werd gewijzigd overgenomen door Pressel, art.
Paradies in Herzog¹. Omstreeks het midden der 17e eeuw kwam daarnaast
de zoogenaamde Armeniehypothese, die reeds door Rupert van Deutz,
Pellicanus, Fournier voorbereid was en dan vooral door Reland, Hoogl.
te Utrecht † 1706 ontwikkeld werd. Deze houdt Pison voor den Phasis,
Gihon voor den Araxes, Havila voor Colchis, Cusch voor het land der
Κοσσαιοι tusschen Medië en Susiana, en zocht dus het paradijs veel
noordelijker, nl. hoog in Armenie, ongeveer tusschen Erzerum en Tiflis.
Ze maakte nog meer opgang dan de Pasitigris-hypothese en werd in den
tegenwoordigen tijd nog verdedigd door von Raumer, Kurtz, Baumgarten,
Keil, Lange, Delitzsch, Rougemont enz. Daarentegen zocht Friedrich
Delitzsch in zijn werk: Wo lag das Paradies, Leipzig 1881 de ligging
van het paradijs weer zuidelijker, n.l. in het landschap bij Babylon,
dat om zijne schoonheid door de Babyloniërs en Assyriërs „tuin van
den God Dunias” werd genoemd; de stroom uit Eden was dus de Eufraat
in zijn bovenloop, Pison en Gihon waren twee kanaalrivieren. Anderen
echter zijn veel verder gegaan en zien in het paradijsverhaal eene sage,
die allengs van het oosten naar het westen is gewandeld en waarin
Pison en Gihon oorspronkelijk den Indus en den Oxus aanduiden, J. D.
Michaelis, Knobel, Bunsen, Ewald enz. Anderen zien er een mythe in,
waarin Havila het goudland der sage voorstelt en de Gihon de Ganges
of de Nijl is, Paulus, Eichhorn, Gesenius, Tuch, Bertheau, Schrader e.
a. De meeste anthropologen en linguisten rekenen in het geheel niet
meer met Gen. 2 en noemen gansch andere landen als oorspronkelijke
woonplaats van den mensch. Maar ze zijn ver van eenstemmig en hebben
ongeveer aan alle landen deze eer toegekend. Romanes, Klaproth, de
Gobineau, George Browne noemden Amerika, Spiller dacht aan Groenland,
omdat de poolstreken na de afkoeling der aarde het eerst bewoonbaar
waren, Wagner hield Europa voor het land, waar de aap het eerst tot
mensch zich ontwikkeld had. Unger noemde bepaald Stiermarken, L.
Geiger Duitschland, Cuno en Spiegel Zuid-rusland, Poesche de streek
tusschen Dniepr en Njemen, Benfey en Whitney Midden-europa, Warren de
Noordpool. Anderen als Darwin, Huxley, Peschel e. a. gaven de voorkeur
aan Afrika, omdat daar in gorilla en chimpanse de naaste verwanten
van den mensch werden aangetroffen. En Link, Häckel, Hellwald,
Schmidt vonden een zeker land Lemuria uit, waar de apen het eerst
menschen werden en dat gelegen had tusschen Afrika en Australië maar
toevallig aan het einde der tertiaire periode in de diepte der zee was
verdwenen. Velen nemen daarbij ook niet slechts ééne oorspronkelijke
woonplaats van den mensch aan, maar zijn van meening dat de evolutie
van dier tot mensch in verschillende deelen der aarde heeft plaats
gehad, en vereenigen alzoo het darwinisme met het polygenisme; zoo
bijv. Häckel, Vogt, Schaaffhausen, Caspari, Fr. Müller enz. Reeds dit
groote verschil tusschen de anthropologen toont, dat de wetenschap tot
dusver hier niets met eenige zekerheid vaststellen kan. Zij verliest
zich in gissingen maar weet aangaande oorsprong en woonplaats van den
eersten mensch niets. Er is dan ook geen enkel feit, dat ons dwingt de
bepaling der H. Schrift aangaande Eden prijs te geven. Veeleer leveren
ethnologie, linguistiek, historie en natuurwetenschap ons gegevens,
die Azië als de oorspronkelijke woonplaats van den mensch waarschijnlijk
maken. Noch Afrika, noch Europa, noch Amerika en nog veel minder een
land als Lemuria kan daarop zooveel aanspraak maken als Azië. Hier
vinden we de oudste volken, de oudste beschaving, de oudste talen; heel
de oude geschiedenis wijst ons naar dit werelddeel heen. Van uit dit
deel der aarde is Europa en Afrika, Australië en ook Amerika bevolkt.
Wel doen zich hier vele vragen voor, waarop nog geen antwoord te
geven is. En vooral is het onzeker, hoe en wanneer Amerika bevolkt is
geworden, Zöckler, Gesch. der Bez. I 542 f. Peschel, Völkerkunde 402
f. Vigouroux, Les livres saints IV 98 s. Dr. E. Schmidt, Die aeltesten
Spuren des Menschen in N. Amerika, Nº 38 en 39 van de Deutsche Zeit-
und Streitfragen, Wetenschappelijke Bladen 1895. Maar deze bezwaren
werpen geenszins de leer der Schrift omver, dat Azië de bakermat
der menschheid is. Over de ligging van het paradijs en van Eden moge
verschil van gevoelen bestaan, zoodat het beurtelings in het midden,
oosten, zuiden van Azië is geplaatst; zelfs moge de geographie niet
meer kunnen worden vastgesteld; Schrift en wetenschap getuigen beide,
dat in Azië de oorspronkelijke woonplaats van den mensch is te zoeken,
Peschel, Völkerkunde S. 35-41. Zöckler, Gesch. der Bez. passim, vooral
I 128 f. 170 f. 395 f. 654 f. II 779 f. Id. Lehre vom Urstand 216
f. Herzog art. Paradies van Pressel, Herzog² art. Eden van Rütschi.
Reusch, Bibel und Natur, 498 f. Zöckler, Bibl. u. Kirchenhist. Studien,
München 1893 V 1-38. Delitzsch, Neuer Comm. zu Genesis S. 81 f.
§ 33. HET WEZEN VAN DEN MENSCH.
1. Het wezen van den mensch ligt daarin, dat hij Gods beeld is. De
gansche wereld is eene openbaring Gods, een spiegel van zijne deugden
en volmaaktheden; elk schepsel is op zijne wijze en in zijne mate
belichaming van eene Goddelijke gedachte. Maar onder alle schepselen is
alleen de mensch beeld Gods, de hoogste en rijkste openbaring Gods en
tegelijk daardoor het hoofd en de kroon der gansche schepping, imago
Dei en compendium naturae, μικροθεος en μικροκοσμος te zamen. Zelfs
Heidenen hebben deze waarheid erkend en den mensch Gods beeld genoemd.
Pythagoras bij Cicero, de senect. c. 21. Plato, de Leg. IV 713 C. de
Rep. III 415 A. X 517. Ovidius, Met. I. Cicero, de Leg. I 8. Seneca, de
cons. ad Helv. 6 en anderen spreken het klaar en duidelijk uit, dat de
mensch of althans zijne ziel naar Gods beeld geschapen is, dat hij Gode
verwant en zijn geslacht is, cf. Pfanner, Syst. theol. gent. 1679 p.
189 sq. En dat niet alleen, maar schier alle volken hebben tradities
van een gouden tijdvak, een aurea aetas. Bij Chineezen, Indiërs,
Eraniërs, Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken, Romeinen enz. treft men
verhalen aan van een vroegeren tijd, waarin de mensch in onschuld en
zaligheid leefde en in gemeenschap stond met de goden. Ze werden door
de dichters bezongen, Hesiodus, Op. et dies 109 sq. Ovidius, Met. I 89
sq. Verg. Georg. I 125 sq. Aen. VIII 315 sq. en door de wijsgeeren in
hun waarheid erkend, Plato, Pol. 272 A. cf. J. G. Friderici, diss. de
aurea aetate quam poetae finxerunt, Lips. 1736. Lüken, Traditionen des
Menschengeschl. 1869. Zöckler, Lehre v. Urstand des Menschen 1879 S. 84
f. Oswald, Relig. Urgesch. der Menschheit 1887 S. 37 f. E. L. Fischer,
Heidenthum und Offenbarung, Mainz 1878. Zöckler, Bibl. u. Kirchenhist.
Studien, 1893 V 1 f. Toch stelt de H. Schrift deze leer van ’s menschen
Ebenbildlichkeit met God eerst in het ware, volle licht. Het eerste
scheppingsverhaal bericht, dat God na opzettelijke beraadslaging den
mensch schiep בְּצַלְמֵנוּ כִּדְמוּתֵנוּ, κατ’ εἰκονα ἡμετεραν και
καθ’ ὁμοιωσιν, ad imaginem et similitudinem nostram, Gen. 1:26, 27.
Voorts wordt Gen. 5:1 en 9:6 nog herhaald, dat God den mensch schiep
בְּהֵמוֹת אֱלֹהִים, en בְּצֶלֶם אֱלֹהִים; Psalm 8 bezingt den
mensch als heer van het geschapene, en Pred. 7:29 herinnert, dat God
den mensch יָשָׁר heeft gemaakt. Overigens spreekt het O. Test.
weinig van den status integritatis; Israel was meer dan eenig ander
volk een volk der hope; zijn oog was niet naar het verleden maar naar
de toekomst gericht. Zelfs het N. Test. spreekt betrekkelijk zelden
over het beeld Gods, waarnaar de mensch oorspronkelijk geschapen werd.
Rechtstreeks vinden we daarvan alleen melding in 1 Cor. 11:7, waar de
man εἰκων και δοξα θεου heet, en Jak 3:9, waar van de menschen gezegd
wordt, dat ze καθ’ ὁμοιωσιν θεου γεγονοτας; terwijl Lukas 3:38 Adam den
zoon van God noemt en Paulus met een heidensch dichter zegt: του γαρ
και γενος ἐσμεν, Hd. 17:28. Zijdelings echter is ook Ef. 4:24 en Col.
3:10 hier van groote beteekenis; er is daar sprake van den καινος of
νεος ἀνθρωπος, dien de geloovigen moeten aandoen; en van dezen heet
het, dat hij in overeenstemming met God, κατα θεον, geschapen werd,
κτισθεντα, in gerechtigheid en heiligheid der waarheid, en tot kennis
vernieuwd wordt κατ’ εἰκονα του κτισαντος αὐτον. Er ligt hier in 1º
dat de nieuwe mensch, dien de geloovigen aandoen, door God geschapen
werd; 2º dat deze nieuwe mensch in overeenstemming met God en naar zijn
beeld is gemaakt, en 3º dat die overeenstemming bepaaldelijk uitkomt
in de gerechtigheid en heiligheid als vrucht der gekende waarheid.
Dit slaat echter in zooverre op de oorspronkelijke schepping terug,
als de woorden, waarvan Paulus zich bedient, duidelijk daaraan zijn
ontleend; als de tweede schepping naar heel de leer der Schrift,
geen creatio ex nihilo is maar eene vernieuwing van wat bestond; en
als het ἀνακαινουσθαι van den geloovige deze schepping duidelijk als
eene hernieuwing beschrijft. Aan Ef. 4:24 en Col. 3:10 ligt daarom de
gedachte ten grondslag, dat de mensch oorspronkelijk naar Gods beeld
werd geschapen en nu in de herschepping daarnaar vernieuwd wordt.
Maar de Schrift verhaalt niet alleen het feit van de schepping des
menschen naar Gods beeld, zij verklaart er ons ook de beteekenis van.
De beide woorden צלם en דמות, εἰκων en ὁμοιωσις, zijn zeker
niet identisch, maar een wezenlijk, zakelijk onderscheid is er toch
niet tusschen aan te wijzen. Zij worden promiscue gebruikt en wisselen
zonder bepaalde reden met elkander af. In Gen. 1:26, cf. 5:3 staan ze
beide; in Gen. 1:27 en 9:6, cf. Col. 3:10 staat alleen beeld; in Gen.
5:1, Jak. 3:9 alleen gelijkenis. Het onderscheid, dat er tusschen beide
bestaat, komt hierop neer: דמות beteekent beeld, zoowel Urbild als
Abbild, דמות beteekent gelijkheid, zoowel Vorbild als Nachbild.
Der Begriff von דמות ist starrer, der von דמות flüsziger und
so zu sagen geistiger; in jenem übewiegt die Vorstellung des Urbilds,
in diesem die Vorstellung des Ideals, Delitzsch, op Gen. 1:26. De
gelijkenis is eene nadere bepaling, eene versterking en aanvulling van
het beeld. Gelijkenis is op zichzelf zwakker en ruimer dan beeld; een
dier heeft wel eenige trekken van gelijkheid en overeenkomst met, maar
is toch geen beeld van den mensch. Beeld drukt uit, dat God archetype
en de mensch ectype is; gelijkenis voegt er aan toe, dat dat beeld in
allen deele met het origineel overeenkomt, Augustinus, quaest. 83 qu.
74. Thomas, S. Theol. I. qu. 93 art. 9. Gerhard, Loci theol. VIII § 18.
Polanus, Synt. Theol. V 10 enz. Even weinig als tusschen deze beide
begrippen, is er een wezenlijk onderscheid tusschen de praeposities
ב en כ, die hierbij gebruikt worden. Ook deze wisselen met
elkaar af; in Gen. 5:1 staat ב bij דְמוּת, in vers 3 evenzoo
en tevens כ bij צֶלֶם; in het N. T. staat κατα bij εἰκων, Col.
3:10, maar ook bij ὁμοιωσις, Jak. 3:9. Er kan hier dus niets op gebouwd
worden; alleen laat zich met Delitzsch zeggen: bei ב denkt man
sich die Urform gleichsam als Gussform, bei כ als vorgehaltenes
Muster. Er bestaat daarom geen grond, om met Böhl, Dogm. 154 f. uit
die praepositie ב af te leiden, dat het beeld Gods een sfeer en
element is, waarin de mensch geschapen werd, cf. daartegen Kuyper,
De Vleeschwording des Woords, 1887 bl. VIII v. Daubanton, Theol.
Stud. 1887 bl. 429-444. Behalve deze woorden, biedt de Schrift voor
den inhoud van het beeld Gods de volgende gegevens. Vooreerst is het
duidelijk, dat de woorden beeld en gelijkenis niet iets uitdrukken in
God maar in den mensch, niet aanduiden de imago increata maar de
imago creata. De bedoeling is niet, dat de mensch geschapen is naar
iets in God, dat den naam van beeld en gelijkenis draagt, zoodat b.v.
daarmede de Zoon zou zijn aangeduid; maar de mensch is zoo naar God
geschapen, dat hij zijn beeld en gelijkenis is. Vervolgens wordt deze
schepping naar Gods beeld in geen enkel opzicht beperkt, noch naar de
zijde der archetype noch naar die der ectype. Er wordt niet gezegd,
dat de mensch alleen naar enkele deugden of ook naar één persoon in
het Goddelijk wezen is geschapen, noch ook, dat de mensch slechts voor
een deel, naar de ziel of naar het verstand of naar de heiligheid
alleen, Gods beeld en gelijkenis draagt. Veeleer is de gansche mensch
beeld der gansche Godheid. Ten derde wordt de beteekenis van het
beeld Gods ons nader verklaard door den Zoon, die in geheel eenigen
zin λογος, υἱος, εἰκων, χαρακτηρ του θεου heet, Joh. 1:1, 14, 2 Cor.
4:4, Col. 1:15, Hebr. 1:3, en wien wij weder gelijk moeten worden, Rom.
1:29, 1 Cor. 15:49, Phil. 3:21, Ef. 4:23 v., 1 Joh. 3:2. De zoon
draagt nu al deze namen, omdat Hij God uit God en licht uit licht is,
hetzelfde wezen en dezelfde deugden met den Vader deelachtig. Hij heet
alzoo niet van wege een deel of stuk van zijn wezen, maar omdat Hij
absoluut met den Vader overeenkomt. Dit nu geldt op zijne beurt ook
van den mensch. Gelijk de Zoon, zoo is de mensch als zoodanig, geheel
en al, beeld Gods. Hij draagt maar niet, hij is het beeld Gods. Echter
natuurlijk met dit verschil, dat wat de Zoon in absoluten zin is, de
mensch is in relatieven zin. Gene is de eeuwige, eeniggeboren Zoon;
deze is de geschapen zoon Gods. Gene is het beeld Gods binnen, deze
buiten het Goddelijk wezen. Gene is het beeld Gods op Goddelijke, deze
op creatuurlijke wijze. Maar zoo is de mensch dan ook in zijne mate
beeld en gelijkenis Gods. Eindelijk ten vierde wordt hier en daar ook
aangewezen, waarin dat beeld zich openbaart en naar buiten treedt.
Nergens wordt de volle inhoud van dat beeld Gods ontvouwd. Maar Gen.
1:26 wijst duidelijk aan, dat dat beeld Gods uitkomt in zijne heerschappij
over al het geschapene, cf. Ps. 8, 1 Cor. 11:7. De schildering van
den paradijstoestand in Gen. 1 en 2 toont, dat dat beeld Gods ook
de overeenstemming met den wil Gods insluit, cf. Pred. 7:29. En de
herschepping naar het beeld van God of Christus wordt voornamelijk
gesteld in het aandoen van den nieuwen mensch, die o. a. bestaat in
gerechtigheid en heiligheid der waarheid.
2. Over den inhoud van het beeld Gods heerschte in de christelijke
kerk aanvankelijk allerlei verschil van gevoelen. Het werd nu eens
gesteld in ’s menschen lichaam, dan in zijne redelijke natuur, of in zijne
wilsvrijheid, dan weer in zijne heerschappij of ook in andere zedelijke
deugden zooals liefde, gerechtigheid enz., cf. plaatsen bij Suicerus s.
v. εἰκων. Petavius, de sex dier. opif. II c. 2. Münscher-v. Coelln I
339 f. Hagenbach § 56. Maar langzamerhand komen toch twee opvattingen
duidelijk naast en tegenover elkander te staan, die beide zich beroepen
op de onderscheiding van צלם en דמות. Sommigen nl. zooals
Clemens Alex., Strom. II c. 22. Origenes, de princ. III 6 e. a. merkten
op, dat Gen. 1:26 wel zegt, dat God den mensch wil scheppen naar zijn
beeld en gelijkenis, maar dat Hij hem volgens vers 27 feitelijk alleen
schept naar zijn beeld, d. i. met eene redelijke natuur, opdat de mensch
nu de gelijkenis met God zelf in den weg der gehoorzaamheid verwerven en
aan het einde als loon uit Gods hand ontvangen zou. Anderen daarentegen
waren van oordeel, dat de mensch met het beeld, d. i. de redelijke
natuur, ook terstond de gelijkenis als gave ontving, en dat hij, deze
door de zonde verloren hebbende, ze door Christus herkrijgt, Irenaeus,
adv. haer. V 16, 2. Athan. c. Ar. II 59 c. Gent. 2. de incarn. 3. De
eerste opvatting, die men de naturalistische zou kunnen noemen, vond
steun in de leer der wilsvrijheid, waardoor men de heiligheid zich niet
denken kon als eene terstond aan den mensch geschonkene gave Gods,
maar slechts als een door den mensch zelf in den weg van zedelijke
inspanning te verwerven goed, Harnack II 134 f. Velen leerden dan ook,
dat de eerste mensch geschapen was in een toestand, niet van positieve
heiligheid maar van kinderlijke onschuld, Tertull., de an. 38. Theoph.,
ad Autol. II 24. 27. Iren. adv. haer. IV 38. Op zulke uitspraken beriep
zich later Pelagius, als hij het wezen en den oorspronkelijken toestand
des menschen stelde in zedelijke indifferentie, in niets dan formeele
kiesvrijheid. Het beeld Gods bestaat alleen in de door God geschonken
naturalis possibilitas perfectionis, welke onverliesbaar is en daarom
nu nog het deel is van ieder mensch. God schenkt het posse, maar
onzer is het velle, August. de gratia Christi I 3 sq. Later vond deze
opvatting ingang bij de Socinianen, die het beeld Gods alleen gelegen
achtten in de heerschappij, Fock, Der Socin. 484; bij de Wederdoopers,
die zeiden, dat de eerste mensch als eindig, aardsch schepsel nog niet
beeld Gods was maar het door wedergeboorte eerst worden kon, Menno
Simons, Werken 125. 126. 180, cf. Erbkam, Gesch. der prot. Sekten 461.
Cloppenburg, Op. II 144 sq.; bij de Remonstranten, Conf. V 5. Apol.
conf. ib. Episcopius, Inst. theol. IV 3, 7. Limborch, Theol. Chr. II
24, 5; bij de Rationalisten en Supranaturalisten, Wegscheider, Inst.
theol. § 99. Bretschneider, Dogm. § 115. 116. Reinhard, Dogm. § 70;
en bij vele nieuwere theologen, Dorner, Gl. I 515. Lange, Dogm. II 298
f. Müller, Sünde II 457 f. Beck, Lehrw. I 186 f. Chr. Gl. II 328 f.
Martensen, Dogm. 139. Kahnis, Dogm. I 432. Zöckler, Lehre v. Urstand
des Menschen 1879 S. 40 f. 333. Grétillat, Theol. syst. III 464 S.
Hofstede de Groot, Gron. Godg. 89v. Doedes, Leer der Zaligheid § 24.
Ned. Geloofsbel. 145. Heid. Catech. 69 enz., die allen den status
integritatis laten bestaan in een toestand van kinderlijke onschuld.
Gewoonlijk houden al deze theologen nog wel vast aan de historische
waarheid van zulk een oorspronkelijken toestand. Maar zakelijk komen
zij in de opvatting van het beeld Gods bij den eersten mensch geheel
overeen met hen, die, de idee losmakende van het feit, de werkelijkheid
van den status integritatis loochenen en het beeld Gods alleen stellen
in de vrije persoonlijkheid, in de redelijke of zedelijke natuur, in
den religieus-ethischen aanleg, in de bestemming des menschen tot
gemeenschap met God, Kant, Relig. ed. Rosenkranz 27 f. Fichte, Die
Bestimmung des Menschen 1800. Hegel, Werke XI 183 f. Schleiermacher,
Gl. § 59-61. Strauss, Gl. II 72. Biedermann, Dogm. II 562 f. Lipsius,
Dogm. § 420. 440. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III³ 314. Nitzsch, Ev.
Dogm. 306 f. Bovon, Dogm. Chrét. I 132. 139. Scholten, L. H. K. I
304v. II 67v. Ongemerkt leidt deze opvatting dan heen tot de leer der
evolutie, volgens welke het wezen des menschen gelegen is niet in
wat hij was of is maar in hetgeen hij in eindelooze ontwikkeling door
eigen krachtsinspanning worden kan. Het paradijs ligt niet achter maar
vóór ons. Een ontwikkelde aap verdient de voorkeur boven een gevallen
mensch. Oorspronkelijk het beeld dragend van orang-oetan en chimpanse,
hief de mensch allengs uit een toestand van ruwe brutaliteit tot dien
van edele humaniteit zich op, cf. litt. deel I 236.
3. Het behoeft geen betoog, dat de H. Schrift tegen deze leer der
evolutie lijnrecht overstaat. De christelijke kerken hebben dan ook
de naturalistische, pelagiaansche opvatting van het beeld Gods en
van ’s menschen oorspronkelijken toestand bijna eenparig verworpen.
Behalve de vroeger reeds weerlegde argumenten voor de darwinistische
hypothese, zijn er ook eigenlijk geen rechtstreeksche, historische
bewijzen voor den dierlijken toestand des menschen, gelijk de evolutie
zich dien denkt. De beenderen en schedels van menschen, die gevonden
zijn, zijn bij nader onderzoek alle gebleken van wezens afkomstig te
zijn, in aard volkomen aan ons gelijk. Zoover wij in de historie terug
kunnen gaan, ontdekken wij een toestand van vrij hooge beschaving, in
China, Indië, Babylonië, Egypte; en elk bewijs ontbreekt, dat de
volken aldaar uit een dierlijken toestand zich hebben ontwikkeld. Het
beroep op de zoogenaamde natuurvolken, die overigens ook niet van alle
beschaving zijn ontbloot, is van geen kracht. Want het is onbewijsbaar,
dat zij dichter dan de cultuurvolken bij den oorspronkelijken toestand
des menschen staan. Veeleer is er grond om te gelooven, dat zij,
van de menschheid afgezonderd, allengs vervallen zijn tot een staat
van barbaarschheid. Geen dier volken toch heeft zich alleen door
eigen middelen uit dien toestand kunnen opheffen. Zij dragen allen
het karakter van gedegenereerden, die, evenals takken, afgescheurd
van den boom, zonder nieuwe levenskracht van buiten, wegsterven en
verdwijnen, Waitz, Ueber die Einheit des Menschengeschlechts und den
Naturzustand des Menschen 1859 S. 334 f. Peschel, Völkerkunde, 5te
Aufl. 135 f. Zöckler, Gesch. der Bez. II 744 f. Vigouroux, Les livres
saints IV 171 s. De vraag naar den primitieven toestand des menschen
is dan ook eigenlijk geen historische maar eene wijsgeerige vraag; die
toestand gaat immers aan alle historische getuigenissen vooraf. Het
antwoord, dat men op die vraag geeft, wordt bepaald door de gedachte,
die men zich vormt van den mensch. Hoe meer dit wezen nu wordt
ingedacht, des te meer wordt het onmogelijk, om de geschiedenis des
menschen met een dierlijken, barbaarschen toestand te laten beginnen.
Leven, bewustzijn, taal, godsdienst, zede enz. zijn niet uit evolutie
te verklaren, maar onderstellen een eigen oorsprong, eene schepping
uit niets. Zelfs in de theologie der modernen komt dit nog uit. Wel
ontkennen zij de schepping naar Gods beeld en den status integritatis;
maar als het op het kritiekste aankomt, duikt eensklaps het denkbeeld
van schepping weer op. Het bewustzijn is iets specifiek menschelijks;
of althans de godsdienst heeft een eigen, oorspronkelijke principe
in den mensch; of, indien ook hier de evolutie wordt aanvaard,
dan houdt men toch bij het ethische halt en handhaaft daarvan de
zelfstandigheid; het zedelijk leven of de zedelijke aanleg is sui
generis en sui originis, Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 1v. 14. 213v. enz.
Maar deze positie tusschen creatie en evolutie in is een onhoudbaar
standpunt. Het is telkens door allerlei pelagiaansche richtingen in
de christelijke kerk ingenomen, omdat men zoowel in de schepping als
in de evolutie bezwaar had en dus naar eene bemiddeling zocht. De
eerste mensch was geen dier, maar ook geen volmaakt, heilig mensch;
hij was een onschuldig kind. Hij was noch positief goed noch positief
boos, maar hij stond tusschen beide in, was zedelijk indifferent, kon
het eene en het andere doen. Actu was hij niets, potentieel was hij
alles, vroom en goddeloos, heilig en onheilig, goed en kwaad. De
aanleg, het posse, is door schepping ontstaan, maar alwat nu op dien
potentieelen grondslag wordt opgetrokken, is ’s menschen eigen wil
en werk. Nu ligt er in deze voorstelling, gelijk wij in de volgende
paragraaf zien zullen, wel iets waars, inzoover de eerste mensch nog
niet het hoogste had en dus inderdaad zich te ontwikkelen had. Maar
hiervan afgedacht, is zij toch om vele redenen geheel onaannemelijk.
Vooreerst leert de Schrift duidelijk, dat de mensch, zoowel psychisch
als physisch, volwassen is geschapen, in virili aetate, August. de
Gen. ad lit. VI c. 13, 14. Lombardus, Sent. II dist. 17. Het verhaal
in Genesis over de eerste menschen is zeer eenvoudig, maar de toestand
dier eerste menschen is niet die van eenvoudige, onnoozele kinderen
maar van volwassen, welbewuste en vrijhandelende wezens. De schepping
naar het beeld Gods, Gen. 1:27, Pred. 7:29, Ef. 4:24, Col. 3:10, de
zegen der vermenigvuldiging, Gen. 1:28, de Goddelijke goedkeuring,
Gen. 1:31, het proefgebod, Gen. 2:17, de naamgeving der dieren, Gen.
2:19, de uitspraak over Eva, Gen. 2:23, 24, de wijze der verzoeking,
Gen. 3:1v., en de houding van Adam en Eva na den val, Gen. 3:7 v.
bewijzen te over, dat de eerste menschen niet indifferent maar positief
goed zijn geschapen. Het eenige tegenbewijs zou daaraan ontleend kunnen
worden, dat bij de eerste menschen de schaamte ontbrak. En die is dan
ook altijd door de tegenpartij als een zeer krachtig argument te berde
gebracht. Dit kan echter daarom niet gelden, wijl het geslachtsleven
vóór den val zeer goed aan den eersten mensch bekend was, Gen. 1:27,
28, 2:23, 24, en de schaamte niet uit de ontwaking van het sexueele
leven, maar bepaaldelijk uit den val wordt afgeleid. Ten tweede lijdt
deze voorstelling aan halfslachtigheid en maakt ze het probleem, dat
hier voorligt, nog ingewikkelder. Halfslachtig is ze, inzoover ze
eenerzijds de evolutie en toch, op een bepaald punt aangekomen, weer
de creatie huldigt. Ze wil van geen schepping van actus weten, maar
neemt toch schepping van potentiae aan. Ze spreekt van Fähigkeit ohne
Fertigkeit; en acht de schepping van een kind, beide in physischen en
in psychischen zin, eenvoudiger en redelijker dan van een volwassene.
Dit is nu op zich zelf reeds ongerijmd, want wie de potentiae door
schepping laat ontstaan en niet door evolutie, kan tegen de leer van
de justitia originalis en den status integritatis principieel geen
bezwaar meer hebben. Maar het maakt de zaak ook nog moeilijker te denken
bovendien. Eene potentie ontwikkelt zich niet uit zichzelf zonder
meer tot actualiteit. Max Müller zeide terecht: wenn wir es versuchen
wollten, uns den ersten Menschen als Kind geschaffen und allmählich
seine physischen und geistigen Kräfte entfaltend zu denken, so könnten
wir nicht begreifen, wie er nur einen Tag ohne übernatürliche Hülfe zu
leben vermochte, Vorles. über die Wiss. der Sprache I³ Leipzig 1875
S. 410. In denzelfden geest liet Schelling zich uit: Ich halte den
Zustand der Cultur durchaus für den ersten des Menschengeschlechts
u. s. w., Werke I 5 S. 286 f. 6 S. 57 f. II 1 S. 238 f. En ook J. G.
Fichte zeide: Es drängt sich die Frage auf, wenn es nothwendig sein
sollte, einen Ursprung des ganzen Menschengeschlechts anzunehmen, wer
erzog denn das erste Menschenpaar? Erzogen mussten sie werden--ein
Mensch konnte sie nicht erziehen. Also ist es nothwendig, dass sie
ein anderes vernünftiges Wesen erzogen, das kein Mensch war, es
versteht sich bestimmt nur so weit, bis sie sich selbst untereinander
erziehen konnten. Ein Geist nahm sich ihrer an, ganz so wie es eine
alte ehrwürdige Urkunde vorstellt, welche überhaupt die tiefsinnigste,
erhabenste Weisheit enthällt und Resultate aufstellt, zu denen alle
Philosophie am Ende doch wieder zurück kommen muss, Grundlage des
Naturrechts 1796. Om één wonder te ontgaan, moeten vele wonderen
worden aangenomen. Ten derde ligt aan deze voorstelling de dwaling
ten grondslag, dat er geen aangeboren heiligheid bestaanbaar is.
Heiligheid, zoo zegt men, is altijd vrucht van strijd en inspanning.
Indien Adam positief heilig werd geschapen, was hij noodwendig goed
en ging zijne vrijheid te loor, b.v. Rothe, Theol. Ethik § 480 f. Zoo
komt men er toe, om een toestand te fingeeren tusschen goed en kwaad,
heilig en onheilig in, een indifferenten staat, die aan het zedelijke
in bonam of malam partem voorafgaat, en waaruit de mensch zich dan
door vrije wilsbeslissing in de eene of de andere richting ontwikkelen
moet. De mensch wordt dan van allen intellectueelen en ethischen inhoud
beroofd, en het beeld Gods wordt gesteld in de pure, naakte, bloot
formeele persoonlijkheid, Nitzsch, Syst. der chr. Lehre S. 211. Müller,
Chr. Lehre v. d. Sünde I 154 f. 493 f. Kahnis, Dogm. I 432. Thomasius,
Dogm. I 110 f. Beck, Glaub. II 333. Doedes, Leer der Zaligheid bl.
55v. Zulk een begrip van persoonlijkheid is echter eene loutere
abstractie, waaraan in de werkelijkheid niets beantwoordt. Er is geen
mensch denkbaar zonder bepaalde qualiteiten van verstand en wil. Eene
volkomene indifferentie van den wil, zonder karakter, zonder neiging
ter eene of ter andere zijde, is eenvoudig eene onmogelijkheid. Gelijk in
de natuur alleen een goede boom goede vruchten kan dragen, zoo gaat
ook in het ethische leven de goede natuur aan de goede werken vooraf.
Operari sequitur esse. De Schrift leert dan ook, dat de heiligheid
beide in schepping en herschepping eene gave Gods is. Wie haar heeft,
kan haar verder ontplooien in woord en daad; maar wie ze mist, kan ze
zich nimmer verwerven. En eindelijk doet deze voorstelling te kort aan
de gerechtigheid Gods, die zijn schepsel heeft laten verzocht worden
boven vermogen; aan den ernst der verzoeking, die dan eene listige
bedriegerij wordt; aan het karakter van den val, die ophoudt eene
ontzettende schuld te zijn en verandert in een niet toerekenbaar ongeluk
en bijna niet af te wenden lot. Zij wischt de grenzen uit, die er bestaan
tusschen den status integritatis en den status corruptionis en laat den
mensch het beeld Gods, dat in iets zuiver formeels bestaat, ook na den
val ongestoord behouden. Zij denkt de verhouding tusschen het formeele
(de persoonlijkheid, de wilsvrijheid) en het materieele (het religieuse
en ethische leven) even los en dualistisch, als Rome deze voorstelt
tusschen pura naturalia en donum superadditum, alleen met dit verschil,
dat de heiligheid bij Rome eene vrucht der gratia is en bij Pelagius en
de zijnen een product der willekeur.
4. Naast en tegenover deze naturalistische opvatting van het beeld Gods
kwam eene andere voorstelling te staan, die wij de supranaturalistische
kunnen noemen, boven bl. 512. Zij kwam niet voort uit de onderscheiding
tusschen צלם en דמות, al is deze er later ook mede in verband
gebracht. Zij is ook niet gebouwd op de uitlegging van Gen. 1 en 2,
want velen erkennen, dat ze daar niet of althans niet letterlijk
voorkomt. Maar zij is afgeleid uit de in de christelijke kerk allengs
opgekomen idee van den status gloriae, waartoe de geloovigen door
Christus en zijn Geest worden verheven, Joh. 1:12, Rom. 8:14-17, 1 Cor.
2:7v., Ef. 1:15v., 2 Petr. 1:2v., 1 Joh. 3:1, 2 enz. cf. Scheeben,
Dogm. II 272-281. Langzamerhand werd deze status gloriae onder
neoplatonischen invloed opgevat als een toestand, die den staat der
natuur niet alleen in ethischen maar ook in physischen zin ver te
boven ging. Sedert de vierde eeuw trad in de christologische twisten
deze gedachte zoozeer op den voorgrond, dat de Godheid des Zoons en
des Geestes vooral daarmede werd betoogd, dat zij voor de menschen
de auteurs van hunne vergoddelijking waren. Het wezen van den status
gloriae komt steeds meer te liggen in de visio Dei per essentiam, in
de deiformitas, deificatio, in de niet slechts moreele maar physica
participatio divinae naturae, in de Verschmelzung mit Gott, cf. boven
152v. En bij deze leer van den status gloriae kwam nu nog die van de
verdienstelijkheid der goede werken. De gratia infusa, die in den doop
geschonken werd, was beslist noodig maar stelde den mensch ook in
staat, om zulke goede werken te doen, welke ex condigno de eeuwige
zaligheid, de visio Dei per essentiam, verdienen konden. Uit deze twee
gedachten, de mystische opvatting van ’s menschen eindbestemming en de
verdienstelijkheid der goede werken, is de Roomsche leer geboren van
het donum superadditum. Alexander Halesius was de eerste, die ze in
eene bepaalde formule bracht. De hemelsche zaligheid en de aanschouwing
Gods, die des menschen eindbestemming is en dit ook voor Adam was, kan
ex condigno niet verdiend worden dan door zulke goede werken, welke
met die eindbestemming in overeenstemming zijn, d. i. evenals deze een
bovennatuurlijk karakter dragen en dus uit een bovennatuurlijk beginsel,
de gratia infusa, voortvloeien. De justitia, welke Adam nu vanzelf als
mensch, als aardsch wezen, door de schepping bezat, was uit den aard
der zaak daartoe niet voldoende. En zoo moest dus ook aan Adam, om
zijne eindbestemming te bereiken, eene bovennatuurlijke genade worden
geschonken, nl. de gratia gratum faciens, het beeld Gods. Haec autem
sublimatio creaturae rationalis est supranaturale complementum; et ideo
nec consecratio nec adoptio nec assumptio hujusmodi fit per aliquam
proprietatem naturae sed per donum superadditum naturae, consecrans
naturam, ut sit templum, assimilans Deo, ut sit filius sive filia,
confoederans Deo sive uniens per conformitatem voluntatis, ut sit
sponsa; hoc autem fit a Deo mediante gratia gratum faciente, Halesius,
S. Theol. II qu. 91 membr. 1 art. 3. Deze leer vond algemeen ingang bij
de scholastici, Thomas, S. Th. I qu. 95. Bonaventura, Brevil. II c.
11. 12. V c. 1, en de comm. van Thomas, Bonav. Duns Scotus op Sent.
II dist. 29; werd opgenomen in den Catechismus Romanus, I 2 qu. 18,
3, later tegen de Hervormers, Bajus, Jansenius, Quesnel verdedigd en
gehandhaafd, Bellarminus, de gratia primi hominis, Denzinger, Enchir.
n. 881 sq., en vormt een van de belangrijkste en kenmerkendste loci
in de Roomsche theologie, cf. b.v. Becanus, Theol. Schol. I tract.
5. Casini, Controv. de statu purae naturae, afgedrukt als appendix
ad librum II de opif. sex dierum van Petavius, Theol. dogm. ed. 1868
IV p. 587-653. Theol. Wirceb. VII p. 145 sq. Perrone, Prael. theol.
III 166-182. Kleutgen, Theol. II² 6-151. 507-615. Scheeben, Dogm. II
239-514. Id. Natur u. Gnade 1861. Schäzler, Natur u. Gnade. Oswald,
Relig. Urgesch. der Menschheit 1887 S. 1-61. Simar, Dogm.³ S. 326
f. C. Pesch, Prael. III 76-111. Möhler, Symb. § 1 enz. Ofschoon er
echter in de hoofdzaak overeenstemming is, is er op ondergeschikte
punten toch allerlei verschil. Sommigen, zooals Halesius, S. Theol.
II qu. 96 m. 1. Bonaventura, Sent. II dist. 29 art. 2 qu. 2. Albertus
Magnus, Duns Scotus, Biel e. a. beweerden, dat de bovennatuurlijke
gave der gratia gratum faciens onderscheiden was van de justitia
originalis, welke de mensch terstond door de schepping van nature
bezat, en ook temporeel later dan deze was geschonken. Volgens hen
werd de mensch eerst geschapen met de justitia originalis; door deze
werd hij in staat gesteld, om de gratia gratum faciens ex congruo te
verdienen; en als hij deze ontvangen had, kon hij daardoor de hemelsche
zaligheid ex condigno verwerven. Maar Thomas had daartegen bezwaar,
omdat de gratia gratum faciens dan ook op verdiensten rustte, als eene
persoonlijke gave aan Adam niet door hem voor al zijne nakomelingen
had kunnen verloren of verworven worden en dan ook niet in den doop
aan kleine kinderen zonder verdienste kon geschonken worden; daarom
leerde Thomas, dat Adam in het moment der schepping tegelijk met de
justitia originalis ook de gratia ontvangen had, S. Theol. I qu. 100
art. 1. Sent. II dist. 20 qu. 2 art. 3. dist. 29 qu. 1 art. 1. Trente
vermeed in dit geschilpunt tusschen Franciscanen en Dominikanen de
beslissing en sprak alleen uit, dat Adam de justitia en sanctitas, in
qua _constitutus_ fuerat, verloren had, sess. V 1. Ofschoon de latere
theologen meest Thomas volgden en de justitia originalis _feitelijk_ en
_temporeel_ lieten samenvallen met de gratia gratum faciens; ideëel en
logisch bleef toch de opvatting dezelfde. De Roomsche theologie heeft
tweeërlei conceptie van den mensch: de mensch in puris naturalibus,
zonder de bovennatuurlijke genade, is wel zondeloos, maar heeft slechts
eene natuurlijke religie en deugd, en heeft zijne bestemming op aarde;
de mensch, begiftigd met het donum superadditum van ’t beeld Gods,
heeft eene bovennatuurlijke religie en deugd en heeft zijne bestemming
in den hemel. Maar met deze tweeërlei idee van den mensch was men er
nog niet. Zoodra men toch indacht, wat tot de eene en wat tot de andere
idee van den mensch behoorde, raakte men met verschillende gaven, aan
den eersten mensch geschonken, in verlegenheid. De immortalitas en de
impassibilitas konden niet in strikten zin natuurlijk heeten, want ze
waren geen eigenschappen van Adams aardsche lichaam als zoodanig en
konden verloren gaan. Ter andere zijde konden zij ook geen gevolg zijn van
de gratia gratum faciens, want dan zou de mensch in puris naturalibus,
zonder het donum superadditum, vatbaar voor dood en lijden zijn geweest,
en de dood ware dan geen straf voor de zonde. Evenzoo is het met de
concupiscentia gesteld. De strijd tusschen vleesch en geest is volgens
Rome natuurlijk; de onderwerping van het vleesch aan den geest is dus
iets bovennatuurlijks, niet met de schepping vanzelve reeds gegeven;
maar ze kan toch ook niet eerst aan de gratia gratum faciens te danken
zijn, want dan ware een zondeloos mensch zonder donum superadditum
niet mogelijk. Daarom moest tusschen de twee ideeën, welke Rome zich
vormt van den mensch, nog eene derde worden ingeschoven. En zoo is er
dus volgens Rome een mensch denkbaar en mogelijk met dona naturalia,
praeternaturalia en supernaturalia. Er is eene drieërlei gerechtigheid,
eene justitia naturalis, praeternaturalis en supernaturalis. Geen
wonder dat sommigen, zooals Berti, Norisius e. a. zulk een mensch, die
alleen begiftigd was met dona naturalia en praeternaturalia, zich niet
denken konden; naar Gods potentia absoluta ware zulk een mensch wel
mogelijk, maar naar zijne potentia ordinata niet; de visio beatifica
is feitelijk den mensch van nature eigen, saltem quoad inclinationem
et appetitum, Perrone, III 167. Oswald, Relig. Urgesch. 52 f. Pesch,
Prael. III 109. Maar ook als de denkbaarheid en mogelijkheid van een
mensch in puris naturalibus gehandhaafd wordt, is er nog allerlei
verschil in de leer van het beeld Gods. Sommigen onderscheiden beeld
en gelijkenis zoo, dat het eerste de dona naturalia, de tweede de
supernaturalia omvat; anderen zooals de Catech. Rom. laten beide op
de dona supernaturalia slaan. Halesius, Bonaventura, Thomas enz.
dachten bij de justitia originalis aan de justitia naturalis en duidden
de justitia supernaturalis aan als gratia gratum faciens; doch de
Catech. Rom. en de meeste latere theologen spreken juist van de dona
superaddita als justitia originalis. De immortalitas, impassibilitas,
het liberum arbitrium, de temperatio concupiscentiae worden nu eens
uit een divinum beneficium afgeleid, dan weer uit de imago of uit de
similitudo, en ook wel tot de justitia originalis gerekend, Thomas, S.
Th. I qu. 95 art. 1. Sent. II dist. 19 qu. 1 art. 4. Pesch, Prael. III
89 sq. De Catech. Rom. stelt alles naast elkaar en brengt het tot geen
eenheid: Adam was voor geen dood en lijden vatbaar divino beneficio;
zijne ziel werd geschapen naar Gods beeld en gelijkenis; bovendien werd
de begeerlijkheid beteugeld en aan de rede onderworpen; en eindelijk
voegde God daaraan nog toe de justitia originalis en de heerschappij, I
2 qu. 18, 3. En bij dat alles komt dan nog het verschil over de natuur
der gratia gratum faciens, over hare verhouding tot den Geest Gods, tot
de ziel en hare vermogens, tot de theologische deugden, tot de goede
werken enz., cf. later den locus de gratia. Genoeg, om te doen zien,
dat de Roomsche leer over het beeld Gods ook in zich zelve nog niet
afgewerkt is en mede daarom het theologisch denken niet bevredigen kan.
5. Vooreerst toch is deze leer gebouwd op eene onjuiste opvatting
van ’s menschen eindbestemming. De status gratiae en gloriae, waarin
de gemeente van Christus hier en hiernamaals deelt, wordt in de H.
Schrift op de schoonste wijze beschreven, als een kindschap Gods, als
gemeenschap aan de Goddelijke natuur, als aanschouwing Gods, als eeuwig
leven, als hemelsche zaligheid enz. Hierover is tusschen Rome en ons
geen verschil; geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord,
het is in het hart des menschen niet opgeklommen, hetgeen God in de
N. Test. bedeeling van het verbond der genade bereid heeft dien, die
Hem liefhebben, 1 Cor. 2:9. Maar Rome vat deze eindbestemming van den
mensch, welke door Christus gerealiseerd is, op als eene neoplatonische
aanschouwing van en eene mystische versmelting der ziel met God, cf.
boven 152v. en 518. En dit is niet de leer der H. Schrift. Al die
weldaden toch, welke Christus voor de zijnen verworven heeft, worden
hun niet eerst geschonken in den staat der heerlijkheid maar zijn in
beginsel hun deel reeds hier op aarde, 1 Cor. 2:9 en sluiten toch ook,
volgens Rome, de aanschouwing Gods per essentiam niet in. Het kindschap
Gods is eene vrucht des geloofs, Joh. 1:12, Rom. 8:14v. Gal. 4:6, 1
Joh. 3:1, 2. Het eeuwig leven wordt hier reeds genoten en bestaat in
een kennen van God in het aangezicht van Christus, Joh. 3:16, 36,
17:3. Christus is en blijft de weg tot den Vader, tot de kennis en de
aanschouwing Gods, Mt. 11:27, Joh. 1:18, 14:6, 1 Joh. 3:2b. De visio
Dei is alleen te verkrijgen in ethischen zin, Mt. 5:8, 1 Joh. 3:6.
Zelfs het deelgenootschap aan de θεια φυσις is niet iets toekomstigs
alleen, maar is een doel, dat de schenking van Gods beloften reeds hier
op aarde beoogt, 2 Petr. 1:4, en wederom ethisch vermittelt, Hebr.
12:10. Ten tweede wordt nergens in de H. Schrift geleerd, dat deze
status gloriae, die in den status gratiae op aarde reeds zijn aanvang
neemt, supranaturalis en superadditus is in Roomschen zin. Zeker gaat
deze staat van genade en heerlijkheid alle gedachte en verbeelding des
menschen zeer verre te boven, 1 Cor. 2:9, 13:12, 1 Joh. 3:2. Maar men
bedenke, dat het volgens 1 Cor. 2 de wijsheid der wereld, de geest der
wereld, de psychische mensch is, vs. 6, 8, 12, 14, voor welke deze
weldaden Gods eene verborgenheid zijn; en deze psychische mensch is de
mensch, die alleen door het animale leven zich laat leiden, van het
πνευμα ἐκ θεου verstoken, en daarom in zijn verstand verduisterd is.
Daarbij komt, dat hetgeen God aan de geloovigen schenkt en schenken zal,
ook voor hen zelven eene onverdiende gave der genade blijft, die hen
altijd weer tot bewondering en aanbidding stemt. En dan mag ook niet
vergeten, dat Christus niet alleen verwierf wat Adam verloor maar ook
wat Adam in den weg der gehoorzaamheid verworven zou hebben. Daarom
gaat het heilsgoed van het verbond der genade al onze gedachten zeer
verre te boven; maar er is met geen woord sprake van, dat het een
superadditum zou zijn, dat oorspronkelijk bij onze menschelijke natuur niet
hoorde. Ten derde is de conclusie onjuist, welke Rome uit deze weldaden
der genade in Christus afleidt voor den staat van Adam vóór den val.
Rome redeneert aldus: indien de status gloriae voor den herstelden
mensch bestaat in gelijkvormigheid aan God, dan moet hij daarin ook
bestaan hebben bij den eersten mensch. En indien die status gloriae
thans door de geloovigen niet bereikt wordt dan door den status gratiae
heen, dan geldt dit ook van Adam vóór den val. Het verband tusschen
den status gratiae en gloriae bestaat volgens Rome hierin, dat de
mensch in de rechtvaardigmaking de gratia infusa ontvangt en uit kracht
daarvan goede werken doet, die het eeuwige leven verdienen ex condigno.
Dit alles brengt Rome over op den eersten mensch. Ook hij had tot
eindbestemming den status gloriae; dezen kon hij niet bereiken dan door
den status gratiae heen; aan Adam werd alzoo eene gratia geschonken,
waardoor hij ex condigno het eeuwig leven verdienen kon. Evenals die
status gloriae is ook die gratia krachtens haar natuur supernatureel,
boven den psychischen mensch verheven, en dus een donum superadditum.
Deze redeneering van Rome is juist, in zoover ze uit het beeld Gods
bij den herstelden mensch besluit tot dat bij den eersten mensch. Er
is inderdaad niet meer dan één beeld Gods. Ze is ook juist, inzoover
ze aanneemt, dat de eindbestemming voor Adam geen ander was dan de
geloovige nu door Christus ontvangt, n.l. het eeuwige leven. Er is
werkelijk maar één ideaal voor den mensch. Maar zij is onjuist, doordat
zij tusschen gratia en gloria een verband van verdienstelijkheid legt en
dit verder ook op Adam toepast. De meritorische waarde der bona opera
kan eerst later in behandeling komen. Hier zij er alleen op gewezen, dat
ook al ware de Roomsche opvatting van ’s menschen eindbestemming juist,
zij toch nog geen recht geeft om de gratia optevatten in adaequaten,
supernatureelen zin. Er is immers ook zulk een verband mogelijk, dat
God aan bepaalde werken bepaalde beloften en gaven verbindt, zonder
dat deze daarom in strikten zin, ex condigno, er door verdiend zijn.
Van zoodanigen aard was de belofte des eeuwigen levens aan Adam in
geval van gehoorzaamheid, gelijk de Gereformeerden in hun leer over
het foedus operum leerden, cf. § 32. Er was een verdienste ex pacto,
niet ex condigno. De goede werken des menschen zijn nooit de hemelsche
heerlijkheid waard, ze wegen daartegen nimmer op. Rome voert echter
de verdienstelijkheid der goede werken, beide bij den geloovige en bij
Adam in, en doet daarom aan de genade te kort. De genade verandert bij
Rome geheel van karakter. Zij staat niet in ethische maar in physische
tegenstelling met de natuur. Zij onderstelt niet de zonde en schuld,
maar alleen eene lagere natuur. Zij maakt eenerzijds alles tot genade
en maakt daardoor juist, dat er heel geen genade meer is. Immers, de
gratia is bij Adam en bij den geloovige wel genade, maar in geen anderen
zin, dan waarin ook leven, verstand, wijsheid, kracht enz. genade zijn.
Er is geen reden, om alleen het donum superadditum genade te noemen;
dat Adam geschapen werd en verstand en wil ontving was dan evenzeer
genade, al is er ook quantitatief verschil in de gaven der genade.
En zoo wordt eigenlijk alles genade, wat in het eerste oogenblik door
God aan den mensch in schepping of herschepping geschonken wordt.
Maar ook alleen in dat eerste oogenblik. Want zoodra hij die eerste
gaven ontvangen heeft, gaat de mensch zelf volgens Rome door die
gratia aan den arbeid; en alles wat hij nu verder ontvangt, ontvangt
hij als loon voor zijne verdiensten. Zelfs het eeuwige leven is geen
genadegift Gods meer maar een waardig, passend, adaequaat loon voor
het werk van den mensch. Alleen kan het nog genadegift heeten, omdat
de kracht, die den mensch tot verdienen in staat stelde, genade was.
Juist zooals oudtijds de Pelagianen zeiden: het posse is van God, het
velle is van den mensch. Ten vierde is boven 520-521 aangewezen, dat
de Roomsche leer van het donum superadditum geleid heeft en leiden
moet tot drieërlei conceptie van den mensch. Voor Rome is er niet
ééne idee en ééne zedewet en ééne bestemming voor den mensch; maar
gelijk in de andere schepselen, zoo gaat ook in de menschenwereld de
hierarchie en de rangordening door. Er is in het afgetrokkene een homo
met justitia naturalis, een andere met justitia praeternaturalis,
een derde met justitia supernaturalis denkbaar. De eerste dezer
drie menschen is eigenlijk nog weinig boven het dier verheven; hij is
onderworpen aan de concupiscentia, aan de natuurlijke tegenstelling
tusschen vleesch en geest, aan de vatbaarheid voor lichamelijk lijden en
tijdelijken dood. Maar hij heeft in zijn wil toch nog de kracht om het
goede te doen, om de concupiscentia niet in zondige daden te laten
overgaan, en om alzoo een wel natuurlijk maar toch zondeloos leven te
leiden. Aan dit beeld is de mensch na den val vrij wel gelijk. Hoewel
de erfzonde nog dikwerf niet alleen negatief maar ook positief wordt
opgevat, is ze toch hoe langer hoe meer verzwakt, naarmate de physische
tegenstelling van natuur en genade de ethische antithese van zonde
en genade verving. Ze bestaat volgens velen alleen negatief in een
verlies van dat donum superadditum, dat aan den eersten mensch door
het goedvinden Gods geschonken werd, bv. Oswald, Relig. Urgesch. 59,
137 f. De mensch zonder dat donum superadditum blijft dus een in zijn
soort compleet, volmaakt, en hoe moeilijk het valle, vooral op den
duur, toch indien hij wil zelfs zondeloos mensch. En vandaar bij Rome
het zachte oordeel over de ongedoopt stervende kinderen en over de
Heidenen, die van het licht en de kracht der natuur een goed gebruik
hebben gemaakt. Zij hebben geen schuld en dus geen straf, ontvangen eene
poena damni, geen poena sensus. Als zulk een homo naturalis heeft God
echter den eersten mensch niet geschapen. Hij gaf hem er terstond eene
justitia praeternaturalis bij, en daarom was Adam ook afgedacht van het
eigenlijk donum superadditum d. i. de gratia gratum faciens, boven de
concupiscentia, het lijden en den dood, ook wat het lichaam betreft,
verheven. Dit is eene tweede idee van den mensch, die mogelijk en
bestaanbaar is; zulk een mensch had dan Gods geboden kunnen onderhouden
zonder strijd van den kant des vleesches (donum integritatis), maar
zijne gerechtigheid ware toch nog natuurlijk gebleven en hadde niet de
visio Dei per essentiam verdiend. Deze tweede conceptie van den mensch
wordt nu nog eenmaal een trap hooger opgevoerd door de toevoeging van
het donum superadditum, waardoor een mensch ontstaat met justitia
supernaturalis. Gelijk door heel het Roomsche systeem heen, zoo treffen
we ook hier bij de leer van het beeld Gods de tegenstelling aan tusschen
het natuurlijke en het bovennatuurlijke, tusschen het menschelijke en
het goddelijke, tusschen het aardsche en het hemelsche en binnen
beide terreinen dan weer allerlei gradatiën. Er is allerlei rang en
klasse en stand in het ethische en religieuse. Niet allen staan en
verheffen zich even hoog. Als God het centrum is, groepeeren zich de
schepselen in steeds wijder kringen om Hem heen. Het verst is de homo
naturalis van Hem verwijderd, dan de homo praeternaturalis, daarna
de homo supernaturalis. En in de laatste klasse is er weer allerlei
onderscheid en graad. Er zijn clerici en leeken, monniken en gewone
menschen, praecepta en consilia, lagere en hoogere moraal. Het hoogst
staat de mysticus, die het hier op aarde reeds door meditatie en askese
en oratie tot contemplatie brengt. En boven de menschen staan weer de
engelen, in allerlei rangordeningen geschaard. Het stijgt alles naar
boven, naar God heen; het nadert Hem steeds meer. De versmelting der
ziel met God is de hoogste zaligheid. Daarom is er in Rome voor allen
eene plaats; het rekent met ieders vatbaarheid en geschiktheid; het
heeft een verschillend ideaal voor de onderscheidene menschen; het
stelt niet aan iedereen dezelfde zedelijke en godsdienstige eischen.
Hierop heeft Pierson terecht nadruk gelegd; alleen zag hij voor beginsel
en wezen aan, wat slechts gevolg en verschijnsel was, Gesch. van het R.
Kath. I 24v. Tegen deze in den grond neoplatonische, areopagietische
philosophie is het, dat de Hervorming steunende op de Schrift is
opgetreden. De Schrift kent zulk eene physische tegenstelling van het
natuurlijke en het bovennatuurlijke niet. Zij kent maar ééne idee van den
mensch, ééne zedewet, ééne eindbestemming, ééne priesterschap, welke
het deel van alle geloovigen is. Ten vijfde blijkt hieruit duidelijk, dat
de reden, waarom Rome de justitia praeter- en supernaturalis leert,
niet hierin gelegen is, dat anders de verliesbaarheid der justitia
originalis niet te verklaren is. Wel brengen Roomsche theologen
steeds deze bedenking tegen de leer der Reformatie in; de justitia
originalis behoort tot het wezen van den mensch of niet; indien het
eerste, dan is ze onverliesbaar of, indien ze toch te loor gaat, dan
verliest, de mensch daarin een deel van zijn wezen en houdt hij op een
volkomen mensch te zijn. Maar hoezeer deze bedenking telkens wordt
herhaald; niet om haar te ontgaan, is Rome tot de leer van het donum
superadditum gekomen. Rome behoudt geheel dezelfde moeilijkheid. Want
Adam had ook eene justitia naturalis. En deze justitia naturalis is
wel natuurlijk, voortvloeiend uit de principia en krachten van den
natuurlijken mensch, zonder bovennatuurlijke hulp (zij het ook niet,
zonder de algemeene hulp der onderhouding Gods), en ze is toch
verliesbaar en wordt door menigeen feitelijk verloren. En desniettemin
blijft ook de diepstgezonken zondaar, van alle justitia naturalis
beroofd, toch nog mensch. De verliesbaarheid en het feitelijk verlies
van de justitia originalis kan dus volstrekt geen dienst doen als
argument tegen haar natuurlijk karakter. Ware dat het geval, dan zou ook
de justitia naturalis, welke Rome leert, den naam van supernaturalis
moeten dragen. De kwestie tusschen Rome en ons is eene gansch andere.
Verliesbaar is de justitia originalis, wijl ze is een accidens, geen
substantie. Maar onder de accidentia, die alle als zoodanig verliesbaar
zijn, maakt Rome nog weer onderscheid tusschen hetgeen naturaliter
accidens en hetgeen supernaturaliter accidens is, b.v. Benschop in
De Katholiek CX bl. 56. Volgens ons is heel de justitia originalis
een accidens naturale; volgens Rome is de gratia gratum faciens een
accidens supernaturale. Waarom? Niet, om de verliesbaarheid mogelijk
en duidelijk te maken. Maar omdat de mensch zonder haar een gebrekkig
schepsel bleef. Rome leert uitdrukkelijk dat het Gode, gegeven eenmaal
dat Hij een wezen wilde scheppen bestaande uit ziel en lichaam, uit
geest en stof, onmogelijk was, om deze beide, ziel en lichaam, zonder
bovennatuurlijke hulp in volkomen harmonie te scheppen, evenmin als Hij
een vierkanten cirkel kan maken. Vleesch en geest strijden per se met
elkander, en God kan strijd tusschen die twee elementen niet voorkomen
zonder bovennatuurlijke genade. Bellarminus zegt het duidelijk, dat de
mensch bestaat uit vleesch en geest, en dus deels propensio heeft ad
bonum corporale, deels ad bonum spirituale, en dat ex his diversis
vel contrariis propensionibus existere in uno eodemque homine pugnam
quandam. Voorts leert hij nu, divinam providentiam initio creationis ut
remedium adhiberet _huic morbo seu languori naturae humanae, qui ex
conditione materiae oriebatur_, addidisse homini quoddam donum insigne,
justitiam videlicet originalem, qua veluti aureo quodam freno pars
inferior superiori et pars superior Deo facile subjecta contineretur,
de gr. pr. hom. c. 5, cf. c. 7. Hier is duidelijk uitgesproken, dat
het vleesch uit zijn aard tegen den geest overstaat. De stof is eene
macht tegenover God, die wel niet per se zondig is zooals in het
manicheisme, maar toch van zeer lage orde is, in een geheel eigene
richting zich beweegt en den mensch vanzelf tot strijd en tot zonde
verlokt. Zelfs is die macht zoo groot, dat de ratio alleen de motus
animi niet of althans niet dan met groote moeite beheerschen kan. Er is
daartoe eene bijzondere, bovennatuurlijke genade van noode. Evenals in
de wijsbegeerte van Plotinus is de materie een schepsel, dat zeer ver
van God afstaat, van nature aan al het geestelijke vijandig is en daarom
krachtdadig beteugeld moet worden. Ten zesde eindelijk, Rome’s leer
van het donum superadditum brengt eene eigenaardige opvatting van het
Christendom mede. De christelijke religie dient bij Rome ook wel, om van
de zonde te verlossen; maar in de eerste en voornaamste plaats strekt
zij toch, om den mensch die gratia terugteschenken, welke aan Adam als
een donum superadditum geschonken maar door hem verloren werd. Deze
gratia was den mensch vóór den val evenzeer noodig als thans aan ons,
en was toen evengoed bovennatuurlijk als nu na den val. Volgens Rome
is de genade dus een donum supernaturale per se en niet per accidens,
niet alleen om der zonde wil, Bellarm. de gr. pr. hom. c. 5. De zonde
heeft in de natuur der gratia geen verandering gebracht. Misschien is
zij door de zonde vermeerderd. Maar ze was vóór en na den val volkomen
dezelfde, nl. eene elevatio supra naturam. Dat is haar karakter en
wezen. Het Christendom moge dus ook nog Erlösungsreligion wezen; in de
allereerste plaats is het geen reparatio maar elevatio naturae; het
dient, om de natuur op te voeren boven zichzelve uit, om den mensch te
vergoddelijken. Daartoe diende bij Adam de gratia gratum faciens, daartoe
dient thans het Christendom. Deze genade is dus toen en nu dezelfde;
d. i. het eigenlijke, het wezenlijke in het Christendom is volstrekt niet
door den val noodzakelijk geworden; het was reeds noodzakelijk vóór den
val. Het Christendom als elevatio naturae was ook reeds bij Adam voor
den val. De ontvangst der gratia infusa is thans gebonden behalve aan
praeparationes, bepaaldelijk ook aan het geloof aan twee dogmata, de
triniteit en de incarnatie, cf. I 518v. Welnu, zoo was het ook bij Adam.
Deze kende vóór den val reeds beide, Becanus, Theol. schol. I tr. 5 c.
2 qu. 2. Simar, Dogm. 332. Pesch, Prael. dogm. II 89 enz. Thomas, S.
Theol. II 2 qu. 2 art. 7, qu. 5 art. 1. De vleeschwording is daarom ook
per consequentiam vóór den val en zonder de zonde noodzakelijk geweest.
M. a. w. opdat de mensch Gode gelijk worde, moet God mensch worden.
Deze wet gold zoowel vóór als na den val. Nu brengt de menschwording
alleen als iets ondergeschikts de verzoening mede. Maar het zwaartepunt
ligt bij Rome niet in de voldoening en vergeving der schuld, maar in de
menschwording Gods en in de vergoddelijking des menschen, cf. I 220v.
276v.