voornamelijk hierom, wijl ze leidde tot verzwakking der erfzonde. De
oppositie richtte zich vooral tegen de stelling der scholastiek:
supernaturalia amissa, naturalia adhuc esse integra. En daaruit besloot
men terug tot het beeld Gods. Indien de mensch door de zonde, door
verlies van het beeld Gods, geheel en al bedorven was, dan moest het
ook behoord hebben tot zijne natuur. En zoo zei Luther, justitiam non
esse quoddam donum, quod ab extra accederet, separatumque a natura
hominis sed fuisse vere naturalem, ut naturae Adae esset diligere
Deum, credere Deo etc., in Genes. III. Maar ook de Hervormers moesten
onderscheid blijven maken tusschen wat van het beeld Gods overgebleven
en hetgeen ervan verloren was. Daarvoor gebruikten zij de namen van
substantia, essentia en dotes, dona, zelfs supernaturalia dona. De
Apol. Conf. noemt de kennis, de vreeze Gods in Adam dona, en de Form.
Conc. spreekt van dotes in paradiso naturae concreatae, Müller, Die
symb. Bücher der ev. luth. K⁵ S. 80. 81. 580. De Luthersche dogmatici
noemden het beeld Gods wel natuurlijk, inzoover de menschelijke natuur
zonder dat beeld niet zuiver kon zijn en er terstond mede geschapen
werd. Maar zij ontkenden, dat het beeld Gods in dien zin natuurlijk was,
dat het uit de menschelijke natuur vanzelf als zoodanig voortvloeide en
dus een onverliesbaar, essentieel bestanddeel van haar zou uitmaken;
en sommigen, zooals Gerhard, Quenstedt e. a. noemden ook bepaald de
supernaturalis Dei favor, de gratiosa s. trinitatis inhabitatio en de
daaruit vloeiende suavitas et delectatio bepaald met den naam van dona
supernaturalia, Gerhard, Loci theol. VIII c. 1-3. Quenstedt, Theol.
did. polem. II 1-48. Hollaz, Ex. theol. 461-488. Evenzoo onderscheidt
Calvijn tusschen de substantia animae en hare dotes, Inst. I 15, 2 en
zegt met Augustinus, naturalia dona fuisse corrupta in homine per
peccatum, supernaturalibus autem exinanitum fuisse; zelfs noemt hij
deze laatste adventitia, praeter naturam, II 2, 12. En vele Geref.
theologen maken in denzelfden zin onderscheid tusschen qualitates
naturales en dona supernaturalia, Maccovius, Loci Comm. 405 sq.; de
immortalitas wordt door velen niet uit Adams natuur maar uit de
gratia Dei afgeleid, Zanchius, Op. III 497. Polanus V 29. Junius,
Op. I 211. Bucanus, Theol. XI 12. Maccovius p. 409. Zelfs werd de
oude onderscheiding van beeld en gelijkenis door velen overgenomen en
ook in dezen zin toegepast, Zanchius, Op. III 486. Martyr op Gen.
1:26. Alsted, Theol. schol. 281. Toch werd het spoedig duidelijk, dat
de Protestanten, ook waar zij de uitdrukking dona supernaturalia nog
behielden, deze toch in een anderen zin opvatten dan de Roomschen.
Bij deze laatsten is de bedoeling deze, dat er zeer goed een mensch
denkbaar en mogelijk is zonder deze dona supernaturalia; wel heeft
die mensch dan als redelijk zedelijk wezen ook eenige kennis van God,
van de zedewet, van de gerechtigheid. Maar er is een essentieel
onderscheid tusschen de kennis, de liefde, de gerechtigheid in
natuurlijken en in bovennatuurlijken zin, tusschen den homo naturalis
en supernaturalis, tusschen den mensch en den Christen, tusschen de
wereld en de kerk, tusschen de natuur en de genade. De genade is
niet bloot eene herstelling maar eene verheffing, aanvulling van
de natuur, eene elevatio, sublimatio naturae. Dit nu werd door de
Hervorming principieel bestreden. En daarom moest zij komen en kwam zij
ook metterdaad tot de leer, dat het beeld Gods den mensch van nature
eigen was en dat hij, zonder dat beeld, niet anders dan in natura
impura, als zondaar, kon bestaan. Maar nu was er onder de Hervormers
ook nog verschil in de opvatting van het beeld Gods. In den eersten tijd
stelden enkele Lutherschen het beeld Gods ook nog wel in het wezen van
den mensch en in de substantie van de ziel, Luther bij Köstlin, I 121,
Melanchton, Hemming, Selnecker bij Heppe, Dogm. d. d. Prot. I 338 f.
Maar de Luthersche theologie ging toch van eene andere gedachte uit.
Haar subjectief, soteriologisch karakter moest er toe leiden, om het
beeld Gods alleen te zoeken in de zedelijke qualiteiten, die de eerste
mensch ontving en welker verlies den mensch tot een stok en een blok
in godsdienstig en zedelijk opzicht maakte. Luther legde menigmaal al
den nadruk op de gaven en liet daarin het beeld Gods opgaan, Köstlin
II 358 f. Heppe I 345. De belijdenisschriften spreken in denzelfden
geest, Müller S. 80. 576, en evenzoo de theologen, Heerbrand, Hunnius,
Gerhard VIII c. 1. Quenstedt II 3-10, 17-23. Hollaz, p. 464 sq. enz.
Wel ontkennen de Lutherschen niet, dat ook het wezen des menschen
quaedam θεια sive divina uitdrukt; maar het eigenlijke beeld Gods is
alleen gelegen in de justitia originalis met de daaraan verbonden
immortalitas, impassibilitas, dominium en conditio felicissima. Immers
alleen de Zoon is essentieel en substantieel het beeld Gods, Hebr.
1:3; in den mensch is het eene perfectio accidentalis, verliesbaar en
verloren, Rom. 3:23, en alleen in den geloovige vernieuwd en hersteld,
Rom. 8:29, 2 Cor. 3:18, 5:17, Ef. 4:24, Col. 3:10. De Gereformeerden
echter namen van den beginne af aan ook het wezen van den mensch in het
beeld Gods op. Heppe, Dogm. 169. 170 beweert ten onrechte, dat Calvijn
en Zanchius alzoo niet hebben geleerd. Calvijn maakt wel onderscheid
tusschen de substantia animae en hare dotes, maar zegt uitdrukkelijk,
dat het beeld Gods bestond in die tota praestantia, qua eminet hominis
natura inter omnes animantium species, en dat het verder, proinde,
ook bestaat in de integritas, Inst. I 15, 2. II 12, 6, cf. in Gen.
1:26, 9:6, Jak. 3:9. En hiermede stemmen alle Gereformeerden overeen,
Zanchius, Op. III 486. 677 sq. Ursinus, Catech. qu. 7. Martyr, Loci C.
46 sq. Polanus, Synt. Theol. V 34. Synopsis XIII 36. Leydecker, Fax
Verit. p. 395 enz. Eerst Coccejus, S. Theol. XVII § 12-24 droeg weer
eene andere meening voor en leerde dat de ziel en hare eigenschappen
wel onderstelling, maar niet inhoud van het beeld Gods waren; zij waren
het doek als het ware, waarop het beeld door God geschilderd was, maar
dit bestond zelf alleen in de gaven blijkens 2 Cor. 3:18, Ef. 4:24, Col.
3:10, cf. ook Heidegger, Corp. Theol. VI 119. Braun, Doctr. foed. I 2,
15, 5 v. Anderen drukten het zoo uit, dat het beeld Gods antecedenter
in natura spirituali, formaliter in sanctitate, consequenter in dominio
bestond, Turretinus, Theol. El. V qu. 10 § 6. Ryssenius, Theol. 178.
Witsius, Oec. foed. I 2, 11. Brakel, Red. Godsd. X 25. Meest echter
bleef men spreken van het beeld Gods in ruimer en in enger zin.
Daarmede bleef in de Geref. theologie de band vastgehouden tusschen de
physische en de ethische natuur des menschen, en alzoo verder tusschen
natuur en genade. Daarbij kwam nu in de Geref. theologie al spoedig
nog eene andere onderscheiding, die vooral in de leer van het foedus
operum werd uitgewerkt. Deze gaf antwoord op de vraag, niet wat Adam
was, maar wat Adam worden moest. Eerst in deze drie punten, het beeld
Gods in ruimer zin, het beeld Gods in enger zin, en de ontplooiing of
bestemming van het beeld Gods, d. i. in de leer van het werkverbond,
is de locus de imagine Dei volledig te behandelen.
7. Tusschen Rome’s leer en die van de Reformatie over het beeld Gods
is er een diep verschil, dat over de gansche theologie zich uitbreidt.
Dit verschil ligt niet in de uitdrukking justitia originalis. Want
hoewel deze term door de Roomsche theologen in verschillenden zin
wordt gebezigd, toch duiden lateren daarmede ook wel de justitia
supernaturalis aan, boven blz. 519. Originalis kan de justitia bij den
eersten mensch heeten, wijl zijne positieve overeenstemming met de wet
Gods hem van zijn oorsprong af aan eigen is, wijl ze als zoodanig te
onderscheiden is van de justitia habitualis en actualis, en wijl zij bij
Adam het beginsel en de wortel was van zijne dadelijke gerechtigheid.
Zelfs was sedert Thomas ook hierover geen verschil, dat de justitia
originalis ook voor heel de menschheid, indien Adam ware staande
gebleven, de bron van hare dadelijke gerechtigheid zou geweest zijn, want
Adam ontving haar niet als persona privata maar als persona publica.
Al het geschil liep hierover of die justitia originalis nu naturalis
of, althans ten deele, supernaturalis was. De Hervormers beweerden
het eerste. Daarmede wilden zij niet zeggen, dat die oorspronkelijke
gerechtigheid vanzelf uit de menschelijke natuur, genomen in den zin
van verbinding van geest en stof, voortvloeide noch ook, dat zij niet
eene gave, zelfs van Gods genade in ruimen zin, mocht heeten; maar
alleen hielden zij met die uitdrukking staande, dat het beeld Gods, de
oorspronkelijke gerechtigheid, van de idee van den mensch onafscheidelijk
was; dat ze de normale staat, de harmonie, de gezondheid van den mensch
was; dat zonder haar de mensch geen waar, volkomen, normaal mensch kan
zijn. Indien de mensch dat beeld Gods verliest, dan verliest hij geen
substantie en blijft hij wel mensch, maar hij wordt een abnormaal, krank,
geestelijk dood mensch, een zondaar; dan ontbreekt hem iets wat tot zijn
aard en natuur behoorde, gelijk den blinde het gezicht, den doove het
gehoor, den kranke de gezondheid. Bij Rome kan de mensch de justitia
supernaturalis missen en toch een goed, waar, volkomen zondeloos mensch
zijn, met eene justitia naturalis, die in haar soort zonder eenig gebrek
is. Maar volgens de Protestanten kan dat niet. Er is geen status medius
tusschen den mensch als beeld Gods en den mensch als zondaar. Hij is
zoon Gods, zijn geslacht, zijn beeld, of hij is kind des toorns, dood
in zonden en misdaden. Als de mensch dat beeld Gods, deze volmaakte
gerechtigheid door het geloof in Christus weder ontvangt, dan is
dat wel een donum supernaturale maar supernaturale per accidens; hij
ontvangt terug, wat tot zijn wezen behoort, gelijk de blinde die weder
ziende wordt. Deze leer nu is gegrond op de H. Schrift, die nergens
bij de schepping van den mensch van dona supernaturalia spreekt; Rome
beroept zich dan ook niet op Gen. 1:26, 31, Pred. 7:29 enz., maar op de
voorstelling des N. T. van den status gratiae en gloriae, die echter
geenszins als bewijs dienen kan. De Schrift gaat er allerwege van uit,
dat de mensch Gode verwant en zijn geslacht is; de dienst van, de liefde
tot, de gemeenschap met God is geen donum superadditum maar den mensch
oorspronkelijk, van nature eigen. God eischt den mensch geheel, met
verstand, hart, ziel, lichaam en alle krachten voor zijn dienst en voor
zijn liefde op. De zedewet is ééne voor alle menschen, in alle tijden
en houdt het zedelijk ideaal voor allen even hoog. Er is geen lagere
en hoogere gerechtigheid, geen tweeërlei moraal, geen dubbel soort
van plichten. De oorspronkelijke gerechtigheid is zoo natuurlijk, dat
ze ook volgens de meeste Roomsche Godgeleerden overgeërfd zou zijn op
Adams nakomelingen ingeval van zijne gehoorzaamheid en dat de Heidenen
nu nog van nature de dingen doen, die der wet zijn, Rom. 2:15. Als dan
ook tegen deze reformatorische leer wordt ingebracht, dat zij in eene
antinomie verkeert, wijl zij de justitia originalis eenerzijds naturalis
en toch andererzijds amissibilis en accidentalis noemt, Benschop in
de Katholiek CX blz. 43, ook Strauss, Glaub. I 708. Lipsius, Dogm.
§ 434, dan vloeit deze bedenking alleen uit misverstand voort, Philippi,
Kirchl. Gl. III 408. Natuurlijk heet de oorspronkelijke gerechtigheid,
niet omdat zij in zekere substantie of essentie bestaat, maar wijl zij
eene natuurlijke eigenschap of hoedanigheid is. Evenals de gezondheid
tot de natuur van den mensch behoort maar daarom wel verliesbaar is,
zoo is het ook met het beeld Gods. Beide, Rome en de Reformatie,
komen hierin overeen, dat de oorspronkelijke gerechtigheid geen stof,
geen geestelijke substantie is, gelijk de Manicheën leeren, maar een
accidens, eene qualitas. En het verschil is alleen, of zij natuurlijk
accidenteel dan wel, althans voor een deel, bovennatuurlijk accidenteel
is, de Katholiek, ib. bl. 56-60. Rome leert alleen van de justitia
naturalis, dat zij natuurlijk accidenteel is; de Reformatie leert het
van de gansche justitia originalis. Maar daarom vervalt ook, gelijk
boven reeds werd gezegd, geheel Rome’s bezwaar tegen de leer, dat
het beeld Gods natuurlijk is; want zij zelve erkent, dat de justitia
naturalis natuurlijk en toch verliesbaar is en kan deze bedenking dus
niet meer inbrengen tegen de leer der Protestanten. Rome’s leer is dan
ook niet voortgekomen uit het bezwaar, dat de natuurlijkheid van de
oorspronkelijke gerechtigheid niet met hare verliesbaarheid te rijmen is,
maar zij dankt haar ontstaan aan eene gansch andere reeks van gedachten,
nl. aan de neoplatonische opvatting van het christelijk levensideaal.
Het is dat neoplatonisme, dat door de Reformatie op grond der Schrift
verworpen is. En daarbij heeft zij voor alle manicheisme zich gewacht.
Door de zonde heeft de mensch geen substantie verloren. In dezen zin
is de mensch nog mensch ook na den val. Maar door het verlies van
de oorspronkelijke gerechtigheid heeft hij de harmonie, de gezondheid
van zijne natuur verloren, is hij geheel en al een zondaar geworden;
zijne natuur in den zin van substantie, essentie is gebleven, maar de
hem van nature eigen zedelijke qualiteiten zijn verloren gegaan, cf.
Scholten, L. H. K. I 309v. Deze schoone opvatting van het beeld Gods
en van de oorspronkelijke gerechtigheid is nu in de Gereformeerde kerk
en theologie nog beter tot haar recht gekomen dan in de Luthersche.
Hier wordt het beeld Gods tot de oorspronkelijke gerechtigheid beperkt,
en is dus met deze geheel te loor gegaan. De scheiding tusschen het
geestelijke en het wereldlijke, tusschen het hemelsche en het aardsche
wordt hier zoo scherp doorgetrokken en in twee hemisphaeria ingedeeld,
dat het verband van natuur en genade, van schepping en herschepping
geheel wordt miskend, cf. I 222v. De supranaturalistische voorstelling
van het beeld Gods is hier nog niet geheel overwonnen; het staat los
naast en boven de natuur, en het verlies ervan heeft wel tengevolge,
dat de mensch in geestelijke dingen geheel doof en blind is, maar in
aardsche dingen is hij nog tot veel goeds in staat en tot op zekere
hoogte van de genade Gods in Christus onafhankelijk. De Gereformeerden
echter hebben door hunne onderscheiding van het beeld Gods in ruimer
en enger zin het verband van substantie en qualiteit, van natuur en
genade, van schepping en herschepping het zuiverst gehandhaafd. Wel
is ook deze onderscheiding dikwerf nog al te mechanisch opgevat, en
behoort zij organisch verder ontwikkeld te worden. Maar hier is toch
het duidelijkst uitgesproken, dat het beeld Gods in enger zin met dat
in ruimer zin ten nauwste samenhing; dat beide bestanddeelen het volle
beeld Gods uitmaakten; dat niet iets in den mensch maar de mensch zelf,
de gansche mensch, beeld Gods was; dat de zonde, die het beeld Gods in
enger zin verliezen deed en dat in ruimer zin bedierf en verwoestte,
den ganschen mensch heeft aangetast, en dat dienvolgens ook de genade
in Christus den ganschen mensch herstelt en voor zijn gansche leven en
arbeid, ook in gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap enz. van de
grootste beteekenis is.
8. Bij de behandeling van de leer van het beeld Gods dient daarom in
overeenstemming met de Schrift en de Geref. belijdenis deze gedachte
op den voorgrond te staan, dat de mensch niet het beeld Gods _draagt_
of _heeft_, maar dat hij het beeld Gods _is_; als mensch is hij zoon,
gelijkenis, geslacht Gods, Gen. 1:26, 9:6, Luk. 3:38, Hd. 17:28, 1 Cor.
11:7, Jak. 3:9. Er ligt hier tweeërlei in opgesloten; vooreerst, dat
niet iets in God, eene of andere deugd en volmaaktheid met uitsluiting
van andere, dat ook niet één persoon, b.v. de Zoon met uitsluiting van
Vader en Geest, maar dat God zelf, dat de gansche Godheid de archetype
des menschen is. Wel is menigmaal geleerd, dat de mensch bepaald naar
den Zoon of naar den Christus incarnandus is gemaakt, Clemens Alex.
Strom. V 14. Tertull. de resurr. carnis c. 6. Osiander, bij Calvijn,
Inst. I 15, 2. II 12, 6. Hofmann, Schriftbew. I 290. Thomasius, Christi
Person u. Werk I³ 126. Beck, Gl. II 329. Schoeberlein in Herzog² 4, 7.
Martensen, Dogm. § 72. Delitzsch, Bibl. Psych. 70 enz. Maar de Schrift
zegt dat nergens. Zij spreekt het telkens uit, dat de mensch naar Gods
beeld is gemaakt, dat wij niet naar Christus zijn geschapen maar dat
Hij ons gelijk is geworden, Rom. 8:3, Phil. 2:7, 8, Hebr. 2:14, en dat
wij nu, naar het beeld van Christus herschapen, wederom Gode gelijk
worden, Rom. 8:29, 1 Cor. 15:49, 2 Cor. 3:18, Phil. 3:21, Ef. 4:24,
Col. 3:10, 1 Joh. 3:2, cf. boven 511. Veel beter is het daarom, om te
zeggen, dat het drievuldig wezen Gods de archetype is van den mensch,
August. de trin. XII 6. Lombardus, Sent. II dist. 16. Thomas, S. Theol.
I qu. 13 art. 5, cf. boven blz. 311, al is bij de psychologische
opsporing van de trinitarische momenten in het menschelijk wezen ook
alle behoedzaamheid in acht te nemen, Calvijn, Inst. I 15, 4. Comm. in
Gen. 1:26. Synopsis pur. theol. XIII 7. Quenstedt, Theol. did. pol. II
4. Hollaz, Ex. theol. 466. Aan de andere zijde vloeit uit de leer, dat
de mensch naar Gods beeld geschapen is, voort, dat dat beeld over den
ganschen mensch zich uitbreidt. Er is in den mensch niets van het beeld
Gods uitgesloten. Alle schepselen vertoonen vestigia Dei, de mensch
is imago Dei. En hij is dat geheel en al, in ziel en lichaam, in alle
vermogens en krachten, in alle toestanden en verhoudingen. De mensch
is beeld Gods, omdat hij en in zoover hij waarachtig mensch is, en hij is
mensch, waarachtig, wezenlijk mensch, omdat en in diezelfde mate als hij
beeld Gods is. Maar natuurlijk, gelijk de kosmos een organisme is en dus
in sommige schepselen meer en in andere minder duidelijk Gods deugden
openbaart, zoo komt ook in den mensch als organisme het beeld Gods
hier duidelijker uit dan elders, in de ziel meer dan in het lichaam, in
de ethische deugden meer dan in de physische krachten. Doch dit doet
niets te kort aan de waarheid, dat de gansche mensch Gods beeld is. De
Schrift zou niet op menschelijke wijze van God kunnen en mogen spreken en
alle menschelijke eigenschappen op God mogen overdragen, cf. boven bl.
66, indien God niet eerst den mensch geheel en al naar zijn beeld had
gemaakt. En het is de taak der christelijke theologie, om dit beeld Gods
aan te wijzen in heel het wezen van den mensch. Vergelijk hierbij mijne
Beginselen der Psychologie, 1897, die sommige onderwerpen uit de leer
van den mensch breeder behandelen, dan de ruimte hier gedoogt.
Allereerst is het beeld Gods aanwijsbaar in de ziel van den mensch.
Volgens Gen. 2:7 werd de mensch geformeerd uit het stof der aarde
door inblazing van den נִשְׁמַת חַיִּים, en alzoo werd hij tot een
נֶפֶשׁ חַיָּה, ψυχη ζωσα. De adem des levens is het levensbeginsel,
de levende ziel is het wezen van den mensch. Door beide geeft de
Schrift aan den mensch eene eigene, zelfstandige plaats en vermijdt
zoowel het pantheisme als het materialisme. De namen רוּחַ en
נֶפֶשׁ, πνευμα en ψυχη, die in de Schrift het onzienlijk bestanddeel
van den mensch aanduiden, stellen dit helder in het licht. Het
trichotomisme, dat principieel wortelt in het dualisme van Plato en in
de christelijke kerk telkens bij gnostische en theosophische richtingen
ingang vond, ziet daarin twee bijzondere substantiën. Maar ten onrechte.
Hebr. 4 vs. 12 en 1 Thess. 5:23 geven evenmin eene opsomming van de
wezenlijk verschillende bestanddeelen van den mensch als b.v. Luk.
10:27 en bewijzen dus niets. Ziel en geest staan in de Schrift telkens
in parallelisme en wisselen met elkander af. Nu eens maken lichaam en
ziel, dan lichaam en geest het wezen van den mensch uit, Mt. 10:28, 1
Cor. 7:34, Jak. 2:26. De psychische werkzaamheden worden beurtelings
aan den geest en aan de ziel toegeschreven, Ps. 139:14, Spr. 19:2 en
Spr. 17 vs. 27, Ps. 77:7, 1 Cor. 2:11, Num. 21:4 en Job. 21:4, 1 Sam.
1:10 en Jes. 54:6, Luk. 1:46 en 47 enz. Sterven heet zoowel overgave
van de ziel, Gen. 35:18, 1 Kon. 17:21, Mt. 20:28, Hd. 15:26, 20:10
als van den geest, Ps. 31:6, Mt. 27:50, Luk. 8:55, 23:46, Hd. 7:59.
Soms is de geest en soms de ziel onsterfelijk, Pred. 12:7, Mt. 10:28;
en de gestorvenen heeten zielen, Op. 6:9, 20:4 en geesten, Hebr. 12
vs. 13, 1 Petr. 3:19. Maar ofschoon niet essentieel onderscheiden,
ze zijn toch geenszins identisch. Geest is de mensch, omdat hij niet
als de dieren uit de aarde is voortgekomen, maar de adem des levens
hem werd ingeblazen door God, Gen. 2:7; omdat hij zijn levensbeginsel
van boven, uit God heeft, Pred. 12:7; omdat hij een eigen geest heeft,
onderscheiden van den Geest Gods, Gen. 41:8, 45:27, Ex. 35:21, Deut.
2:30, Richt. 15 vs. 19, Ezech. 3:14, Zach. 12:1, Mt. 26:41, Mk. 2:8,
Luk. 1 vs. 47, 23:46, Joh. 11:33, Hd. 7:59, 17:16, Rom. 8:16, 1 Cor.
2:11, 5:3-5, 1 Thess. 5:23, Hebr. 4:12, 12:23 enz.; omdat hij als
zoodanig den engelen verwant is, ook geestelijke, hemelsche dingen
bedenken kan, en desnoods ook zonder een lichaam kan bestaan. Maar
ziel is de mensch, omdat het geestelijke bestanddeel bij hem van het
eerste oogenblik af, in onderscheiding van de engelen, op een lichaam
is aangelegd, voor een lichaam is georganiseerd; omdat hij door dat
lichaam aan de aarde en ook voor zijn hooger leven aan het zinnelijke
en uitwendige gebonden is; omdat hij tot het hoogere eerst van uit
het lagere opklimmen kan; omdat hij dus een zinnelijk, stoffelijk wezen
is en als zoodanig aan de dieren verwant. De mensch is een animal
rationale, un roseau pensant; tusschen engelen en dieren instaande,
aan beide verwant en van beide onderscheiden, in zich hemel en
aarde, de onzienlijke en de zienlijke dingen met elkander verbindende
en verzoenende. En juist als zoodanig is hij beeld en gelijkenis Gods.
God is zeer zeker geest, en in zoover zijn ook de engelen Hem verwant.
Maar soms is er ook van zijne ziele sprake, en door heel de Schrift
heen worden aan God ook al die eigenaardig psychische aandoeningen en
werkzaamheden toegeschreven, welke wezenlijk eigen zijn aan den mensch.
In Christus nam God niet de natuur der engelen maar die der menschen
aan. En daarom is juist de mensch, in onderscheiding van de engelen,
beeld, zoon, geslacht Gods. De spiritualitas, invisibilitas, unitas,
simplicitas, immortalitas van de menschelijke ziel zijn trekken van het
beeld Gods. Dit beeld zelf komt daarin uit, dat hij een πνευμα heeft,
hetwelk van stonde aan tot ψυχη is georganiseerd.
Ten tweede behooren tot het beeld Gods de vermogens van den mensch.
Terwijl de geest het beginsel en de ziel het subject des levens in den
mensch is, is naar de H. Schrift het hart het orgaan voor zijn leven.
Het is eerst centrum van het lichamelijk leven, maar dan voorts in
overdrachtelijken zin grondslag en bron van alle psychische leven, van
aandoeningen en hartstochten, van begeerte en wil, zelfs van denken
en kennen. Uit het hart zijn alle תּוֹצְאוֹת חַיִּים, Spr. 4:23.
Dit leven, dat in het hart zijn oorsprong heeft, splitst zich dan in
twee stroomen. Eenerzijds is dat leven te onderscheiden, dat alle
indrukken, beseffen, gewaarwordingen, waarnemingen, overleggingen,
gedachten, kennis, wijsheid omvat, bepaaldelijk in zijn hoogeren vorm den
νους tot orgaan heeft en in het woord, de taal zich belichaamt. En
andererzijds nemen uit het hart al de aandoeningen, tochten, driften,
neigingen, genegenheden, begeerten, en wilsbeslissingen hun oorsprong,
die door den νους moeten geleid worden en zich uiten in de daad. Ook
in al deze psychische vermogens en werkzaamheden van den mensch zijn
er trekken te zien van het beeld Gods. Reeds de verscheidenheid en
rijkdom dier krachten wijst op God terug. Naarmate een schepsel lager
staat, is het ook minder rijk georganiseerd en dus ook minder verwant
aan en vatbaar voor het hoogste goed, hetwelk God is. Zelfs de engel
staat in dit opzicht beneden den mensch. Juist wijl de mensch zoo
wonderbaar rijk is georganiseerd, kan hij God als het hoogste goed, op
de rijkste wijze, als het ware van alle zijden, in al zijne deugden en
volmaaktheden, gelijkvormig worden en genieten. Zelfs zag Augustinus
in hart, verstand en wil (memoria, intellectus, voluntas) een analogie
van het trinitarisch wezen Gods. Gelijk de Vader aan den Zoon en den
Geest het leven geeft en de Geest van den Vader uitgaat door den
Zoon, zoo is het ook in den mensch het hart, de memoria, het diepe,
verborgene zieleleven, dat aan intellectus en voluntas het aanzijn
schenkt en bepaaldelijk ook den wil in orde doet volgen op het verstand.
Rationalisme en pelagianisme maken verstand en wil van het hart los,
en zoeken in beide saam het gansche, volle wezen van den mensch; het
mysticisme, het bewuste, willende leven verachtend, trekt zich in de
diepte van het gemoed terug; de Grieksche kerk en theologie stelt
beide, hoofd en hart, unvermittelt naast elkaar; maar de theologie van
het Westen heeft onder de leiding van Augustinus al deze dwalingen
vermeden; zij heeft ingezien, dat de leer van God en van den mensch
in het nauwste verband stond; in de triniteit hield ze daarom de
wezenseenheid, de onderscheidenheid der drie personen, het filioque
vast, en dienovereenkomstig leerde zij ook in de psychologie, dat het
diepe, verborgen zieleleven alleen door het ken- en het begeervermogen
tot openbaring kwam en dat onder deze beide het laatste door het eerste
werd geleid en bestuurd.
9. Ten derde openbaart zich het beeld Gods in de deugden van kennis,
gerechtigheid en heiligheid, waarmede de mensch terstond geschapen
werd. Voor eene geregelde behandeling moest boven eerst afzonderlijk
over de natuur en de vermogens der ziel worden gesproken, maar dit is
niet anders dan als eene logische onderscheiding bedoeld. De mensch
is niet als een neutraal wezen met louter indifferente potentiae
geschapen, maar hij is terstond physisch en ethisch volwassen geschapen,
met kennis in het verstand, gerechtigheid in den wil, heiligheid in het
hart. Voor den mensch bestaat de goedheid in zedelijke volmaaktheid, in
volkomen overeenstemming met de wet Gods, in een heilig en volmaakt
zijn als God zelf, Lev. 19:2, Deut. 6:5, Mt. 5:48, 22:37, Ef. 5:1, 1
Petr. 1:15, 16. Die wet is ééne en dezelfde voor alle menschen; de
Schrift kent geen tweeërlei menschen, geen tweeërlei zedewet, geen
tweeërlei zedelijke volmaaktheid en bestemming. Indien de mensch goed
geschapen is, dan moet hij geschapen zijn met de justitia originalis.
Deze is eenerzijds niet op te vatten als kinderlijke onnoozelheid,
maar zij mag ook niet overdreven worden, alsof de status integritatis
reeds gelijk ware aan den status gloriae. De kennis van Adam was eene
zuivere maar toch eene beperkte en voor toeneming vatbaar; hij wandelde
niet in aanschouwen maar in geloof; hij kende niet alleen intuitief
maar ook discursief; hij wist de toekomst niet dan door bijzondere
openbaring, Thomas, S. Th. I qu. 94 art. 1-3. En evenzoo was het met
zijne gerechtigheid en heiligheid; ze waren van den beginne aan zijn
eigendom, want anders had hij nooit eenig goed werk kunnen doen. Goede
vruchten onderstellen een goeden boom; operari sequitur esse. Maar die
ingeschapen gerechtigheid en heiligheid moest toch door den mensch
bewaard, ontplooid en in daden worden omgezet. Niet alsof Adam, met
de noodige gaven toegerust, nu zelf in eigen kracht, zonder en buiten
God, aan den arbeid moest gaan. De justitia originalis was eene vrije
gave Gods en ze werd van oogenblik tot oogenblik ook in hem onderhouden
door de voorzienigheid Gods. Ze is geen oogenblik denkbaar zonder de
gemeenschap met God. Gelijk de Zoon ook reeds vóór den val was Mediator
unionis, zoo was ook de H. Geest toen reeds de werkmeester van alle
kennis, gerechtigheid en heiligheid in den mensch. Sommige kerkvaders
betoogden dit met Gen. 2:7 en zeiden dan, dat de mensch eerst door
den Logos gevormd was en dat hem daarna de adem des levens, d. i. de
H. Geest was ingeblazen, cf. Kleutgen, Theol. II 541 f. Thomasius,
Christi Person und Werk I³ 155. Deze exegese was onjuist, maar het is
volkomen waar, dat ook de mensch in statu integritatis de deugden der
kennis en gerechtigheid niet bezat dan door en in den H. Geest. Wel
is er tusschen de inwoning des H. Geestes in den mensch vóór de zonde
en in den toestand der zonde een groot verschil. Nu is die inwoning
immers supra naturam, omdat de H. Geest als het ware van buiten tot den
mensch komen moet en tegen heel zijn zondige natuur lijnrecht overstaat.
Bij Adam echter bestond heel die tegenstelling niet; zijne natuur was
heilig en behoefde dus niet, gelijk bij de geloovigen, heilig gemaakt te
worden; zij was van stonde aan geschikt voor de inwoning des H. Geestes.
Daarom was deze bij Adam dan ook natuurlijk. Er is geen waarachtig goed,
volmaakt mensch denkbaar zonder de gemeenschap des H. Geestes. Er
staat geen homo naturalis in Roomschen zin, tusschen den gevallen,
zondigen mensch en den volmaakten, naar Gods beeld geschapen mensch in.
Wie mensch is, mensch in vollen, waren zin, die is en moet zijn beeld
Gods, zoon Gods, geslacht Gods, met Hem in gemeenschap levende door den
H. Geest. En zoo was de mensch ook vóór den val totius sacrosanctae
trinitatis domicilium, pulcherrimum Spiritus Sancti templum.
Ten vierde behoort ook het lichaam des menschen tot het beeld Gods. De
philosophie, die de openbaring niet kent of verwerpt, vervalt altijd
weer tot empirisme of rationalisme, tot materialisme of spiritualisme.
Maar de Schrift verzoent beide. De mensch heeft een πνευμα, maar dat
πνευμα is psychisch georganiseerd, en moet krachtens zijne natuur wonen
in een lichaam. Het is des menschen wezen, om lichamelijk, zinnelijk
te zijn. Daarom wordt, zoo niet temporeel dan toch logisch, eerst zijn
lichaam uit het stof der aarde gevormd en daarna hem ingeblazen de adem
des levens. Hij wordt Adam genoemd naar de aarde, uit welke hij gevormd
is. Hij is en heet stof, Gen. 2:7, Ps. 103:14, Job 10:9, 33:6, Jes.
2:22, 29:16, 45:9, 64:8, ἐκ γης χοικος, 1 Cor. 15:47. Het lichaam is
geen kerker, maar een wonderbaar kunststuk van God almachtig en even
goed als de ziel het wezen des menschen uitmakende, Job 10:8-12, Ps.
8, 139:13-17, Pred. 12:2-7, Jes. 64:8; het is onze ἐπιγειος οἰκια, 2
Cor. 5:1, ons σκευος, d. i. ons dienend orgaan, ons gereedschap, 1
Cor. 12:18-26, 2 Cor. 4:7, 1 Thess. 4:4, en de leden des lichaams zijn
de ὁπλα waarmede wij strijden in den dienst der gerechtigheid of der
ongerechtigheid, Rom. 6:13; het behoort zoo wezenlijk tot den mensch,
dat het, ofschoon door de zonde gewelddadig van de ziel losgescheurd,
toch in de opstanding weer met haar vereenigd wordt. De aard der
vereeniging van ziel en lichaam is onbegrijpelijk, maar zij is veel
nauwer, dan het occasionalisme of de harmonia praestabilita of het
systema influxus zich die denkt; zij is niet ethisch maar physisch; zij
is zoo innig, dat ééne natuur, één persoon, één ik het subject van
beide en van al hunne werkzaamheden is. Het is altijd dezelfde ziel,
die ziet door het oog, denkt door de hersenen, grijpt met de hand,
wandelt met den voet. Ofschoon niet in ieder deel des lichaams aanwezig
secundum totalitatem virtutis, is zij toch in alle leden aanwezig
secundum totalitatem essentiae. Het is één en hetzelfde leven, dat
door heel het lichaam stroomt, maar in ieder lid op eene eigene
dienovereenkomstige wijze werkt en zich openbaart. Ook dit lichaam nu,
dat zoo innig met de ziel is verbonden, behoort tot het beeld Gods. Wel
is dit niet zoo te denken, dat God zelf een stoffelijk lichaam heeft,
gelijk de Audianen meenden; noch ook, dat God, den mensch scheppende,
een lichaam had aangenomen, zooals Eugubinus leerde; noch ook, dat God
den mensch geschapen had naar den Christus incarnandus, gelijk Osiander
oordeelde. God immers is πνευμα, Joh. 4:24 en heeft geen lichaam.
Het menschelijk lichaam maakt niet in zijne stoffelijke substantie, als
σαρξ, maar wel in zijne organisatie tot werktuig der ziel, in zijne
perfectio formalis, deel uit van het beeld Gods, Augustinus, de Gen.
ad litt. VI 12. Greg. Nyss., de hom. opif. c. 8. Thomas, S. Th. I qu
93 art. 6. S. c. Gent IV 26. Petavius, de sex dier. opif. II 4, 7 sq.
Gerhard, Loci VIII 3. Calvijn, Inst. I 15, 3. Polanus, Synt. Theol. p.
328. Zanchius, Op. III 677 sq. Bucanus, Inst. theol. VIII 13. Synopsis
pur. theol. XIII 13. Mastricht, III 9, 30. Gelijk God, ofschoon πνευμα
zijnde, toch Schepper is van eene stoffelijke wereld, die zijne openbaring
en verschijning heeten mag, en deze openbaring haar hoogtepunt erlangt
in de menschwording, zoo is ook de geest des menschen als ziel op het
lichaam als zijne verschijning aangelegd. De menschwording Gods is het
bewijs, dat niet de engel maar de mensch naar Gods beeld is geschapen en
dat zijn lichaam daarvan een wezenlijk bestanddeel vormt. De schepping
is van den beginne aan zoo ingericht en de menschelijke natuur is
aanstonds zoo geschapen, dat zij vatbaar en geschikt was voor de hoogste
gelijkvormigheid aan en voor de innigste inwoning van God. God zou geen
mensch hebben kunnen worden, indien Hij niet eerst den mensch naar zijn
beeld had gemaakt. En juist, omdat het lichaam als orgaan der ziel ook
behoort tot het wezen van den mensch en tot het beeld Gods, daarom
deelde het oorspronkelijk ook in de onsterfelijkheid. God is niet een
God der dooden maar der levenden, Mt. 22:32. De dood is een gevolg
der zonde, Gen. 2:7, 3:19, Rom. 5:12, 6:23. Deze onsterfelijkheid
bestond echter bij Adam nog niet in het non posse mori, in het eeuwige,
onverderfelijke leven, maar slechts in het posse non mori, in het niet
zullen sterven in geval van gehoorzaamheid. Ze was niet absoluut
maar conditioneel, ze hing van eene ethische voorwaarde af. Het is
daarom niet juist, om met de Pelagianen, Socinianen, Remonstranten
enz. te zeggen, dat de mensch sterfelijk is geschapen en de dood met
het stoffelijk organisme vanzelf gegeven en dus de normale, natuurlijke
toestand is. Maar toch is er andererzijds een wezenlijk verschil tusschen
het niet zullen sterven van Adam, zoolang hij gehoorzaam bleef, en het
niet kunnen sterven, dat hij als loon op zijne gehoorzaamheid ontvangen
zou hebben. Evenals de kennis, gerechtigheid en heiligheid bij Adam nog
verstoken was van het donum perseverantiae, zoo was de onsterfelijkheid
nog niet met het eeuwige, onverliesbare leven één. De menschelijke
natuur van Adam was zoo geschapen, dat zij, ingeval van overtreding
van Gods gebod, sterven kon en sterven moest. Adam was nog aardsch
uit de aarde, eerst Christus is de Heer uit den hemel; het natuurlijke
is eerst, daarna het geestelijke. Door dit lichaam was nu de mensch
aan de aarde gebonden maar kon hij ook over de aarde zijne heerschappij
uitoefenen. De heerschappij over de aarde is evenals de onsterfelijkheid
een stuk van het beeld Gods. Wel gingen de Socinianen veel te ver, als
zij in de heerschappij heel het wezen van den mensch en den ganschen
inhoud van het beeld Gods stelden; maar toch leert Gen. 1:26 duidelijk,
dat die heerschappij met de schepping naar Gods beeld ten nauwste
samenhangt en rechtstreeks gegeven is. Zij is geen uitwendig toevoegsel,
zij berust niet op eene daarbijkomende, bijzondere beschikking; maar
de mensch, die beeld Gods is, is daardoor tegelijk boven alle andere
schepselen verheven en tot heer en koning over hen alle aangesteld.
En eindelijk behoort tot het beeld Gods ook de woning in het paradijs,
Gen. 2:8-15. Heiligheid en zaligheid behooren bijeen; ons aller geweten
getuigt, dat er tusschen deugd en geluk verband behoort te bestaan;
het ethische en het physische, de zedelijke en de natuurlijke orde in de
wereld, wezen en verschijning, geest en stof mogen geen tegenstelling
vormen. Bij den gevallen mensch past daarom eene aarde, die ligt onder
den vloek; den goddelooze wacht hiernamaals eene plaats der duisternis,
de rechtvaardige zal eens wandelen in het licht van Gods aanschijn; de
nog niet gevallen en toch nog aardsche mensch woont in een paradijs.
10. Alzoo is de gansche mensch beeld en gelijkenis Gods. Hij is het
naar ziel en lichaam, naar alle vermogens, krachten en gaven. Niets
is in den mensch van het beeld Gods uitgesloten; het strekt zich even
ver als het menschelijke uit; het is het menschelijke in den mensch. Het
menschelijke is niet het Goddelijke zelf, maar het is daarvan toch de
eindige, creatuurlijke afdruk. Alwat in God is, zijn geestelijk wezen,
zijne deugden en volmaaktheden, zijne immanente zelfonderscheidingen,
zijne mededeeling en openbaring in de schepping; het vindt alles
zijne, zij het dan ook eindige en beperkte, analogie en gelijkenis in
den mensch. Er ligt eene diepe waarheid in de voorstelling van de
kabbala, dat God, die de Oneindige is in zichzelven, zich in de tien
sefiroth of eigenschappen openbaart en dat deze saam den Adam Kadmon
uitmaken, Franck, La Kabbale 1843 p. 179; de menschelijke natuur is
onder de schepselen de hoogste en volkomenste openbaring Gods. En
dat is ze volstrekt niet naar hare pneumatische zijde alleen, maar
evenzeer naar hare somatische zijde; zij is het juist als menschelijke,
d. i. als psychische natuur. God en wereld, geest en stof zijn naar
de leer der Schrift geen tegenstellingen. Er is in de stof niets
verachtelijks en niets zondigs. De zichtbare wereld is even goed eene
schoone, rijke openbaring Gods als de geestelijke. In de eerste spreidt
Hij evengoed zijne deugden ten toon als in de laatste. Alle schepselen
zijn belichaming zijner Goddelijke gedachten en alle vertoonen zij vestigia
Dei. Maar al deze vestigia, in de geestelijke en in de stoffelijke
wereld naast elkander verspreid, worden saamgevat in den mensch en zoo
onderling verbonden en hooger opgevoerd, dat zij duidelijk vormen het
beeld en de gelijkenis Gods. De gansche wereld verheft zich opwaarts,
sluit zich af, voltooit zich, ontvangt haar eenheid, haar doel, haar
kroon in den mensch. Om beeld Gods te zijn, moest de mensch daarom wezen
eene samenvatting der gansche natuur. De Joden zeiden, dat de stof voor
het menschelijk lichaam door God uit de verschillende landen der aarde
bijeenverzameld was, Weber, System 202 f., cf. eene Friesche mythe bij
Dr. J. te Winkel, Gesch. der Ned. Lett. I 28. In dezen vreemden vorm
werd eene ware, schoone gedachte uitgedrukt. De mensch is als geest
aan de engelen verwant en klimt tot de onzienlijke dingen op; maar hij
is ook burger der zienlijke wereld en aan alle lichamelijke schepselen
verbonden. Er is in het menschelijk lichaam geen enkele stof, welke niet
in de natuur rondom hem heen voorkomt. Zoo is de mensch de eenheid van
de stoffelijke en de geestelijke wereld, de spiegel van het universum,
vinculum, compendium, epitome totius naturae, μικροκοσμος, en juist
daardoor ook beeld en gelijkenis Gods, zijn zoon en erfgenaam, μικροθεος.
Hij is de profeet, die God verklaart en zijne deugden verkondigt; hij is
de priester, die met al het geschapene zichzelven als eene heilige
offerande Gode wijdt; hij is de koning, die in gerechtigheid alle dingen
leidt en regeert. En in dit alles wijst hij heen naar Een, die in nog
hooger en rijker zin de openbaring en het beeld Gods is, naar Hem, die
de eengeborene is van den Vader en de eerstgeborene aller creaturen.
Adam, de zoon van God, was een type van Christus.
§ 34. DE BESTEMMING VAN DEN MENSCH.
1. Ofschoon Adam naar Gods beeld geschapen was, hij was het toch niet
aanstonds in den volsten zin en hij was het ook niet alleen op zichzelf.
Eerst dan staat het beeld Gods in zijn ganschen rijkdom voor ons, als wij
daarin ook opnemen de bestemming van den mensch, zoowel voor dit als
voor het toekomende leven. In 1 Cor. 15:45-49 stelt Paulus de beide
verbondshoofden, Adam en Christus, tegenover elkander en vergelijkt
hen, niet zoozeer, gelijk in Rom. 5:12-21 en 1 Cor. 15:22, ten opzichte
van wat zij teweegbrachten, als wel met betrekking tot hun natuur en
persoon. De vergelijking daalt hier het diepste af en dringt tot den
wortel van beider onderscheid door. De gansche Adam, zoo vóór als na
den val, wordt tegengesteld aan den ganschen Christus, zoo na als vóór
de opstanding. De eerste mensch is krachtens de schepping ψυχη ζωσα,
ψυχικος, ἐκ γης χοικος; maar de tweede mensch is door zijne opstanding
πνευμα ζωοποιουν, πνευματικος, ἐξ οὐρανου, cf. W. Lütgert, Der Mensch
aus dem Himmel, Greifswalder Studien, H. Cremer zum 25 j. Prof.
dargebracht u. s. w. Gütersloh 1895 S. 207-228. Ofschoon Adam naar
Gods beeld werd geschapen, hij was, wijl aardsch uit. de aarde, van de
aarde afhankelijk; hij had immers behoefte aan spijs en drank, licht en
lucht, dag en nacht, en had dus nog geen pneumatisch, verheerlijkt,
boven al die behoeften verheven lichaam; zijn psychisch lichaam was nog
niet ten volle geworden orgaan van den geest. Als zoodanig staat Adam
beneden Christus: Adam is de eerste, Christus is de tweede en laatste,
die Adam onderstelt en op Adam volgt; Adam is de mindere en lagere,
Christus is de meerdere en hoogere; Adam wees dus naar Christus henen,
hij was ook vóór den val reeds type van Christus; bij de schepping van
Adam werd reeds op Christus gerekend; de gansche schepping, ook die
van den mensch, was infralapsarisch; het natuurlijke is eerst, daarna
het geestelijke. Wat Paulus hier breed en diep uiteenzet, is in Gen.
1-2 zelf gegrond. De mensch, schoon πνευμα en een adem des levens
in zich dragende, werd, evenals de dieren, eene levende ziel. Hij
kreeg vrucht van kruid en boom tot spijze, Gen. 1:29, een paradijs tot
woonplaats, Gen. 2:8v., eene vrouw tot hulpe, Gen. 2:18v., een gebod
tot richtsnoer, Gen. 2:16, 17, eene bedreiging van straf in geval van
overtreding, Gen. 2:17. Uit alles blijkt, dat de eerste mensch, hoe
hoog ook geplaatst, het hoogste nog niet had. Er is een zeer groot
verschil tusschen het psychische en het pneumatische, tusschen den
status integritatis en den status gloriae. Na de opstanding zullen buik
en spijze teniet gedaan worden, 1 Cor. 6:13, maar bij Adam waren beide
aanwezig; in den hemel zullen de kinderen Gods niet meer huwen maar den
engelen gelijk zijn, Mt. 22:30, doch Adam had de hulpe eener vrouw van
noode. Adam stond dus niet aan het einde maar aan het begin van den
weg; zijn toestand was een voorloopige en tijdelijke, die zoo niet blijven
kon, en overgaan moest of tot hooger heerlijkheid of tot een val in
zonde en dood. Op de overtreding toch van het gebod stond de dood, maar
dus stond ook bij tegenstelling op de onderhouding daarvan het leven, en
wel het eeuwige leven. Want niet alleen getuigt ons aller conscientie,
dat in het houden van Gods geboden groote loon is en de overtreding
ervan straf medebrengt, maar de H. Schrift spreekt dit ook telkens
uit; zij vat alle zaligheid, aan het doen van Gods geboden verbonden,
onder den naam van leven, van eeuwig leven, samen, en kent beide in
werk- en in genadeverbond maar één hoogste ideaal voor den mensch, en
dat is het eeuwige leven, Lev. 18:5, Ezech. 20:11, Ps. 19 vs. 12, Mt.
19:17, Luk. 10:28, Gal. 3:12. Zoo stond Adam dus nog aan den ingang; hij
had dit loon, het eeuwige leven, nog niet, maar moest het verwerven,
hij kon nog dwalen, zondigen, vallen, sterven. Zijne verhouding tot God
was zóó, dat hij in zijne gemeenschap hoe langer hoe meer toenemen, maar
ook daaruit nog vervallen kon. Deze eigenaardige verhouding wordt in
de Schrift misschien op ééne plaats met een verbond vergeleken. In
Hos. 6:7 zegt de Heere van Israel en Juda, dat zij, in weerwil van al
den arbeid aan hen ten koste gelegd כְּאָדָם עָבְרוּ בְרִית, LXX
ὡς ἀνθρωπος, Vulg., sicut Adam. De vertaling: als een mensch, wordt
gedrukt door het bezwaar, dat juist van menschen in het algemeen gezegd
wordt, dat zij het verbond overtraden; en de overzetting: als eens
menschen (verbond), zou in elk geval vereischen, dat het woord כאדם
niet achter het subject הֵמָּה, maar achter het te bepalen woord
בְרִית was geplaatst. En zoo blijft alleen de vertaling: als Adam,
over. Er ligt dan in opgesloten, dat het gebod, aan Adam gegeven, in
het wezen der zaak een verbond was, omdat het evenals dat van God met
Israel, bedoelde, om Adam in den weg van gehoorzaamheid het eeuwige
leven te schenken. Dit wordt nu nog versterkt, door den parallel,
dien Paulus in Rom. 5:12-21 tusschen Adam en Christus trekt. Gelijk de
gehoorzaamheid van één mensch, nl. Christus en de in Hem geschonken
genade voor de menschheid vrijspraak, gerechtigheid en leven bracht,
zoo is ook de ééne overtreding en misdaad van den éénen mensch voor de
menschheid oorzaak van veroordeeling, zonde en dood. Het is met Adam
als met Christus. Wij staan feitelijk tot hem in dezelfde verhouding. Hij
is een type van Christus, ons hoofd, uit wien om zijne overtreding de
schuld en de dood ons toekomt. Hij is de oorzaak van ons aller dood; wij
sterven allen in Adam, 1 Cor. 15:22. Ook hier is de verhouding van Adam
tot God eene verbondsrelatie, maar nu niet zoozeer beschreven naar de
zijde van God, als wel naar de zijde van hen, die onder Adam als hoofd in
dat verbond zijn begrepen.
2. In de christelijke theologie is deze rijke gedachte der Schrift niet
altijd genoeg tot haar recht gekomen. De naturalistische opvatting
stelde het beeld Gods alleen in den aanleg, de nuda potentia, de
wilsvrijheid, de formeele persoonlijkheid en achtte den dood zelfs
natuurlijk. Het beeld Gods of althans de gelijkenis bestond veel meer
in datgene, wat de mensch door eigen krachtsinspanning verwerven
moest, dan in hetgeen hem bij de schepping terstond werd geschonken.
Daartegenover sloeg de supranaturalistische opvatting tot een ander
uiterste over en schreef aan den status integritatis een geheel
bovennatuurlijk karakter toe. Niet alleen werd de justitia originalis
voor een donum supernaturale gehouden, de onsterfelijkheid als een
bijzonder beneficium conditoris beschouwd en alle vatbaarheid voor lijden
en smart aan Adam ontzegd, Aug. de civ. XIV 26. Thomas, S. Th. I qu.
97 art. 2; maar sommigen, zooals Greg. Nyss., Joh. Damasc., Böhme e.
a. oordeelden, dat de mensch vóór den val, wijl onsterfelijk, geen spijze
noodig had, Petavius, de sex dier. opif. c. 7; de excretie zou in elk
geval zonder eenige indecentia hebben plaats gehad, Thomas, S. Th. I
qu. 97 art. 3; de spijze des menschen zou volgens de meeste kerkvaders,
scholastici, Roomsche, Luthersche, Remonstrantsche en ook volgens
sommige Geref. theologen zooals Zwingli, Musculus, Martyr, Zanchius,
Junius, Piscator enz. alleen in planten en niet in vleesch hebben
bestaan; de generatie zou zonder eenigen zinnelijken lust zijn geschied,
en de kinderen zouden niet sprakeloos en hulpbehoevend geboren en zeer
spoedig opgegroeid zijn, Aug. de pecc. mer. et rem. I 37. 38. Lombardus,
Sent. II dist. 20. Thomas, S. Th. I qu. 98 art. 1; velen gingen nog
verder en meenden, dat de voortplanting in het geheel niet per coitum
zou geschied zijn, Aug. Retract. I 10. Greg. Nyss. de hom. opif. 16. 17.
Damasc, de fide orthod. II 30; de mensch werd eerst androgyn geschapen,
de schepping der vrouw is reeds een bewijs van den val, de Joden bij
Weber, Syst. 202 f. Erigena, de div. nat. II 6. 10. 23. IV 12. Böhme,
Oetinger, Baader, Schelling, Lange, Dogm. II 324 f. Delitzsch, Bibl.
Psych. 102 f. Hofmann, Weiss. u. Erf. I 65 f. Schriftbew. I² 403 f.
enz.; de vrouw was dus eigenlijk niet het beeld Gods en de menschelijke
natuur deelachtig, cf. bij Aug. de trin. XII 7. Thomas, S. Th. I qu. 93
art. 4. qu. 99 art. 2. Bonav. Sent. II dist. 16 art. 2 qu. 2. dist. 20
art. 1 qu. 6. Gerhard, VIII c. 6. Quenstedt, II p. 15. Jansen, Gesch.
des deutschen Volkes VI 1888 S. 395-397. Zelfs werd door Origenes, c.
Cels. I 32. 33. de princ. II 9 de lichaamlijkheid en alle ongelijkheid
onder de menschen uit een val der praeexistente zielen afgeleid, of ook
werd aan den mensch vóór den val een gansch ander lichaam dan het onze
toegeschreven, cf. de Ophieten bij Hagenbach, D. G. § 62, Böhme, Ant.
Bourignon, Baader enz. En in verband met dit alles werd het paradijs
dikwerf zeer idealistisch of zelfs allegorisch opgevat; de dieren
zouden niet gestorven zijn, wild en onrein gedierte zou er niet geweest
zijn, de roos hadde gebloeid zonder doornen, de lucht was veel reiner,
het water veel zachter, het licht veel helderder, b.v. Luther op Gen.
3, cf. Strauss, gl. I 700 f.
Toch werd door allen erkend, dat Adam het hoogste nog niet bezat. In
het proefgebod, de kiesvrijheid, de mogelijkheid van zonde en dood lag
dit vanzelf opgesloten. Vooral Augustinus maakte duidelijk onderscheid
tusschen het posse non peccare en posse non mori, dat Adam bezat, en
het non posse peccare en het non posse mori, dat met de verheerlijking
aan den eersten mensch in geval van gehoorzaamheid geschonken zou zijn
en nu uit genade aan de uitverkorenen wordt verleend, de civ. XXII
30. de corr. et grat. 11. Enchir. 104-107. de Gen. ad litt. III 2. VI
25. Op. imp. c. Jul. V 58. VI 5 enz. Zelfs werd door Augustinus van
die verhouding, waarin Adam oorspronkelijk stond, als van een verbond,
testamentum, pactum gesproken, de civ. XVI 27; en de vertaling van
de woorden כאדם door: als Adam, leidde velen tot eene gelijke
opvatting, Marck, Histor. Parad. II 6, 7. Zakelijk komt de leer van het
later zoo genoemde werkverbond dus ook reeds bij de kerkvaders voor. In
den toestand van Adam, gelijk die door de scholastiek, de Roomsche, de
Luthersche theologen werd opgevat, liggen al de elementen opgesloten,
die later bepaaldelijk door de Gereformeerden in de leer over het foedus
operum zijn samengevat, cf. Lombardus, Sent. II dist. 19. 20. Van de
relatie, waarin de geloovigen door Christus tot God komen te staan, is
menigmaal in de Schrift de naam verbond gebruikelijk. Reeds Zwingli en
Bullinger grepen deze gedachten der Schrift aan, om de eenheid van Oud
en Nieuw Testament tegen de Anabaptisten te verdedigen, cf. later bij de
leer van het foedus gratiae. Toen nu naar het voorbeeld der Schrift de
christelijke religie als een verbond werd voorgesteld, gaf Paulus met
zijn parallel tusschen Adam en Christus er aanleiding toe, om ook den
status integritatis als een verbond te denken. In onderscheiding van
het foedus gratiae heette dit dan het foedus naturae of operum. Verbond
der natuur werd het genoemd, niet als zou het uit de natuur Gods of die
des menschen vanzelf en natuurlijkerwijs voortvloeien. Maar het heette
zoo, omdat de grondslag, waarop het verbond rustte, d. i. de zedewet,
den mensch van nature bekend was, en wijl het opgericht werd met den
mensch in zijn oorspronkelijken staat en door den mensch met de hem in de
schepping geschonken krachten, zonder bovennatuurlijke genade, gehouden
kon worden. Toen later de naam tot misverstand aanleiding gaf, werd
hij liefst door dien van foedus operum, verbond der werken, vervangen;
en dezen naam droeg het, wijl het eeuwige leven in dit verbond alleen
te verkrijgen was in den weg der werken, d. i. van de onderhouding van
Gods geboden. Dit verbond werd nu, als parallel van het foedus gratiae,
door de Gereformeerden met bijzondere voorliefde geleerd en ontwikkeld.
Het komt reeds voor bij Ursinus, Catech. major qu. 9. Olevianus, de
subst. foed. grat. 1585 I § 8. 9. II § 5. Polanus, Synt. Theol. VI
33. Junius, Theses theol. c. 25. Wollebius, Theol. Christ. I c. 8,
enz., hier te lande het eerst bij Trelcatius, Loci Comm. 1587 p. 276.
Gomarus, Oratio de foedere Dei 1594. Trelcatius Jr. Instit. Theol. 1604
p. 131. Cloppenburg, Disp. de foedere Dei 1643. Coccejus, Summa doctr.
de foedere 1648 en voorts bij alle theologen, b.v. Mastricht, Theol.
III c. 12. Marck, Historia Parad. 1705 II c. 6 sq. Moor, III 52-108,
M. Vitringa, c. 8. Comrie, Verhandeling over het verbond der werken
vóór zijne uitgave van Boston, Beschouwing van het verbond der genade
1741. Brahe, Aanm. over de Walch. artikelen, 1758 bl. 123v. Examen van
het Ontw. v. Toler. 10e Sam. J. van den Honert, Voorrede voor Ursinus’
Schatboek bl. 112-144 enz. De belijdenisschriften maken er niet met
zooveel woorden melding van; maar zakelijk is het toch reeds vervat
in art. 14 en 15 der Ned. Gel., waar geleerd wordt, dat door Adams
overtreding van het gebod des levens de geheele menschelijke natuur is
bedorven, in Zondag 3 en 4 van den Heid. Cat., waar de mensch naar
Gods beeld geschapen heet, _opdat_ hij met God in de eeuwige zaligheid
leven zou, maar ook door Adams val geheel bedorven wordt genoemd, en
in cap. 3, 2 van de Canones Dordr., waar het heet, dat de bedorvenheid
van Adam op ons overgaat „naar Gods rechtvaardig oordeel”; formeel
werd het werkverbond opgenomen in de Iersche artikelen, in de Westm.
Confessie en in de Walchersche artikelen 1693. Voorts vond de leer van
het foedus operum later ook bij sommige Roomschen, Scheeben II 500.
Pesch, Prael. III 136 en Lutherschen ingang, zooals Pufendorf, Jaeger,
Buddeus, Instit p. 527 e. a., cf. Vitringa II 242; daarentegen werd het
bestreden door Episcopius, Instit. theol. II c. 2. Limborch, Theol.
Christ. III c. 2. J. Alting op Hebr. 8:6 en Op. V 392. Venema, Korte
verdediging van zijn eer en leer 1735. N. Schiere, Doctrina test. et
foed. div. omnium 1718 p. 491 sq. en anderen. Het rationalisme wilde er
niets van weten, en zelfs van Oosterzee, Chr. Dogm. § 75 zag er slechts
een juridisch kunststuk in. Desniettemin werd het weder opgenomen door
Dr. Kuyper, Heraut 161 v. Hodge, Syst. Theol. II 117-122. Dr. Vos, De
Verbondsleer inde Geref. Theologie 1891.
3. Er is tegen de verbondsleer, gelijk zij in de Geref. theologie is
ontwikkeld, zeker in te brengen, dat zij al te veel in details is
afgedaald, en al te schoolsch behandeld is. De latere theologen
verdedigden het leerstuk nog wel, maar zij gevoelden er de beteekenis
en het theologisch en religieus belang niet meer van; de ziel was er
uit, en de bestrijding was daarom gemakkelijk. Maar de leer van het
werkverbond rust op Schriftuurlijken grondslag en is van uitnemende
waarde. Alle hooger leven onder redelijke en zedelijke schepselen
draagt den vorm van een verbond. Verbond is in het algemeen eene
overeenkomst van personen, waarbij zij zich vrijwillig, ter wering van
eenig kwaad of ter verkrijging van eenig goed, tegenover elkander op
bepaalde voorwaarden verplichten en verbinden. Zulk eene overeenkomst,
hetzij stilzwijgend aangegaan of bepaald gestipuleerd, is de gewone
vorm voor het samenleven en samenwerken der menschen onderling.
Liefde, vriendschap, huwelijk, en alle sociale cooperatie in handel,
nijverheid, wetenschap, kunst enz. berust ten slotte op den grondslag
van een verbond, d. i. op wederkeerige trouw en allerlei zedelijke,
algemeen erkende, verplichtingen. Het kan daarom niet verwonderen, dat
ook het hoogste, rijkste leven van den mensch, d. i. de religie, dit
karakter draagt. In de Schrift is het verbond de vaste vorm, waarin de
verhouding van God tot zijn volk voorgesteld wordt. En ook waar de naam
niet voorkomt, zien wij beiden toch altijd als het ware in samenspraak
met elkander, met elkaar onderhandelend, God den mensch noodigend tot
bekeering, herinnerend aan zijne verplichtingen en zichzelf verbindend
tot het schenken van alle goeds. Later bij de leer van het verbond der
genade, zal het bijbelsch begrip van בְרִית in het licht worden
gesteld. Hier zij het genoeg, aan deze algemeene notie te herinneren.
Ook al zou de naam verbond voor de religieuse verhouding van Adam tot
God in de Schrift nooit voorkomen, ook niet in Hos. 6:7; toch draagt
het religieuse leven van den mensch vóór den val het karakter van een
verbond. De Gereformeerden waren nooit zoo eng van te staan op den
naam, indien de zaak maar vaststond; de vocabulo dubitetur, re salva.
Maar achter de bestrijding van den naam was meestal die van de zaak
verborgen. En deze kan noch mag prijsgegeven, wijl verbond het wezen der
ware religie is. Immers, vooreerst is God Schepper, de mensch schepsel;
en daarmede is er tusschen beiden een oneindige afstand geponeerd; er
schijnt tusschen beide geen gemeenschap, geen religie mogelijk te wezen;
er is alleen onderscheid, afstand, verwijdering eindeloos. Indien God in
zijne souvereine hoogheid en majesteit boven den mensch blijft staan, dan
is er geen godsdienst mogelijk, althans geen godsdienst als gemeenschap
met God; dan is de verhouding tusschen beiden volkomen weergegeven in
de namen heer en knecht; dan is het beeld van den pottebakker en het
leem nog veel te zwak om die verhouding aan te duiden, want het leem
heeft nog een zijn en dus rechten onafhankelijk van en tegenover den
pottebakker, maar de mensch heeft niets, dat hij is of heeft buiten en
tegenover God. Als er dus waarlijk religie zal zijn, als er gemeenschap
zal wezen tusschen God en mensch, als de verhouding van beiden, ook
wel maar toch niet alleen zal wezen die van een heer tot zijn knecht,
van een pottebakker tot zijn leem, doch ook die van een koning tot zijn
volk, van een vader tot zijn zoon, van een moeder tot haar kind, van
een adelaar tot zijn jongen, van eene hen tot hare kiekens enz.; d. i.
indien niet ééne enkele relatie, maar alle en allerlei relatiën van
afhankelijkheid, onderwerping, gehoorzaamheid, vriendschap, liefde enz.
onder menschen in de religie haar voorbeeld hebben en hare vervulling
erlangen, dan moet religie het karakter dragen van verbond. Want dan
moet God neerdalen van zijne hoogheid, zich neerbuigen tot zijn schepsel,
zich aan den mensch mededeelen, openbaren, wegschenken; dan moet Hij,
die in het hooge en verhevene en eeuwige woont, ook wonen bij dien,
die van een nederigen geest is, Jes. 57:15. Dit nu is niets anders
dan een verbond. Als de religie een verbond wordt genoemd, dan is ze
daarmede aangeduid als de ware, echte religie. Dat heeft geen enkele
godsdienst ooit verstaan; alle volken trekken God pantheistisch neer
in het creatuurlijke of verheffen Hem deistisch eindeloos er boven; in
geen van beide gevallen komt het tot ware gemeenschap, tot verbond,
tot echte religie. Maar de Schrift handhaaft beide; God is eindeloos
groot en nederbuigend goed; Hij is Souverein maar ook Vader; Hij is
Schepper maar ook archetype; Hij is in één woord de God des verbonds.
In de tweede plaats is het duidelijk, dat een schepsel tegenover God
geen enkel recht medebrengen en bezitten kan. Dat is uit den aard
der zaak onmogelijk. Een schepsel heeft als zoodanig alles, was het
is en wat het heeft, aan zijn Schepper te danken; het heeft tegenover
God op niets aanspraak; het kan zich op niets laten voorstaan; het
heeft hoegenaamd geen rechten of eischen; er is van verdienste bij
het schepsel tegenover God nooit sprake en er kan geen sprake van
zijn; de verhouding van Creator en creatura snijdt alle verdienste der
laatste principieel en ten eenenmale af. Dit geldt niet alleen na
maar evengoed vóór den val. Ook toen was de mensch schepsel, zonder
aanspraak, zonder rechten, zonder verdienste. Als wij gedaan hebben,
al hetgeen ons bevolen is, dan zijn wij nog δουλοι ἀχρειοι, Luk. 17:10.
Nu is echter de religie der H. Schrift van dien aard, dat de mensch
daarin als het ware toch rechten tegenover God kan laten gelden. Hij
heeft immers vrijheid, om met gebed en dankzegging tot Hem te komen, om
Hem aan te spreken als zijn Vader, om in allen nood en dood op Hem te
vertrouwen, om alle goeds van Hem te begeeren, om zelfs de zaligheid
en het eeuwige leven van Hem te verwachten. Dit is nu enkel en alleen
daardoor mogelijk, dat God in nederbuigende goedheid aan zijn schepsel
rechten geeft. Alle recht van schepselen is een geschonken goed, een
gave der genade, onverdiend en onverplicht; alle loon is van Gods
zijde uit genade; er is geen meritum de condigno noch ook de congruo
mogelijk. De ware religie kan daarom niets anders zijn dan een verbond,
ze heeft haar oorsprong in de nederbuigende goedheid, in de genade
Gods. Dat karakter draagt de religie zoowel vóór als na den val. De
religie is één evenals de zedewet en de bestemming van den mensch.
Werk- en genadeverbond verschillen niet in het einddoel maar alleen in
den weg, die tot dat einddoel leidt. In beide is één Middelaar, toen
van vereeniging, nu van verzoening; in beide is één geloof, toen in
God nu in God door Christus; in beide is ééne hope, ééne liefde enz.
De religie is altijd wezenlijk dezelfde, zij verschilt alleen in forma.
In de derde plaats: de mensch is een redelijk en zedelijk wezen. Zoo
heeft God hem geschapen, en zoo behandelt Hij hem dus ook; Hij onderhoudt
wat Hij schiep. God dwingt den mensch daarom niet, want dwang is met
den aard van een redelijk schepsel in strijd. Hij behandelt hem niet als
een redeloos creatuur, als een plant of een dier, als een stok en
een blok, maar Hij gaat met hem te werk als met een redelijk, zedelijk,
zichzelf bepalend wezen. Hij wil, dat de mensch vrij zij en in vrijheid,
gewillig, in liefde Hem diene, Ps. 110:3. Religie is vrijheid, is
liefde, die zich niet dwingen laat. En daarom moet ze van huis uit ook
den vorm dragen van een verbond, waarin God niet dwingend maar radend,
vermanend, waarschuwend, noodigend, biddend optreedt, en waarin de
mensch God dient niet door dwang of geweld, maar gewillig, met eigen,
vrije toestemming, door liefde tot wederliefde bewogen. Godsdienst is in
den grond der zaak geen plicht maar een voorrecht. Het is geen werk,
waarmede wij Gode voordeelig zijn en Hem iets toebrengen, en aanspraak
hebben op loon. Maar het is genade, Hem te mogen dienen. God is nooit
gehouden in ons, wij zijn altijd gehouden in Hem voor de goede werken, die
wij doen, art. 24 Ned. Gel. Van zijne zijde altijd de gave, van onzen kant
altoos en alleen de dank. En daarom is religie niet anders denkbaar
dan in den vorm van een verbond; daarin komt zij eerst tot hare volle
verwezenlijking. Zoodanig verbond heeft God dan ook met den eersten
mensch gesloten. De splinterige uitwerking van dit leerstuk zij geheel
ter zijde gesteld. Maar de zaak zelve staat vast; nadat de mensch naar
Gods beeld was geschapen, heeft God hem zijne bestemming aangewezen en
den weg, waarin hij deze alleen bereiken kon. Immers, de zedewet kon de
mensch kennen zonder buitengewone openbaring, zij was geschreven in zijn
hart. Maar het proefgebod is positief, het is niet met de natuur des
menschen zelve gegeven, het kon hem alleen bekend worden doordat God
het hem mededeelde. Evenmin sprak het vanzelf, dat de onderhouding van
dat gebod het eeuwige leven schonk. In dien zin is het foedus operum
geen foedus naturae. Eerst werd dit nog niet zoo helder ingezien, cf.
Gomarus, de foedere. Maar allengs werd het duidelijk geleerd, dat God
in geen enkel opzicht verplicht was, om aan den mensch, die zijne wet
onderhield en daarmede niets anders deed dan wat hij schuldig was te
doen, de hemelsche zaligheid en het eeuwige leven te schenken; er is
hier geen natuurlijk verband tusschen werk en loon, Coccejus, de foedere
II 23 sq. Burman, Synops. Theol. II 8, 2, 4. Marck, Hist. Parad. p.
479. Cloppenburg, Exerc. theol. VI disp. 5. de foed. I 8 sq. Witsius,
Oec. foed. I 4 § 10-23. Leydecker, Fax Verit. p. 399 sq. Ex. v. h.
Ontw. v. Tol. IX 227 v. 261 v. X 288 v. 318 v. Brahe, Aanm. over de
vijf Walch. art. bl. 125 v. En dat is de waarheid, die ligt in Rome’s
leer van het donum superadditum. Het eeuwige leven is en blijft eene
onverdiende gave van Gods genade. Maar omdat Rome de leer van het
werkverbond niet kent, leidt het uit deze genadegifte van het eeuwige
leven af, dat ook het beeld Gods in den mensch bovennatuurlijk moet
zijn en laat nu door die in het beeld Gods geschonken, bovennatuurlijke
kracht het eeuwige leven toch weer ex condigno verdienen. Onder den
schijn van de genade te eeren, voert het dus weer de verdienstelijkheid
der goede werken in. De Gereformeerden echter handhaafden eenerzijds,
dat het beeld Gods in den mensch natuurlijk was, en dat de mensch,
die beeld Gods was, de zedewet zonder bovennatuurlijke openbaring
kennen, en haar zonder bovennatuurlijke kracht onderhouden kon. En
andererzijds hielden zij staande, dat een hooger staat van zaligheid,
dan die in het paradijs op aarde, uit den aard der zaak nooit verdiend
maar alleen door Gods vrije beschikking geschonken kon worden. En deze
beide gedachten vereenigden zij in het foedus operum. Dit berust op
eene vrije, bijzondere, genadige beschikking Gods; het gaat van Hem
uit; Hij stelt alle deelen daarvan vast, voorwaarde en vervulling,
onderhouding en loon, overtreding en straf; het is monopleurisch in
oorsprong; het wordt aan de schepping naar Gods beeld toegevoegd.
De mensch zijnerzijds, wijl naar Gods beeld geschapen, rust daarin en
ziet in dit verbond een weg tot hooger zaligheid zich ontsloten. Het
foedus operum doet dus beide tot zijn recht komen: de souvereiniteit
Gods, welke de afhankelijkheid van het schepsel, de onverdienstelijkheid
van al zijne werken insluit, en de genade en goedertierenheid Gods,
welke desniettemin aan het schepsel eene hoogere zaligheid dan de
aardsche wil schenken. Gelijk het proefgebod staat tot de zedewet, zoo
verhoudt zich het werkverbond tot de schepping naar Gods beeld. Met het
proefgebod staat of valt de gansche zedewet; met het verbond der werken
staat of valt heel het beeld Gods in den mensch. Het werkverbond is de
weg voor den naar Gods beeld geschapen en nog niet gevallen mensch tot
de hemelsche zaligheid.
4. Het werkverbond sluit daarom nog eene andere, schoone gedachte
in. Het realiseert niet alleen de ware, volle idee der religie; het
drukt ook uit, dat de mensch vóór den val, schoon naar Gods beeld
geschapen, het hoogste nog niet bezat. Hierover is voornamelijk verschil
met de Lutherschen. Bij dezen is de schepping naar het beeld Gods de
verwezenlijking van de hoogste idee des menschen; het ideaal is in Adam
ten volle bereikt; een hooger toestand is niet mogelijk. Adam had niets
te worden, maar alleen te blijven wat hij was; hij was de volle gratiosa
inhabitatio S. Trinitatis deelachtig. Hij stond daarom ook niet onder
eene wet, die hem iets positiefs te doen beval; de wet, die voor hem
gold, had alleen een negatieven inhoud; eerst de zonde heeft hem
onder de heerschappij der wet gebracht. Vandaar dat bij de Lutheranen
de oorspronkelijke toestand evenals bij de kerkvaders dikwijls zeer
overdreven geschilderd wordt; en dat de staat, waartoe de geloovigen
in Christus worden verheven, in het wezen der zaak gelijk wordt gedacht
aan dien van Adam vóór den val. Bij den geloovige concentreert zich
voor den Lutheraan alles om de rechtvaardigmaking; indien iemand deze
deelachtig is, dan heeft hij genoeg, is hij volkomen bevredigd en zalig.
De zaligheid valt geheel met de vergeving saam; er is geen behoefte
om deze achterwaarts met de eeuwige verkiezing en voorwaarts met
heel het christelijk leven, de goede werken, en het eeuwige leven in
verband te brengen; noch praedestinatie noch perseverantie zijn hier
noodig; de Luthersche geloovige geniet in het heden en heeft daaraan
genoeg, Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 361. Schneckenburger,
Vergl. Darst. des luth. u. ref. Lehrbegriffs, I 90 f. 120 f. II 185 f.
Vilmar, Dogm. I 340, Frank. Syst. d. chr. Wahrh. I 375. Anders echter
de Gereformeerden, die wandelden in het voetspoor van Augustinus.
Volgens hen had Adam het hoogste niet. Het hoogste is nl. de materieele
vrijheid, en bestaat in het niet meer kunnen dwalen, zondigen, sterven;
in het volstrekt boven alle vreeze en angst, boven alle mogelijkheid
van val verheven zijn. Dit hoogste krijgen de geloovigen terstond uit
genade door Christus. Zij kunnen niet meer zondigen, 1 Joh. 3:9, zij
kunnen niet meer sterven, Joh. 3:16; zij hebben terstond door het
geloof het eeuwige, onverliesbare leven; hunner is de perseverantia
sanctorum, zij kunnen niet meer verloren gaan. Christus brengt daarom
de zijnen niet in den staat van Adam vóór den val terug; Hij verwierf
en schenkt veel meer, nl. ook datgene, wat Adam zou ontvangen hebben
indien hij ware staande gebleven. Hij plaatst ons niet aan het begin
maar aan het einde van den weg, welken Adam had af te loopen; Hij
volbracht niet alleen de passieve, maar ook de actieve gehoorzaamheid,
bevrijdt niet slechts van schuld en straf maar schenkt ook aanstonds
uit genade het recht op het eeuwige leven. Adam echter had dit hoogste
nog niet; hij had nog niet het eeuwige leven; hij ontving wel het posse
stare, maar niet het velle stare; wel het posse si vellet maar niet
het velle, quod posset; hij had het posse non errare, peccare, mori,
maar nog niet het non posse errare, peccare, mori. Hij verkeerde nog in
de mogelijkheid van zonde en dood, en dus ook nog in eenige vreeze en
angst; zijner was nog niet de volmaakte, onveranderlijke liefde, die alle
vreeze buitensluit. En terecht zeiden daarom de Gereformeerden, dat
deze mogelijkheid, dit veranderlijk goed zijn, dit nog kunnen zondigen en
sterven geen deel, geen stuk, geen inhoud van het beeld Gods, maar de
grens, de beperking, de omtrek ervan was, Heppe, Dogm. der ev. ref. K.
181. Shedd, Dogm. Theol. II 104. 150. Daarom was het noodig, dat het
beeld Gods ontplooid werd, deze mogelijkheid van zonde en dood volkomen
overwon en te niet deed, en schitterde in onvergankelijke glorie.
Tengevolge van deze opvatting van den status integritatis, hebben de
Gereformeerden in onderscheiding van anderen bij de beschrijving van den
paradijstoestand eene prijzenswaardige soberheid in acht genomen. Adam
was Christus niet, het natuurlijke was niet het geestelijke, het paradijs
was niet de hemel. Hoezeer dan ook het naturalisme zij te weerstaan, dat
de macht der zonde miskent en den dood natuurlijk acht; aan de andere
zijde is niet minder het supranaturalisme te mijden, dat het beeld Gods
bestaan laat in een bovennatuurlijk toevoegsel aan de natuur. De zonde
heeft volgens de Gereformeerden alles bedorven en verwoest, maar,
omdat zij geen substantie is, heeft zij niet het wezen, de substantie
der schepping kunnen veranderen. De mensch is als zondaar nog mensch
gebleven; en zoo ook zijn alle andere schepselen, aarde, hemel, natuur,
plant, dier, in weerwil van den vloek der zonde en de heerschappij der
verderfenis essentieel en substantieel dezelfde gebleven. Gelijk wij
boven bij de religie zagen, zoo is het ook bij al het andere: de zonde
heeft geen substantie ontnomen, de genade schenkt geen substantie
terug. De materia aller dingen is en blijft dezelfde, maar de forma,
in de schepping geschonken, werd door de zonde gedeformeerd, om in de
genade weer geheel en al te worden gereformeerd, Voetius, Disp. I 776.
Deze ernstige en toch zoo gezonde opvatting van den paradijstoestand
door de Gereformeerden komt op tal van punten uit. Tegen de Lutheranen
en Remonstranten verdedigden zij, dat Adam, behalve aan het proefgebod,
wel ter dege ook aan de zedewet gebonden was. Hij was niet exlex, al
volbracht hij ze ook zonder eenigen dwang, gewillig en uit liefde. Die
zedewet was Adam van nature bekend en behoefde dus niet gelijk het
proefgebod op bijzondere wijze geopenbaard te worden. Zij is in wezen
aan de tien geboden gelijk, maar droeg toch een anderen vorm, want de
wet op Sinai gegeven, onderstelt de zonden en spreekt daarom bijna
altijd negatief: gij zult niet, en de zedewet vóór den val was veel meer
positief. Maar juist omdat de zedewet bij Adam uit den aard der zaak
geheel positief was, maakte zij de mogelijkheid der zonde voor Adams
bewustzijn niet duidelijk. Bij de _ge_boden moest er dus een _ver_bod
komen, bij de zedelijke wetten eene stellige wet; bij de geboden, wier
natuurlijkheid en redelijkheid Adam inzag, een gebod, dat in zekeren
zin willekeurig en toevallig was. In het proefgebod werd heel de
zedewet voor Adam op één worp gezet; het belichaamde voor hem het
dilemma: God of de mensch, zijn gezag of eigen inzicht, onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid of zelfstandig onderzoek, geloof of twijfel. Het was eene
ontzettende proef, die den weg opende tot eene eeuwige zaligheid of
tot een eeuwig verderf. Tegen de Coccejanen hielden de Gereformeerden
staande, dat tot die zedewet ook het sabbatsgebod behoorde; de mensch
vóór den val genoot den eeuwigen, hemelschen sabbat nog niet; evenals
aan de wisseling van dag en nacht, was hij ook onderworpen aan die van
zesdaagschen arbeid en ruste op den zevenden dag; rustdag en werkdagen
waren dus ook vóór den val onderscheiden, het religieuse leven eischte
ook toen een eigen vorm en dienst en dag naast het leven der cultuur.
De magische, theosophische meening, dat de beide boomen in den hof de
kracht om te dooden of levend te maken in zichzelve bezaten, hetzij
dan van nature, Thomas, Suarez, Pererius, Reinhard, Dogm. 279. 289,
hetzij op bovennatuurlijke wijze, Augustinus, Bonaventura; hetzij reeds bij
het eenmalig, Bellarminus, de gr. pr. hom. c. 14 of bij het herhaald
gebruik, Thomas, S. Th. I qu. 97 art. 4, cf. ook Heraut 941; werd
door de Gereformeerden, ook al namen sommigen zooals Pareus, Rivetus,
Zanchius, Op. III 501 eerst nog eene werking van het eten der vrucht
ook op het lichamelijk leven aan, met steeds grooter eenparigheid en
beslistheid verworpen, Calvijn, op Gen. 2:9, 3:22. Inst. IV 14, 12.
18. Marck, Hist. Parad. I c. 17. Litt. bij M. Vitringa II 220 sq.
Deze opvatting toch is wel in overeenstemming met de Roomsche leer
der sacramenten maar heeft daarom ook voor de Gereformeerden groot
bezwaar; zij maakt het leven en den dood onafhankelijk van de ethische
voorwaarde, d. i. van het al of niet gehoorzamen aan Gods gebod;
zij onderstelt, dat de mensch na den val toch zou zijn blijven leven,
indien hij maar ex opere operato had gegeten van den levensboom; zij
houdt in, dat het eeuwige leven, in eens of langzamerhand bij den
mensch bewerkt kon worden door het eten van eene physische vrucht, en
miskent dus het onderscheid tusschen het natuurlijke en het geestelijke.
Daarom zagen de Gereformeerden in den levensboom liever een teeken
en zegel van het verbond der werken, dat op sacramenteele wijze het
leven schonk. Evenzoo werden door de Gereformeerden alle theosophische
bespiegelingen over eene mannelijke jonkvrouw, over de afwezigheid van
den geslachtslust, over eene magische generatie als met de Schrift in
strijd eenparig verworpen, Marck, Hist. Parad. p. 279 sq. En evenmin
als de schepping der vrouw reeds een zekeren val van Adam onderstelt,
is er na het intreden der zonde eene nova species in planten- of
dierenrijk bijgekomen; wilde en kruipende dieren zijn volgens Voetius
niet eerst na den val maar reeds op den zesden dag geschapen, Disp.
V 191. En eindelijk oordeelden Calvijn, op Gen. 1:29, 9:3 en de meeste
Gereformeerden, cf. Heidegger, de libertate christianorum a re cibaria
1662. Voetius, Disp. IV 387. V 194. Coccejus, S. Theol. XX 17. Marck,
Hist. Parad. p. 341. Moor, III 35-38 enz., dat het vleescheten aan den
mensch ook vóór den zondvloed en vóór den val geoorloofd was geweest.
Dat Gen. 1:29 daarvan niet opzettelijk spreekt, kan als argumentum e
silentio geen dienst doen; in Gen. 1:30 wordt alleen de plantenwereld
tusschen mensch en dier verdeeld; maar van ’s menschen heerschappij en
recht over de dierenwereld is daar geen sprake; deze zijn al in Gen.
1:28 aan den mensch geschonken en sluiten zeker, vooral ook met het
oog op de visschen, wel het recht om dieren te dooden en te gebruiken
in. Terstond na den val maakt God zelf dierenvellen en brengt Abel
eene offerande, die zeker ook met een offermaaltijd gepaard ging. De
kreophagie is bovendien zeker vóór den zondvloed in gebruik geweest,
en zou, indien God eerst in Gen. 9:3 daartoe het recht had gegeven,
vóór dien tijd ongeoorloofd en zondig zijn geweest. Gen. 9:1-5 geeft
geen nieuw gebod maar hernieuwt den zegen der schepping; het nieuwe
is alleen het verbod, om het vleesch met zijne ziele, d. i. met zijn
bloed te eten. De grond voor het verbod, Gen. 9:5-7, om een mensch
te dooden, is bij de dieren niet aanwezig; zij zijn immers niet naar
Gods beeld gemaakt. En ten slotte is niet in te zien, waarom juist
na den val en na den zondvloed het vleeschgebruik door God aan den
mensch zou zijn toegestaan; omgekeerd zou men verwachten, dat het recht
en de heerschappij des menschen na den val beperkt zou zijn; dat het
vleeschgebruik, om verwildering tegen te gaan, zou zijn afgeschaft;
dat het vegetarianisme veel meer in overeenstemming zou geacht zijn
met den na val en zondvloed intredenden toestand des menschen dan
de kreophagie, cf. Zöckler, Lehre vom Urstand 273 f. Köhler, Bibl.
Gesch. I 33 f. De Gereformeerde theologie kon in al deze vraagstukken
zoo gezond oordeelen, omdat zij diep doordrongen was van de gedachte,
dat Adam het hoogste nog niet had. De zonde heeft zonder twijfel eene
kosmische beteekenis; zij werkt blijkens den dood ook in het physische
in, en heeft de gansche aarde gebracht onder den vloek. Zonder haar zou
de ontwikkeling der menschheid en de geschiedenis der aarde eene gansch
andere zijn geweest, al is het ook, dat wij ons daarvan geen voorstelling
kunnen maken. Maar toch is andererzijds de status integritatis niet te
vereenzelvigen met den status gloriae; uit dezen mag niet tot genen
worden besloten; Jes. 11:6, 65:25 zijn evenmin op den toestand vóór den
val toepasselijk als Mk. 12:25, Luk. 20:36, 1 Cor. 6:13 enz. De forma
is veranderd, maar de materia van mensch, plant, dier, natuur, aarde
is vóór en na den val gelijk. Alle essentiëele bestanddeelen, die er
nu zijn, bestonden ook vóór den val. Het onderscheid en de ongelijkheid
van man en vrouw, van ouders en kinderen, van broeders en zusters, van
verwanten en vrienden; de menigvuldige instellingen en verhoudingen
in het maatschappelijk leven zooals huwelijk, huisgezin, opvoeding
enz.; de wisseling van dag en nacht, werkdagen en rustdag, arbeid en
ontspanning, maanden en jaren; de heerschappij des menschen over de
aarde door wetenschap en kunst enz.; zij zijn ongetwijfeld door de zonde
gewijzigd en van gedaante veranderd, maar zij hebben desniettemin niet
in de zonde maar in de schepping, in de ordinantiën Gods hun beginsel
en grondslag. Het socialisme en communisme, ook van vele christelijke
secten, strijdt terecht tegen de schrikkelijke gevolgen der zonde, vooral
ook op maatschappelijk gebied; maar het blijft daarbij niet staan, het
komt ook met de natuur der dingen, met de scheppingsordinantiën in
conflict, en draagt daardoor steeds niet een reformatorisch maar een
revolutionair karakter.
5. Er ligt ten slotte in de leer van het foedus operum nog eene
derde gedachte opgesloten, die van de rijkste religieuse en ethische
beteekenis is. Adam werd niet _alleen_ geschapen; als man was hij op
zichzelf incompleet; hem ontbrak iets, dat geen lager schepsel hem
vergoeden kon, Gen. 2:20. Als man alleen was hij dus ook nog niet
het ten volle ontplooide beeld Gods. De schepping des menschen naar
Gods beeld is op den zesden dag dan eerst voltooid, als God beide,
man en vrouw, in vereeniging met elkaar, cf. אותם Gen. 1:27,
schept naar zijn beeld. Toch is ook deze schepping van man en vrouw
te zamen naar Gods beeld niet het einde maar het begin van Gods weg
met den mensch. Het is niet goed, dat de man; het is ook niet goed,
dat man en vrouw alleen zijn. Over hen beiden spreekt God terstond den
zegen der vermenigvuldiging uit, Gen. 1:28. Niet de enkele mensch,
en niet man en vrouw saam, maar de gansche menschheid is eerst het
ten volle ontplooide beeld Gods, zijn zoon, zijn geslacht. Het beeld
Gods is veel te rijk, dan dat het in één enkel menschenkind, hoe rijk
begaafd ook, geheel kan worden verwezenlijkt. Eerst in eene menschheid
met millioenen leden kan het eenigermate in zijn diepte en rijkdom
worden ontvouwd. Gelijk de vestigia Dei verspreid zijn over vele,
vele werken, beide in ruimte en tijd; zoo is de imago Dei alleen ten
voeten uit te teekenen in eene menschheid, wier leden beide na en
naast elkaar bestaan. Maar gelijk de kosmos eene eenheid is en in den
mensch zijn hoofd en heer ontvangt; gelijk de door heel de wereld heen
verstrooide vestigia Dei saamgevat worden in en opgevoerd worden tot
de imago Dei van den mensch; zoo is ook die menschheid op haar beurt
als een organisme te denken, dat juist als zoodanig eerst het ten
volle ontplooide beeld Gods is. Niet als een hoop zielen op een stuk
grond, niet als onsamenhangend aggregaat van individuen, maar als uit
éénen bloede geschapen, als één huisgezin, als ééne familie is de
menschheid het beeld en gelijkenis Gods. Tot die menschheid behoort ook
hare ontwikkeling, hare geschiedenis, haar zich steeds uitbreidende
heerschappij over de aarde, hare vooruitgang in kennis en kunst, haar
onderwerping van alle schepselen. Ook dit alles is ontvouwing van
het beeld en de gelijkenis Gods, waarnaar de mensch werd geschapen.
Gelijk God niet eenmaal bij de schepping zich geopenbaard heeft maar
die openbaring voortzet en vermeerdert van dag tot dag en van eeuw
tot eeuw; zoo is ook het beeld Gods geen onveranderlijke grootheid,
maar het legt zich uit en ontplooit zich in de vormen van ruimte
en tijd. Het is eene Gabe en Aufgabe tegelijk; het is een onverdiend
genadegeschenk, dat reeds terstond in de schepping aan den eersten
mensch werd verleend, maar het is tevens beginsel en kiem van eene
gansch rijke, heerlijke ontwikkeling. Eerst de menschheid in haar geheel,
als één volkomen organisme, saamgevat onder één hoofd, verbreid over
de gansche aarde, als profetesse de waarheid Gods verkondigend, als
priesteresse zich Gode wijdende, als koninginne de aarde en heel de
schepping beheerschende, eerst zij is het ten volle afgewerkte beeld,
de sprekendste en treffendste gelijkenis Gods. De Schrift leert dit
alles duidelijk, als zij zegt, dat de gemeente de bruid is van Christus,
de tempel des H. Geestes, de woning Gods, het nieuwe Jeruzalem, waar
alle heerlijkheid der volken wordt samengebracht. Want wel wordt daarmee
de status gloriae geteekend, die nu door de zonde heen bereikt worden
zal; maar religie, zedewet, eindbestemming is in werk- en genadeverbond
wezenlijk gelijk. In beide is het om een rijk Gods, om eene heilige
menschheid te doen, waarin God kan zijn alles in allen. Slechts één punt
in deze voorstelling eischt nog eenige nadere bespreking. De menschheid
is niet als een volkomen organisme te denken, tenzij zij verbonden en
saamgevat zij in een hoofd. In het foedus gratiae bekleedt Christus
dien rang, Hij is het hoofd der gemeente; in het foedus operum werd die
plaats ingenomen door Adam. Reeds Eva werd daarom uit Adam geschapen,
opdat deze principium totius speciei zou zijn en de eenheid van het
menschelijk geslacht wortelen zou in de eenheid van haar oorsprong. De
vrouw is dus zeer zeker wel de menschelijke natuur en het beeld Gods
deelachtig en zij vertegenwoordigt beide op eene eigene wijze en naar
haar eigen aard; maar zij is beide deelachtig niet tegenover maar naast
anderen en in verbinding met den man; zij is ἐκ ἀνδρος, δια τον ἀνδρα,
δοξα ἀνδρος, zij is niet zonder den man; en ook de man, schoon hoofd
der vrouw en εἰκων και δοξα θεου omdat hij in de eerste plaats drager
der heerschappij is, is toch ook zonder de vrouw niet compleet, ook hij
is niet zonder de vrouw, want deze is de moeder aller levenden, 1 Cor.
11:7-12, Ef. 5:22 v. Bovenal echter wijst Paulus ons deze eenheid der
menschheid aan, als hij Adam stelt tegenover Christus, Rom. 5:12-21,
1 Cor. 15:22, 45-49. De menschheid is niet alleen physisch uit éénen
bloede, Hd. 17:26; dat ware voor de menschheid niet genoeg, het
geldt immers ook van al die diersoorten, welke in den beginne werden
geschapen. Bovendien, Christus, de antitype van Adam, is niet onze
stamvader; wij zijn niet physisch uit Hem voortgekomen, maar Hijzelf
is uit Adam, zooveel het vleesch aangaat. In dit opzicht zijn Adam
en Christus niet gelijk. Maar de overeenkomst ligt daarin, dat de
menschheid in ethischen zin tot Adam in dezelfde verhouding staat
als tot Christus. Op dezelfde wijze als Christus oorzaak is van onze
gerechtigheid en ons leven, is Adam het van onze zonde en onzen dood.
God rekent en oordeelt in één mensch het gansche menschelijk geslacht.
Dit nu hebben de Gereformeerden in hun leer van het foedus operum
uitgedrukt. Daarin komt eerst, niet maar de physische, doch de ethische
eenheid der menschheid tot haar recht. En deze is voor de menschheid
als organisme noodzakelijk. In het algemeen eischt de architectonische
wet overal het monarchale systeem. Een kunstwerk moet beheerscht worden
door ééne gedachte; eene leerrede moet één thema hebben; eene kerk
wordt voltooid in den toren; de man is het hoofd des gezins; in een
rijk is de koning drager van het gezag; het menschelijk geslacht als één
organisch geheel, als eene ethische Gemeinschaft, is niet denkbaar
zonder een hoofd. In het foedus operum bekleedde Adam die plaats. Het
proefgebod bewijst, dat hij eene geheel exceptioneele positie innam; hij
was stamvader niet alleen, maar ook hoofd, vertegenwoordiger van heel
het menschelijk geslacht; zijne daad was beslissend voor allen. Gelijk het
lot van heel het lichaam rust bij het hoofd, dat voor alle leden denkt
en oordeelt en beslist; gelijk het welzijn van een gezin afhangt van
den man en vader; gelijk een vorst ten zegen of ten vloek kan zijn voor
duizenden en millioenen onderdanen; zoo is het lot der menschheid in de
handen van Adam gelegd. Zijne overtreding is de val geworden van heel
zijn geslacht; maar zijne gehoorzaamheid ware ook het leven voor al zijne
nakomelingen geweest, gelijk de antitype Christus bewijst. Indien wij niet
zonder ons weten in Adam der verdoemenis konden onderworpen worden,
zouden we ook niet buiten ons toedoen in Christus tot genade kunnen
worden aangenomen. Werk- en genadeverbond staan en vallen met elkaar.
Eénzelfde wet geldt voor beide. Op de basis der physische afstamming
is eene ethische eenheid gebouwd, welke de menschheid overeenkomstig
haar aard als één organisme optreden doet en hare leden niet alleen
door banden des bloeds maar ook door gemeenschap aan zegen en vloek,
aan zonde en gerechtigheid, aan dood en leven ten nauwste met elkander
verbindt.
6. Van hieruit valt er een nieuw licht op het vraagstuk van de
voortplanting van het menschelijk geslacht. Ten allen tijde waren
daarover de gevoelens verdeeld. Het praeexistentianisme van Pythagoras,
Plato, Plotinus, Philo en de latere Joden vond onder de Christenen
slechts bij weinigen ingang, Orig., de princ. I 6, 2. 8, 3. II 9, 2. c.
Cels. I 32. 33. Henry More, Mysterium pietatis 1660. Kant, Relig. ed.
Rosenkranz 44 f. Schelling, Werke I 7 S. 385 f. Müller, Sünde II⁵ 99 f.
504 f. De Schrift bood er ook niet den minsten grond voor; onze ziel
is van zulk een voorbestaan zich volstrekt niet bewust en ziet in het
lichaam zoo weinig een kerker en strafplaats, dat ze huivert voor den
dood; het wortelt bovendien in een heidensch dualisme van geest en
stof, vernietigt de eenheid van het menschelijk geslacht en wischt het
onderscheid tusschen mensch en engel uit. Daarentegen bleef tusschen
traducianisme en creatianisme in de christelijke theologie het pleit
onbeslist. Het eerste had in den ouden tijd vele voorstanders, zooals
Tertullianus, de an. 19. 27, Rufinus, Makarius, Eunomius, Apollinaris,
Gregorius Nyss., en volgens Hieronymus zelfs maxima pars occidentalium,
maar later werd het op enkele uitzonderingen na alleen omhelsd door
de Lutherschen, door Luther zelf, die echter eerst creatianist was,
Köstlin, Luthers Theol. II 365, en dan door Melanchton, Gerhard, Loc.
VIII c. 8. Quenstedt, I 519. Hollaz, Ex. 414. Philippi, K. Gl. III 103.
Vilmar, Dogm. I 348. Frank, Chr. Wahrh. I 400. Delitzsch, Bibl. Psych.
106 f. Cremer in Herzog² 14, 27 enz. Het creatianisme werd oudtijds
verdedigd door Clemens Alex., Strom. IV 26. Lactantius, Inst. III 18.
Hilarius, Pelagius, Cassianus, Gennadius, Theodoretus, Athanasius,
Gregorius Naz., Cyrillus Alex., Ambrosius enz. Hieronymus sprak er
reeds van als kerkelijke leer. Grieksche, scholastieke en Roomsche
theologen zijn dan ook allen creatianist, Lombardus, Sent. II 17. 18.
Thomas, S. Th. I qu. 90 en 118. c. Gent. II 86-89. Bellarminus, de
amiss. gr. et statu pecc. IV 2. Scheeben, Dogm. II 172 f. Kleutgen,
Philos. II 583 f.; en slechts enkelen, zooals b. v. Klee, Dogm. II²
313 f. toonen sympathie voor het traducianisme. Ook de Gereformeerden
kozen op weinigen na, zooals Sohnius, Op. II 563. Martyr, Loci p. 81
en in den nieuwen tijd vooral Shedd, Dogm. Th. II 22. 75. III 250, voor
het creatianisme partij, Calvijn op Hebr. 12:9. Zanchius, Op. III 609.
Polanus V 31. Voetius, Disp. I 798. Moor II 1064 III 289. Marck, Hist.
Parad. II 4 § 7-9 enz. Sommigen laten de kwestie liefst onbeslist,
Aug. de anima et ejus orig. de Gen. ad litt. X. Epist. 166 ad Hieron.
Retract. II 45. 46, Gregorius Magnus, Leo Magnus, Isidorus, Chemniz,
Buddeus, Musculus, Piscator, Maresius, of zoeken eene bemiddeling,
Leibniz, Theod. I 91. Rothe, Ethik § 136. Ebrard, Dogm. I 327 f.
Inderdaad wegen traducianisme en creatianisme in kracht van argumenten
vrij wel tegen elkaar op. Het traducianisme beroept zich op de schepping
van Eva, van wier ziel niet afzonderlijk sprake is en die daarom heet
ἐξ ἀνδρος, Gen. 2:21, 1 Cor. 11:8; op de spreekwijze der H. Schrift,
dat de nakomelingen in de lendenen der vaders begrepen en uit hunne
heup zijn voortgekomen, Gen. 46:26, Hebr. 7:9, 10; op het woord ידע,
bekennen, dat tegelijk eene geestelijke handeling zou aanduiden; op de
voltooiing der schepping op den zevenden dag, Gen. 2:2; op het feit,
dat ook de dieren huns gelijken kunnen voortbrengen, Gen. 1:28, 5:3,
9:4, Joh. 3:6, en vooral ook op de overerving der zonde en van allerlei
psychische eigenschappen. Het creatianisme daarentegen vindt steun in
de schepping van Adams ziel, Gen. 2:7; in vele teksten als Pred. 12:7,
Zach. 12:1, vooral Hebr. 12:9, cf. Num. 16:22, 17:16, waarvan zelfs
Delitzsch, Bibl. Psych. 114 zegt: eine klassischere Beweisstelle für
den Creatianismus kann es kaum geben; en dan bovenal op de geestelijke,
eenvoudige, ondeelbare, onsterfelijke natuur van de ziel. En gelijk
traducianisme en creatianisme in argumenten vrij wel gelijk staan, zoo
zijn ze beide ook even onbekwaam tot oplossing der moeilijkheden. Het
traducianisme verklaart noch den oorsprong der ziel noch de overerving
de zonde. Wat het eerste aangaat, moet het òf komen tot de leer,
dat de ziel van het kind reeds te voren in de ouders en voorouders
bestond, dus tot eene soort van praeexistentianisme; òf dat de ziel
potentieel in het zaad van man of vrouw of van beide begrepen is,
d. i. tot materialisme; òf dat ze door de ouders op eene of andere wijze
voortgebracht wordt, d. i. tot creatie, nu niet door God maar door
den mensch. En wat het tweede aangaat, kan het traducianisme hier
niets ter verklaring bijdragen, omdat de zonde niet stoffelijk en geen
substantie is maar eene zedelijke qualiteit, zedelijke schuld en zedelijke
verdorvenheid. Even machteloos staat het creatianisme tegenover deze
problemen. Ook al vat het de schepping der ziel zoo organisch mogelijk
op, en al zegt het met Lombardus, Sent. II dist. 17: creando infundit
eas Deus et infundendo creat; toch staat het verlegen bij de vraag,
wanneer de ziel in het embryo wordt geschapen, cf. b.v. Polanus V 31.
Bucanus VIII 26, en hoe de anima rationalis de dan toch vroeger reeds
het embryo bezielende anima vegetativa en anima sensitiva vervangt, cf.
Thomas, S. Th. I qu. 118 art. 2. c. Gent. II 59. 68. En de erfzonde kan
door het creatianisme alleen zoo verklaard worden, dat de ziel, eerst
rein door God geschapen, door het lichaam besmet wordt, wat echter
de zonde stoffelijk maakt, Lombardus, Sent. II dist. 31; of dat God,
op hetzelfde oogenblik dat Hij ze schept, haar ook schuldig stelt en
onrein maakt, Voetius, Disp. I 1097. Turretinus, Th. El. IX 12. Moor
III 289. Geen wonder, dat daarom vele Pelagianen en Roomschen juist op
grond van het creatianisme de erfzonde in positieven zin ontkenden.
Gangauf, Met. Psych. des h. August. 259. Oswald, Relig. Urgesch. 155
f. 163 f. 189 f. Argumenten en bezwaren geven daarom den doorslag niet
bij de keuze tusschen traducianisme en creatianisme; zij zouden veeleer
nopen, om met een non liquet te eindigen.
7. Des te opmerkelijker is het, dat Grieksche, Roomsche en Gereformeerde
theologen schier eenstemmig voor het creatianisme zich verklaarden,
terwijl het traducianisme alleen bij de Lutherschen ingang vond. Dit
kan geen toeval wezen; er moet daarvoor eene reden zijn. En die reden
ligt in de verschillende opvatting van het wezen en de bestemming
van den mensch. Vooreerst toch stelt de Luthersche theologie het
beeld Gods alleen in eenige zedelijke eigenschappen, in de justitia
originalis. Gelijk altijd, zoo beperkt zij ook hier haar blik tot het
ethisch-religieuse en voelt geen behoefte, om dit in verband te
brengen met heel het kosmische zijn en op te vatten als een schakel in
den ganschen raad Gods. Daardoor komt nu het wezen des menschen noch
tegenover de engelen noch tegenover de dieren tot zijn recht. Want
als de mensch dit beeld Gods bezit, dan is hij vrij wel aan de engelen
gelijk; het verschil is in vergelijking met wat ze gemeen hebben van
geen beteekenis; ook de engelen dragen het beeld Gods. En als de
mensch dit beeld Gods mist, dan zinkt hij tot de dieren af, wordt een
stok en een blok; wat hem dan nog van de dieren onderscheidt heeft
theologisch en religieus zoo weinig waarde, dat het haast niet meer
in aanmerking komt; het groote onderscheid lag toch in het beeld Gods
en dat heeft hij totaal verloren. De grenzen tusschen mensch en engel
en tusschen mensch en dier worden hier dus niet scherp getrokken; de
justitia originalis is het één en al, al het andere in den mensch is
ondergeschikt en theologisch haast van geen waarde. Maar daarom is
het nu voor de Luthersche theologie ook onverschillig, hoe de mensch
ontstaat; of liever, hetgeen de mensch met den engel gemeen heeft, nl.
het beeld Gods, de justitia originalis, dat moet en dat kan alleen door
schepping ontstaan, dat is in volstrekten zin eene gave; maar alwat
de mensch overigens bezit, wordt op dezelfde wijze als bij de dieren
overgeplant. Maar Roomsche en Gereformeerde theologen zochten, ook
al noemden zij de engelen soms nog beeld Gods, van den aanvang af het
beeld Gods in het gansche, en geheel eigenaardige wezen des menschen.
Het bestond zeer zeker ook in de deugden van kennis, gerechtigheid
en heiligheid, maar deze droegen dan zelfs bij de menschen nog weer
een ander karakter dan bij de engelen; en het bestond in die deugden
niet alleen maar voorts in al wat menschelijks is in den mensch. Het
bestond dus ook daarin, dat het πνευμα bij den mensch van stonde aan
georganiseerd was voor de verbinding met een σωμα, en dat zijn σωμα
van huis uit aangelegd was op het πνευμα. Vóór en na den val, in den
status integritatis en corruptionis, in den status gratiae en gloriae,
altijd is en blijft de mensch wezenlijk onderscheiden van engel en dier.
Als hij het beeld Gods heeft, wordt hij geen engel; als hij het verliest,
wordt hij geen dier; hij blijft altijd en eeuwig mensch en in zoover ook
altijd en eeuwig Gods beeld. En dit nu wordt alleen in het creatianisme
voldoende gehandhaafd. Omdat de mensch als een gansch eigensoortig
wezen _be_staat, daarom _ont_staat hij ook op geheel bijzondere wijze. Hij
is aan engel en dier verwant en toch van beide wezenlijk onderscheiden;
in zijn sterven verschilt hij van beide en daarom ook in zijn oorsprong;
Adams schepping is anders dan die der dieren en ook anders dan die der
engelen. Het creatianisme handhaaft alleen voldoende de specifieke
eigenaardigheid van den mensch; het weert beide pantheisme en
materialisme af en eerbiedigt de grenzen tusschen mensch en dier.
In de tweede plaats volgt uit de Luthersche opvatting van het beeld
Gods, dat de moreele eenheid van het menschelijk geslacht terugtreden
moet achter de physische afstamming. Door den val hebben de menschen
in en met het gansche beeld Gods ook alle geestelijke en zedelijke
eenheid verloren. De natuurlijke religie, moraal enz. is van schier geen
beteekenis. Alleen de physische afstamming houdt hen saam, en deze
is tevens de oorzaak van hunne zedelijke verdorvenheid. De zonde, die
den mensch van alle religie en zedelijkheid en het gansche beeld Gods
heeft beroofd, kan daarom ook niet op ethische wijze maar alleen door
physische afstamming aller deel worden. Zij is wel geen substantie,
ofschoon Luther e. a., vooral Flacius, tot zeer sterke uitdrukkingen
kwamen, maar zij is toch in de eerste plaats eene smet, een bederf,
dat heel den mensch heeft aangetast en juist al het religieuse en
ethische in hem doodt. Maar Roomsche en Gereformeerde theologie zeiden
daartegenover, schoon ieder op hare wijze, dat de eenheid der menschheid
niet alleen was van physischen maar ook van ethischen aard. Physische
afstamming toch is niet genoeg; dan zouden ook de diersoorten reeds
eene eenheid vormen. Overeenkomst in zedelijke deugden zonder meer is
ook ongenoegzaam, want dan vormden ook de engelen onderling en dezen
met de menschen eene eenheid. Diersoorten zijn wel physisch uit éénen
bloede, maar zij zijn geen corpus morale; en engelen zijn wel een eenheid
maar niet in den bloede verwant. De eigensoortigheid van den mensch
eischt dus, dat de eenheid der menschheid beide physisch en ethisch zij.
En omdat de erfzonde niet physisch is maar alleen ethisch, daarom kan
zij ook alleen op de ethische, foederale eenheid der menschheid gebouwd
zijn. Physische afstamming is tot hare verklaring niet voldoende en
loopt gevaar, om ze te materialiseeren. Het zoogenaamde realisme b.v.
van Shedd bevredigt niet, noch ter verklaring der zonde uit Adam, noch
ter verklaring van de gerechtigheid uit Christus. Er is nog eene andere
eenheid onder de menschen van noode, om ze saam te doen optreden als
een corpus morale, organisch verbonden en met elkander ook in ethisch
opgericht solidair. En dat is de foederale eenheid. Op de basis van
de physische moet eene ethische eenheid worden opgetrokken. Adam als
stamvader is niet genoeg, hij moet ook wezen verbondshoofd van het
menschelijk geslacht, gelijk ook Christus, schoon in physischen zin onze
stamvader niet, toch juist als Verbondshoofd aan zijne gemeente de
gerechtigheid en zaligheid schenken kan. En deze moreele eenheid van
het menschelijk geslacht is nu alleen bij het creatianisme te handhaven.
Zij draagt immers een eigen karakter, is zoowel van die onder dieren als
van die der engelen onderscheiden, en komt dus ook op eene eigene wijze,
door physische afstamming en door eene scheppende daad Gods, beide in
verbinding met elkander, tot stand.
In de derde plaats eindelijk bekommert zich de Luthersche theologie
krachtens hare opvatting van het beeld Gods weinig om de bestemming
van den mensch. Adam had alles wat hij behoefde; hij moest slechts
blijven wat hij was; het onderscheid tusschen het posse non en non
posse peccare is van weinig gewicht; de perseverantia is geen hooger
goed, in Christus aan de zijnen geschonken. En zoo had Adam voor zijne
nakomelingen niets hoogers te verwerven; hij had alleen over te leveren
wat hij had; traducianisme is daartoe voldoende; voor werkverbond en
creatianisme is er geen plaats. Maar wederom gingen de Roomsche en
Gereformeerde theologie van eene andere gedachte uit. De bestemming
des menschen ligt in de hemelsche zaligheid, het eeuwige leven, de
aanschouwing Gods. Maar deze kan hij alleen bereiken in den weg der
gehoorzaamheid. Er is geen verhouding tusschen deze gehoorzaamheid en
dat leven. Hoe kan dan toch aan den mensch die hemelsche zaligheid als
een loon op zijne werken worden geschonken? Rome zegt: doordat hem in
het beeld Gods eene bovennatuurlijke genade wordt verleend, die hem het
eeuwige leven ex condigno kan doen verdienen. De Gereformeerde zegt:
doordat God met den mensch een verbond opricht en hem het eeuwige leven
schenken wil, niet naar de waardigheid zijner werken maar naar zijne
eigene genadige beschikking. Beiden echter stemmen daarin overeen,
dat de bestemming des menschen ligt in het eeuwige leven, dat deze
alleen te bereiken is in den weg der zedelijke gehoorzaamheid, en dat
God de beslissing in deze zaak voor het menschelijk geslacht in de
handen van Adam heeft gelegd. En daarom kwamen beiden ook tot het
creatianisme. Daartoe was immers noodig, èn dat alle menschen in het
verbondshoofd Adam begrepen waren èn dat zij tegelijk zelf personen,
individuen, menschen bleven met zelfstandigheid en verantwoordelijkheid.
Physische afstamming alleen zou gemaakt hebben, dat de zonde, die
wij uit Adam kregen, een lot ware, een natuurproces, eene krankheid,
die buiten onzen wil en dus buiten onze schuld omgaat. Dat is echter
de zonde niet. En ook de gerechtigheid, die Christus, de laatste
Adam, ons schenkt, draagt dat karakter niet. Beide onderstellen eene
foederale verhouding der menschheid tot hare hoofden. En zoo handhaaft
nu het creatianisme, dat ieder mensch een organisch lid is van het
groot geheel, en tegelijk, dat hij in dat groot geheel eene eigene,
zelfstandige plaats inneemt. Het houdt vast de eenheid van heel
het menschelijk geslacht en tegelijk de zelfstandige beteekenis van
ieder individu. Menschen zijn geen exemplaren, geen nummers van een
soort, ze zijn ook geen los naast elkaar staande individuen gelijk de
engelen. Ze zijn beide te zamen, deelen van het geheel en individuen,
_levende steenen_ van het Godsgebouw. Het creatianisme bewaart de
organische, beide physische en moreele, eenheid der menschheid en
tegelijk eerbiedigt het het mysterie der persoonlijkheid. Ieder mensch
een lid van het lichaam der menschheid en tevens toch eene eigen
gedachte Gods, met een eeuwige beteekenis en eene eeuwige bestemming!
Elk mensch zelf een beeld Gods en toch dat beeld eerst ten volle in
de gansche menschheid ontplooid! Krachtens deze eenheid viel nu wel
heel de menschheid in Adam, haar stamvader en hoofd; maar deze val
is toch geen lot, geen natuurproces, hij berust integendeel op eene
vrijmachtige beschikking Gods. En deze beschikking, hoe vrijmachtig ook,
is toch zoo weinig willekeurig, dat zij veeleer den physischen samenhang
der menschheid onderstelt, hare ethische eenheid tot stand brengt en
handhaaft en niet alleen de gestrengheid Gods maar ook den rijkdom zijner
genade op het luisterrijkst openbaren en in het licht stellen kan. Want
als Adam valt, staat Christus gereed, om zijne plaats in te nemen.
Het genadeverbond kan het werkverbond vervangen, omdat beide rusten
op dezelfde ordinantiën. Indien wij niet konden veroordeeld worden in
Adam, wij zouden niet kunnen vrijgesproken worden in Christus. Hoe dus
de eerste mensch ook kieze, de schepping zal hare bestemming niet
missen. De kosmogonie gaat in Genesis terstond in geogonie en deze in
anthropogonie over. Wereld, aarde, menschheid zijn één organisch geheel.
Ze staan, ze vallen, ze worden opgericht met elkaar. De vestigia
Dei in de schepping en de imago Dei in den mensch mogen verwoest en
verminkt worden door de zonde van den eersten Adam; ze komen door den
laatsten Adam en door zijne herscheppende genade tot des te luisterrijker
openbaring. De status integritatis bereidt door den val heen of buiten
den val om den status gloriae voor, waarin God zijne heerlijkheid op zijne
schepselen leggen en in allen alles wezen zal.
* * * * *
Correcties:
Pag. 33: „mesnchen” vervangen door „menschen” (Alle menschen roepen
in weerwil van).
Pag. 44: „Au” vervangen door „An” (John Caird, An introduction to
the philos. of religion).
Pag. 67: „schepter” vervangen door „scepter” (zijn zetel, troon,
voetbank, roede, scepter, wapens).
Pag. 71: „accomodeeren” vervangen door „accommodeeren” (dan moet Hij
tot ons neerdalen, zich accommodeeren).
Pag. 71: „anthopomorphismen” vervangen door „anthropomorphismen”
(Wie daarom het recht der anthropomorphismen bestrijdt).
Pag. 82: „sum” vervangen door „zum” (Anweisung zum seligen Leben
oder Religionslehre).
Pag. 85: „menseh” vervangen door „mensch” (De verhouding van God en
mensch vindt haar beeld).
Pag. 93: „qnas” vervangen door „quas” (quia haec _animarum_ sunt,
quas illa lux perfundit).
Pag. 95: „heiligbeid” vervangen door „heiligheid” (In God moge naar
het wezen heiligheid en barmhartigheid hetzelfde zijn).
Pag. 105: „חאדון” vervangen door „האדון” (afwisselend met
האדון, dat weer versterkt wordt)
Pag. 107: „לְעַלֵּם” vervangen door „לְעֹלָם” (waar men
לְעֹלָם, om te verbergen).
Pag. 107: „ΙΙΙΙΙΙ” vervangen door „ΠΙΠΙ” (de vier letters
geschreven als ΠΙΠΙ, of ook volgens Diodorus Siculus).
Pag. 110: „oorsponkelijk” vervangen door „oorspronkelijk” (de naam
Ihvh oorspronkelijk, naar zijne afleiding).
Pag. 110: „onstond” vervangen door „ontstond” (Door verkorting
ontstond de vorm).
Pag. 116: „Dent.” vervangen door „Deut.” (Ex. 23:17, Deut. 10:17,
Jos. 3:13).
Pag. 141: „359” vervangen door „369” (Hoornbeek, Socin. conf. I p.
368-369).
Pag. 160: „quotve” vervangen door „quot ue” (quot nascantur
culices, quot ue moriantur).
Pag. 163: „condionata” vervangen door „conditionata” (De kennis der
futura conditionata gaat dus vooraf).
Pag. 169: „Cristus” vervangen door „Christus” (de dwaasheid des
kruises, 1 Cor. 1:18, in Christus).
Pag. 177: „goed” vervangen door „goede” (een goede vriend enz.).
Pag. 181: „אֹרֶך אַפַּיַם” vervangen door „אֹרֶך אַפַּיִם” (lankmoedigheid,
רוּחַ of אֹרֶך אַפַּיִם, μακροθυμια, ἀνοχη, χρηστοτης).
Pag. 183: „אָהֲבָה” vervangen door „אַהֲבָה” (Het Hebr. אַהֲבָה wordt niet
weergegeven door ἐρως).
Pag. 185: „Relionsgesch.” vervangen door „Religionsgesch.” (Smend,
Altt. Religionsgesch. 333 f.).
Pag. 187: „aldaar” vervangen door „altaar” (den tabernakel en het
altaar door zalving).
Pag. 204: „zich selbt” vervangen door „sich selbst” (die das ewige
Eine empfindet, sich selbst zu gebären).
Pag. 218: „condionata” vervangen door „conditionata” (en die in
voluntas absoluta en conditionata).
Pag. 222: „חַגָּדוּל” vervangen door „הַגָּדוּל” (Jes.
1:24, הָאֵל הַגָּדוּל הַגִּבּוֹר, wiens naam is Ihvh Zebaoth).
Pag. 222: „סֹחַ” vervangen door „כֹּחַ” (wiens naam is Ihvh
Zebaoth, Jer. 32:18, אַמִּיץ כֹּחַ Job 9:4).
Pag. 235: „waar-waardoor” vervangen door „waardoor” (het gesproken
woord, waardoor Hij alle dingen schept).
Pag. 250: „schepter” vervangen door „scepter” (afschijnsel van Gods
majesteit, scepter zijner majesteit).
Pag. 261: „voooreerst” vervangen door „vooreerst” (Zij beriepen zich
vooreerst op eene reeks).
Pag. 262: „doordoor” vervangen door „daardoor” (Hij daardoor van God
als den ongeborene).
Pag. 268: „ook ook” vervangen door „ook” (om de waarheid
eenigermate, zij het ook gebrekkig, weer te geven).
Pag. 271: „alleng” vervangen door „allengs” (Maar allengs werd
οὐσια in een anderen zin).
Pag. 271: „Aristoleles” vervangen door „Aristoteles” (wat
Aristoteles genoemd had).
Pag. 275: „ontplooing” vervangen door „ontplooiing” (in de
menschheid tot haar volle ontplooiing).
Pag. 282: „vruchbaar” vervangen door „vruchtbaar” (gedachte, dat
God vruchtbaar is).
Pag. 283: „de” vervangen door „des” (En daarom is Hij niet
voortgebracht door den wil des Vaders).
Pag. 307: „de” vervangen door „der” (voor de leer der drieëenheid).
Pag. 322: „nitgegeven” vervangen door „uitgegeven” (en door den
Jesuit Sirmond in 1643 werd uitgegeven).
Pag. 326: „praedestinatia” vervangen door „praedestinatio” (dat de
geheele praedestinatio genade is).
Pag. 341: „Salmur” vervangen door „Saumur” (Synt. thesium in acad.
Saumur).
Pag. 362: „iufralapsarische” vervangen door „infralapsarische”
(toch weer tot de infralapsarische orde voortschrijden).
Pag. 376: „natnur” vervangen door „natuur” (Ze strijden met zijn
natuur).
Pag. 383: „menigmanl” vervangen door „menigmaal” (de Schrift
spreekt toch menigmaal ook).
Pag. 383: „Christns” vervangen door „Christus” (gaat de verkiezing
van Christus logisch aan de onze).
Pag. 384: „Ezeeh” vervangen door „Ezech” (Jer. 29:14, 51:45, Ezech.
11:17, Hos. 11:1).
Pag. 388: „materalistisch” vervangen door „materialistisch” (zoekt
òf materialistisch den oorsprong der dingen).
Pag. 413: „volumtate” vervangen door „voluntate” (sempiterna et
immutabili voluntate res quas condidit).
Pag. 415: „antonoom” vervangen door „autonoom” (maakte den mensch
autonoom en onafhankelijk van God).
Pag. 418: „creatunr” vervangen door „creatuur” (de eindbestemming
van alle creatuur).
Pag. 423: „natunr” vervangen door „natuur” (voor liefde en
bewondering van de natuur).
Pag. 429: „מלאן” vervangen door „מלאך” (Het hebr. מלאך
beteekent eenvoudig bode, gezant)
Pag. 443: „bleeds” vervangen door „bloeds” (geen gemeenschap des
bloeds).
Pag. 450: „spitsvoudige” vervangen door „spitsvondige” (tot
allerlei spitsvondige vragen).
Pag. 453: „שּׁרת” vervangen door „שׁרת” (Evenzoo wordt het
hebr. שׁרת door beide grieksche woorden).
Pag. 458: „תֹהרּ וָבֹהוּ” vervangen door תֹהוּ וָבֹהוּ (Wel
wordt de aarde ons nu beschreven als תֹהוּ וָבֹהוּ).
Pag. 458: „תְהֹום” vervangen door „תְהוֹם” (daardoor
verklaard, dat hij een תְהוֹם was).
Pag. 460: „הִלֹחִים” vervangen door „אֱלֹהִים” (dit woord
bewijst, dat bij רוּחַ אֱלֹהִים niet aan den wind).
Pag. 479: „toegeven” vervangen door „toegegeven” (Volmondig zij
toegegeven, dat de opvatting).
Pag. 488: „persoonsmannen” vervangen door „persoonsnamen” (en
persoonsnamen als volksnamen zijn bedoeld).
Pag. 488: „zie” vervangen door „ziet” (Daarom ziet ze af van elke
poging).
Pag. 491: „Peutateuchs” vervangen door „Pentateuchs” (Authentie des
Pentateuchs I 306).
Pag. 494: „1S60” vervangen door „1860” (Powell, Evidences of
Christianity 1860).
Pag. 495: „phvsiologisch” vervangen door „physiologisch” (loopen
morphologisch en physiologisch veel te sterk uiteen).
Pag. 496: „onhouden” vervangen door „onthouden” (van een oordeel
zich te onthouden).
Pag. 504: „גֵן” vervangen door „גַן” (waarin de hof of
tuin, גַן, LXX παραδεισος, volgens Spiegel).
Pag. 506: „Armonie” vervangen door „Armenie” (veel
noordelijker, nl. hoog in Armenie).
Pag. 508: „בִדִמוּת” vervangen door „בְּהֵמוֹת” (dat God
den mensch schiep בְּהֵמוֹת אֱלֹהִים, en בְּצֶלֶם אֱלֹהִים).
Pag. 516: „ze” vervangen door „zu” (ohne übernatürliche Hülfe zu
leben vermochte).
Pag. 520: „natu-turalibus” vervangen door „naturalibus” (de mensch
in puris naturalibus).
Pag. 522: „verkijgen” vervangen door „verkrijgen” (alleen te
verkrijgen in ethischen zin).
Pag. 562: „ge-geschapen” vervangen door „geschapen” (uit éénen
bloede geschapen).
Pag. 570: „creatisme” vervangen door „creatianisme” (voor
werkverbond en creatianisme is er geen plaats).
Uitdrukkingen als „afteleiden”, „toetelichten” enz. zijn stilzwijgend
gewijzigd in „af te leiden”, „toe te lichten” enz.