wezens zijn. Schelling zegt wel, dat de goede engelen, als zuivere
Potenzen, niet geschapen zijn, Werke II 4 S. 284. Maar de schepping der
engelen wordt duidelijk uitgesproken in Col. 1:16, en ligt opgesloten in
de schepping aller dingen, Gen. 1:1, Ps. 33:6, Joh. 1:3, Rom. 11:36,
Ef. 3:9, Hebr. 1:2. Over den tijd hunner schepping is echter weinig
met zekerheid te zeggen. Vele kerkvaders meenden met beroep op Job
38:7, dat de engelen vóór alle dingen geschapen waren, Orig. op Gen.
1, Basilius, Hexaem. hom. 1. Greg. Naz. Orat. 38 en 42. Damascenus,
de fide orthod. II c. 3. Dionysius, de div. nom. c. 5 enz., en later
oordeelden zoo de Socinianen, Crell, de Deo et attrib. I c. 18, en
de Remonstranten, Episcopius, Inst. Theol. IV 3, 1. Limborch, II 20,
4, die op deze wijze het onderscheid tusschen den Logos en de engelen
verzwakten. Maar deze gedachte vindt in de Schrift geen steun. Aan de
schepping van hemel en aarde, waarvan Gen. 1:1 spreekt, gaat niets
vooraf. Job 38:7 leert wel, dat zij bij de schepping tegenwoordig waren
evenals de sterren, maar niet dat zij vóór den aanvang der schepping
reeds bestonden. Aan de andere zijde is het zeker, dat de engelen
geschapen zijn vóór den zevenden dag, toen hemel en aarde en al hun
heir voltooid waren en God rustte van zijnen arbeid, Gen. 1:31, 2:1,
2. Maar voor het overige verkeeren wij in het onzekere. Alleen mag het
waarschijnlijk worden geacht, dat, evenals de aarde in Gen. 1:1 wel
reeds als aarde geschapen wordt maar toch nog toebereid en versierd
moet worden, zoo ook de hemel ook niet in één enkel oogenblik is
voltooid. Het woord hemel is in vers 1 proleptisch. Eerst later in de
openbaringsgeschiedenis blijkt, wat daarin ligt opgesloten. De Schrift
spreekt nu eens van den hemel als wolkenhemel, Gen. 1:8, 20, 7:11,
Mt. 6:26, dan als sterrenhemel, Deut. 4:19, Ps. 8:4, Mt. 24:29, en
eindelijk als woning Gods en der engelen, Ps. 115:16, 2:4, 1 Kon. 8:27,
2 Chr. 6:18, Mt. 6:19-21, Hebr. 4:14, 7:26, 8:1, 2, 9:2v. enz. Gelijk nu
de hemel als wolken- en sterrenhemel eerst in den loop der zes dagen
toebereid zijn, zoo is het mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat ook de
derde hemel met zijne bewoners eerst allengs is gevormd. Naarmate die
geestelijke wereld rijker en voller wordt gedacht, in verscheidenheid de
stoffelijke wereld nog verre overtreffend, is het te aannemelijker ook
voor die toebereiding der hemelen een zeker tijdsverloop te stellen, al
is het ook dat het scheppingsverhaal hierover ganschelijk zwijgt.
5. Vervolgens blijkt de eenheid der engelen daaruit, dat zij allen
geestelijke wezens zijn. Hierover was echter ten allen tijde groot
verschil van meening. De Joden schreven hun lucht- of vuuraardige
lichamen toe, Weber, System 161 f. En evenzoo werd geoordeeld door
de meeste kerkvaders, zooals Justinus, c. Tryph. 57. Orig. de
princ. I 6. Basilius, de Sp. S. c. 16. Tertull., de carne Chr. 6.
Augustinus, de trin. II 7 enz. Op de tweede synode te Nicea 787
werd door den patriarch Tarasius een dialoog voorgelezen van een
zekeren Johannes van Thessalonika, waarin deze betoogde, dat de
engelen fijne lichamen hadden en daarom ook afgebeeld mochten worden.
Tarasius voegde daaraan toe, dat zij beperkt in ruimte waren en in
menschengestalte waren verschenen, en daarom afbeeldbaar waren. En
hiermede betuigde de synode hare instemming, Schwane, D. G. II² 235.
Maar langzamerhand werd de grens tusschen stof en geest scherper
getrokken, en schreven velen aan de engelen een zuiver geestelijke
natuur toe, zooals Pseudodion., de coel. hier., Damascenus, de fide
orth. II c. 3. Thomas, S. Theol. I qu. 50 art. 1. qu. 51 art. 1.
Het vierde Lateraanconcilie in 1215 noemde de natuur der engelen
spiritualis, Denzinger, Enchir. n. 355 en de meeste Roomsche en
Protestantsche theologen stemden daarmede in. Desniettemin is eene
zekere lichaamlijkheid der engelen ook later nog telkens geleerd,
door Roomschen als Cajetanus, Eugubinus, Bannez, door enkele Geref.
zooals Zanchius, Op. III col. 69. Vossius, de idol. I 2, 6, voorts
door Episcopius, Inst. Theol. V c. 2 p. 347, Vorstius, Poiret, Böhme,
Leibniz, Wolff, Bonnet, Reinhard enz., en in den nieuweren tijd o. a.
door Kurtz, Bibel und Astronomie, 3e Aufl. S. 152. Beck, Lehrwiss.
I 176. Lange, Dogm. II 578. Kahnis, Dogm. I 443 f. Vilmar, Dogm. I
306. Keerl in Bew. d. Gl. Juni 1896 S. 235-247 enz., cf. Delitzsch,
Bibl. Psych.² 65 f. De voornaamste grond voor deze meening is, dat het
begrip van eene zuiver geestelijke, lichaamlooze natuur metaphysisch
ondenkbaar is en ook onvereenigbaar met het begrip creatuur. God is
louter Geest, maar Hij is ook eenvoudig, alomtegenwoordig, eeuwig.
De engelen echter zijn beperkt, ook ten opzichte van tijd en plaats;
indien zij zich werkelijk bewegen van de eene plaats naar de andere,
dan moeten ze op hunne wijze lichamelijk zijn. En evenzoo zijn de engelen
niet eenvoudig als God maar uit materia en forma samengesteld, en
ook daarom moet hun eene zekere, wel niet grove, stoffelijke, maar
dan toch fijne, aetherische lichamelijkheid worden toegeschreven. Bij
deze overweging kwam nog de exegese, welke bij de zonen Gods in Gen.
6 aan engelen dacht. Deze uitlegging van Philo, Josephus, de Joden,
de LXX, werd door vele kerkvaders overgenomen, Justinus, Apol. I 1.
Irenaeus, adv. haer. IV 16, 2 V 29. 2. Clemens, Tertull., Lactantius,
Cyprianus, Ambrosius enz., vond ook bij Luther ingang en werd in den
nieuweren tijd weer verdedigd door Ewald, Baumgarten, Hofmann, Kurtz,
Delitzsch, Hengstenberg, Köhler, Kübel e. a. Verder beroept men zich
voor de lichamelijkheid der engelen ook nog op hunne verschijningen, op
enkele bijzondere teksten in de H. Schrift, zooals Ps. 104:4, Mt. 22:30,
Luk. 20:35, 1 Cor. 11:10, en soms ook daarop, dat ze als bewoners der
sterren wel lichamelijk moeten zijn. Tegenover al deze argumenten staat
echter de klare uitspraak der H. Schrift, dat de engelen πνευματα
zijn, Mt. 8:16, 12:45, Luk. 7:21, 8:2, 11:26, Hd. 19:12, Ef. 6:12,
Hebr. 1:4, die niet huwen, Mt. 22:30, onsterfelijk, Luk. 20:35, 36,
en onzichtbaar zijn, Col. 1:16, legio in ééne beperkte ruimte kunnen
zijn, Luk. 8:30, en als geesten geen vleesch en beenen hebben, Luk.
24:39. Verder is de opvatting van de בְנֵי־הָאֱלֹהִים in Gen. 6:2
als engelen en niet als menschen onhoudbaar, want al is deze benaming
meermalen voor engelen gebruikelijk, Job 1:6, 2:1, 38:7, toch kan ze
ook zeer goed menschen aanduiden, Deut. 32:5, Hos. 2:1, Ps. 80:16,
73:15; en is ze in elk geval niet op de kwade engelen toepasselijk, die
hier toch de zonde moeten bedreven hebben; voorts is de uitdrukking
לקח אשה in Gen. 6:2 altijd gebruikelijk van een wettig huwelijk en
nooit van hoererij; vervolgens wordt de straf over de zonde alleen aan
de menschen voltrokken, want zij zijn de schuldigen en van engelen is
geen sprake, Gen. 6:3, 5-7. Ook de andere Schriftuurplaatsen bewijzen
de lichamelijkheid der engelen niet; Ps. 104:4, cf. Hebr. 1:7 zegt
alleen, dat God zijne engelen als dienaren gebruikt, evenals wind en
vuur ook dienen om zijne bevelen uit te voeren, maar duidt volstrekt
niet aan, dat de engelen in wind of vuur veranderd worden; Mt. 22:30
houdt in, dat de geloovigen na de opstanding aan de engelen gelijk
zullen zijn, daarin dat ze niet meer huwen, maar bevat niets over de
lichamelijkheid der engelen; en 1 Cor. 11:10 zegt, dat de vrouwen als
teeken van haar onderworpenheid aan den man ook in de gemeente gedekt
moeten zijn, om de goede engelen niet te mishagen die in de gemeente
tegenwoordig zijn; aan booze engelen, die anders door de vrouwen verleid
zouden worden, valt hier in het geheel niet te denken. Wat voorts de
engelenverschijningen aangaat, is het wel zeker, dat zij altijd hebben
plaats gehad in lichamelijke, zichtbare gedaante, evenals ook de
symboliek de engelen steeds in allerlei zichtbare vormen voorstelt.
Maar hieruit volgt toch niets voor hunne lichamelijkheid. Want immers
God is Geest en wordt toch door Jesaia in cap. 6 aanschouwd als een
Koning, zittende op zijn troon. Christus is in het vleesch verschenen
en is toch waarachtig God. De engelen treden zoowel in de verschijning
als in de symboliek telkens in andere gedaanten op; de voorstelling der
cherubs in Gen. 3:24, boven de arke des verbonds, bij Ezechiel en in de
Apocalypse wijkt onderling zeer sterk af; en de gedaanten, waarin ze
verschijnen, zijn lang niet gelijk, Gen. 18, Richt. 6, 13:6, Dan. 10:11,
Mt. 28 vs. 3, Luk. 2:9, Op. 22:8. Hoe deze lichamen te denken zijn, is
eene andere vraag. Of het wezenlijke dan wel schijnlichamen waren, is
niet te zeggen, Damascenus, de fide orthod. II 3. Thomas, S. Theol. I
qu. 51 art. 1-3. Turret., Theol. El. VII 6, 5. enz. Het sterkste bewijs
voor de lichamelijkheid der engelen wordt echter, gelijk boven gezegd is,
aan de philosophie ontleend. Maar daarbij is er allerlei misverstand in
het spel. Indien lichaamlijkheid alleen bedoelt, dat de engelen beperkt
zijn, zoowel in tijd als in ruimte, en ook niet eenvoudig zijn als God,
in wien alle eigenschappen zijn wezen zelf zijn, dan zou aan de engelen
zeker lichaamlijkheid moeten toegeschreven worden. Maar gewoonlijk sluit
lichaamlijkheid toch een soort van stoffelijkheid in, zij het dan ook van
fijneren aard dan bij mensch en dier. En in dezen zin kan en mag bij de
engelen van geen lichaam sprake zijn. Stof en geest sluiten elkander
uit, Luk. 24:39. Het is pantheistische identiteits-philosophie, beide
te vermengen en het onderscheid uit te wisschen. De Schrift echter
handhaaft altoos het onderscheid tusschen hemel en aarde, engelen en
menschen, geestelijke en stoffelijke, onzienlijke en zienlijke dingen,
Col. 1:16. Indien de engelen daarom als geesten te denken zijn, staan zij
in eene andere, meer vrije verhouding tot tijd en ruimte dan de menschen.
Eenerzijds zijn zij niet boven alle tijd en plaats verheven gelijk God, want
ze zijn schepselen en dus eindig en beperkt. Hun komt niet toe een ubi
repletivum, alomtegenwoordigheid en eeuwigheid. Ter andere zijde hebben
ze ook geen ubi circumscriptivum, zooals onze lichamen, want de engelen
zijn geesten en hebben dus geen afmetingen van lengte en breedte, en
dus geen extensie, geen diffusie door de ruimte heen. Daarom werd
gewoonlijk gezegd, dat aan de engelen toekwam een ubi definitivum; dat
is, als eindige en beperkte wezens zijn zij altijd ergens; ze kunnen niet
op twee plaatsen tegelijk zijn; hun tegenwoordigheid is niet extensief
maar punctueel; en zij zijn zoo vrij van plaats, dat zij zich met de
grootste snelheid bewegen kunnen en door geen stoffelijke voorwerpen
kunnen tegengehouden worden; hun plaatsverandering is momentaan. Wel is
zulk eene snelheid van beweging en zulk eene Zeit- und Raumfreiheit,
die toch geen Zeit- und Raumlosigkeit is, voor ons onvoorstelbaar.
Maar de Schrift wijst haar duidelijk aan, en in de snelheid van gedachte
en verbeelding, van licht en electriciteit, hebben wij een niet te
versmaden analogie, August. de civ. XI 9. Damascenus, de fide orthod.
II 3. Thomas, S. Theol. I qu. 52 en 53. Voetius, Disp. V 252 sq.
Philippi, Kirchl. Gl. II 302. Oswald, Angelologie S. 23-43.
6. De eenheid der engelen wordt verder daarin openbaar, dat zij allen
redelijke wezens zijn, begaafd met verstand en wil. Beide deze vermogens
worden herhaaldelijk in de Schrift aan de engelen, zoowel kwade als
goede, toegeschreven, Job 1:6v., Zach. 3:1v., Mt. 24:36, Mt. 8:29,
18:10, 2 Cor. 11:3, Ef. 6:11 enz., allerlei persoonlijke eigenschappen
en werkzaamheden komen bij hen voor zooals zelfbewustzijn, Luk. 1:19,
spreken, ib., begeeren, 1 Petr. 1:12, zich verheugen, Luk. 15:10,
bidden, Hebr. 1:6, gelooven, Jak. 2:19, liegen, Joh. 8:44, zondigen,
Joh. 3:8 enz. Daarbij wordt hun ook eene groote macht toegekend; de
engelen zijn geen schuchtere wezens, maar een leger, eene heirschare
van krachtige helden, Ps. 103:20, Luk. 11:21, Col. 1:16, Ef. 1:21,
3:10, 2 Thess. 1:7, Hd. 5:19, Hebr. 1:14. Op grond hiervan is het
onjuist, om met Schelling en anderen de engelen voor eigenschappen
of krachten te houden. Maar toch blijve men in de beschrijving van de
persoonlijkheid der engelen bij den eenvoud der H. Schrift. Augustinus
onderscheidde tweeërlei kennis der engelen; eene, die zij als ’t ware in
den morgen der schepping, apriori, door de aanschouwing Gods verkregen,
cognitio matutina, en eene andere, welke zij als ’t ware in den avond
der schepping, aposteriori, uit de schepselen deelachtig werden, de
Gen. ad litt. V 18. de civ. XI 29. De scholastici namen niet alleen
deze onderscheiding over, Thomas, S. Theol. I qu. 54, maar trachtten
ook aard en mate van de kennis der engelen nader te bepalen. Hun kennis
is niet, gelijk bij God, met hun zijn en wezen identisch. Maar zij kennen
niet door zinnelijke waarneming, het onderscheid tusschen intellectus
possibilis en agens is bij hen niet aanwezig; de intellectus is bij hen
nooit louter vermogen en nooit in rust, maar altijd werkzaam; zij kunnen
niet zijn zonder te kennen; zij kennen zichzelven, hun eigen wezen,
door zichzelven, volkomen en onveranderlijk; zij kennen de geschapene
dingen niet uit hunne verschijning maar door aangeboren ideeën, niet
door abstractie en discursief, maar intuitief en intellectueel; en wel
kennen de engelen met hunne natuurlijke krachten niet onmiddellijk maar
per speciem impressam, door en tegelijk met hun eigen zijn; doch in de
bovennatuurlijke orde, waartoe de goede engelen verheven zijn, kennen
ze God toch door onmiddellijke aanschouwing, Thomas, S. Theol. I qu.
54-58. S. c. Gent. II c. 96-101. III c. 49. Bonaventura, Sent. II dist.
3 art. 4 en dist. 4 art. 3. Petavius, de angelis I c. 6-9. Kleutgen,
Philos. der Vorzeit I² 196 f. Oswald, Angelologie 43-51. Zelfs werd,
om het gebed tot de engelen en ook tot de heiligen te verdedigen,
door sommigen geleerd, dat zij, God ziende die alles ziet, in Hem
alles zagen en dus al onze nooden en behoeften kenden, Gregorius,
Moral. lib. 12 c. 13. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 83 art. 4. III qu. 10
art. 2. Bellarminus, de sanct. beat. I c. 26. De Protestanten waren
voorzichtiger, ze maanden tot bescheidenheid. In de wijze waarop wij tot
kennis komen, is zooveel geheimzinnigs; hoe veel te meer in die der
engelen, Zanchius, Op. III 108 sq. Voetius, Disp. V 267. Gerhard, Loci
theol. V c. 4 sect. 5. Dit alleen kan gezegd worden, dat ze rijker in
kennis zijn dan wij hier op aarde, Mt. 18:10, 24:36, dat zij hun kennis
verkrijgen uit hun eigen natuur, Joh. 8:44, uit de beschouwing van Gods
werken, Ef. 3:10, 1 Tim. 3:16, 1 Petr. 1:12 en uit openbaringen, welke
God hun meedeelt, Dan. 8, 9, Op. 1:1. Maar zij zijn toch gebonden aan de
objecten, Ef. 3:10, 1 Petr. 1:12. Zij kennen niet onze, noch elkanders
verborgen gedachten des harten, 1 Kon. 8:39, Ps. 139:2, 4, Hd. 1:24,
zoodat zij ook onderling eene taal van noode hebben, om hunne gedachten
mede te deelen 1 Cor. 13:2, en in het algemeen op hunne wijze en naar
den aard hunner natuur ook sprekende en zingende God verheerlijken
kunnen, Petavius, de angelis I c. 12. Zij kennen de toekomst niet, noch
de futura contingentia, dan alleen per conjecturam, Jes. 41:22, 23.
Zij kennen den dag des gerichts niet, Mk. 13:12. En hun kennis is voor
toeneming vatbaar, Ef. 3:10. Daarbij mag zeker ook nog gevoegd, dat de
kennis en macht onder de engelen zeer verschillend is. Ook te dezen
opzichte is er verscheidenheid en orde. Zelfs mag uit de enkele namen,
die in de Schrift voorkomen, worden afgeleid, dat de engelen niet
alleen in klassen maar ook als personen onderscheiden zijn en dat zij elk
dragen eene bijzondere individualiteit, ook al is de meening van sommige
scholastici te verwerpen, dat elke engel eene bijzondere species vormt,
Bonaventura, Sent. II dist. 3 art. 2. Thomas, S. c. Gent. II 52.
7. Eindelijk zijn de engelen ook daarin één, dat zij allen zedelijke wezens
zijn. Dit blijkt zoowel uit de goede engelen, die God dienen nacht en
dag, als uit de kwade, die in de waarheid niet zijn staande gebleven.
Over den status originalis der engelen zegt de Schrift zeer weinig.
Alleen getuigt zij, dat God bij het einde van het scheppingswerk alle
dingen zag en ziet, zij waren zeer goed, Gen. 1:31. Bovendien wordt
in Joh. 8:44, Judas 6, 2 Petr. 2:4 een goede toestand aller engelen
ondersteld. En ditzelfde wordt geëischt door het theisme der Schrift,
dat het manicheisme ten eenenmale buitensluit. Juist echter, wijl de
Schrift zoo weinig openbaart, vond verbeelding en redeneering hier ruim
spel. Augustinus meende, dat de engelen in het moment zelf van hun
schepping gedeeltelijk gevallen en gedeeltelijk waren staande gebleven;
aan de laatsten gaf God dus tegelijk met hunne natuur de genade der
perseverantie, simul eis et condens naturam et largiens gratiam,
de civ. XII 9, cf. de corr. et gr. c. 11 n. 32. Hierop beriep de
scholastiek zich later voor hare leer van de dona superaddita ook bij de
engelen. Volgens Bonaventura, Sent. II dist. 4 art. 1 qu. 2, Halesius,
Lombardus, Scotus e. a. bestonden de engelen eerst een tijd lang in
puris naturalibus en ontvingen zij later het auxilium gratiae actualis.
Thomas echter meende met anderen, dat de onderscheiding van natuur en
genade slechts logisch was te verstaan, en dat de genade, om staande
te kunnen blijven, aan de verschillende engelen ook in verschillende
mate was geschonken, S. Theol. I qu. 62 art. 3. en 6. Met die genade
toegerust, konden de engelen de hoogste, onverliesbare zaligheid
verdienen, welke bestaat in de aanschouwing Gods, Petavius, de angelis
I 16. Becanus, Theol. Schol., de ang. c. 2. 3. Theol. Wirceb. 1880 III
466 sq. Pesch, Prael. III 204 sq. Oswald, Angelologie 81 f. Jansen,
Prael. II. 361 sq. In den locus de homine zal de leer van de dona
superaddita onze bijzondere aandacht vragen. Hier zij er alleen op
gewezen, dat zij in elk geval bij de engelen niet den minsten grond vindt
in de Schrift. De Protest. theologie verwierp ze dan ook eenparig. Zij
vergenoegde er zich mede, dat de engelen, die staande bleven, in het
goede waren bevestigd. En dit hield zij met Augustinus en de scholastiek
vast tegenover Origenes, de princ. I 5. 3. 4, en de Remonstranten,
die den wil der goede engelen nog voor veranderlijk hielden. Inderdaad
worden de goede engelen in de H. Schrift ons ook altijd voorgesteld als
eene getrouwe schare, die onveranderlijk den wil des Heeren doet. Zij
heeten engelen des Heeren, Ps. 103:20, 104:4, ἐκλεκτοι, 1 Tim. 5:21,
ἁγιοι, Deut. 33:3, Mt. 25:31, engelen des lichts, Luk. 9:26, Hd. 10:22,
2 Cor. 11:14, Op. 14:10. Zij zien dagelijks Gods aangezicht, Mt. 18:10,
worden ons ten voorbeeld gesteld, Mt. 6:10; en de geloovigen zullen
eenmaal hun gelijk worden, Luk. 20:36.
8. In al deze eigenschappen van geschapenheid, geestelijkheid,
redelijkheid en zedelijkheid komen de engelen met de menschen overeen.
Juist omdat in de Schrift de eenheid der engelen op den voorgrond
treedt en hun onderlinge verscheidenheid terugwijkt, bestaat er gevaar
om het verschil tusschen engel en mensch over het hoofd te zien. Beider
overeenkomst schijnt het onderscheid verre te overtreffen. Beiden,
mensch en engel zijn persoonlijke, redelijke, zedelijke wezens; beiden zijn
oorspronkelijk geschapen in kennis, gerechtigheid en heiligheid; beiden
kregen heerschappij, onsterfelijkheid en zaligheid; beiden heeten in de
Schrift zonen Gods, Job 1:6, Luk. 3:38. En toch wordt hun onderscheid
in de Schrift daardoor ten strengste gehandhaafd, dat wel de mensch
maar nooit de engel naar Gods beeld geschapen heet. In de theologie
is dit onderscheid veelszins verwaarloosd. Volgens Origenes zijn de
engelen en de zielen der menschen van dezelfde species; de vereeniging
der ziel met het lichaam is eene straf voor de zonde en dus eigenlijk
toevallig. Origenes kwam hiertoe, omdat hij leerde, dat alle ongelijkheid
uit het schepsel was. God schiep alle dingen in den beginne gelijk,
dat is, Hij schiep alleen redelijke wezens en die alle gelijk, engelen
en zielen. Ongelijkheid kwam onder hen door den vrijen wil; sommigen
bleven staan en kregen loon, anderen vielen en kregen straf; de zielen
werden bepaald aan lichamen gebonden. Heel de stoffelijke wereld en al
de verscheidenheid die in haar aanwezig is, is er dus door de zonde en
door de verschillende mate van zonde; zij is er niet, om Gods goedheid
te openbaren maar om de zonde te straffen. Deze leer van Origenes is
nu wel door de kerk verworpen, en de theologie heeft het soortelijk
verschil van mensch en engel vastgehouden, Thomas, S. Theol. I qu.
75 art. 7. Maar toch is de gedachte niet geheel overwonnen, dat de
engelen, wijl alleen geestelijk, hooger staan dan de menschen, en daarom
nog meer of minstens evenveel recht hebben op den naam van beelddragers
Gods, Damasc., de fide orth. II 3. Thomas, S. Theol. I qu. 93 art. 3.
Commentatores op Sent. II dist. 16. Oswald, Angelologie 25 enz. In
de hierarchie der schepselen staan de engelen, als zuiver geestelijke
wezens, het dichtst bij God. Tu eras et aliud nihil, unde fecisti coelum
et terram, duo quaedam unum prope te, alterum prope nihil; unum quo
superior tu esses, alterum quo inferius nihil esset, Aug. Conf. XII
7. Non tantum substantiam a se longinquam, scil. naturam corpoream,
producere debuit (Deus), verum etiam propinquam et haec est substantia
intellectualis et incorporea, Bonav. Brevil. II 6. Maar ook Lutherschen
en Gereformeerden hebben dit onderscheid van mensch en engel te veel
uit het oog verloren en de engelen beelddragers Gods genoemd, Calvijn,
Inst. I 15, 3. Polanus, Synt. theol. V c. 10. Synopsis pur. theol.
XII 7. XIII 17. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. IX 187. Moor, II 335. Gerhard,
Loc. V c. 4 sect. 5. Delitzsch, Bibl. Psych. 63. Slechts enkelen
zooals Theodoretus, Macarius, Methodius, Tertull. adv. Marc. II 8 en
anderen bestreden dit, Petavius, de sex. dierum opif. II c. 3 § 4-8.
Augustinus zegt uitdrukkelijk, Deus nulli alii creaturae dedit quod
sit ad imaginem suam nisi homini, bij Thomas, I qu. 93 art. 3, cf. ook
Maresius, Syst. Theol. V 37. Hoeveel overeenkomst er ook zij tusschen
mensch en engel, er is niet minder groot verschil. Er zijn wel allerlei
trekken van het beeld Gods in de engelen, maar de mensch is alleen het
beeld Gods. Dat beeld Gods ligt niet alleen in datgene wat mensch en
engel gemeen hebben, maar evenzeer in datgene wat hen onderscheidt.
De voornaamste punten van verschil zijn deze: vooreerst is de engel
geest en als geest compleet; de mensch daarentegen is ziel en lichaam
saam; de ziel zonder het lichaam is onvolkomen. De mensch is dus een
redelijk maar evenzeer een zinnelijk wezen; door het lichaam is hij aan
de aarde gebonden, behoort hij bij de aarde en de aarde bij hem. En van
die aarde is hij hoofd en heer. Nadat de engelen al geschapen waren,
zegt God dat hij den mensch wil scheppen en hem heerschappij wil geven
over de aarde, Gen. 1:26. Heerschappij over de aarde is wezenlijk eigen
aan den mensch, een stuk van het beeld Gods, en wordt daarom door
Christus ook aan de zijnen teruggegeven, die Hij niet alleen tot profeten
en priesters maar ook tot koningen maakt. De engel echter, hoe sterk
en machtig ook, is dienaar in Gods schepping; geen heer der aarde,
Hebr. 1:14. Ten tweede zijn de engelen als zuiver geestelijke wezens ook
onderling niet verbonden door banden des bloeds. Er is onder hen geen
vader en zoon, geen physische samenhang, geen gemeenschap des bloeds,
geen consanguinitas; zij staan, hoe innig ook ethisch verbonden, toch
los naast elkaar, zoodat velen vallen konden en anderen toch staande
blijven. In den mensch is er daarom eene afschaduwing van het Goddelijk
wezen, waarin ook personen zijn, die niet alleen door wil en genegenheid
maar ook door wezen en natuur één zijn. Ten derde is er daarom wel
eene menschheid, maar in dezen zin geen „Engelheit”. In éénen mensch
vielen allen, maar ook in éénen wordt het menschelijk geslacht behouden.
In de menschheid is een Adam en daarom ook een Christus mogelijk. De
engelen zijn getuigen, de menschen zijn voorwerpen van Gods heerlijkste
daden, van de werken zijner genade. De aarde is het schouwtooneel van
Gods wonderen; hier wordt de strijd gestreden, hier de triomf van
het Godsrijk behaald, en de engelen wenden naar de aarde het oog en
begeeren in te zien in de geheimen des heils, Ef. 3:10, 1 Petr. 1:12.
Ten vierde moge de engel de machtiger geest zijn, de mensch is toch de
rijkere geest. In verstand en macht gaat de engel den mensch ver te
boven. Maar door de wonderbaar rijke relatiën, waarin de mensch tot
God, de wereld en de menschheid staat, is hij dieper van ziel en rijker
van gemoed. De verhoudingen, die het geslachts- en famielieleven, het
leven in gezin, staat en maatschappij, het leven voor arbeid, kunst
en wetenschap medebrengt, maken ieder mensch tot eene wereld in het
klein, welke in veelzijdigheid, in diepte, in rijkdom de persoonlijkheid
der engelen verre overtreft. Daarom zijn ook de rijkste en heerlijkste
deugden Gods alleen voor den mensch kenbaar en genietbaar. Engelen
ondervinden zijne macht, wijsheid, goedheid, heiligheid, majesteit;
maar de diepten van Gods eeuwige ontfermingen ontsluiten zich alleen
voor den mensch. In den mensch of beter nog in de menschheid wordt
daarom alleen op creatuurlijke wijze het volle beeld Gods ontvouwd. Ten
slotte zij hier nog aan toegevoegd, dat de engelen dus ook in eene
gansch andere verhouding tot Christus staan dan de menschen. Dat er
eene relatie bestaat tusschen Christus en de engelen, is ontwijfelbaar.
Vooreerst leeren toch verschillende Schriftplaatsen, dat alle dingen,
Ps. 33:6, Spr. 8:22v., Joh. 1:3, 1 Cor. 8:6, Ef. 3:9, Hebr. 1:2 en met
name ook de engelen, Col. 1:16 door den Zoon zijn geschapen, en alzoo
is Hij de Mediator unionis van al het geschapene. Maar in de tweede
plaats bevatten Ef. 1:10 en Col. 1:19, 20 de diepe gedachte, dat alle
dingen ook in relatie staan tot Christus als Middelaar der verzoening.
God heeft nl. alle dingen door Christus tot zichzelven verzoend en
vergadert ze alle onder Hem als het Hoofd. De relatie bestaat nu wel
niet daarin, gelijk velen gemeend hebben, dat Christus voor de goede
engelen de gratia en de gloria verworven heeft, cf. Voetius, Disp.
II 262 sq. Gerhard, Loci Theol. XXXI c. 4 § 42 en later bij de leer
der voldoening; noch ook, zooals anderen oordeelden, daarin, dat de
engelen membra ecclesiae zouden kunnen heeten, cf. Gerhard, Loci Theol.
XXII c. 6 sect. 9. Maar ze is toch hierin gelegen, dat alle dingen,
die door de zonde verstoord en uiteengeslagen zijn, weder in Christus
onderling verzoend, in hunne oorspronkelijke verhouding hersteld, en
onder Hem als het Hoofd bijeenvergaderd worden. Christus is alzoo wel
Heer en Hoofd, niet Verzoener en Behouder der engelen. Alle dingen zijn
door Hem geschapen, en daarom zijn ze ook tot Hem geschapen, opdat Hij
ze verzoend en hersteld wedergeve aan den Vader. Maar menschen alleen
vormen de gemeente van Christus; zij alleen is zijne bruid, de tempel des
H. Geestes, de woning Gods.
9. Met deze natuur der engelen komt hun dienst en werkzaamheid overeen.
Duidelijk maakt de Schrift daarbij onderscheid tusschen een buitengewonen
en een gewonen dienst der engelen. De buitengewone dienst neemt eerst
een aanvang na den val, en is noodzakelijk geworden door de zonde.
Hij is een belangrijk element in de bijzondere openbaring. Wij zien de
engelen het eerst optreden tot bewaking van den hof, Gen. 3:24, maar
dan verschijnen ze en brengen openbaringen over, treden zegenend of
straffend op in de geschiedenis der aartsvaders en der profeten, en
door heel het O. Test. heen. Zij verschijnen aan Abraham, Gen. 18, Lot,
Gen. 19, Jakob, Gen. 28:12, 32:1; zij dienen bij de wetgeving, Hebr. 2:2,
Gal. 3:19, Hd. 7:53; zij nemen deel in den strijd van Israel, 2 Kon.
19:35, Dan. 10 vs. 13, 20; zij verkondigen Gods raad aan Elia en Eliza,
aan Ezechiel, Daniel en Zacharia. Als om te weerleggen, dat ze geen
overblijfsels uit het polytheisme zijn en niet tot een praehistorisch
tijdperk behooren, neemt hun buitengewone dienst in de dagen des N.
T. nog toe. Zij komen voor bij de geboorte van Jezus, Luk. 1:13, 30,
2:10, bij zijne verzoeking, Mt. 4:11, vergezellen hem gedurende heel zijn
aardsche leven, Joh. 1:52, en verschijnen vooral bij zijn lijden, Luk.
22:43, opstanding, Mt. 28 en hemelvaart, Hd. 1:10. Daarna treden zij
nog enkele malen op in de geschiedenis der apostelen, Hd. 5:19, 12:7,
13, 8:26, 27:23, Op. 1:1, om dan den buitengewonen dienst te staken
en eerst weer op te treden bij de wederkomst van Christus, Mt. 16:27,
25:31, Mk. 8:38, Luk. 9:26, 2 Thess. 1:7, Judas 14, Openb. 5:2 enz.,
waarbij zij strijd voeren tegen Gods vijanden, Op. 12:7, 1 Thess. 4:16,
Judas 9, de uitverkorenen verzamelen, Mt. 24:31, en de goddeloozen in
het vuur werpen, Mt. 13:41, 49. De buitengewone dienst der engelen
bestaat dus daarin, dat zij de heilsgeschiedenis in haar keerpunten
begeleiden. Zij brengen dat heil niet zelven tot stand, maar zij nemen
toch deel aan de historie van dat heil. Zij brengen openbaringen over,
beschermen Gods volk, bestrijden zijne vijanden, en doen allerlei dienst
in het rijk Gods. Altijd zijn ze daarbij werkzaam op het terrein der
gemeente; ook waar ze macht krijgen over de natuurkrachten, Op. 14:18,
16:5, of in de lotgevallen der volken ingrijpen, geschiedt dit in het
belang der gemeente. Daarbij verdringen zij nooit de souvereiniteit Gods,
noch ook zijn ze bemiddelaars der gemeenschap Gods met den mensch. Maar
zij zijn gedienstige geesten in het belang van hen, die de zaligheid
beërven zullen. Zij dienen God in het rijk der genade, niet in dat der
natuur. Deze buitengewone dienst is daarom vanzelf ook opgehouden met
de voltooiing der openbaring. Terwijl zij vroeger telkens bijzondere
openbaringen hadden over te brengen en tot de aarde nederdaalden, zijn
ze nu veeleer ons ten voorbeeld en klimmen wij tot hen op. Zoolang de
bijzondere openbaring nog niet was voltooid, naderde de hemel de aarde
en daalde Gods Zoon tot ons neder. Nu is Christus verschenen, en het
woord Gods is volkomen tot ons gesproken. Zoo zien de engelen dan naar
de aarde heen, om van de gemeente te leeren de veelvuldige wijsheid
Gods. Wat zouden engelen ons nog geven kunnen, nu God zelf zijn eigen
Zoon ons schonk?
Maar de Schrift spreekt ook nog van een gewonen dienst der engelen.
Allereerst behoort daartoe dat zij God loven dag en nacht, Job 38:7,
Jes. 6, Ps. 103:20, 148:2, Op. 5:11; en de Schrift geeft den indruk,
dat ze dat doen in hoorbare klanken, al is het ook, dat wij van het
spreken en zingen der engelen ons geen voorstelling kunnen maken.
Maar tot dien gewonen dienst behoort ook, dat zij zich verheugen over
de bekeering van den zondaar, Luk. 15:10, waken over de geloovigen,
Ps. 34:8, 91:11, de kleinen beschermen, Mt. 18:10, in de gemeente
tegenwoordig zijn, 1 Cor. 11:10, 1 Tim. 5:21, haar volgen op hare gangen
door de geschiedenis, Ef. 3:10, door haar zich laten onderwijzen, Ef.
3:10, 1 Petr. 1:12 en de geloovigen dragen in Abrahams schoot, Luk.
16:22. Zij zijn alzoo werkzaam coram Deo consistendo, hominibus piis
assistendo, atque diabolis et hominibus malis resistendo, Hollaz, p.
390. De Schrift blijft doorgaans bij deze algemeene beschrijving van den
gewonen dienst der engelen staan en daalt niet in bijzonderheden af.
Maar de theologie heeft zich daarmede niet tevreden gesteld; ze heeft
dien op allerlei wijze gespecialiseerd. Vooral geschiedde dit in de
leer der beschermengelen. De Grieken en Romeinen hadden iets dergelijk
in hunne δαιμονες en genii; niet alleen schreef men aan iederen mensch
een goeden en een kwaden genius toe, maar men had ook geniën van
huizen, familiën, genootschappen, steden, landen, volken, van aarde,
zee, wereld enz. De Joden namen zeventig volken-engelen aan met beroep
op Deut. 32:8 en Dan. 10:13, en gaven voorts aan elken Israëliet een
engel tot geleide, Weber, System 161 f. De christelijke theologie nam
dit spoedig over. De Pastor van Hermas, Mand. VI 2 kent aan iederen
mensch twee engelen toe, εἱς της δικαιοσυνης και εἱς της πονηριας en
stelde voorts ook heel de schepping en den ganschen bouw der kerk
onder de hoede der engelen, Vis. III 4. Met voorliefde werd deze leer
der beschermengelen ontwikkeld door Origenes. Soms heeft ieder mensch
bij hem een goeden en een kwaden engel; soms voegt hij er aan toe, dat
alleen de goede engelen van de gedoopte Christenen het aangezicht Gods
zien; of ook zegt hij, dat alleen de Christenen en de deugdzamen een
beschermengel hebben, en dat ze al naar gelang van hun verdienste een
lageren of hoogeren engel tot leidsman ontvangen. Maar voorts neemt hij
ook bijzondere engelen aan voor kerken, landen, volken, voor kunsten
en wetenschappen, voor planten en dieren; zoo is Raphael de engel der
genezing, Gabriel van den oorlog, Michael van het gebed enz., cf. de
princ. I 8. III 3. c. Cels. V 29. VIII 31 enz. En zoo leerden zakelijk
alle kerkvaders, al was er verschil over, of alle menschen dan wel
alleen de Christenen een beschermengel hadden; of ieder mensch alleen
een goeden of ook een kwaden engel had; wanneer de beschermengel aan
den mensch geschonken werd, bij de geboorte of bij den doop, en wanneer
hij van hem genomen werd, bij het bereiken der volmaaktheid of eerst bij
den dood. Bij allen stond ook vast, dat er niet alleen beschermengelen
der menschen zijn maar ook van landen, volken, kerken, diocesen,
provinciën enz., Schwane, D. G. II² 244. Later werd deze bescherming
der engelen ten deele beperkt en ten deele nog uitgebreid. Beperkt, in
zoover sommigen op het voetspoor van Pseudodionysius, de coel. hier. c.
13 leerden, dat de drie hoofdklassen der engelen, cherubim, serafim
en tronen, God alleen dienden in den hemel, Thomas, S. Theol. I qu.
112. Uitgebreid, inzoover de scholastiek heel de voorzienigheid Gods
in natuur en geschiedenis, inzonderheid in de beweging der sterren,
door engelen bemiddeld dacht, Thomas, S. Theol. I qu. 70 art. 3. qu.
110 art. 1. S. c. Gent. III 78 sq. Bonaventura, Sent. II dist. 14 p.
1 art. 3 qu. 2. Beschermengelen van menschen worden door de Roomsche
theologen algemeen aangenomen en worden ook in den Catech. Rom. IV c.
9 qu. 4 en 5 erkend. Maar overigens is er over al de bovengenoemde
punten onder hen groot verschil van gevoelen, cf. Petavius, de ang.
II c. 6-8. Becanus, Theol. schol. tract. III de angelis c. 6. Theol.
Wirceb. Paris. 1880 III 480. C. Pesch, Prael. dogm. III 210. Oswald,
Angelologie 120 f. enz. Dezelfde leer vinden wij bij Luther, cf. Köstlin,
Luthers Theol. II 345; maar de Luthersche theologen waren meest
voorzichtiger, Gerhard, Loci theol. V cap. 4 sect. 15. Quenstedt,
Theol. did. pol. I 450. Hollaz, Syst. theol. p. 390. Calvijn verwierp
de angeli tutelares, Inst. I 14, 7. Comm. op Ps. 91, Mt. 18:10 en de
meeste Geref. volgden hem, zie vooral Voetius, Disp. I 897 sq.; slechts
enkelen namen beschermengelen van menschen aan, Zanchius, Op. III 142
sq. Bucanus, Inst. theol. VI 28. Maccovius, Loci Comm. p. 394. Rivetus,
Alsted, Vossius, ook Hugo Grotius op Mt. 18:10, cf. Heppe, Dogm. der
ev. ref. K. 155. M. Vitringa II 117. In den nieuweren tijd heeft de leer
der beschermengelen weer steun gevonden bij Hahn, Weiss, Bibl. Theol.
des N. T. 594. Ebrard, Dogm. § 239. Vilmar, Dogm. I 310. Martensen,
Dogm. § 69 e. a. Voorts werd de gewone dienst der engelen ook nog
daarin nader bepaald, dat zij met hunne voorbede voor de geloovigen op
aarde ten goede werkzaam waren in den hemel. Ook dit werd reeds door de
Joden, en ook door Philo geleerd, en dan door Origenes, c. Cels VIII 64
en de kerkvaders overgenomen en in de Roomsche symbolen vastgesteld,
Catech. Rom. III c. 2 qu. 5 n. 2. Ook de Luthersche belijdenisschriften
spreken nog van deze voorbede, Apol. Conf. art. 21. Art. Smalc. II
2, en evenzoo de Luth. dogmatici, Philippi, Kirchl. Gl. II 324.
Daarentegen werd ze door de Gereformeerden eenparig verworpen.
Voor dezen specialen dienst van bescherming en voorbede beroept men
zich op enkele plaatsen der Schrift, vooral Deut. 32:8, Dan. 10:13,
20, Mt. 18:10, Op. 1:20, 2:1 enz., Job 33:23, Zach. 1:12, Luk. 15:7,
Op. 18:3, en vooral ook op Tobias 12:12-15. Op zichzelve is deze leer
van de bescherming en van de voorbede der engelen niet verwerpelijk.
Dat God evenals in de bijzondere, zoo ook in de algemeene openbaring
zich dikwerf of zelfs geregeld van engelen bedient, is op zichzelf
niet onmogelijk; en evenmin is het ongerijmd, dat de engelen voor de
menschen hunne gebeden opzenden tot God, daar zij toch belang stellen
in hun lot en de gangen van het koninkrijk Gods in de geschiedenis
der menschheid nagaan. Maar, hoe weinig er op zichzelf tegen in te
brengen zij, de Schrift neemt in betrekking tot bescherming en voorbede
der engelen eene soberheid in acht, welke ons ten regel moet zijn. In
Deut. 32:8 lezen we, dat God bij de scheiding der volken reeds gedacht
heeft aan zijn volk Israel en hunne woning bepaalde לְמִסְפַּר
בְּנֵי־יִשְׂרָאֵל, naar het getal der kinderen Israels, d. i. zoo,
dat Israel naar zijn getal eene genoegzame erve ontving. De LXX heeft
echter deze woorden vertaald door κατα ἀριθμον ἀγγελων en gaf daardoor
aanleiding tot de leer der volkenengelen. De oorspronkelijke tekst
leert hier echter niets van en valt dus als bewijsplaats geheel weg.
Iets anders is het met Daniel 10:13, 20. Daar wordt gezegd, dat de in
vs. 5 aan Daniel verschijnende gestalte stond tegenover den vorst van
Perzie en, geholpen door Michael, die een der eerste vorsten vs. 13,
de groote vorst voor de kinderen Israels 12:1, 10:21 genoemd wordt,
dien vorst van Perzie verdreef en bij de koningen van Perzie zijne plaats
innam. Calvijn en de Geref. dachten bij dien vorst van Perzie gewoonlijk
aan de Perzische koningen. Maar het schijnt, dat onder dien vorst toch
iets anders, nl. de beschermgeest van Perzie moet worden verstaan. Want
vooreerst is er geen twijfel aan, of Israel heeft zulk een beschermengel
in Michael, die zijn vorst heet, 10:13, 21, 12:1; ten tweede worden de
koningen van Perzie in 10:13 duidelijk van dien vorst onderscheiden; en
ten derde eischt de analogie, dat de geestelijke macht aan de eene zijde
strijd voert tegen eene geestelijke macht aan den anderen kant. Het boek
Daniel geeft ons dus werkelijk de voorstelling, dat de strijd tusschen
het rijk Gods en de koninkrijken der wereld niet alleen hier op aarde
maar ook in het rijk der geesten tusschen de engelen gestreden wordt.
Meer mag en kan er niet uit worden afgeleid. Er ligt volstrekt niet in,
dat elk land en volk zijn eigen engel heeft. Maar bij den geweldigen
kamp, die er tusschen Israel en Perzie, dat is hier wezenlijk tusschen
’t rijk Gods en dat van Satan gestreden wordt, treden er aan weerszijde
engelen op, die deelnemen aan den kamp en de volken ondersteunen.
Nog veel minder kan uit Op. 1:20 enz. worden afgeleid, dat iedere
gemeente haar engel heeft, want onder de ἀγγελοι, der zeven gemeenten
zijn niets anders dan hare leeraren te verstaan; ze worden toch geheel
beschouwd als representanten der gemeenten; het zijn hunne werken, die
geprezen of gelaakt worden; aan hen worden de brieven geschreven. Den
meesten steun vindt de leer der beschermengelen in Mt. 18:10, welke
tekst ongetwijfeld inhoudt, dat eene bepaalde klasse der engelen belast
is met de bescherming der kleinen, maar waar toch in het minst niet
staat, dat aan elken uitverkorene een engel is toegevoegd. Dit wordt
alleen gevonden in het apocriefe boek Tobias. Maar daarmede verraadt
deze leer der beschermengelen ook haren oorsprong. Zij is wezenlijk van
heidensche afkomst. Zij leidt bovendien tot allerlei spitsvondige vragen
en ijdele kwestiën. Zij weet niet, of aan iederen mensch b. v. zelfs nog
aan den antichrist, gelijk Thomas meende, I qu. 113 art. 4, of alleen
aan de uitverkorenen een engel wordt toegevoegd, of alleen een goede of
ook een kwade engel allen vergezelt, wanneer hij aan iemand geschonken
en van hem genomen wordt, wat zijn dienst is enz. Daarom mogen wij
niet verder gaan, dan dat aan bepaalde klassen der engelen ook de
behartiging van bepaalde belangen op aarde is opgedragen. En evenzoo is
het met de voorbede der engelen; ze wordt geleerd in Tobias 12:16, maar
komt in de Schrift niet voor. In Job 33:23 is van den Angelus increatus
sprake. Luk. 15:7 leert wel, dat de engelen zich over de bekeering eens
zondaars verheugen en onderstelt dus ook wel, dat zij die wenschen,
maar spreekt toch van geen voorbede in eigenlijken zin. En in Op. 8:3
ontvangt een engel wel een wierookvat met reukwerk, om de in zichzelf
zondige gebeden der heiligen liefelijk en aangenaam te maken voor den
Heere; maar van voorbede wordt ook hier met geen woord melding gemaakt.
De engel is eenvoudig dienaar, hij richt het altaar niet op, hij bereidt
het reukwerk zelf niet maar ontvangt het, en laat alleen de gebeden met
dat reukwerk opstijgen tot God. Hij verricht een dergelijken dienst als de
serafim in Jes. 6:6, 7.
10. Deze leer der beschermengelen en van hunne voorbede heeft eindelijk
ook dit nadeel gehad, dat ze in de practijk spoedig tot eene vereering
en aanbidding der engelen heeft geleid. Col. 2 vs. 18 leert, dat zulk
eene θρησκεια των ἀγγελων reeds in den apostolischen tijd voorkwam.
Theodoretus merkt in zijn commentaar bij die plaats op, dat zulk een
dienst der engelen in zijn tijd nog in Phrygie bestond en dat de synode
te Laodicea de vereering der engelen verboden had, opdat God niet
verlaten werd, Schwane, D. G. II 245. Vele kerkvaders waarschuwen
tegen vereering en aanbidding der engelen, Iren. adv. haer. II 32.
Orig. c. Cels. V 4, 5. VIII 13. Athanasius, c. Ar. II 23. Augustinus,
de vera relig. 55. Conf. X 42. de civ. VIII 25 enz. De overtuiging
is nog algemeen, dat God alleen aangebeden mag worden, en dat aan de
engelen alleen eene burgerlijke eer toekomt. Honoramus eos caritate,
non servitute, Aug. de vera relig. 55. Ze zijn potius imitandi quam
invocandi, de civ. X 26. En nog Gregorius de Groote zegt in zijne
uitlegging op het Hooglied cap. 8, dat, sedert Christus op aarde
gekomen is, ab ipsis etiam angelis ecclesia honoratur; onder het O.
T. bad Jozua wel den engel aan, Jos. 5:19, maar in het N. T. wijst
de engel de aanbidding van Johannes af, Op. 22:9. Maar toch bewijzen
deze waarschuwingen juist, dat in de practijk de grenzen tusschen de
aanbidding Gods en den eerbied aan de engelen werden uitgewischt.
Duidelijk wordt de aanroeping der engelen het eerst uitgesproken door
Ambrosius, de viduis, cap. 9 § 55, waar hij o. a. zegt: obsecrandi sunt
angeli, qui nobis ad praesidium dati sunt. Reeds Eusebius maakte de
onderscheiding tusschen het τιμαν, dat tegenover de engelen ons past,
en het σεβειν, dat Gode alleen toekomt, Praep. Ev. VII 15, en zakelijk
vinden we deze ook al bij Orig. c. Cels. VIII 13. 57. Augustinus nam ze
over, juist om de godsdienstige vereering der engelen te voorkomen, de
civ. V 15. VII 32. X 1. Maar weldra werd die onderscheiding gebezigd,
om de aanroeping der engelen te wettigen. Zoo reeds op het concilie van
Nicea 787 en dan voorts bij de scholastici, Lombardus, Sent. III dist.
9. Thomas, S. Th. II 2 qu. 103 art. 3. Trente noemde de aanroeping goed
en nuttig, sess. 25; de Catech. Rom. III cap. 2 qu. 4 n. 3 grondde ze
daarop, dat de engelen steeds Gods aangezicht zien en het patrocinium
salutis nostrae hebben op zich genomen; het Breviarium Romanum nam ook
gebeden op in festo angelorum en de Roomsche dogmatici verdedigen
haar eenparig, Bellarminus, de sanct. beatit. I c. 11-20. Petavius, de
angelis II c. 9 en 10, hoewel ze haar gewoonlijk later bij den cultus
sanctorum behandelen. Lutherschen en Gereformeerden en schier alle
Protestanten stonden echter sterk, als ze deze godsdienstige vereering
der engelen, evenals ook die der heiligen verwierpen, Luther, bij
Köstlin, L. Theol. II 23 f. Zwingli, Op. I 268 sq. 280 sq. III 135
sq. enz. Calvijn, Inst. I 14, 10-12, cf. III 20, 20-24. Gerhard, Loci
theol. XXVI § 370-480, over de engelen vooral § 427. Quenstedt I 486
sq. Turretinus, Th. El. VII qu. 9. Id. De necessaria secessione nostra
ab ecclesia Romana, Genevae 1692, disp. 2-4 de idololatria Romana p.
33-109. Want vooreerst is er geen enkel voorbeeld van in de Schrift;
wel beroepen de Roomschen zich op enkele plaatsen des O. Test. zooals
Gen. 18:2, 32:24, 48:16, Ex. 23:20, Num. 22:31, Jos. 5 vs. 14, Richt.
13:17, maar hier is overal niet van een geschapen engel maar van den
Malak Ihvh sprake, en in het N. T. is er zelfs geen schijn van eenig
bewijs te vinden. Maar dat niet alleen; de engelenvereering is niet
alleen zonder voorschrift en zonder voorbeeld in de Schrift, zoodat
Rome met eenigen schijn van grond zou kunnen beweren, dat de vereering
van engelen en heiligen in de Schrift niet verboden en dus toegelaten
is, en daarom ook feitelijk haar niet oplegt en gebiedt, maar alleen
veroorlooft en nuttig rekent, Jansen Prael. theol. III 1008; ze wordt
er ook positief in verboden, Deut. 6:13, 10:20, Mt. 4:10, Col. 2:18,
19, Op. 19:10, 22:9. Godsdienstige eer mag naar de Schrift alleen aan
God bewezen worden en komt aan geen schepsel toe. De Roomschen hebben
dit niet geheel durven ontkennen, maar toch met de onderscheiding van
latria en dulia de vereering der engelen zoeken te rechtvaardigen. Nu
is dit bij Rome geen onderscheid tusschen godsdienstige en burgerlijke
eer, hetgeen te billijken zou zijn; neen, de vereering van engelen en
heiligen, draagt bij Rome wel terdege een godsdienstig karakter, zij het
ook dat deze relatief is. De dulia is een cultus religiosus. Maar zoo
verstaan, wordt ze èn door de Schrift èn door de practijk veroordeeld.
De Schrift kent geen tweeërlei godsdienstige vereering, eene lagere
en eene hoogere. De Roomschen geven dan ook toe, dat latria en dulia
volstrekt niet in de Schrift zoo onderscheiden worden als zij doen, en
dat ze ook etymologisch daartoe geen grond geven. Het hebr. עבד
is nu eens door δουλεια, dan door λατρεια vertaald, cf. Deut 6:13 en
1 Sam. 7:3, 1 Sam. 12:20 en Deut. 10:12; aan Israel wordt zoowel het
δουλευειν als het λατρευειν van andere goden verboden, Ex. 20:5, Jer.
22:9. Evenzoo wordt het hebr. שׁרת door beide grieksche woorden
overgezet, Ez. 20:32, Jes. 56:6. Meermalen wordt δουλευειν van God
gebruikt, Mt. 6:24, Rom. 7:6, 14:18, 16:18, Gal. 4:9, Ef. 6:7, Col.
3:24, 1 Thess. 1:9 en λατρευειν wordt ook wel gebezigd van dienst
jegens menschen. Noch etymologisch noch Schriftuurlijk zijn de beide
woorden zoo onderscheiden, als Rome dit leert. Heel het onderscheid is
willekeurig. Trouwens, het monotheisme brengt mede, dat er maar ééne
godsdienstige vereering is en kan zijn; alle vereering van schepselen is
òf alleen burgerlijk òf ze doet aan het monotheisme tekort en schrijft
aan schepselen een Goddelijk karakter toe. De praktijk leert dit ook
ten duidelijkste. Al zegt men telkens, dat engelen en heiligen slechts
middelaars zijn, dat zij niet zelven rechtstreeks maar God in hen wordt
aangeroepen, dat Gods eer door hunne aanroeping niet verminderd maar
vermeerderd wordt; het doet alles feitelijk niets ter zake, de ervaring
toont maar al te duidelijk, dat de Roomsche Christen op schepselen
zijn vertrouwen stelt. Bovendien, al ware de onderscheiding op zich
zelve juist, zij zou toch de godsdienstige vereering der engelen niet
kunnen rechtvaardigen. Want indien deze redeneering ter verdediging
genoegzaam ware, zou geen afgoderij en geen beeldendienst meer te
veroordeelen zijn. De Heidenen, dieren en beelden aanbiddend, wisten
zeer goed, dat deze niet de goden zelven waren, Rom. 1:23. De Joden
hielden het gouden kalf niet voor Jahveh zelf, Ex. 32:4, 1 Kon. 12:28.
Satan, Christus verzoekende, eischte volstrekt niet, dat deze hem voor
God zou houden, Mt. 4:9. En Johannes dacht geenszins, dat de engel,
die hem verscheen, God was, Op. 19:10. En toch antwoordt Jezus: den
Heer uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Dit alleen is
exclusief, evenals de eenige Middelaar Christus Jezus alle andere
engelen of menschen als middelaars uitsluit. Maar dit is het juist,
wat door Rome ontkend wordt. Evenals Mt. 19:17, 23:8, Joh. 9:5, 1 Tim.
2:5, 6:16 enz. niet uitsluiten, dat ook menschen goed, meester, licht,
middelaar, onsterfelijk kunnen heeten, zoo bewijst ook volgens Rome Mt.
4 vs. 10 niet, dat God alleen mag worden aangebeden. De engelen en
heiligen zijn n.l. volgens Rome de Goddelijke natuur zelve deelachtig;
de dona supernaturalia zijn wel geschonken, afgeleid maar zijn van
dezelfde natuur als het Goddelijke wezen zelf. En daarin ligt bij Rome
de diepste grond van de aanbidding der heiligen en engelen. God deelt
in de justitia supernaturalis zichzelf, zijn eigen wezen aan schepselen
mee; en daarom mogen deze ook op godsdienstige wijze worden vereerd. En
de eigenlijke gedachte van Rome is deze: tot esse species adorationis,
quot sunt species excellentiae, Thomas, S. Theol. II 2 qu. 103 art. 3.
Bellarminus, de sanct. beatit. I c. 12. Petavius, de angelis II c. 10.
Jansen, Praet. Theol. III 1017. Möhler Symb. § 52. 53.
Door de verwerping van de godsdienstige vereering der engelen heeft het
Protestantisme erkend, dat de engelen geen onontbeerlijk element zijn
in het religieuse leven der Christenen. Zij zijn de bewerkers niet van
ons heil, de grond niet van ons vertrouwen, het voorwerp niet van onze
vereering; niet met hen, maar met God staan wij in gemeenschap; zelfs
verschijnen zij ons thans niet meer en heeft alle bijzondere openbaring
door engelen opgehouden. De engelen kunnen en mogen in de Prot. kerken
en confessies niet die plaats innemen, welke in de Roomsche hun is
aangewezen. Maar toch is daarmee niet alle beteekenis van de wereld
der engelen voor de religie ontkend. Deze ligt allereerst daarin, dat
God zich bij zijne werken op het terrein der genade van den dienst van
engelen gebruiken wil. De engelen zijn van buitengewone beteekenis voor
het rijk Gods en zijne geschiedenis; op alle keerpunten ontmoeten wij ze;
zij zijn bemiddelaars der opstanding, getuigen van Gods groote daden.
Hun beteekenis is veelmeer van objectieven dan van subjectieven aard.
Van gemeenschap met de wereld der engelen weten we in onze religieuse
ervaring niets af. Noch op ons godsdienstig noch op ons zedelijk leven
hebben de engelen een invloed, die onder duidelijke woorden te brengen
is. Hun waarde ligt in de geschiedenis der openbaring, gelijk de Schrift
ons die kennen doet. In de tweede plaats kunnen de engelen daarom ook
geen object zijn van onze eerbiedige hulde, gelijk wij die aan menschen
bewijzen. Zeer zeker is er eene burgerlijke eer, welke wij hun te betoonen
hebben. Maar deze is toch ook weer anders dan tegenover menschen, die
wij persoonlijk kennen en ontmoeten. De Roomschen betoogen de vereering
der engelen ook vooral met de redeneering, dat zij als gezanten des
Allerhoogsten toch op onze hulde aanspraak hebben, evenals in de
ambassadeurs der vorsten dezen zelven worden geëerd. En dit is ook op
zichzelf volkomen juist. Indien een engel ons verscheen, zou hij door
ons met eerbiedige hulde moeten worden begroet. En zoo geschiedde
ook, als engelen in de dagen der openbaring aan menschen verschenen.
Alleen maar, zulke verschijningen zijn er niet meer. Van eene hulde,
gelijk de aartsvaders, profeten, apostelen die aan de hun verschijnende
engelen toebrachten, kan bij ons geen sprake zijn. Het is niet mogelijk,
om zulk een eerbied en hulde aan hen te bewijzen. In de derde plaats is
er daarom nog wel eene eere, die de engelen van ons ontvangen moeten.
Maar deze eere is in geen enkel opzicht godsdienstig, maar alleen
burgerlijk van aard, in het wezen der zaak gelijk aan die, welke wij aan
menschen, aan schepselen toekennen. En deze honor civilis bestaat
daarin, dat wij met eerbied aan hen denken en van hen spreken, dat wij
hen niet in de kleinen verachten, Mt. 18 vs. 10, dat wij gedachtig zijn
aan hunne tegenwoordigheid, 1 Cor. 11 vs. 10, dat wij hun verkondigen
de veelvuldige wijsheid Gods, Ef. 3:10, dat wij hen doen inzien in de
verborgenheden des heils, 1 Tim. 5:21, dat wij door onze bekeering
hun vreugde bereiden, Luk. 15:10, hen navolgen in het betrachten van
Gods wil, Mt. 6:10, dat wij één met hen ons gevoelen en leven in de
verwachting van tot hen te gaan, Hebr. 12:22, dat wij met hen en alle
schepselen één koor vormen tot grootmaking van den Naam des Heeren, Ps.
103:20, 21. Hierin bestaat de ware vereering der engelen. En indien
dit goed verstaan wordt, dan kan eindelijk in de vierde plaats de leer
der engelen ons ook tot troost en bemoediging zijn. God heeft ook deze
leer ons geopenbaard, opdat Hij ons in onze zwakheid sterken, in onze
moedeloosheid opbeuren zou. Wij staan in den geestelijken strijd niet
alleen. Wij staan in verband met eene gansche wolke van getuigen rondom
ons heen. Er is nog eene andere, betere wereld dan deze, waar God op
volmaakte wijze wordt gediend. Zij is ons tot voorbeeld, tot prikkel en
aansporing, en tevens tot heimwee en einddoel. Gelijk de wereld der
engelen in de openbaring tot ons is neergedaald, zoo klimt de gemeente
in Christus tot haar op. Wij zullen den engelen gelijk zijn en dagelijks
zien het aangezicht van onzen Vader, die in de hemelen is, Mastricht,
Theol. theor. pr. III 7, 25. Love, Theol. practica p. 205. Philippi,
Kirchl. Gl. II 320 f. Frank, Chr. Wahrh. I 353. v. Oosterzee, Chr.
Dogm. § 57, 10.
§ 31. DE STOFFELIJKE WERELD.
1. Naast de geestelijke bestaat er ook eene stoffelijke wereld. Maar
terwijl de engelen in hun bestaan en wezen alleen uit de openbaring
bekend en voor rede en wetenschap verborgen zijn, wordt de stoffelijke
wereld door allen aanschouwd en komt ze zoowel in de philosophie
als in de theologie, zoowel in de religie als in de wetenschap ter
sprake. Hier is daarom ieder oogenblik verschil en botsing mogelijk.
Wel spreken beide, philosophie en theologie, over de stoffelijke wereld
in verschillenden zin. Gene vorscht den oorsprong en de natuur van
alle dingen na, maar deze gaat van God uit, en leidt alles tot Hem
terug; zij heeft het met de schepselen alleen te doen, inzoover ze
werken Gods zijn en iets van zijne deugden openbaren; ook waar ze over
de schepselen handelt, is en blijft ze dus altijd theologie, Thomas,
S. c. Gent II c. 2 sq. Polanus, Synt. theol. V c. 7. Maar al is er
zoo een belangrijk onderscheid, theologie en philosophie handelen toch
over dezelfde wereld. Om botsing tusschen beide te vermijden, is wel
menigmaal boedelscheiding voorgesteld: de wetenschap zou de zichtbare
dingen onderzoeken en aan religie en theologie niets overlaten dan
de religieus-ethische wereld; of nog strenger, al het zijnde zou voor
de wetenschap zijn en alleen in waardeeringsoordeelen zou de religie
mogen spreken. Maar zulk eene scheiding is beide theoretisch en
practisch onmogelijk. Gelijk elk wetenschappelijk stelsel ten slotte
altijd wortelt in godsdienstige overtuigingen, zoo is er geen enkele
religie, die niet eene bepaalde beschouwing over het geschapene
meebrengt. Alle godsdiensten hebben hunne kosmogonieën, die niet uit
wijsgeerige redeneering zijn ontstaan maar berusten op overlevering.
Ook Genesis 1 is geenszins eene wijsgeerige wereldbeschouwing, maar
eene traditie, die in veel opzichten met de kosmogonieën der andere
godsdiensten overeenstemt en toch ook op merkwaardige wijze daarvan
afwijkt. De overeenkomst bestaat daarin, dat in alle kosmogonieën de
wereldformatie wordt toegeschreven aan God, dat de eerste toestand
een onontwikkelde en chaotische was, dat de vorming der wereld in
eenige tijdperken verloopt, van lager tot hooger opklimt en eindigt in
den mensch, die Gode verwant is, cf. boven bl. 386. Maar de punten
van verschil zijn nog veel grooter. De heidensche kosmogonieën zijn
alle tegelijk ook theogonieën, nemen alle eene Urstof aan en leeren
een chaos in eigenlijken zin. Het verhaal in Genesis daarentegen is
streng monotheistisch, het leert eene schepping uit niets, en kent
geen eigenlijken chaos. Daarom is het ook ongeloofelijk, dat de Joden
dit verhaal in de ballingschap van de Babyloniërs zouden hebben
overgenomen. Vooreerst toch was de schepping ook reeds vóór de
ballingschap aan de Israelieten bekend. Vervolgens was dit ook reeds
het geval met de zevendaagsche week, welke op de scheppingsdagen is
gegrond. Dan is het onwaarschijnlijk, dat de Joden een zoo belangrijk
stuk hunner leer van hunne overwinnaars zouden hebben overgenomen.
En eindelijk, waren de heidensche kosmogonieën zoo door en door
polytheistisch, dat ze het monotheistisch volk van Israel veeleer
moesten afstooten dan aantrekken en zich ook maar niet zoo in een
schoon, monotheistisch verhaal als Gen. 1 lieten omwerken. Veeleer
pleit alles er voor, dat wij in Genesis eene traditie bezitten, die
van de oudste tijden afkomstig is, bij de andere volken allengs is
verbasterd, en door Israel in hare zuiverheid is bewaard, Delitzsch,
Neuer Comm. z. Genesis S. 41. 42.
2. In het verhaal van Gen. 1 dient het eerste vers opgevat als de
beschrijving van een eigen feit. In vers 2 bestaat de aarde reeds,
zij het ook in woesten en ledigen toestand. En vers 1 verhaalt den
oorsprong van die aarde; ze werd door God terstond als aarde geschapen.
Nadat in vers 1 maar even de hemel naast de aarde werd genoemd, gaat
vers 2 terstond tot de aarde over, de kosmogonie wordt geogonie. En die
aarde is van het eerste moment af aarde; geen ὑλη in aristotelischen
zin, geene materia prima, geen chaos ook in den zin der heidensche
kosmogonieën. Ein geschaffenes Chaos ist ein Unding (Dillmann). Wel
wordt de aarde ons nu beschreven als תֹהוּ וָבֹהוּ, als een
תְהוֹם, waarover de duisternis zich uitbreidde. Maar dit drukt
iets gansch anders uit dan wat gewoonlijk onder chaos wordt verstaan.
Het woord תֹהוּ komt meermalen, vooral bij Jesaia, voor en doet
overal denken aan eene ruimte, die ledig is; aan eene plaats, waar
geen weg en alles ongebaand en ongevormd is. Het woord בֹהוּ wordt
nog gevonden in Jes. 34:10 en Jer. 4:23, beide malen in verbinding
met תֹהוּ, en drukt dezelfde gedachte uit. De toestand der aarde
in Gen. 1:2 is niet die van eene positieve verwoesting maar van een
nog niet gevormd zijn. Er is geen licht, geen leven, geen organisch
wezen, geen vorm en gestalte der dingen. Nog nader wordt hij daardoor
verklaard, dat hij een תְהוֹם was, eene bruisende watermassa, in
duisternis gehuld. De aarde is ἐξ ὑδατος και δι’ ὑδατος, 2 Petr. 3:5,
Ps. 104:5, 6. Deze ongevormde, onontwikkelde toestand heeft naar de
bedoeling van Genesis zeker eenigen tijd, hoe kort dan ook, geduurd.
Er wordt geen bloot logische onderstelling in beschreven, maar een
feitelijke toestand. Alleen rijst dan de vraag, hoelang deze toestand
duurde. Dit nu hangt weder geheel daarvan af, of de schepping van hemel
en aarde, waarvan Gen. 1:1 spreekt, valt vóór of binnen den eersten
dag. Genesis geeft geen anderen indruk, dan dat de schepping van hemel
en aarde in vers 1 en de ongevormde toestand der aarde in vers 2 aan
den eersten dag vooraf gaat. Immers, in vers 2 is er nog duisternis
en geen licht; de dag nu is niet en begint niet met duisternis maar
met licht; eerst door de schepping van het licht vers 3 wordt de dag
mogelijk; God noemde dan ook niet de duisternis maar het licht dag en de
duisternis noemde Hij nacht, vers 5; de wisseling van licht en donker,
van dag en nacht kon eerst met de schepping van het licht een aanvang
nemen; eerst nadat het licht was geweest, kon het avond en daarna weer
morgen worden, en met dezen morgen eindigde de eerste dag, want Gen.
1 rekent den dag van morgen tot morgen. Het werk van den eersten dag
bestond dus niet in de schepping van hemel en aarde, niet in het laten
voortbestaan van den ongevormden toestand, maar in de schepping van
het licht en de scheiding van licht en duisternis. Tegen deze exegese
zou nu ook volstrekt geen bezwaar bestaan, indien niet elders stond,
dat God hemel en aarde in zes dagen schiep, Ex. 20:11, 31:17. Dit kan
echter niet anders dan van de creatio secunda worden verstaan. Immers,
in deze beide teksten valt er de nadruk niet op, dat God alles uit
niets heeft voortgebracht, maar dat Hij met de vorming van hemel en
aarde zes dagen is werkzaam geweest, en dit wordt ons tot voorbeeld
gesteld. Duidelijk is er een onderscheid tusschen wat God, Gen. 1:1
„in den beginne”, cf. Joh. 1:1 en wat Hij, Gen. 1:3v. sprekende in de
zes dagen doet; de ongevormde toestand van Gen. 1:2 zondert beide van
elkander af. De creatio prima is onmiddellijk, immediata, zij is een
voortbrengen van hemel en aarde uit niets, zij onderstelt volstrekt geen
voorhanden stof, zij heeft plaats gehad cum tempore. Maar de creatio
secunda, die met vers 3 aanvangt is niet rechtstreeksch en onmiddellijk,
zij onderstelt de in vers 1 geschapen stof en sluit zich daarbij aan, en
zij geschiedt bepaaldelijk in tempore en wel in zes dagen. Vandaar dat
deze creatio secunda reeds in de werken der onderhouding en regeering
vooruit grijpt; zij is al ten deele onderhouding en geen loutere
schepping meer. Trouwens, in hetzelfde moment, als hemel en aarde in
vers 1 door God geschapen zijn, worden zij ook door Hem onderhouden. De
creatio gaat terstond en onmiddellijk in de conservatio en gubernatio
over. Maar toch behoort het werk der zes dagen, Gen. 1:3v., nog tot
de schepping gerekend te worden. Want al de schepselen, welke in die
zes dagen voortgebracht zijn, licht, uitspansel, zon, maan, sterren,
plant, dier, mensch zijn volgens Genesis niet door immanente krachten
naar vaststaande wetten uit de aanwezige stof in den weg der evolutie
voortgekomen. Die stof was onmachtig, om dat alles alleen langs
natuurlijken weg, door immanente ontwikkeling, voort te brengen. Zij had
er in zichzelve de geschiktheid, de potentia niet toe; ze had alleen
eene potentia obedientialis. God bracht uit de Urstof van Gen. 1:1
sprekende, scheppende heel den kosmos voort. Bij elke nieuwe formatie
sloot Hij zich wel bij het reeds bestaande aan, maar het hoogere is toch
niet uit het lagere voortgekomen alleen door immanente kracht. Er was
telkens een scheppend woord van Gods almacht toe noodig.
3. Het scheppingswerk is door Herder e. a. in twee ternaren verdeeld,
zoo, dat de werken van den tweeden ternaar beantwoorden aan die van den
eersten. Er is inderdaad overeenkomst tusschen het werk van den eersten
en van den vierden dag; maar de tweede en vijfde en evenzoo de derde
en zesde staan niet in zoodanig parallelisme. Op den vijfden dag toch
worden niet alleen de vogelen in het uitspansel, maar ook de visschen
en waterdieren geschapen, wat veelmeer overeenkomt met het werk van
den derden dag. Wel echter is er in de scheppingswerken duidelijk een
voortgang merkbaar van het lagere tot het hoogere, van de algemeene
onderstellingen voor het organische leven tot dit organische leven zelf
in zijne verschillende vormen. Beter is daarom de oude verdeeling van
heel het scheppingswerk in drie deelen: creatio Gen. 1:1, 2, distinctio
op de eerste drie dagen, tusschen licht en duisternis, hemel en aarde,
land en zee, en ornatus op den vierden tot den zesden dag, bevolking
van de toebereide aarde met allerlei levende wezens. Thomas, S. Th. I
qu. 74. Toch is ook deze indeeling niet als strenge scheiding bedoeld,
want de planten, op den derden dag geschapen, strekken ook tot sieraad
enz. De distinctio en ornatus maken aan het tohoe wabohoe der aarde een
einde. De ongevormde en onontwikkelde toestand der aarde, waarvan vers
2 spreekt, mag echter geen oogenblik als passief worden gedacht. Hoe
lang of kort zij ook bestaan hebbe, er lagen krachten en werkingen in.
Immers we lezen, dat Gods Geest zweefde over de wateren. Het werkwoord
רחף beteekent: met de vleugels over iets heenzweven, Deut. 32:11,
en het gebruik van dit woord bewijst, dat bij רוּחַ אֱלֹהִים niet aan
den wind maar bepaaldelijk aan den Geest Gods gedacht moet worden, aan
wien ook elders het scheppingswerk wordt toegekend, Ps. 33:6, 104
vs. 30. De Geest Gods als het principe van het creatuurlijke zijn en
leven, werkt vormend, levenwekkend op de watermassa der aarde in en
komt zoo tegemoet aan het scheppingswoord Gods, dat op de zes dagen in
aansluiting aan het bestaande de verschillende formatiën der schepselen
in het aanzijn roept. Het werk van den eersten dag bestaat nu in de
schepping van het licht, in de scheiding van licht en duisternis, in de
wisseling van dag en nacht, dus ook in beweging, verandering, wording.
Licht is nl. naar de thans meest aangenomene hypothese van Huygens
geen substantie, maar eene ontzaglijk snelle undulatie of vibratie
van de aetheratomen, en dus niets dan beweging. Het is daarom van de
lichtgevers, zon, maan en sterren wel te onderscheiden en gaat volgens
Genesis daaraan vooraf. Licht is ook de algemeenste onderstelling voor
alle leven en ontwikkeling. Terwijl de wisseling van dag en nacht alleen
nog noodig is voor dier en mensch, is het licht ook reeds eene behoefte
voor de plantenwereld; het geeft bovendien vorm, gestalte, kleur aan
alle dingen. Op den tweeden dag wordt distinctie gemaakt tusschen het
uitspansel, den lucht- en wolkenhemel, die naar optischen schijn dikwerf
als een gordijn, Ps. 104:2, een sluier, Jes. 40:22, een saffier, Ex.
24:10, Ezech. 1:22, een spiegel, Job 37:18, een dak en gewelf over
de aarde heen, Gen. 7:11, Deut. 11:17, 28:12, Ps. 78:23 enz. genoemd
wordt, en de aarde met hare wateren, Ps. 24:2, 136:6. Het werk der
scheiding en onderscheiding, op den eersten dag begonnen, wordt op den
tweeden voortgezet; de distinctie van licht en duisternis, van dag en
nacht, wordt nu dienstbaar gemaakt aan de scheiding van hemel en aarde;
van lucht en wolken boven, van aarde en water beneden. Aan het einde
van den tweeden dag ontbreken de woorden: God zag dat het goed was. Men
heeft daaruit opgemaakt, dat het getal twee een omineus getal was of
ook dat op dien dag de hel was geschapen; maar de reden is wel deze,
dat het werk van den tweeden dag ten nauwste samenhangt met dat van den
derden dag, en eerst in de scheiding der wateren voltooid wordt; daarna
volgt dan ook de Goddelijke goedkeuring. Op den derden dag toch wordt
de scheiding voltrokken tusschen aarde en water, land en zee; daarmede
is de aarde geworden tot een kosmos, met werelddeelen en zeeën, bergen
en dalen, landen en stroomen. Zonder twijfel hebben al deze formatiën
niet plaats gehad dan onder de geweldigste werkingen van de in de
natuur liggende mechanische en chemische krachten. Deze zijn door het
machtwoord Gods en door de bezieling des Geestes opgewekt en hebben aan
de aarde hare kosmische gedaante gegeven. Van nu voortaan treden er ook
andere, n.l. organische, krachten op. De aarde is nog naakt en kaal.
Daarom eindigt deze dag niet, voordat ook in het algemeen het groene is
geschapen, dat dan vooral in twee soorten zich splitst, n.l. in kruiden
en boomen, die elk eigen zaad hebben en alzoo zich voortplanten. Deze
plantenwereld kon nu niet ’t licht, wel de zon ontberen. Maar alzoo
is het niet met de dieren- en menschenwereld; voordat deze worden
geschapen, moeten daarom eerst op den vierden dag zon, maan en sterren
worden bereid. Er ligt hier niet in opgesloten, dat de stofmassa voor
deze planeten toen eerst geschapen werd, maar alleen, dat al die
duizenden planeten nu eerst op dezen dag werden, wat ze voortaan voor
de aarde zouden zijn; dat ze saam de plaats van het licht vervullen en
voor de aarde zijn tot teekenen van wind en weder, van gebeurtenissen
en oordeelen; tot regeling van vaste tijden voor landbouw, scheepvaart,
feesten, het leven van mensch en dier; en eindelijk tot berekening van
dagen en maanden en jaren. De vierde dag verhaalt dus de verschijning
van den sterrenhemel voor de aarde; dag en nacht enz. worden voortaan
door de zon geregeld; de aarde wordt een lid, een deel van het heelal;
zij wordt met alle andere planeten in harmonie gezet. Nu is de aarde
als woonplaats van de bezielde, levende wezens, van dieren en menschen
gereed. Op den vijfden dag brengen de wateren zelve door het machtwoord
Gods alle waterdieren voort, en de lacht wordt vervuld met allerlei
gevogelte. Van beide soorten van dieren wordt een groote menigte
geschapen, in allerlei soort en getal. En daarop volgt dan op den
zesden dag de schepping van de landdieren, die op Gods bevel uit de
aarde voortkomen, bepaaldelijk in drie soorten, wild gedierte, vee en
kruipend gedierte; en eindelijk ook de schepping van den mensch, die
na een bepaalden raad Gods naar zijn lichaam uit de aarde gevormd en
naar zijne ziel rechtstreeks door God geschapen wordt. Zoo werd heel
de schepping voltooid. God zag alwat Hij gemaakt had, en ziet het was
zeer goed. Hij had een welbehagen in zijn eigen werk. Daarom rustte Hij
op den zevenden dag. Zijne rust is een gevolg van zijn bevrediging en
welgevallen in zijne werken, die nu als werken der schepping voltooid
zijn, maar is tevens positief een zegenen en heiligen van den zevenden
dag, opdat de schepping, in dien zevenden dag voortbestaande, door God
gezegend met allerlei krachten, door God geheiligd tot zijn dienst en
eere, nu voortaan zelve zich ontwikkele onder de voorzienigheid des
Heeren en aan hare bestemming beantwoorde.
4. Dit hexaemeron is door de christelijke theologie met bijzondere
voorliefde behandeld. De litteratuur is verbazend rijk, maar is schier
volledig verwerkt in het belangrijke boek van Dr. Zöckler, Geschichte
der Beziehungen zwischen Theologie und Naturwissenschaft mit besondrer
Rücksicht auf die Schöpfungsgeschichte, 2 Theile, Gütersloh 1877/79.
De oudste christelijke uitlegging van het hexaemeron is bewaard in
het tweede boek van Theophilus’ geschrift ad Autolycum c. 9-38.
Meer of min uitvoerig wordt er ook over gehandeld door Tertullianus,
adv. Hermog. c. 19 sq., door Origenes in zijne homilie over het
hexaemeron als begin van zijne 17 homiliën van Genesis, dan vooral door
Basilius, in Hexaemeron homiliae IX, Gregorius van Nyssa, Apolog. in
Hexaemeron, Damascenus, de fide orthod. lib. II; in het Westen vooral
door Lactantius, Inst. div. II c. 8-12, Ambrosius, in Hex. libri VI,
Augustinus, vooral de Genesi ad lit. l. XII, de civ. XI 4 sq. Conf.
XI-XIII enz. Deze werken werden door Isidorus, Beda, Alcuinus e. a.
geëxploiteerd en blijven dan de grondslag van de behandeling van het
hexaemeron in de scholastiek, Lombardus, Sent. II dist. 12-18, Thomas,
S. Theol. I qu. 44-102, Bonaventura, Sent. II dist. 12-18. Brevil. II
c. 1-5 enz. Ook na de Hervorming blijft dezelfde wereldbeschouwing en
dezelfde opvatting van het hexaemeron heerschen beide in de Roomsche
en de Protestantsche theologie. Van Roomsche zijde zijn de voornaamste
bewerkingen die van Cajetanus, in zijn commentaar op Genesis, Eugubinus
in zijn Cosmopoeia 1535, Catharinus in zijne ophelderingen bij de 5 eerste
hoofdstukken van Genesis, Pererius in zijn vierdeelig werk over het
eerste boek van Mozes, Lapide in zijn bekenden commentaar, Molina in zijn
tractaat de opere sex dierum, Suarez in zijn commentaar op het eerste
deel der Summa, Petavius in zijn theol. dogm., tract. de sex primorum
mundi dierum opificio, Becanus, Theol. schol. tr. IV de operibus sex
dierum enz. Van de Lutherschen zijn de voornaamste: Luthers commentaar
op Genesis, Melanchtons annotaties op Gen. 1-6, Chemniz, Loci Theol.
1610 pag. 109-123, Quenstedt, Theol. did. pol. I 431 sq. Hollaz, Syst.
Theol. p. 361-373. Nog rijker is de litteratuur bij de Gereformeerden.
Niet alleen in commentaren over Genesis, van Calvijn, Zwingli,
Oecolampadius, Musculus, Martyr, Piscator, de Dieu, Coccejus enz.,
wordt deze stof behandeld. En ook niet alleen in dogmatische werken
als van Polanus, Gomarus, Heidegger, Mastricht, Maresius, Moor enz.
komt ze ter sprake; maar ook vele afzonderlijke verhandelingen werden
eraan gewijd, zooals van Capito, Hexaemeron Dei opus explicatum 1539,
Danaeus, Physice christiana, seu christ. de rerum creatarum origine
et usu disputatio 1575, Zanchius, de operibus Dei intra spatium sex
dierum creatis, Op. III 217-480. Voetius, Disp. I 552-881. V 148-241,
Rivetus, Exerc. theol. et schol. in 1 libr. Mosis, Op. 1651 I p. 1
sq. Hottinger, Κτισις ἑξαημερος, i. e. Historiae creationis examen
theol.-philol. Heid. 1659, cf. verder, Walch, Bibl. theol. sel. I 242,
Mart. Vitringa II 93.
Al deze werken staan op het standpunt der aristotelisch-ptolemeische
wereldbeschouwing. De aarde rust onbewegelijk in het middelpunt van het
heelal; alle sterren en heel de hemel bewegen zich om haar. Dat die
sterren vrij in ’t luchtruim zich bewogen, kon men zich niet denken;
men stelde het zich zoo voor, dat elke ster bevestigd was in eene
sfeer. Men moest dus zooveel hemelsferen aannemen, als men sterren van
ongelijke beweging en omlooptijd waarnam. En nu waren het niet de sterren
maar de sferen, welke zich bewogen en de daarin bevestigde sterren
meevoerden. Het hemelgewelf bestaat dus uit een systeem van acht of
meer concentrische sferen, die zonder ledige tusschenruimten in elkaar
geschoven zijn; de hoogste, uiterste sfeer is die van de vaste sterren,
de „eerste hemel”, gelijk Aristoteles haar noemde. De aarde werd gedacht
als een kogel of als een schijf, door water omgeven. Slechts enkelen
namen aan, dat er antipoden konden bestaan en dat er ook nog land
was aan de andere zijde van den oceaan; in den regel werd dit beide
verworpen. Deze ptolemeische wereldbeschouwing had nu natuurlijk ook
invloed op de exegese van het hexaemeron. Er zijn daarin duidelijk twee
richtingen te onderscheiden. De eene verwerpt het tijdelijk karakter der
zes dagen, schrijft er hoogstens visionaire beteekenis aan toe, laat
alles ineens en tegelijk geschapen zijn, en komt dikwerf tot allerlei
allegorische verklaringen. Ze is vertegenwoordigd reeds door Philo
en later in de christelijke kerk door Clemens, Origenes, Athanasius,
Augustinus, Erigena, Abaelard, Cajetanus, Canus, Gonzalez enz., ook
door Mozes Maimonides, More Nebochim II c. 30. De andere richting
houdt den letterlijken zin van het scheppingsverhaal, bepaaldelijk ook
van de zes dagen, vast; ze werd gevolgd door Tertullianus, Basilius,
Gregorius Nyss., Ephraem, Damascenus, en kwam daarna in de scholastiek,
in Roomsche en Protest. theologie bijna tot uitsluitende heerschappij,
hoewel de andere exegese van Augustinus steeds met achting besproken
en nooit verketterd werd, Lombardus, Sent. II dist. 15, 5. Thomas,
S. Theol. I qu. 74 art. 2. In weerwil van dit belangrijk verschil in
de exegese van Gen. 1 was er toch in de wereldbeschouwing volkomen
overeenstemming. Het ptolemeische stelsel hield nog in den nieuweren
tijd stand, lang nadat Kopernikus met zijne verklaring van de beweging
der hemellichamen was opgetreden. Het was volstrekt niet de kerk en
de orthodoxie als zoodanig, welke tegen de nieuwere wereldbeschouwing
zich verzette, gelijk men zoo gaarne het voorstelt, bijv. Draper in
zijne Gesch. van de worsteling tusschen godsd. en wet. Haarlem 1887.
Maar het was het aristotelisme, dat op ieder terrein, zoowel op dat
van wetenschap als van godsdienst, van kunst als van kerk, tegen den
nieuweren tijd zich zocht te handhaven. Vandaar, dat christelijke kerk
en theologie, ofschoon ze thans algemeen de ptolemeische voor de
kopernikaansche hypothese hebben verwisseld, toch tot op den huidigen
dag zijn blijven bestaan en tegen het einde dezer eeuw nog geenszins
blijken ten doode opgeschreven te zijn. Het is een bewijs, dat kerk en
theologie aan deze wereldbeschouwingen niet zoo verbonden zijn, dat zij
met deze zouden staan en vallen. Inderdaad is niet in te zien, waarom
de kopernikaansche hypothese, indien ze overigens de astronomische
verschijnselen genoegzaam verklaart, door de christelijke theologie als
zoodanig verworpen zou moeten worden. Want wel spreekt de Schrift
altijd geocentrisch en verhaalt ze ook den oorsprong der dingen van
het standpunt der aarde uit, maar zij bezigt daarin diezelfde taal der
dagelijksche ervaring, waarin wij nog altijd spreken, ook al hebben wij
van de beweging der hemellichamen eene gansch andere voorstelling,
dan die algemeen heerschte in den tijd, toen de bijbelboeken geschreven
werden. Zelfs kan zonder aarzeling erkend, dat ook de bijbelschrijvers
geen andere wereldbeschouwing hadden, dan die toen algemeen werd
aangenomen; er is immers onderscheid tusschen auctoritas historiae
en auctoritas normae, cf. I 371-373. Uit deze taal der H. Schrift is
te verklaren, dat het wonder, hetwelk verhaald wordt in Jos. 10:12,
13 en 2 Kon. 20:9, Jes. 38:8, aangeduid wordt door het stilstaan en
terugkeeren der zon. Daarmede is geenszins uitgemaakt, dat het wonder
zelf bestond in een objectief stilstaan en terugkeeren der zon. Zonder
dat het rationalistisch wordt weggexegetiseerd, kan het en is het
ook op velerlei wijze verklaard, cf. Dilloo, Das Wunder an den Stufen
des Achaz. Amst. 1885. Ook wij zouden thans dezelfde verschijnselen op
dezelfde wijze uitdrukken; de Schrift verhaalt het wonder als feit,
zij zegt niet, op welke wijze het tot stand kwam. Maar nog sterker; ook
al is in astronomischen zin de aarde voor ons het middelpunt niet
meer, zij is het nog wel ter dege in religieusen en ethischen zin, en
dat blijft ze voor alle menschen zonder onderscheid; de wetenschap kan
hieraan niets veranderen. De mensch is in zekeren zin het zwakste van
alle schepselen; de kracht van menig dier, de macht der natuur gaat de
zijne zeer ver te boven; en toch is hij de koning der aarde, de kroon
der schepping; hij is zwak als een riet, maar hij is een roseau pensant.
En zoo moge de aarde duizenden malen kleiner zijn dan vele planeten; zij
is en blijft in ethischen zin het middelpunt van het heelal, zij is de
eenige planeet, geschikt tot eene woonplaats voor hoogere wezens; hier
is het koninkrijk Gods gevestigd, hier wordt de strijd tusschen licht en
duisternis gestreden, hier bereidt zich God in de gemeente eene eeuwige
woning. Wij blijven daarom van deze aarde opwaarts zien naar boven,
vanwaar beide in physischen en ethischen zin de regen en de zonneschijn
en de wasdom komen moet, zonder dat wij daarmee in astronomischen zin
de plaats van den hemel bepalen of zijne ligging weten in het heelal.
Dit is echter zeker oppervlakkig gezegd, dat het wetenschappelijk
onderzoek aan God en de engelen hun woning zou hebben ontnomen. Want
al verstoutte zich Lalande om te zeggen, dat hij het gansche heelal had
doorzocht en nergens God had gevonden; het heelal met zijne onmetelijke
ruimten is voor onzen beperkten blik nog één raadsel, en wie God niet
vindt in zijne onmiddellijke nabijheid, in geweten en hart, in woord en
gemeente, die zal Hem ook niet vinden in het heelal, al wapent hij zich
het oog ook met den besten telescoop, Ebrard, Het geloof aan de H.
Schrift en de uitkomsten van het onderzoek der natuur, Vert. door Dr.
A. v. d. Linde, Amst. 1862. Paul Wigand, Die Erde der Mittelpunkt der
Welt. Heft 144 van de Zeitfr. des chr. Volkslebens.
5. De kopernikaansche wereldbeschouwing ontmoet dus bij de Christelijke
theologie geen bezwaar. Gansch anders echter is het gesteld met de
hypothesen, die heden ten dage door de wetenschap worden aangenomen
voor de wording van ons planetenstelsel en van de aarde. Ten aanzien
van het eerste stelden Kant en Laplace de hypothese op, dat ons
planetenstelsel en eigenlijk zelfs het gansche heelal oorspronkelijk
één gasvormige chaos was geweest, van zeer hooge temperatuur en
draaiend van het Westen naar het Oosten om zijne eigene as. Deze
draaiing had tengevolge, dat er stukken afvlogen, die, wijl zij zich
in dezelfde richting bleven bewegen, allengs den vorm van bollen
aannamen, Haeckel, Natürl. Schöpfungsgesch., 5te Aufl. 1874 S. 285
f. Fr. Pfaff, Schöpfungsgesch. mit bes. Berücksichtigung des bibl.
Schöpfungsberichts, 3te Ausg. 1881 8. 190 f. Büchner, Kraft u. Stoff,
16e Aufl. 1888 S. 130 f. Nu verdient het allereerst opmerking, dat
deze hypothese, hoe deistisch ook gedacht, door Kant volstrekt niet
werd voorgedragen om God ter zijde te stellen, maar hij oordeelde, dat
deze chaotische toestand aller materiën de eenvoudigste was, die op
het niets volgen kon, en dat die materiën zelve alle zoo gevormd waren
door God als de eerste oorzaak, dat ze door immanente krachten, naar
vaste wetten het tegenwoordige wereldsysteem konden voortbrengen zonder
eenig wonderdadig ingrijpen Gods. Deze hypothese is echter verder tot
verklaring van den oorsprong van het heelal, van de beweging, van
de organische wezens ongenoegzaam. In het algemeen dient opgemerkt,
dat hoe primitief en chaotisch die eerste toestand van alle stof ook
gedacht worde en hoevele millioenen van jaren hij ook terug verlegd
worde, hij toch geen rust voor het denken verschaft. Men zal dan òf met
Kant moeten erkennen, dat deze allereerste toestand van de creatuur
in haar geheel onmiddellijk van God afhangt en volgt op het niets,
òf men zal in dien chaotischen toestand niet alleen den aanvang van
het tegenwoordige wereldsysteem moeten zien, maar ook het einde en
de verwoesting van een voorafgegane wereld, en zoo in infinitum, en
dus stof en beweging moeten vereeuwigen, Lange, Gesch. des Mater.
II 522. Strauss, Der alte u. d. neue Glaube 225. Büchner, ib. 133.
Haeckel ib. 288. Maar verder wordt deze hypothese door vele bezwaren
gedrukt en verklaart zij de verschijnselen niet. Alle behoeven zij hier
niet besproken te worden, bijv. niet het feit dat er ook hemellichamen
zijn, die eene retrograde beweging hebben en niet van het Westen naar
het Oosten, maar van het Oosten naar het Westen draaien. Ze zijn
echter zoo gewichtig, dat zij ook door Haeckel worden erkend. Alleen
zij er aan herinnerd, dat, gegeven de gasvormige nevelmassa en gegeven
ook de mechanische beweging, dit nog geenszins voldoende is, om dit
wereldsysteem te verklaren. Want beweging en stof is niet genoeg. Er
moet ook richting in die beweging zijn en behalve stof moet er ook nog
iets anders bestaan hebben om de wereld der geestelijke verschijnselen
te verklaren. Waarom is uit die nevelmassa dit wereldsysteem ontstaan,
dat overal orde en harmonie verraadt en dat bij de minste afwijking
ineenstorten zou? Hoe kon door eene onbewuste, doellooze beweging van
atomen het heelal tot stand komen? De kans op zulk een wereldgeheel
uit zoodanigen chaotischen toestand is ten hoogste onwaarschijnlijk, en
eigenlijk geheel onmogelijk. En daarbij komt dan nog, dat deze hypothese,
ook al verklaarde zij de verschijnselen, toch nog eene hypothese blijven
zou. Want wat besluit is er uit de mogelijkheid tot de werkelijkheid
te trekken? A posse ad esse non valet consequentia. Wat bewijs kan
er worden bijgebracht, dat het wereldsysteem nu niet op die wijze
zou kunnen ontstaan zijn, maar werkelijk ontstaan is? Er is groot
onderscheid tusschen eene logische onderstelling en een werkelijken
toestand, die eens zou hebben bestaan. Als de natuurwetenschap de
verschijnselen onderzoekt, tracht ze die te herleiden tot hunne
eenvoudigste gedaante. Zij neemt daarom ten slotte zeer primitieve en
allereenvoudigste gegevens aan, atomen, aether, chaos enz. Maar dit zijn
logische onderstellingen, waartoe ze komt. Dat zulke atomen eenmaal
puur als atomen, in een allerprimitiefsten toestand hebben bestaan,
in een toestand die op het niets volgde, dat is daarmede volstrekt
niet bewezen. Even als de oorspronkelijke elementen der dingen (atomen,
dynamiden, monaden), zijn ook de primitieve toestanden, die men aan de
wording vooraf laat gaan, niets dan hulpvoorstellingen, geen realiteit.
Het is er mede als met dien godsdienstloozen toestand, die tegenwoordig
bij het onderzoek naar den oorsprong van den godsdienst wordt
aangenomen, cf. I 208, of als met den natuurstaat van Rousseau, waaruit
door contrat social de staat is voortgekomen. Misschien kunnen al zulke
hypothesen als hulpvoorstellingen in de gedachte, gelijk de hulplijnen
in de mathesis, eenigen dienst doen, maar ze zijn daarom nog geen
reëele verklaringen, geen feitelijke principia van het bestaande. Ten
slotte, wat geen wetenschap leeren kan, leert de openbaring, die daarbij
bevestigd wordt door de traditie aller volken, nl. dat het Gode behaagd
heeft in de vorming der wereld van het onvolkomene tot het volkomene,
van het eenvoudige tot het saamgestelde, van het lagere tot het
hoogere voort te schrijden. Er ligt eene waarheid in de evolutieleer,
die ook door de Schrift wordt erkend. Gen. 1:2 spreekt dat duidelijk
uit. Maar de toestand der schepping is daar een reëele toestand; geen
chaos in eigenlijken zin, geen ὑλη in aristotelischen zin, geen prima
materia zonder forma, geen ondenkbare massa van pure atomen, maar
een toestand van vormeloosheid van aarde en hemel, die een tijd lang
bestond, waarin de Geest Gods zwevende en broedende werkzaam was. Het
gaat daarom niet aan, om met vele christelijke apologeten de hypothese
van Kant-Laplace zonder vorm van kritiek over te nemen en dan dankbaar
te zijn, dat men haar zoo goed in Gen. 1:2 heeft kunnen inlasschen.
Veeleer verhaalt de Schrift ons een reëelen toestand en spreekt de
wetenschap van onderstellingen, die wetenschappelijk niet houdbaar zijn,
Pfaff, Schöpfungsgesch. S. 731 f. Ulrici, Gott und die Natur, 2e Aufl.
1866 S. 334-353. Reusch, Bibel u. Natur, 4te Aufl. 1876 S. 179 f. T.
Pesch, Die grossen Welträthsel, 2te Aufl. 1892 II 327-352. Braun, Die
Kant-Laplace’sche Weltbildungstheorie, in Neue Kirchl. Zeitschr. III
9tes Heft. Steudel, Christenthum und Naturwissenschaft, Gütersloh 1895
S. 142 f. Schanz, Ueber neue Versuche der Apol. Regensburg 1897 S. 211
f.
6. Een zelfde verschil, als bij de vorming van ons wereldstelsel, doet
zich voor bij de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde. De geologie
heeft op grond van de aardlagen en van de daarin gevonden fossilen
van planten, dieren en menschen eene hypothese gebouwd over de
ontwikkelingsperioden der aarde. Daarnaar is de oudste periode de
azoische of die der Urformatie, waarin vooral de eruptieve steensoorten
gevormd zijn en nog geen spoor van organisch leven gevonden wordt.
Daarop is gevolgd de palaeozoische periode of die der primaire
formatie, waarin behalve allerlei steensoorten vooral ook de steenkool
gevormd wordt en ook reeds planten van de laagste soort en alle klassen
van dieren behalve vogels en zoogdieren worden aangetroffen. In de
derde, mesozoische periode of die der secundaire formatie valt o. a.
de krijtformatie en worden allerlei planten en dieren, ook de eerste
eierleggende en zoogdieren, gevonden. De daarop volgende tertiaire
of kainozoische formatie loopt van de krijtformatie tot den ijstijd
toe en doet behalve planten en land- en zoetwaterdieren vooral ook
optreden de roofdieren en vele van de uitgestorven zoogdieren. Volgens
een enkele, b.v. Burmeister, Gesch. der Schöpfung 7te Aufl. 1872 S.
612 leefde gelijktijdig met deze ook reeds de mensch in de tertiaire
periode; maar volgens de meesten is de mensch eerst opgetreden aan
het einde van dit tijdperk, na den ijstijd, in de quaternaire periode,
Pfaff, Schöpfungsgesch. S. 485 f. Ulrici, Gott u. die Natur S. 353 f.
Reusch, Bibel u Natur 184 f. Zittel, Aus der Urzeit, 2e Aufl. 1875 S.
537. Deze leer van de geologische perioden staat ongetwijfeld op veel
vasteren bodem dan de hypothese van Kant; zij berust op gegevens, welke
het onderzoek der aardlagen aan de hand doet. Hier draagt de strijd
tusschen openbaring en wetenschap dan ook een veel ernstiger karakter.
Op vele punten is er verschil en tegenspraak. Ten eerste in den tijd, en
ten tweede in de orde, waarin de verschillende schepselen zijn ontstaan.
Wat den tijd betreft, is het verschil zeer groot. De chronologie der LXX
wijkt aanmerkelijk af van die van den hebr. tekst. De kerkvaders hielden
zich dikwerf aan de grieksche vertaling en berekenden dan den tijd van
de schepping der wereld tot de inneming van Rome door de Gothen op
5611 jaren, Eusebius, Augustinus de civ. XII 10. In later tijd, vooral
sedert de Hervorming, gaf men algemeen aan de chronologie van den
hebr. tekst de voorkeur en berekende dan, dat de schepping der wereld
plaats gehad had in 3950 v. C. (Scaliger), of 3984 (Kepler, Petavius),
3943 (Bengel), 4004 (Usher); de Joden tellen thans het jaar 5658, cf.
Zöckler, Die Lehre vom Urstand des Menschen 1879 S. 289 f. Schanz, Das
Alter des Menschengeschlechts, Freiburg 1896 S, 1 f. Maar men beproefde
nog nauwkeuriger berekening. Er was ernstige strijd over, of de
schepping plaats had gehad in de lente of in den herfst; het eerste was
het gevoelen van Cyrillus, Basilius, Beda, Cajetanus, Molina, Lapide,
Luther, Melanchton, Gerhard, Alsted, Polanus, G. J. Vossius enz.;
het tweede werd verdedigd door Petavius, Calvisius, Calov, Danaeus,
Zanchius, Voetius, Maresius, Heidegger, Turretinus e. a. Soms werd de
datum nog nader bepaald, op 25 Maart of op 26 October, Voetius Disp. I
587. Hagenbach, D. G. 630 noot. Daartegenover plaatsen de geologen en
natuurkundigen van dezen tijd hunne berekeningen, die gebouwd zijn op de
rotatie der aarde in verband met hare afplatting aan de polen, de naar
de oppervlakte steeds gestadig afnemende warmte der aarde, de vorming
van de delta’s aan Nijl en Mississippi, de formatie van de aardlagen,
van de verschillende steensoorten, vooral van de steenkool enz. Het
zijn fabelachtige getallen, evenals bij sommige heidensche volken, die
alzoo voor den ouderdom der aarde worden aangenomen. Cotta spreekt van
eene onbegrensde tijdruimte, Lyell van 560 millioen, Klein van 2000
millioen, Helmholtz van 80 millioen, en zelfs Pfaff van minstens 20
millioen jaren, Pfaff, Schöpf. 640-666, Id. Das Alter der Erde, in de
Zeitfr. des chr. Volkslebens VII. Peschel, Völkerkunde, 5te Aufl. S.
42-52. Haeckel, Nat. Schöpf. S. 340 f. Maar in de tweede plaats is er
ook zeer groot verschil tusschen het scheppingsverhaal in Genesis en
de meeningen van vele geleerden ten aanzien van de orde, waarin de
geschapene wezens zijn ontstaan. Om slechts enkele punten te noemen:
volgens de Schrift is wel het licht reeds geschapen op den eersten dag,
maar ons zonnestelsel is eerst gevormd op den vierden dag, nadat op
den tweeden en derden dag de aarde al toebereid en met een weelderigen
plantengroei overdekt was; volgens de geologen is de orde juist
omgekeerd. Volgens Genesis is op den derden dag wel het plantenrijk
geschapen, maar dieren worden eerst geschapen op den vijfden dag; de
geologie echter leert, dat in de primaire of palaeozoische periode ook
reeds dieren van lagere soort en visschen voorkomen. Genesis verhaalt,
dat alle waterdieren en alle vogelen geschapen werden op den vijfden,
en alle landdieren met den mensch op den zesden dag, maar volgens
de geologie behooren enkele zoogdieren ook reeds tot de secundaire
of mesozoische periode. Zoo blijkt er dus op vele gewichtige punten
verschil te bestaan.
7. Natuurlijk zijn er verschillende pogingen tot verzoening beproefd.
Eerst zij de ideale theorie genoemd, zoo geheeten, wijl ze alleen aan
de idee, niet aan de letter van het scheppingsverhaal zich houdt. Zij
ziet in Gen. 1 geen historisch verhaal maar eene poetische beschrijving
van de scheppende daad Gods. De zes dagen zijn geen chronologisch
geordende tijdperken van langer of korter duur, maar alleen
verschillende gezichtspunten, van waaruit de ééne geschapene wereld
telkens beschouwd wordt, om zoo aan den beperkten blik des menschen
een beter overzicht te geven van het geheel. Aan de palaeontologie
blijft het dus geheel overgelaten, om den tijd, de wijze en de orde
van het ontstaan der verschillende perioden vast te stellen. Men
kan zeggen, dat deze theorie voorbereid is door de allegorische
exegese, die van oude tijden in de christelijke kerk ten aanzien van
Gen. 1 gebruikelijk was. Op voorgang van Philo en met beroep op Sir.
18:1, Deus omnia _simul_ creavit, leerden Origenes, Augustinus en
vele anderen, dat God alle dingen in eens en tegelijk had geschapen;
de zes dagen zijn geen werkelijk op elkaar volgende tijdperken maar ze
duiden alleen den causalen samenhang, de logische orde der schepselen
aan, en beschrijven, hoe de engelen successief van het geheel der
schepping kennis hebben gekregen. En ook bij hen, die den letterlijken
zin van het scheppingsverhaal vasthielden, speelde de allegorie toch
telkens nog eene groote rol; de chaos, het licht, de term één dag
in plaats van eerste dag; het ontbreken der Goddelijke goedkeuring
aan het einde van den tweeden dag, het paradijs, de schepping van Eva
enz. gaven aanleiding tot vernuftige vergeestelijkingen. Dergelijke
allegoriseerende, mythologiseerende en rationaliseerende verklaringen
van het scheppingsverhaal kwamen vooral in eere na de ontwaking der
natuurwetenschap en werden toegepast door Hobbes, Spinoza, Beverland,
Burnet, Bekker, Tindal, Edelmann, J. L. Schmidt, Reimarus e. a. Herder,
Aelteste Urkunde des Menschengeschlechts, zag in Gen. 1 een schoon
gedicht der oudste menschheid, dat, van den wordenden dag uitgaande,
de zevendaagsche week bezong. De moderne philosophie en theologie is
nog verder voortgeschreden, heeft met het scheppingsverhaal ook zelfs
het scheppingsbegrip verworpen, en ziet in Gen. 1 eene mythe, die
hoogstens nog een religieusen kern bevat. Christelijke theologen zijn
zoover niet gegaan maar zijn toch dikwerf om religie en wetenschap te
verzoenen, tot de allegorische opvatting van Augustinus teruggekeerd
en geven de letterlijke en historische opvatting van Genesis I prijs.
Daartoe behooren zeer veel Roomsche Godgeleerden, Michelis, Entw. der
beiden ersten Kapitel der Genesis 1845 en verschillende opstellen in
zijn tijdschrift Natur u. Offenbarung 1855 f. Reusch, Bibel u. Natur
S. 251 f. Schanz, Apol. des Christ. I 293 f. Scheeben, Dogm. II 105
f. H. Lüken, Die Stiftungsurkunde des Menschengeschl. 1876. Güttler,
Naturforschung u. Bibel 1877. Hummelauer, B. Schäfer e. a. cf.
Hettinger, Apol. III⁷ S. 206 enz.; maar ook tal van Protestantsche
theologen zooals Zollmann, Bibel u. Natur in der Harmonie ihrer
Offenbarungen 1869 S. 52 f. Dillmann, Comm. op Genesis. Riehm, Christ.
und Naturwiss. Leipzig, Hinrich 1896. Steudel, Christ. u. Naturw.
Gütersloh 1895. Vuilleumier, La première page de la Bible, Revue de
théol. et de philos. Juillet 1896 p. 362-377. Sept. p. 393-418.
Eene tweede poging tot verzoening is de restitutietheorie. Deze zoekt
tusschen openbaring en wetenschap daardoor overeenstemming, dat zij
Gen. 1:2 en 3 vaneenscheidt, aan den chaos een langen duur van bestaan
toeschrijft en daarin al die verschijnselen plaatst, welke de geologie
aan de hand geeft. Het hexaemeron, dat met vers 3 begint, verhaalt
alleen de herstelling en toebereiding der aarde voor den mensch. Zulk
een vrij lange tijdruimte tusschen Gen. 1:1 en 2 werd reeds aangenomen
door Episcopius, Instit. theol. IV sect. 3 c. 3, Limborch, Theol.
Christ. II c. 19-21 e. a., om alzoo plaats te krijgen voor den val der
engelen. Ze werd in de vorige eeuw overgenomen door de rationalisten
J. G. Rosenmüller, J. D. Michaelis, Reinhard; vond vooral in deze eeuw
ingang bij de theosophen Oetinger, Hahn, St. Martin, Baader, Schelling,
Fr. v. Meyer, Steffens, Schubert, Keerl, die daarin den val der engelen
en de daardoor veroorzaakte verwoesting der schepping plaatsten; en
is dan ook geleerd door Chalmers, kardinaal Wisemann, Zusammenhang
zw. Wiss. u. Offenb., deutsch von Haneberg, 3te Aufl. 1866 S. 263 f.
Vigouroux, het livres saints III 442. Shedd, Dogm. Theol. I 474 enz.
Eene derde theorie, de concordistische, zoekt harmonie van Schrift
en wetenschap te verkrijgen, door de scheppingsdagen op te vatten als
tijdperken van langeren duur. De exegese van de zes dagen leverde reeds
vroeg bezwaar. Zon, maan en sterren waren eerst geschapen op den
vierden dag; de drie daaraan voorafgaande dagen moesten dus in elk
geval van een anderen aard zijn dan de laatste drie. Basilius verklaarde
het zoo, dat God de drie eerste dagen bewerkte door eene emissie en
contractie van het op den eersten dag geschapen licht, Strauss, I 621.
Maar deze verklaring bevredigde niet allen, b.v. niet Augustinus, die
soms van zijne eigene Simultan-theorie afwijkt, de Gen. ad lit. I 16.
Bovendien was er nog verschil over, of het scheppingswerk op iederen
dag in één moment was voltooid, dan wel eerst in den loop van iederen
dag successief tot stand kwam. Cartesius had nl. gezegd, dat uit den
chaos zonder eenige scheppingsdaad Gods de res pure naturales zouden
hebben kunnen voortkomen. Het denkbeeld van ontwikkeling was daarmede
aan de hand gedaan. Enkele Cartesiaansche theologen, zooals Wittichius,
Allinga, Braun leerden daarom, dat elk scheppingswerk een dag in
beslag nam, cf. M. Vitringa II 95. Moor II 212. En Whiston zei reeds,
dat de dagen moesten opgevat worden als jaren, en werd daarin door
anderen gevolgd. Maar vader van de concordistische theorie is de abt
Jerusalem geweest. Ze werd overgenomen door natuurkundigen als de Luc,
Cuvier, Hugh Miller, Pfaff enz., door theologen als Lange, Delitzsch,
Rougemont, Godet, Ebrard, Der Glaube an die H. Schrift und die
Ergebnisse der Naturforschung 1861. Luthardt, Apol. Vorträge, 8 Aufl.
1878. Zöckler o. a. in Herzog² 13, 647, Brandt in Bew. d. Gl. 1867 S.
339 f., Hengstenberg, cf. Bew. d. Gl. 1867 S. 400 f., ook Roomschen als
Heinrich, Palmieri, Simar, Dogm. 249, Pesch, Prael. III 40 enz. Dikwerf
hebben velen deze theorie met de restitutie-theorie verbonden, en dan
nog met eene overeenstemming in hoofdzaken zich tevreden gesteld.
Hugh Miller b.v. liet de azoische periode samenvallen met Gen. 1:3,
de palaeozoische met Gen. 1:6-13, de mesozoische met Gen. 1:14-23, de
kainozoische met Gen. 1:24, Zöckler, Gesch. II 544.
De vierde theorie eindelijk, die wel de antigeologische is genoemd,
houdt de letterlijke en historische opvatting van Genesis I vast, en
zoekt de resultaten der geologie ten deele te plaatsen in de zes
scheppingsdagen, ten deele ook daarna in den tijd van Adam tot Noach,
vooral ook in den zondvloed. Reeds van ouds werd de zondvloed van
groote beteekenis geacht. Men redeneerde over het totale of partieele,
dat altijd in discussie is geweest, over den bouw van de ark, over de
hoogte van den vloed enz. Zöckler II 122 f. Maar geologische beteekenis
kreeg de zondvloed eerst na Newton; Thomas Burnet gaf in 1682 zijne
Theoria sacra telluris uit en nam daarin een zeer groot onderscheid
aan tusschen den tijd vóór en na den zondvloed; deze wordt bij hem
de ondergang van eene oude en de geboorte van eene geheel nieuwe
wereld. Het was een geweldige catastrophe, die heel de aardoppervlakte
veranderde, oceanen en bergen het aanzijn gaf, aan het zachte
lenteklimaat, aan de weelderige vruchtbaarheid, aan den buitengewonen
levensduur der menschen vóór dien tijd een einde maakte en vooral
bewerkte, dat de aardas, die voorheen parallel met de as der zon stond,
schuin op de aardbaan kwam te staan. Deze geheel nieuwe theorie werd
heftig bestreden, o. a. door Spanheim en Leydecker, maar werd toch ook
verder ontwikkeld door Whiston, Clüver en vele anderen, Zöckler II
143-192. Tegen het einde der vorige eeuw werd deze diluvialistische
theorie meer en meer prijsgegeven, maar ze bleef toch nog in eere bij
vele rechtzinnige, beide Roomsche en Protestantsche theologen, cf.
Keil, op Genesis, en voorts anderen bij Zöckler, II 470-482, 788 f. De
voorstanders van deze poging tot verzoening blijven den zondvloed des
bijbels vereenzelvigen met het diluvium of den ijstijd der geologie en
oordeelen in verband daarmede, dat de vloed universeel was en over
de gansche aarde zich uitstrekte. De meeste geologen en theologen,
zooals Sedgwick, Greenough, Buckland, Hitchcock, Hugh Miller, Barry,
Dawson, Diestel, Dillmann, Pfaff, Kurtz, Michelis, Reusch, Guttler,
ook Kuyper, Heraut 929. 930. 962, zijn nu in den laatsten tijd wel van
oordeel, dat de zondvloed des bijbels een geheel andere is geweest
dan het diluvium der geologie en daarom ook als partieel moet worden
opgevat; universeel kan hij slechts heeten, inzoover heel het menschelijk
geslacht er door omkwam, ofschoon ook dit laatste door sommigen,
zooals Cuvier, nog wordt ontkend. Maar het debat over dit belangrijk
en moeilijk vraagstuk is nog lang niet ten voordeele van deze laatste
meening beslist; de jongste studie over den zondvloed, van Martin
Gander, is een krachtig pleidooi voor de diluvialistische opvatting.
Cf. Zöckler, Gesch. der Bez. II 784-791. Id. in Herzog² 13, 645 f.
Diestel, Die Sintflut, Deutsche Zeit- u. Streitfragen, n. 137. Kosters,
De Bijb. Zontvloedsverhalen met de Babyl. vergeleken, Theol. Tijdschr.
1885 bl. 161v. 321v. Reusch, Bibel u. Natur 289 f. Schanz, Apol. I
341 f. Vigouroux, Les livres saints IV 239. Suess, Die Sintfluth,
Leipzig 1883. Jürgens, War die Sintflut eine Erdbebenwelle? St. aus
Maria Laach 1884. Howorth, Das Mammut und die Fluth, 1893. Girard,
Etudes de géologie biblique. Le déluge devant la critique histor. I
Freiburg 1893. Schwarz, Sintflut und Völkerwanderungen, Stuttgart 1894.
C. Schmidt, Das Naturereigniss der Sintfluth, Basel 1895. Zöckler,
Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1895, Heft 3 en 4. Martin Gander, Die
Sündflut in ihrer Bedeutung für die Erdgeschichte, Münster 1896.
8. Deze vier pogingen, om Schrift en wetenschap in overeenstemming
te brengen, zijn niet in elk opzicht aan elkander tegenovergesteld.
Zelfs in de eerstgenoemde ideale theorie ligt nog eenige waarheid.
Door allen toch wordt toegestemd dat de Schrift niet de taal der
wetenschap maar der dagelijksche ervaring spreekt, dat zij ook bij het
verhaal der schepping op geo- of anthropocentrisch standpunt staat,
en dat zij daarbij geen les wil geven in geologie of eenige andere
wetenschap, maar ook bij het verhaal van den oorsprong en de wording
aller schepselen het boek der religie, der openbaring, der kennisse
Gods blijft. Non legitur in Evangelio dominum dixisse: mitto vobis
paracletum qui vos doceat de cursu solis et lunae; christianos enim
facere volebat, non mathematicos, August. de actis c. Felice Man. I
10. Moses rudi populo condescendens secutus est, quae sensibiliter
apparent, Thomas, S. Theol. I qu. 70 art. 4. S. Scriptura ex professo
non tractat eas res, quas in philosophia cognoscimus, Alsted,
Praecognita 181, cf. Voetius, Disp. V 131. Hettinger, Apol. III 196.
Maar als de Schrift dan toch van haar standpunt uit, juist als boek der
religie, met andere wetenschappen in aanraking komt en ook daarover
haar licht laat schijnen, dan houdt ze niet eensklaps op Gods woord
te zijn maar blijft dat. Ook als ze over de wording van hemel en aarde
spreekt, geeft ze geen sage of mythe of dichterlijke phantasie, maar
ook dan geeft zij naar hare duidelijke bedoeling historie, die geloof
en vertrouwen verdient. En daarom hield de christelijke theologie
dan ook, op slechts enkele uitzonderingen na, aan de letterlijke,
historische opvatting van het scheppingverhaal vast. Toch is het
opmerkelijk, dat geene enkele confessie over het hexaemeron iets
vaststelde en dat ook in de theologie allerlei uitleggingen naast
elkander werden geduld. Augustinus vermaande reeds, om op dit terrein
niet te spoedig iets met de Schrift in strijd te achten, om over deze
moeilijke onderwerpen niet dan na ernstige studie mede te spreken
en om niet door onkunde zich belachelijk te maken in de oogen der
ongeloovige wetenschap, de Gen. ad lit. I 18. 19. 20. 21, cf. ook
Thomas, S. Th. I qu. 68 art. 1. De waarschuwing is door de theologen
niet altijd trouw ter harte genomen. En toch kan de geologie ons
uitnemenden dienst bewijzen bij de verklaring van het scheppingsverhaal.
Gelijk de ptolemeische wereldbeschouwing de theologie gedrongen heeft
tot eene andere en betere verklaring van den zonnestilstand in Jos.
10; gelijk Assyriologie en Egyptologie kostelijke bijdragen zijn voor de
uitlegging der Schrift; gelijk de historie menigmaal de profetie eerst
in hare ware beteekenis kennen doet; zoo dienen ook de geologische
en palaeontologische onderzoekingen in deze eeuw tot beter verstand
van het scheppingsverhaal. Men bedenke toch wel, dat de schepping en
toebereiding van hemel en aarde een Goddelijk werk bij uitnemendheid is,
een wonder in volstrekten zin, vol verborgenheden en geheimenissen.
En toch wordt in Genesis dit werk op zoo eenvoudige en sobere wijze
verhaald, dat er haast eene disharmonie schijnt te bestaan tusschen
het feit zelf en de beschrijving ervan. Achter elken trek in het
scheppingsverhaal ligt eene wereld van wonderen en machtsdaden Gods,
die door de geologie in eene onoverzienbare reeks van verschijnselen
voor onze oogen worden uitgestald. Van de _feiten_, door geologie en
palaeontologie aan het licht gebracht, heeft de Schrift en de theologie
dan ook niets te vreezen. Ook de wereld is een boek waarvan alle
bladzijden door Gods almachtige hand zijn geschreven. De strijd ontstaat
alleen daardoor, dat zoowel de tekst van het boek der Schriftuur als
van dat der natuur dikwijls zoo slecht gelezen en verstaan wordt. De
theologen gaan hier niet vrij uit, en hebben dikwerf in naam niet
van de Schrift maar van hun eigen onjuiste opvatting de wetenschap
veroordeeld. En de natuurvorschers hebben telkens de feiten en
verschijnselen, die zij ontdekten, op eene wijze uitgelegd en in dienst
van eene wereldbeschouwing gesteld, die noch door de Schrift noch door
de wetenschap werd gerechtvaardigd. Voorshands zou het aanbeveling
verdienen, dat de geologie, die betrekkelijk nog zulk eene jonge
wetenschap is en wel reeds veel onderzocht heeft maar toch nog zoo
eindeloos veel te onderzoeken heeft, zich bepaalde tot het verzamelen
van materiaal en van het bouwen van conclusies en het opstellen van
hypothesen afzag. Zij is daartoe nog volstrekt niet in staat en moet nog
langen tijd geduld oefenen, eer zij daartoe bevoegd en bekwaam is.
9. Wanneer deze voorloopige opmerkingen nu ter harte genomen worden,
dan is het in de eerste plaats waarschijnlijk, dat de schepping van
hemel en aarde in Gen. 1:1 korter of langer tijd aan het werk der zes
dagen in vers 3 v. is voorafgegaan. De restitutietheorie is zeker
aan het dwalen geraakt, als zij in Gen. 1:2 den val der engelen en de
verwoesting der aarde plaatste. Hiervan is toch met geen woord sprake;
er staat ook niet dat de aarde woest en ledig _werd_, maar dat zij
dat was en dat ze zóó werd geschapen; en de woestheid en ledigheid
houdt geenszins in, dat de aarde verwoest was maar dat zij, ofschoon
reeds aarde, toch nog ongevormd, zonder gedaante of gestalte was.
Maar overigens is het juist, dat de schepping van hemel en aarde en
de woeste en ledige toestand der aarde niet geplaatst kunnen worden
binnen den eersten dag; deze begon eerst en kon uit den aard zaak
eerst beginnen met het licht. De eerste dag wordt niet gevormd door de
oorspronkelijke duisternis en door het daarna geschapene licht, maar hij
wordt gevormd door de eerste wisseling van avond en morgen, welke na
de schepping van het licht is ingetreden. De duisternis, waarvan Gen.
1:2 spreekt, was niet de eerste avond; maar eerst, nadat het licht was
geschapen, werd het avond en daarna morgen. En met dien morgen was de
eerste dag afgeloopen, die met de schepping van het licht begonnen
was; de dag in Genesis begint en eindigt met den morgen, cf. Keil,
Delitzsch e. a. op Genesis. Ook Augustinus, Conf. XII 8, Lombardus,
Sent. II dist. 12, 1. 2, Thomas, S. Theol. I qu. 74 art. 2, Petavius,
de sex dier. opif. I c. 9 n. 2 e. a. oordeelden daarom terecht, dat de
schepping van hemel en aarde en de woeste toestand der aarde plaats
hadden ante omnem diem. Zoo komt ook alleen tot zijn recht, dat de
schepping in Gen. 1:1 eenvoudig als een feit wordt verhaald zonder
eenige nadere omschrijving, maar dat de toebereiding van de aarde,
Gen. 1:3 v. in den breede wordt verhaald. Gen. 1:1 zegt alleen, dat
God de Schepper is van alle dingen, maar maakt er geen melding van
dat God ze schiep door zijn Woord en Geest. Natuurlijk wordt dit niet
ontkend; maar het staat er toch niet; en evenmin staat er, in hoeveel
tijd en op wat wijze God hemel en aarde schiep, en hoelang de ongevormde
toestand der aarde duurde. Eerst als het zesdaagsch werk een aanvang
neemt, wordt gezegd, dat ook die ongevormde aarde in stand gehouden en
vruchtbaar gemaakt werd door Gods Geest, Gen. 1:2, en dat alle dingen
op en in die aarde tot stand gebracht zijn door het Woord Gods, Gen.
1:3v.; in de distinctio en ornatus der aarde gedurende de zes dagen
komt Gods wijsheid uit, Calvijn op Gen. 1:3. Maar ook al wilde men, met
het oog op Ex. 20:11, 31:17, het verhaalde in Gen. 1:1 en 2 brengen
binnen den eersten dag, dan zou daarmede alleen verkregen zijn, dat de
eerste dag een gansch ongewone ware geweest. Hij zou dan begonnen zijn
in het moment der schepping, en zou eerst een tijd lang duister zijn
geweest, Gen. 1:2. In elk geval doet deze exegese het ware erkennen,
dat er in de boven in de tweede plaats genoemde, concordistische
theorie ligt opgesloten. Volmondig zij toegegeven, dat de opvatting
der scheppingsdagen als tijdperken naar aanleiding van de geologie
is opgekomen. Daarmede is zij echter volstrekt niet geoordeeld; de
vraag is alleen, of de Schrift, zonder dat aan haar zin geweld wordt
aangedaan, deze opvatting toelaat. Vroeger achtte men Jos. 10:12 met
de ptolemeische wereldbeschouwing onvereenigbaar, thans wordt ze op
dien grond door niemand meer verworpen; elk erkent, dat de woorden
der Schrift eene andere opvatting toelaten, dan die vroeger voor de
eenig ware werd gehouden. De profetische verwachtingen blijken in de
werkelijkheid over veel langer tijdsruimten zich uit te strekken, dan de
woorden waarin zij gekleed zijn, bij het eerste lezen doen vermoeden. De
dag van Ihvh omvat een veel langer tijdperk, dan het woord zelf inhoudt.
De apostelen spraken van een weinig tijds, het einde, den laatsten tijd,
de laatste ure enz., en toch zijn sedert hun woord achttien eeuwen
voorbijgesneld. Met het oog op dezen geheel eigenaardigen maatstaf,
dien de H. Schrift telkens bij tijdsbepalingen aanlegt, is het apriori
niet onmogelijk, dat ook de dagen in Gen. 1 als tijdperken zijn op te
vatten. Maar er zijn ook positieve gegevens, die deze exegese niet
noodzakelijk maar toch mogelijk maken. Op de telkens in de Schrift
voorkomende uitdrukkingen: in de dagen van, ten einde van dagen ( na
vele jaren), heel den dag ( altijd), ten dage dat ( toen) enz., wordt
daarbij dikwerf te veel nadruk gelegd; de overdrachtelijke beteekenis van
het woord dag in Oud en Nieuw Test. b.v. Jes. 2:2, 11, 13:6 enz., Mt.
24:22, Luk. 10:12, Joh. 9:4, Hd. 2:20, 17:31, Rom. 2:16, 1 Cor. 3:13,
1 Thess. 5:2, 4, heeft evenmin genoegzame bewijskracht; en het beroep
op Ps. 90:4 en 2 Petr. 3:8 doet ook weinig ter zake. Maar wel is het
volgende van belang. Vooreerst is het, gelijk boven werd aangetoond,
in strijd met Gen. 1, om de creatio prima in den ongevormden toestand
der aarde te brengen tot den eersten dag. Indien men dat echter toch
doet, wordt deze eerste dag toch in elk geval een geheel ongewone,
die met de duisternis begint en welks duur niet te berekenen is. Ten
tweede worden de eerste drie dagen van de creatio secunda ook volgens
de bedoeling van Genesis naar een gansch anderen maatstaf berekend
dan de volgende drie. Het wezen van dag en nacht bestaat niet in een
korter of langer duur maar in de wisseling van licht en duisternis.
Deze wisseling is voor de eerste drie dagen niet door de zon bewerkt,
welke eerst op den vierden dag werd geschapen, maar is op eene andere
wijze door het in vers 3 geschapen licht tot stand gekomen. Indien dit
echter het geval is, is de lengte van die eerste drie dagen ook niet
te bepalen. Ten derde vloeit daaruit voort, dat ook de volgende drie
dagen op dezelfde wijze en in overeenstemming met de eerste drie dagen
als tijdperken kunnen worden opgevat. Want wel zijn op den vierden dag
zon, maan en sterren geschapen en is het op zichzelf dus mogelijk, dat
het tweede drietal dagen door de rotatie der aarde is bepaald. Maar
het scheppingsverhaal zegt wel, dat zon, maan en sterren toen gemaakt
zijn en hunne bestemming voor de aarde hebben verkregen, maar het zegt
met geen woord, dat die bestemming op dienzelfden dag terstond ten
volle is bereikt. De scheppingsperiode zelve verkeerde in geheel andere
omstandigheden, dan die na afloop van het scheppingswerk intraden.
Eerst toen was alles afgeloopen en bepaald. Ten vierde is het zeer
moeilijk, om op den zesden dag te plaatsen alwat Gen. 1 en 2 daarop
laten geschieden. Op dien dag moet dan vallen de schepping der dieren,
Gen. 1:24, 25, de formeering van Adam, Gen. 1:26, 2:7, de planting van
den hof, Gen. 1:8-14, de afkondiging van het proefgebod, Gen. 2:16, 17,
de leiding der dieren tot en hunne naamgeving door Adam, Gen. 2:18-20,
de slaap van Adam en de schepping van Eva, Gen. 2:21-23. Dit moge nu
niet onmogelijk zijn, waarschijnlijk is het toch niet. Ja, als de Schrift
in Gen. 1:26-31 de schepping van Adam en Eva in éénen adem vermeldt en
van alwat het tweede scheppingsverhaal daartusschen voegt, niet het
minste gewag maakt en dan toch dat alles plaatst op den zesden dag,
Gen. 1:31, is daarmede de mogelijkheid, dat de dagen tijdperken zijn,
voldoende bewezen. Ten vijfde is het de bedoeling van Genesis niet,
om aan te toonen, dat de schepping aller dingen juist in 6 × 24 uren,
geen minuut korter of langer, heeft plaats gehad. Maar dag duidt in
het scheppingsverhaal den tijd aan, waarin God scheppende werkzaam was.
Met iederen morgen geeft Hij aan een nieuwe wereld het aanzijn; de avond
treedt in, als Hij deze heeft tot stand gebracht. De scheppingsdagen zijn
werkdagen Gods. Door een zesmaal vernieuwden arbeid heeft Hij de gansche
aarde toebereid en den chaos in een kosmos veranderd. Dit wordt in het
sabbatsgebod ons ten voorbeeld gesteld. Gelijk voor God, treedt ook
voor den mensch na zesdaagschen arbeid de ruste in. Bij Israel was die
scheppingstijd ook de grondslag voor de indeeling van het kerkelijk jaar.
En voor heel de wereld blijft hij type van de aeonen dezer bedeeling, die
eens in den wereldsabbat, in de eeuwige ruste eindigt, Hebr. 4. Ten
zesde eindelijk is er op iederen scheppingsdag veel meer geschied, dan
de sobere woorden van Genesis ons vermoeden doen. Gelijk in den dekaloog
ééne enkele zonde vele andere onder zich begrijpt, zoo wordt ook in het
scheppingsverhaal van iederen dag slechts het voornaamste genoemd,
datgene, wat voor den mensch het bekendste en het belangrijkste is. De
Schrift zelve bewijst dat, want het eerste scheppingsverhaal bevat niets
van het paradijs, de naamgeving der dieren, Adams slaap enz., welke
eerst in het tweede scheppingsverhaal worden vermeld. En voorts leert
het natuuronderzoek ons allerlei schepselen kennen, waaraan de schrijver
van Genesis geen oogenblik heeft gedacht; allerlei chemische elementen,
vele delfstoffen en planten, en onderscheidene soorten van dieren,
insecten, infusiediertjes, bacteriën, worden in Genesis niet genoemd.
Zij moeten echter toch geschapen zijn, en dus in het hexaemeron eene
plaats vinden. Op iederen dag is het scheppingswerk zeker veel grooter
en rijker geweest, dan Genesis ons in zijn eenvoudig verheven verhaal
bericht.