Over de wereld in haar oorspronkelijken staat.
§ 29. DE SCHEPPING.
1. De uitvoering van den raad Gods begint met de schepping. Deze
is de aanvang en grondslag van alle openbaring Gods en daarom ook
het fundament van alle religieuse en ethische leven. Het Oudtest.
scheppingsverhaal is zoo verheven schoon, dat het nergens zijne
wedergade vindt en door allen, ook door natuurvorschers als Cuvier en
von Humboldt, om strijd is geprezen. Das erste Blatt der mosaischen
Urkunde hat mehr Gewicht als alle Folianten der Naturforscher und
Philosophen (Jean Paul). En daarna treedt die schepping in de
geschiedenis der openbaring telkens weer op den voorgrond. De ware
religie onderscheidt zich van het eerste oogenblik af daardoor van alle
andere godsdiensten, dat zij de verhouding van God tot wereld en mensch
opvat als die van den Schepper tot zijn schepsel. De gedachte aan een
zijn buiten en onafhankelijk van God komt in de Schrift nergens voor.
God is de eenige en volstrekte oorzaak van alwat is. Hij heeft alles
geschapen door zijn Woord en Geest, Gen. 1 vs. 2, 3, Ps. 33:6, 104:29,
148:5, Job 27:3, 33:4, Jes. 40 vs. 13, 48:13, Zach. 12:1, Joh. 1:3,
Col. 1:16, Hebr. 1:2 enz. Er stond niets tegen Hem over; geen stof,
die Hem bindt, geen kracht, die Hem beperkt. Hij spreekt en het is,
Gen. 1:3, Ps. 33:9, Rom. 4:17. Hij is de onbeperkte bezitter van hemel
en aarde, Gen. 14:19, 22, Ps. 24:2, 89:12, 95:4, 5. Er is geen grens
aan zijne macht; Hij doet alwat Hem behaagt, Jes. 14 vs. 24, 27, 46:10,
55:10, Ps. 115:3, 135:6. Alle dingen zijn uit en door en tot Hem, Rom.
11:36, 1 Cor. 8:6, Hebr. 11 vs. 3. De wereld is het product van zijn
wil, Ps. 33:6, Op. 4 vs. 11; zij is de openbaring zijner deugden, Spr.
8:22v., Job 28 vs. 23v., Ps. 104:1, 136:5v., Jer. 16:12 en heeft haar
doel in zijne eere, Jes. 43:17, Spr. 16:4, Rom. 11:36, 1 Cor. 8:6. Deze
leer der schepping, die in de Schrift zulk eene alles beheerschende
plaats bekleedt, wordt niet voorgedragen als eene wijsgeerige
verklaring van het wereldprobleem. Zij geeft zeer zeker ook een antwoord
op de vraag naar den oorsprong aller dingen; maar zij heeft toch bovenal
eene religieus-ethische beteekenis. Er is geen rechte verhouding tot
God denkbaar dan op haar grondslag. Zij plaatst ons in die relatie
tot God, waarin wij behooren te staan. En daarom is ze van uitnemend
practische waarde. Zij dient, om de grootheid, de almacht, de majesteit
en tevens de goedheid, de wijsheid, de liefde Gods te doen uitkomen,
Ps. 19, Job 37, Jes. 40; en zij versterkt daarom het geloof, bevestigt
het vertrouwen op God, troost in het lijden, Ps. 33:6 v., 65:6v.,
89:12, 121:2, 134:5, Jes. 37:16, 40:28v., 42:5 enz.; zij wekt op tot
lof en dank, Ps. 136:3v., 148:5, Op. 14 vs. 7; stemt tot nederigheid
en ootmoed en doet den mensch zijne geringheid en nietigheid gevoelen
tegenover God, Job 38 vs. 4v., Jes. 29:16, 45:9, Jer. 18:6, Rom. 9:20.
2. De leer der schepping wordt alleen uit de openbaring gekend; ze
wordt verstaan door het geloof, Hebr. 11:3. De Roomschen leeren wel,
dat zij ook uit de natuur door de rede kan worden opgespoord, Thomas,
Sent. II dist. 1 qu. 1 art. 2. S. c. Gent. II 15. 16. Kleutgen,
Philos. der Vorz. II² 795 f. Scheeben, Dogm. II 5. 6, en het Vaticanum
verhief dit zelfs tot een dogma, de fide c. 2 can. 2. Maar de historie
der godsdiensten en der philosophie pleit hier niet voor. Het
Mohammedanisme leert wel de schepping uit niets maar heeft deze aan
het Joden- en Christendom ontleend, Zöckler, Gesch. der Beziehungen
zw. Theol. und Naturw. 1877 I 426 f. De heidensche kosmogonieën zijn
alle polytheistisch en tegelijk theogonie; zij nemen alle een Urstof aan,
hetzij deze als een chaos, als een persoonlijke principe, als een ei of
soortgelijk gedacht wordt; en eindelijk zijn ze òf meer emanatistisch,
zoodat de wereld een uitvloeisel Gods is, òf meer evolutionistisch,
zoodat de wereld zich meer en meer vergoddelijkt, òf meer dualistisch,
zoodat de wereld een product is van twee vijandige beginselen,
Wuttke, Die Kosmogonien der heidn. Völker vor der Zeit Jesu und der
Apostel, Haag 1850. Lenormant, Les origines de l’histoire d’après la
Bible et les traditions des peuples orientaux, Paris 1880. Zöckler
in Herzog² 13, 631 f. Ook de chaldeeuwsche Genesis, die overigens
merkwaardige parallelen biedt met die van het O. Test., maakt hierop
geen uitzondering. Zij is tegelijk theogonie en laat uit de tiamat,
welke chaotisch alles in zich verbergt, door Bel de wereld vormen,
Saussaye, Lehrb. der Rel. I 341 f. De grieksche wijsbegeerte zoekt òf
materialistisch den oorsprong der dingen in een stoffelijk element
(Jonische School, Atomisten), òf pantheistisch in het ééne, eeuwige,
onveranderlijke zijn (Elea) òf in het eeuwige worden (Heraclitus, Stoa).
Zelfs Anaxagoras, Plato en Aristoteles kwamen boven een dualisme van
geest en stof niet uit; God is geen schepper, maar hoogstens een
formeerder der wereld (δημιουργος). De scholastici beweerden wel, dat
Plato en Aristoteles eene schepping uit niets hebben geleerd, maar dit
werd door anderen, o. a. door Bonaventura, Sent. II dist. 1 p. 1 art.
1 qu. 1, terecht bestreden. De Grieken kenden een φυσις (natura) en
κοσμος (mundus) maar geen κτισις (creatura). Het Christendom behaalde
op deze heidensche theogonie en kosmogonie de zege in den strijd tegen
het gnosticisme, dat ter verklaring der zonde naast den hoogsten
God een lageren God of eene eeuwige ὑλη aannam. Maar toch kwamen de
paganistische verklaringen van den oorsprong der dingen telkens ook in
de christelijke eeuwen weer boven. Reeds in het boek der Wijsheid 11:17
wordt gezegd, dat Gods almachtige hand de wereld geschapen heeft uit
ἀμορφος ὑλη; en dezelfde uitdrukking komt ook bij Justinus Martyr voor,
Apol. I 10. 59. Maar Justinus hoeft daarbij de later zoogenoemde creatio
secunda op het oog en leert elders uitdrukkelijk ook de schepping der
materie, Dial. c. Tr. 5. Coh. ad. Gr. 23, cf. Semisch, Justin der M.
II 336. Gelijk in de tweede eeuw het gnosticisme, zoo kwam na Nicea
vooral het manicheisme op, dat evenzoo ter verklaring der zonde naast
den goeden God een oorspronkelijk boos wezen aannam, Augustinus in vele
geschriften, c. epist. Manich., c. Faustum, c. Fortunatum enz. Flügel,
Mani, seine Lehre und seine Schriften, Leipzig 1862. Kessler in Herzog²
9, 233 f. Dit dualisme vond in de Christenheid verre verbreiding, tot
zelfs bij de Priscillianisten in Spanje toe, en trad bij vernieuwing in
de Middeleeuwen in vele secten op, zooals de Bogomilen en Katharen.
Maar behalve het dualisme kreeg ook het pantheisme zijne tolken. Onder
invloed van het neoplatonisme leerde Pseudodionysius, dat de ideeën
en voorbeelden van alle dingen van eeuwigheid in God bestonden en dat
zijne overstroomende goedheid Hem bewoog, om deze ideeën realiteit te
geven en zich aan zijne schepselen mee te deelen, de div. nom. c. 4
§ 10. God is in de schepselen als het ware uit zijne eenheid te voorschijn
getreden, heeft zich in hen vermenigvuldigd en uitgestort, de div.
nom. c. 2, 11, zoodat God het algemeene zijn is, de div. nom. c. 5,
4, het zijn der dingen zelve, de coel. hier. c. 4, 1. Maar toch voegt
hij er aan toe, dat God desniettemin in zijne eenheid zich handhaaft,
de div. nom. c. 2, 11 en dat God daarom alles is in allen, wijl Hij de
oorzaak is van alles, de coel. hier. c. 5, 8. Dezelfde gedachten keeren
bij Erigena terug. Meermalen leert hij uitdrukkelijk eene schepping uit
niets, de div. nat. III 15 V 24. 33, maar de verhouding, waarin hij de
vier naturen tot elkander stelt, maakt zijn systeem tot pantheisme. De
eerste natuur, die schept en niet geschapen wordt, d. i. God, brengt
denkend uit niets, dat is uit zichzelf de ideeën en vormen aller dingen
voort in het Goddelijk woord, ib. III 14. 17. Dit is de tweede natuur,
die geschapen wordt en schept. Deze tweede natuur is natura creata,
inzoover ze door God is voortgebracht; zij is creatrix, inzoover zij
zelve de oorzaak en potentie der werkelijke wereld is. Want deze tweede
natuur is niet wezenlijk en substantieel van de derde natuur, d. i. de
verschijningswereld, die geschapen wordt en niet schept, onderscheiden;
gene is de oorzaak, deze de werking; het is dezelfde wereld, nu eens
in aeternitate verbi Dei, dan in temporalitate mundi beschouwd, III
8. Het is God zelf, die eerst in de ideeën zichzelf schept, dan in
de schepselen afdaalt en alles in allen wordt, om dan eindelijk in de
vierde natuur, die niet schept en niet geschapen wordt, tot zichzelf
terug te keeren, III 4. 20. En de oorzaak van dit proces Gods is de
goedheid Gods, III 2. 4. 9, zijn streven om alles te worden, appetitus
quo vult omnia fieri, I 12. Buiten de christelijke wereld werd het
pantheisme geleerd door de wijsgeeren Avicenna 1036 en Averroës 1198,
door het Sufisme, dat in het universum eene emanatie Gods zag; en
onder de Joden door de kabbala, Stöckl, Philos. des M. A. II 28. 92.
181. 237. En tegen het einde der Middeleeuwen en in het begin van
den nieuweren tijd kruisten al deze pantheistische, dualistische,
emanatistische denkbeelden bij de mystici, theosophen en anabaptisten,
zooals Floris, Amalrik van Bena, de broeders des vrijen geestes, de
Libertijnen, Eckhardt, Tauler, Servet, Frank, Schwenkfeld, Bruno,
Paracelsus, Fludd, Weigel, Böhme dooreen; zelfs het Socinianisme
leerde slechts eene schepping uit eene ἀμορφος ὑλη, materia informis,
bij Fock, Der Socin. S. 482; het eindige en oneindige werden te abstract
naast en tegenover elkaar gesteld, dan dat het eerste in het tweede
zijne oorzaak hebben kon. Maar toch is het pantheisme als wijsgeerig
stelsel eerst weer in eere gebracht door Spinoza. Deze zag in de ééne
substantie de eeuwige en noodzakelijke causa efficiens en immanens
der wereld; de wereld is de explicatie van het Goddelijk wezen, en de
bijzondere dingen zijn de modi, waardoor de Goddelijke attributen van
denken en uitgebreidheid op eene bepaalde wijze worden gedetermineerd,
Eth. I. Deze philosophie vond tegen het einde der vorige eeuw hoe
langer hoe meer instemming en werd door Schelling en Hegel verheven tot
het stelsel der negentiende eeuw. De bijbelsche leer van de schepping
werd geheel verworpen. Fichte zeide: die Annahme einer Schöpfung ist
der Grundirthum aller falschen Metaphysik und Religionslehre und
insbesondere das Urprinzip des Juden- und Heidenthums, Anweisung zum
seligen Leben 1806 S. 160. Schelling noemde de schepping uit niets das
Kreuz des Verstandes, en bestreed ze beslist, Werke I 2 S. 44 f. 8 S.
62 f. In zijne eerste periode leerde hij de absolute identiteit van God
en wereld; beiden verhouden zich als wezen en vorm; zij zijn hetzelfde,
onder verschillende gezichtspunten beschouwd; God is niet de oorzaak
van het al, maar het al zelf, en het al is daarom niet wordende maar
een eeuwig zijnde, ἑν και παν, Werke I 4 S. 117 f. 5 S. 24 f. 365 f.
373 f. 6 S. 174 f. Maar in zijne latere periode kwam hij door Baader
onder den invloed van Böhme en zoo van de kabbala en het neoplatonisme
en zoekt nu den grond der wereld in de donkere natuur Gods.
Theogonie en kosmogonie zijn ten nauwste verwant. Gelijk God uit zijne
indifferentie door de tegenstelling van de principia, natuur (Urgrund,
Ungrund, duisternis) en verstand (woord, licht) tot Geest, liefde,
persoonlijkheid zich verheft, zoo zijn deze drie tegelijk de Potenzen der
wereld. De donkere natuur in God is het blinde, ordelooze principe,
de stof en grond van de geschapen wereld, voor zoover ze chaos is en
een chaotisch karakter draagt. Maar in die wereld werkt ook de Potenz
van het Goddelijk verstand, en brengt er licht, orde, regel in. Terwijl
eindelijk in den geest des menschen God zelf als Geest zich openbaart
en tot volle persoonlijkheid wordt, Werke I 7 S. 359 f. II 2 S. 108 f.
3 S. 262 f., cf. boven bl. 305. En evenzoo bekende zich Hegel openlijk
tot het pantheisme, wel niet tot dat, hetwelk de eindige dingen zelve
voor God houdt maar toch tot dat pantheisme, hetwelk in het eindige
en toevallige de verschijning van het absolute ziet, de versteende
idee, de bevroren intelligentie, Werke VII 23 f. Uit de philosophie
is dit pantheisme overgegaan in de theologie. Schleiermacher verwierp
de scheiding van schepping en onderhouding en hield de vraag naar de
tijdelijkheid of eeuwigheid der wereld voor onverschillig, indien maar
de volstrekte afhankelijkheid aller dingen van God gehandhaafd bleef,
Glaub. § 36. 41. Bovon, Dogm. Chrét. I 289. En evenzoo is God slechts
de eeuwige immanente oorzaak en grond der wereld bij Strauss, Glaub.
I 656 f. Biedermann, Chr. Dogm. § 649 f. Schweizer, Chr. Gl. § 71.
Pfleiderer, Grundriss der chr. Gl. u. Sittenlehre § 84. Scholten, Dogm.
christ. initia, ed. 2 p. 111. Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 174v. Naast
dit pantheisme is ook het materialisme opgetreden, dat de laatste
elementen van alle zijn zoekt in eeuwige, ongeworden en onvernietigbare
stoffelijke atomen, en uit hun naar vaste wetten plaats hebbende
mechanische en chemische scheiding en verbinding alle verschijnselen,
heel de wereld tracht te verklaren. Het had zijne voorbereiding reeds
in de grieksche philosophie, werd door Gassendi en Cartesius weer
ingeleid in den nieuweren tijd; het werd bevorderd door de engelsche
en fransche philosophie der vorige eeuw; en het trad in deze eeuw op
niet als vrucht van wetenschappelijk onderzoek maar als product van
wijsgeerig nadenken bij Feuerbach, die de vader van het materialisme in
Duitschland kan heeten, om dan vooral na 1850 bij de beoefenaars der
natuurwetenschap door allerlei bijkomstige oorzaken ingang te vinden,
zooals Vogt, Büchner, Moleschott, Czolbe, Haeckel, Strauss enz., Lange,
Gesch. des Materialismus, 4e Aufl. 1882.
3. Nu verdient het allereerst opmerking, dat beide pantheisme en
materialisme geen resultaat zijn van exact onderzoek maar philosophie,
wereldbeschouwing, stelsels van geloof, niet van weten in strikten
zin. Het materialisme geeft zich wel gaarne uit voor exacte
natuurwetenschap, maar het laat zich gemakkelijk aantoonen, dat het
zoowel historisch als logisch vrucht is van menschelijk denken, en eene
zaak is zoowel van het hart als van het hoofd van den mensch. De
oorsprong en het einde der dingen ligt immers buiten de grenzen van
waarneming en onderzoek; wetenschap onderstelt het zijn, en rust op
den grondslag van het geschapene. In zoover verkeeren pantheisme en
materialisme in dezelfde conditie als het theisme, dat in den oorsprong
der dingen een mysterie belijdt. De eenige vraag is dus deze, of het
pantheisme en materialisme in staat zijn dit mysterie te vervangen door
eene begrijpelijke verklaring. Aan beide mag die eisch gesteld, wijl zij
juist de leer der schepping om hare onbegrijpelijkheid verwerpen en er
een kruis des verstands in zien. Is het inderdaad zoo, dat pantheisme
en materialisme beter dan het theisme het denken bevredigen en daarom
de voorkeur verdienen? Maar beide stelsels zijn in de historie der
menschheid zoo telken male opgekomen en weer prijsgegeven; ze zijn
zoo dikwerf aan ernstige, afdoende kritiek onderworpen, dat ze door
niemand alleen om hun bevrediging voor het denken aanvaard kunnen
worden. Andere motieven geven daarbij den doorslag. Als de wereld
niet door schepping is ontstaan, moet zij toch op eenige andere wijze
worden verklaard. En dan doen zich, om van het dualisme niet te
spreken, slechts twee wegen voor, om n.l. of de stof uit den geest of
den geest uit de stof te verklaren. Pantheisme en materialisme zijn
geen zuivere tegenstellingen; ze zijn veeleer twee zijden van dezelfde
zaak; ze gaan telkens in elkander over; ze vatten hetzelfde probleem
slechts van eene andere zijde aan; ze stuiten beide op gelijke bezwaren.
Het pantheisme staat voor den overgang van het denken tot het zijn,
van de idee tot de werkelijkheid, van de substantie tot de modi en
heeft niets geleverd, dat naar eene oplossing gelijkt. Het heeft wel
verschillende vormen aangenomen en dien overgang onder verschillende
namen aangeduid. Het vat de verhouding van God tot de wereld op als
die van ἑν και παν, natura naturans en naturata, van substantie en
modi, van wezen en verschijning, van het algemeene en het bijzondere, van
soort en exemplaren, van geheel en deelen, van idee en objectiveering,
van oceaan en golven enz., maar met al deze woorden zegt het niets
ter verklaring van die verhouding. Het is op pantheistisch standpunt
niet te begrijpen, hoe uit het denken het zijn, uit de eenheid de
veelheid, uit den geest de stof is voortgekomen. Vooral is dat duidelijk
uitgekomen in de stelsels van Schelling en Hegel. Aan woorden was
er hier geen gebrek. De idee neemt eene gestalte, een lichaam aan,
zij objectiveert zich, gaat over in haar anders-zijn, zij dirimeert
en differencieert zich, zij besluit vrij, om zich zu entlassen, zu
entäussern, in haar tegendeel om te slaan enz. Schelling, Werke I 2
62 f. 4 223 f. 257 f. Hegel, Werke VI 413 f. VII 23 f. Maar beiden
vonden hierin toch eene zoo weinig bevredigende oplossing, dat zij
meermalen van een _afval_ van het absolute spraken, waardoor de wereld
was ontstaan, Schelling, ib. 6 38 f. Hegel, ib. XII 177. Geen wonder,
dat daarom Schelling in zijne tweede periode en evenzoo Schopenhauer,
von Hartmann e. a. aan den wil het primaat toekenden en het absolute
allereerst opvatten als natuur, als wil, als drang, cf. boven bl. 203
v. De pantheistische identiteit van denken en zijn is eene dwaling
gebleken; te meer omdat de substantie, de idee, het ééne, het al of
hoe het pantheisme het absolute noemen moge, niet is eene volheid van
zijn, maar eene zuivere potentie, eene inhoudlooze abstractie, een
louter niets. En daaruit zou de rijkdom der wereld, de veelheid van het
zijnde kunnen worden verklaard! Geloove dat, wie het kan! Zeer terecht
zegt daarom Kleutgen: Darin aber besteht die Verschiedenheit der
pantheistischen Speculation von der theistischen, dass jene, von ebenso
dunkeln als unerweislichen Annahmen über das göttliche Sein beginnend,
in offenen Widersprüchen endet, diese aber von sicheren Erkenntnissen
der endlichen Dinge ausgehend, immer höhere Aufschlüsse gewinnt, bis
sie vor dem Unbegreiflichen steht, nicht irre werdend, dass Der,
welchen sie als den ewigen und unwandelbaren Urheber aller Dinge
erkennt, in seinem Sein und Wirken über unser Denken erhaben sei, Phil.
der Vorz. II² 884. Cf. over het pantheisme, art. van Ulrici in Herzog².
Doedes, Inl. tot de Leer van God bl. 68v. 268 met de daar aangehaalde
litteratuur. Opzoomer, Wet en Wijsb. 1857 cap. 1. Pierson, Bespiegeling,
gezag en ervaring 1855 cap. 1. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 205v.
Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 73v. Kuyper, Verflauwing der grenzen 1892.
Is. van Dijk, Aesthet. en ethische godsdienst 1895. Hartmann, Ges.
Studiën und Aufsätze 1876 S. 549-729. R. Flint, Antitheistic theories
1885 p. 334. 536. Hettinger, Apologie des Christ. I⁷ S. 243 f. Ebrard,
Apol. I² 435 f. enz., cf. ook deel I 148-151.
Even onverklaard blijft de oorsprong der dingen bij het materialisme.
Terwijl het pantheisme het heelal laat voortkomen uit één laatste
principe, dat met de wereld samenvalt, neemt het materialisme eene
veelheid van principia aan. Maar deze laatste principia aller dingen
zijn volgens het materialisme niets anders dan ondeelbare stofdeeltjes.
Indien de voorstanders dezer wereldbeschouwing nu aan deze hun
grondstelling getrouw bleven, zouden zij aan die atomen geen enkel
metaphysisch, transcendent praedicaat mogen toeschrijven. Het is op
het standpunt van het materialisme, goed beschouwd, ongeoorloofd, om
van de eeuwigheid, de ongeschapenheid, de onvernietigbaarheid der
atomen, of ook van stof _en_ kracht te spreken. Indien men zegt, dat de
wereld uit stoffelijke atomen is ontstaan, moet men daaraan ook getrouw
blijven. Atomen toch, wijl elementen der empirische wereld, kunnen alleen
empirische maar geene metaphysische eigenschappen dragen. Het begrip
atoom sluit volstrekt niet in, dat het van nature en per se eeuwig en
onvernietigbaar is. Wie de atomen voor de laatste principia van alle
zijn houdt, snijdt zich den weg af tot speculatie en metaphysica en moet
dan ook alleen uit die empirische atomen langs empirischen weg de
wereld verklaren. De materialist kan alleen zeggen, dat de ervaring
leert, dat de atomen niet ontstaan en niet vergaan; maar van eene
metaphysische natuur en van metaphysische eigenschappen der atomen
mag hij niet spreken. De natuurwetenschap, waarop de materialist zich
altijd beroept, heeft het als zoodanig met het eindige, het relatieve,
met de natuur en hare verschijnselen te doen; zij gaat altijd van de
natuur uit, neemt haar als gegeven aan en kan niet doordringen tot wat
achter haar ligt. Zoodra ze dat doet, houdt zij op physica te zijn en
wordt metaphysica. Maar het materialisme blijft zichzelf niet getrouw
en schrijft terstond aan de atomen allerlei eigenschappen toe, die in
het begrip zelf niet liggen opgesloten en door de ervaring niet worden
geleerd. Daarom is het materialisme geen exacte wetenschap, geen
vrucht van streng wetenschappelijk onderzoek, maar eene philosophie,
die op de ontkenning aller philosophie is gebouwd; het lijdt aan eene
innerlijke tegenstrijdigheid; het loochent al het absolute en maakt de
atomen absoluut; het ontkent Gods bestaan en vergoddelijkt de materie.
Zelfs kan nog sterker gesproken worden: indien het materialisme alle
dingen uit de stof verklaren wil, mist het alle recht om van atomen te
spreken. Atomen zijn nooit waargenomen; niemand heeft ze ooit gezien;
het empirisch onderzoek heeft ze niet aan het licht gebracht. Ze dragen
van huis uit eene metaphysische natuur en moesten daarom voor het
materialisme reeds contrabande zijn. En als metaphysische substantiën
verkeeren ze in eene antinomie, die door niemand nog is opgelost. Ze
zijn stoffelijk en toch zullen zij tegelijk ondeelbaar, onveranderlijk,
oneindig in aantal, eeuwig en onvernietigbaar zijn. En als dan bij dat
alles de materie zelve, die als verklaringsprincipe van het heelal
wordt aangenomen, maar bekend en begrijpelijk ware! Maar juist het wezen
en de natuur der stof is het allergeheimzinnigste en onttrekt zich
geheel aan onze kennis. Wij kunnen ons nog beter indenken en voorstellen
wat geest, dan wat stof is. Stof is een naam, een woord, maar wij weten
niet, wat er onder te verstaan. Wij staan hier voor een mysterie, in zijn
soort even groot als het bestaan van geest, dat om zijn onbegrijpelijkheid
door het materialisme verworpen wordt. Doch aangenomen, dat er atomen
zijn en dat zij eeuwig en onveranderlijk zijn, dan is daarmede nog niets
ter verklaring der wereld bereikt. Hoe is uit die atomen de wereld
ontstaan? Indien de thans bestaande wereld, of ook eene voorafgaande,
een begin heeft gehad, moet er eene oorzaak zijn, waardoor de atomen in
beweging gekomen zijn en wel in zulk eene beweging, die de tegenwoordige
wereld tot resultaat had. Maar uit de stof is de beweging niet te
verklaren, want alle stof is van nature traag en komt alleen door een
stoot van buiten in beweging. Een primum movens buiten de stof kan
echter door het materialisme niet aangenomen worden. En zoo blijft er
niets anders over, dan om, evenals de atomen, zoo ook de beweging, de
verandering, den tijd of met Czolbe zelfs deze bestaande wereld absoluut
en eeuwig te maken. Het materialisme wikkelt zich in altijd grootere
tegenstrijdigheden; het verwart het physische en het metaphysische,
worden en zijn, verandering en onveranderlijkheid, tijd en eeuwigheid,
en spreekt van oneindige ruimte, oneindigen tijd, oneindige wereld,
alsof het niets ware en er niet de ongerijmdste tegenspraak in lag.
Ten slotte is herhaaldelijk en van verschillende zijden aangetoond, dat
het materialisme in gebreke blijft, om uit de mechanische verbinding
van louter stoffelijke en dus onbewuste, levenlooze, onvrije, doellooze
atomen heel die geestelijke wereld van leven, bewustzijn, doel,
godsdienst, zedelijkheid enz. te verklaren, welke toch met niet minder
kracht zich aan ons innerlijk besef opdringt, als de physische wereld
aan onze zintuigen. En het schijnt, dat deze kritiek op de materialisten
zelven langzamerhand eenigen indruk gaat maken. Het materialisme in
deze eeuw, uit het pantheisme voortgekomen, keert hoe langer hoe meer
naar het pantheisme terug en neemt zelfs allerlei mystieke elementen
in zich op, Wetensch. Bladen, Mei 1896. De lang verworpen levenskracht
vindt thans weer verdedigers. De atomen worden als levend, bezield
voorgesteld. Haeckel spreekt weer van een „Geist in allen Dingen”, van
eene „göttliche Kraft”, een „bewegenden Geist”, eene „Weltseele”, die
in alle dingen woont en zoekt in dit pantheistisch monisme den band
tusschen godsdienst en wetenschap. Maar daarmede heeft het materialisme
ook zelf openlijk zijne onmacht beleden, om de wereld te verklaren; in
zijne armoede riep het mechanisme der atomen het dynamisch principe weer
te hulp. Cf. Ulrici, Gott und die Natur 1866. Fabri, Briefe gegen den
Mater. 1864. Hartmann, Ges. Stud. u. Aufsätze 1876 S. 421 f. Nathusius,
Natur u. Philos. Heilbronn 1883. T. Pesch, Die grossen Welträthsel I²
11 f. 143 f. 504 f. II 118-171. Hettinger, Apol. des Christ. I⁷ 167 f.
Pfaff, Schöpfungsgesch. 1881 S. 729 f. Reusch, Bibel u. Natur 1876 S.
43 f. P. Janet, Le matér, contemporain en Allemagne 1864. Pressensé,
Les origines 1883 p. 129 S. Vooral ook het pas verschenen werk van
Raoul Pictet, Etude crit. du materialisme et du spiritualisme par la
physique expérimentale. Genève 1897.
4. Tegenover al deze richtingen hield de christelijke kerk eenparig de
belijdenis vast: credo in Deum patrem, omnipotentem, creatorem coeli et
terrae; en zij verstond onder schepping die daad Gods, waardoor Hij naar
zijn souvereinen wil heel de wereld uit het niet-zijn tot een zijn brengt,
dat onderscheiden is van zijn eigen wezen. En dit is inderdaad de leer
der H. Schrift. Het woord ברא beteekent oorspronkelijk: splijten,
deelen, snijden (Jos. 17:15, 18 in piel van het af houwen van bosschen),
en vandaar vormen, voortbrengen, scheppen. Het drukt op zichzelf nog
niet uit, dat iets uit niets wordt voortgebracht, want het wordt
menigmaal ook van de werken der onderhouding gebezigd, Jes. 40:28,
45:7, Jer. 31:22, Am. 4:13. Het is synoniem van en wisselt af met
עשׂה, יצר, חֹדֶּשׁ, Ps. 104:30. Maar van deze onderscheidt
het zich toch daardoor, dat het altijd van het Goddelijk maken en nooit
van ’s menschen doen wordt gebezigd; dat het nooit een accusativus
der stof bij zich heeft, waaruit iets gemaakt wordt; en dat het daarom
juist overal de grootheid en macht van het Goddelijk werken uitdrukt,
Delitzsch, Neuer Comm. zur Gen. S. 48. En ditzelfde is het geval met de
N. T. woorden κτιζειν, Mk. 13:19, ποιειν, Mt. 19:4, θεμελιουν, Hebr.
1:10, καταρτιζειν, Rom. 9:12, κατασκευαζειν, Hebr. 3:4, πλασσειν, Rom.
9:20, die ook niet op zichzelve een scheppen uit niets uitdrukken.
De term scheppen uit niets is dan ook niet letterlijk aan de Schrift
ontleend maar komt het eerst voor in 2 Macc. 7:28, waar gezegd wordt,
dat God hemel en aarde en mensch ἐξ οὐκ ὀντων ἐποιησεν, Vulg. fecit
ex nihilo. Men heeft bestreden, dat deze uitdrukking in strengen zin
mocht worden opgevat, en haar eene platonische uitlegging gegeven.
Toch verdient het de aandacht, dat de schrijver niet van μη ὀντα, d. i.
een nihilum privativum, eene qualiteit- en vormlooze materie, maar van
οὐκ ὀντα d. i. een nihilum negativum spreekt. Voorts is het zelfs nog
niet zeker, dat de auteur van het boek der Wijsheid in cap. 11:18 de
eeuwigheid eener vormlooze stof heeft geleerd; de plaats kan zeer goed
van de creatio secunda worden verstaan, evenals dat later het geval is
bij Justinus Martyr. Maar hoe dit zij, de Schrift laat te dezen opzichte
geen twijfel over. Zij gebruikt den term niet, maar leert de zaak
duidelijk. Wel heeft men gemeend, dat ook Gen. 1:1-3 eigenlijk van een
oorspronkelijken, niet geschapen chaos uitging. Wijl בְרֵאשִׁית naar
den vorm een status constr. is, zouden de verzen 1-3 aldus te vertalen
zijn: in den beginne toen God hemel en aarde schiep--de aarde nu was
woest en ledig enz.--, toen sprak God: er zij licht. In vers 2 zou dan
de woeste en ledige aarde bij het scheppen Gods worden ondersteld;
zoo Ewald, Bunsen, Schrader e. a., cf. Schultz, Altt. Theol.⁴ S. 570
f. Maar deze vertaling is niet aannemelijk. Vooreerst krijgt de zin
dan eene periodische lengte, die in ’t hebr. weinig voorkomt, hier
terstond in het begin en naar den schrijftrant van Gen. 1 heel niet
wordt verwacht en ook op de schepping van het licht veel te sterken
nadruk legt; vervolgens eischt de status constr. van בראשׁית deze
vertaling niet, omdat het in denzelfden vorm zonder suffix of genitivus
ook voorkomt in Jes. 46:10, cf. Lev. 2:12, Deut. 33:21; en ten derde
ware het vreemd, dat terwijl de voorzin zeggen zou, dat God hemel en
aarde nog scheppen moest, de tusschenzin den chaos reeds met den naam
van aarde bestempelde en van den oorspronkelijken toestand des hemels
heel geen gewag maakte. En daarbij komt dan nog, dat deze vertaling,
ook indien ze juist ware, nog geenszins de eeuwigheid der woeste aarde
leeren zou maar hoogstens dit in het midden zou laten. Dat strijdt
echter met geheel den geest van het scheppingsverhaal. Elohim wordt in
Gen. 1 niet voorgesteld als een wereldformeerder, die op menschelijke
wijze uit voorhanden stof een kunstwerk maakt, maar als Een, die enkel
sprekende, door een louter machtwoord, alle dingen in het aanzijn roept.
En daarmede komt heel de Schrift overeen. God is de Almachtige, die
oneindig verre staat boven alle creatuur, en met alle schepselen doet
naar zijn souverein welgevallen; de absolute bezitter, כֹנֵה van
hemel en aarde, Gen. 14:19, 22, die alles doet wat Hem behaagt, aan
wiens macht nergens een grens is gesteld. Hij spreekt en het is, Hij
gebiedt en het staat, Gen. 1:3, Ps. 33:9, Jes. 48:13, Rom. 4:17. Voorts
worden alle dingen in de Schrift telkenmale beschreven als door God
gemaakt en volstrekt van Hem afhankelijk. Hij heeft alles gemaakt, hemel,
aarde, zee met al wat er op en er in is, Ex. 20:11, Neh. 9:6 enz. Alles
is door Hem geschapen, Col. 1:16, 17, bestaat alleen door zijn wil, Op.
4:11, en is uit en door en tot God, Rom. 11:36. Vervolgens wordt er
nooit en nergens van eene eeuwige ongevormde stof ook maar de minste
melding gemaakt. God alleen is de Eeuwige, de Onverderfelijke; Hij alleen
is boven het worden en de verandering verheven. Daarentegen hebben de
dingen een begin en een einde, en zijn aan wisseling onderworpen. Op
anthropomorphe wijze wordt dit uitgedrukt. God bestond eer de bergen
geboren waren en zijne jaren houden niet op, Ps. 90:2, Spr. 8:25, 26;
Hij heeft uitverkoren en liefgehad προ καταβολης κοσμου, Ef. 1:4, Joh.
17:24, cf. Mt. 13:35, 25:34, Luk. 11:50, Joh. 17:5, Hebr. 4:3, 9:26,
1 Petr. 1:20, Op. 13:8, 17:8. En eindelijk leert Rom. 4:17, ook al is
daar niet bepaald van de schepping sprake, dat God τα μη ὀντα, hetgeen
mogelijk nog niet is, roept en beveelt ὡς οντα, alsof het ware; het
zijn of niet-zijn maakt voor Hem geen onderscheid. Nog klaarder spreekt
Hebr. 11:3 het uit, dat de wereld zoo door God is gemaakt, dat hetgeen
gezien wordt niet geworden is ἐκ φαινομενων, uit hetgeen onder de
oogen verschijnt. Eene vormlooze stof is hierdoor geheel buitengesloten;
de zichtbare wereld is niet uit ’t zichtbare voortgekomen maar rust in
God, die door zijn woord alles in het aanzijn riep.
5. Deze leer der Schrift vindt in de woorden _uit niets_ hare scherpste
uitdrukking, en is zoo van den beginne af door de christelijke theologie
verstaan en weergegeven, Hermas, Pastor I 1. Theophilus, ad Autol.
II 4. Tertull. de praescr. 13. Iren. adv. haer. II 10 enz. Maar bij
gnostieken en manicheën, theosophen en naturalisten, pantheisten en
materialisten heeft deze leer ten allen tijde weerspraak ontmoet. Vooral
is het aan Aristoteles ontleende: ex nihilo nihil fit, daartegen in
het midden gebracht. Toch is deze bestrijding geheel zonder grond.
Vooreerst is deze regel van Aristoteles lang zoo eenvoudig niet
als hij lijkt; ieder oogenblik staan we voor verschijnselen, die zich
niet tot aanwezige factoren laten herleiden; geschiedenis is geen
rekensom; het leven is geen product van chemische verbindingen; het
genie is nog iets anders en iets meer dan het kind van zijn tijd, en
elke persoonlijkheid is iets oorspronkelijks. Maar hiervan afgezien
en cum grano salis opgevat, vindt deze regel van Aristoteles geene
tegenspraak. De theologie heeft nooit geleerd, dat het niet-zijn de
vader, de bron, het principium was van het zijn. Ten overvloede heeft
zij er telkens bijgevoegd, dat de uitdrukking ex nihilo geene aanduiding
was van eene te voren bestaande materie, uit welke de wereld gevormd
werd; maar ze gaf alleen te kennen, dat het zijnde eens niet was, en
dat het alleen door Gods almachtige kracht in het aanzijn is geroepen;
de uitdrukking ex nihilo staat dus met post nihilum gelijk; particula
ex non designat sed excludit materiam; de wereld heeft haar oorzaak
niet in zichzelve maar alleen in God, Iren. adv. haer. II 14. August.
Conf. XI 5. XII 7. De Gen. ad litt. I 1. Anselmus, Monol. c. 8. Thomas,
S. Theol. I qu. 45 art. 1 enz. De uitdrukking werd in de christelijke
theologie alleen daarom zoo gaarne behouden, omdat zij bijzonder geschikt
was om allerlei dwaling bij den wortel af te snijden. Vooreerst deed ze
dienst tegen de paganistische leer van eene ἀμορφος ὑλη, waarboven
ook een Plato en Aristoteles zich niet hadden kunnen verheffen. In
het Heidendom is de mensch gebonden aan de stof, onderworpen aan
zinnelijkheid en natuurdienst; hij kan de gedachte niet vatten, dat
de geest vrij staat tegenover en boven de stof, en nog veel minder,
dat God absoluut souverein is, door niets bepaald dan door zijn eigen
wezen. En daartegenover leert nu de schepping uit niets de absolute
souvereiniteit Gods, zijne volstrekte onafhankelijkheid; indien ook maar
een enkel stofdeel niet uit niet geschapen ware, zou God niet God
wezen. In de tweede plaats sluit deze uitdrukking alle emanatie uit,
alle wezensidentiteit van God en wereld. Wel spraken de scholastici
meermalen van eene emanatio of processio totius entis a causa
universali, en ook wel van eene participatie van het schepsel aan het
zijn en het leven Gods. Maar daarmede bedoelden zij geen emanatie in
eigenlijken zin, alsof het Goddelijk wezen in de creaturen uitstroomde
en er zich in ontplooide, gelijk het genus in zijne species. Maar zij
wilden daarmede alleen zeggen, dat God ens per essentiam is, het
schepsel echter ens per participationem; de schepselen hebben wel een
eigen zijn, maar dit heeft in het Goddelijk zijn zijne causa efficiens
en exemplaris, Thomas, S. Theol. I qu. 45 art. 1. Kleutgen, Philos.
der Vorz. II 828 f. 899 f. De schepping uit niets handhaaft, dat er
tusschen God en wereld een essentieel onderscheid is. De schepping
bestaat niet in een overgang van de wereld uit een zijn in God tot een
zijn buiten God, noch ook uit een zijn zonder God tot een zijn door God,
maar uit het niet-zijn tot het zijn. De wereld is zeker geen αντιθεος, zij
bestaat niet onafhankelijk, zij is en blijft in God als haar voortdurende
causa immanens, gelijk later bij de onderhouding tegen het manicheisme
en deisme moet worden aangetoond. Maar zij is naar de leer der Schrift
geen deel, geen uitvloeisel van het wezen Gods. Zij heeft een eigen, een
ander, een van de essentia Dei onderscheiden wezen en zijn. En dat wordt
door het ex nihilo uitgedrukt. Toch heeft de philosophie ook dezen term
misbruikt. Evenals Plato onder het μη ὀν eene eeuwige ongevormde stof
verstond, zoo duidde Erigena zelfs God als nihilum aan, voorzoover Hij
boven alle kategorieën en bepalingen, boven alle zijn en wezen verheven
is; dum ergo incomprehensibilis intelligitur, per excellentiam nihilum
non immerito vocitatur, de div. nat. III 19. En als Hij alles uit niets
te voorschijn brengt, dan wil dat zeggen, dat Hij de sua videlicet
superessentialitate producit essentias, de supervitalitate vitas, etc.
de div. nat. III 20. Nog vreemder sprong Hegel in zijne Logik met
dit begrip om, als hij onder het niets verstond een Nicht-seyn, das
zugleich Seyn, und ein Seyn, das zugleich Nicht-seyn ist; een niets,
dat tegelijk alles is, nl. in potentia en niets bepaald in concreto,
Werke III 64. 73 f. Tegen deze philosophische begripsverwarring staat
de christelijke theologie lijnrecht over; zij verstaat onder het niets een
zuiver nihil negativum en weert alle emanatie af. Toch ligt er ook in
de emanatie eene ware gedachte, die juist door de bijbelsche leer der
creatie zonder schending van het wezen Gods gehandhaafd wordt, veel
beter dan in de philosophie. De leer van de schepping uit niets geeft
nl. ten slotte aan de christelijke theologie eene plaats tusschen het
gnosticisme en het arianisme in, d. i. tusschen pantheisme en deisme.
Het gnosticisme kent geen creatie maar alleen emanatie en maakt daarom
de wereld tot den Zoon, de wijsheid, het beeld Gods in adaequaten zin;
het arianisme kent geen emanatie maar alleen creatie, en maakt daarom
den Zoon tot een schepsel; daar wordt de wereld vergoddelijkt, hier God
verwereldlijkt. Maar de Schrift en dienovereenkomstig de christelijke
theologie kent beide, emanatie en creatie; eene tweevoudige meedeeling
Gods, eene binnen, eene buiten het Goddelijk wezen; eene aan den Zoon,
die in den beginne bij God en zelf God was, en eene aan de schepselen,
die in den tijd zijn ontstaan; eene van eeuwigheid en eene in den tijd;
eene uit het wezen en eene door den wil Gods. De eerste heet generatie,
de tweede creatie. Door de generatie wordt eeuwiglijk het adaequate
beeld Gods meegedeeld aan den Zoon; door de creatie wordt slechts eene
zwakke, flauwe gelijkenis Gods meegedeeld aan het schepsel. Maar toch
staan beide in verband. Zonder de generatie zou de creatie niet mogelijk
zijn. Indien God zich niet absoluut kon meedeelen aan den Zoon, kon Hij
veelmin in relatieven zin zich meedeelen aan zijn schepsel. Indien God
niet trinitarisch bestond, ware de schepping niet mogelijk, Athan. c.
Ar. I 12. II 56. 78.
6. Dienovereenkomstig leert dan ook de H. Schrift, dat God Drieëenig
de auteur der schepping is. Tusschenwezens kent de Schrift niet. De
Joden dachten bij den pluralis in Gen. 1:26 aan de engelen, Weber, Syst.
170. De Gnostieken lieten uit God eene reeks van aeonen uitgaan, die
scheppend optraden. De Arianen maakten van den Zoon een tusschenwezen
tusschen Schepper en schepsel in, dat, schoon geschapen, toch ook
zelf weer schiep. In de Middeleeuwen waren velen niet ongeneigd, om
de mogelijkheid eener medewerking van het schepsel bij de schepping aan
te nemen. Zij kwamen daartoe, omdat in de kerk de zondenvergeving en
genade-uitdeeling inhaerent was aan het ambt, en een priester in de
mis het brood veranderen kon in het lichaam van Christus en dus een
creator sui creatoris (Biel) werd. Vandaar dat Lombardus in de leer
van de sacramenten zegt, dat God ook wel posset per aliquem creare
aliqua, non per eum tanquam auctorem sed ministrum cum quo et in quo
operaretur, Sent. IV dist. 5 n. 3. Door enkelen, zooals Durandus,
Suarez, Bellarminus gevolgd, werd hij toch door anderen zooals Thomas,
Scotus, Bonaventura, Richard, Victor enz. weersproken, Thomas, S.
Theol. I qu. 45 art. 5. Kleutgen, Philos. der Vorzeit II² 849 f. En
hiermede stemden ook de Gereformeerden overeen, die meer nog dan
Roomschen en Lutherschen alle vermenging van Schepper en schepsel
weerstonden, Voetius, Disp. I 556 sq. Synopsis, X 14. Turret. Th.
El. V qu. 2. Heidegger, Corpus Theol. VI 14. Mastricht III 5, 20. M.
Vitringa II 81-82. De Schrift kent de schepping uitsluitend Gode toe,
Gen. 1:1, Jes. 40:12v., 44:24, 45:12, Job 9:5-10, 38:2v. Daardoor is
Hij van de afgoden onderscheiden, Ps. 96:5, Jes. 37:16, Jer. 10:11,
12. Scheppen is een Goddelijk werk, eene daad van oneindige macht,
en daarom noch in de natuur noch in de genade mededeelbaar aan
eenig schepsel, wat het ook zij. Maar des te eenpariger werd door de
christelijke theologie het werk der schepping toegeschreven aan alle
drie personen in de triniteit. De Schrift liet hier ook geen twijfel
over. God heeft alle dingen geschapen door den Zoon, Ps. 33:6, Spr.
8:22, Joh. 1:3, 5:17, 1 Cor. 8:6, Col. 1:15-17, Hebr. 1:3, en door den
Geest, Gen. 1:2, Ps. 33:6, Job 26:13, 33:4, Ps. 104:30, Jes. 40:13,
Luk. 1:35. En daarbij zijn Zoon en Geest niet gedacht als oorspronkelijke
krachten maar als zelfstandige principia, als auctores, die met den
Vader het werk der schepping tot stand brengen, gelijk zij met Hem ook
de ééne, waarachtige God zijn. In de christ. kerk kwam deze leer der
Schrift niet aanstonds tot haar recht; de Logos werd eerst te veel
opgevat als een tusschenwezen, dat den overgang tusschen God en wereld
bewerkte; en de persoon en het werk des H. Geestes trad eerst nog
geheel op den achtergrond, boven bl. 251v. Maar Irenaeus zeide toch
reeds, dat God geen vreemde werktuigen behoefde bij de schepping en
ook de engelen daarbij niet gebruikte, maar dat Hij zijne eigene handen
heeft, den Logos en den H. Geest, door wien en in wien Hij alles heeft
geschapen, adv. haer. IV 20. Klaar werd de leer der schepping als
werk der gansche triniteit ontwikkeld door Athanasius en de drie
Cappadociërs in het Oosten en door Augustinus in het Westen. Geen
schepsel, zegt Athanasius, kan ποιητικον αἰτιον der schepping zijn; als
de Zoon dus met den Vader de wereld schept, kan Hij geen buitengoddelijk,
geschapen demiurg zijn, gelijk Arius meent, maar moet Hij de eigen Zoon
des Vaders zijn, ἰδιον γεννημα της οὐσιας αὐτου, c. Ar. II 21 sq.
Maar waar de Logos is, daar is ook de Geest, en dus ὁ πατηρ δια του
λογου ἐν τῳ πνευματι κτιζει τα παντα, ad Serap. III 5. En nog sterker
spreekt Augustinus: ab hac summe et aequaliter et immutabiliter bona
trinitate creata sunt omnia, Enchir. 10, zoodat de gansche schepping
een vestigium trinitatis is, de trin. VI 10. de civ. XI 24. Conf.
XIII 11. En zoo is deze leer het gemeengoed geworden van heel de
christelijke theologie, Joh. Damasc. de fide orthod. I 8. Thomas, S.
Theol. I qu. 45 art. 6. Luther, art. Smalc. I 1. Calv. Inst. I 14,
20, en ook van de verschillende confessies, Denzinger, Enchir. Symb.
n. 202. 227. 231. 232. 355. 367. 598. Müller, Die symb. Bücher der
ev. luth. K. 5e Aufl. S. 38. 299. Niemeyer, Coll. conf. eccl. Ref. p.
87. 331. 341 enz. Tegenspraak vond deze leer alleen bij hen, die ook
het kerkelijk triniteitsdogma verwerpen en hoogstens alleen van eene
schepping des Vaders door den Zoon willen weten maar in geen geval
in de creatie een gemeenschappelijk werk der drie Goddelijke personen
erkennen, zooals de Arianen, Socinianen, Remonstranten, Rationalisten,
en in den nieuweren tijd Martensen, Dogm. § 61. Oosterzee, Dogm. § 56,
5 en vooral Doedes, Ned. Gel. 121v. Beide dogmata staan en vallen ook
met elkaar. De belijdenis van de wezenseenheid der drie personen brengt
vanzelve mede, dat alle opera ad extra communia en indivisa zijn; en
omgekeerd is de bestrijding van het trinitarisch werk der schepping
bewijs van afwijking in de leer der triniteit. Het komt er hier slechts
op aan, om met de Schrift en met de kerkvaders, zooals Athanasius,
ten strengste onderscheid te maken tusschen Schepper en schepsel, en
voor alle gnostische vermenging zich te wachten. Indien Zoon en Geest
in de Schrift optreden als zelfstandige principia, als auctores der
schepping, dan zijn zij ook het Goddelijk wezen deelachtig; en indien zij
waarachtig God zijn, hebben zij ook deel aan het werk der schepping.
Daarentegen wikkelt de ariaansche leer in onoplosbare moeilijkheden.
Het is niet tegen te spreken, dat de Schrift de schepping als een werk
des Vaders door den Zoon leert. Indien de Zoon nu beschouwd wordt als
een persoon buiten het Goddelijk wezen, is er recht tot de vraag: aan
het scheppen van den Vader door den Zoon is geen zin te hechten; de
Schrift zegt het, maar wat kan het beteekenen? de Vader heeft den Zoon
het scheppen opgedragen? dan ware de Zoon de eigenlijke Schepper. Vader
en Zoon hebben samen alles geschapen? maar dan is het geen scheppen
door den Zoon, Doedes t. a. p. 128. De leer der triniteit doet hier
het ware licht opgaan. Gelijk God één is in wezen en onderscheiden in
personen, zoo is ook het werk der schepping één en ongedeeld en toch
in die eenheid rijk aan verscheidenheid. Het is een eenig God, die alle
dingen schept, en daarom is de wereld eene eenheid, gelijk omgekeerd de
eenheid der wereld de eenheid Gods bewijst. Maar in dat ééne Goddelijk
wezen zijn drie personen, die elk in het ééne werk der schepping een
eigen taak vervullen. Niet in dien zin, dat de schepping principaliter
aan den Vader en minus principaliter aan den Zoon en den Geest toekomt,
of dat de drie personen onafhankelijk naast elkander werken, elkanders
arbeid aanvullen en drie gescheiden causae efficientes der schepping
zijn; de spreekwijze van tres causae sociae bij sommige theologen vond
daarom bij velen bezwaar, Zöckler, Gesch. der Bezieh. I 621 f. 679 f.
Er is wel coöperatie, maar geen arbeidsverdeeling. Alle dingen zijn
tegelijk uit den Vader door den Zoon in den Geest. De Vader is de eerste
oorzaak; van Hem gaat het initiatief uit; de schepping wordt daarom
in oeconomischen zin bepaaldelijk aan Hem toegeschreven. De Zoon is
niet het instrument maar de persoonlijke wijsheid, de Logos, door welken
alles geschapen wordt; alles rust en heeft systeem in Hem, Col. 1:17 en
is tot Hem geschapen, Col. 1:16, niet als einddoel maar als Hoofd en
Heer aller schepselen, Ef. 1:10. En de Heilige Geest is de persoonlijke
immanente oorzaak, waardoor alle dingen in God leven, zich bewegen en
zijn, hun vorm en gestalte ontvangen en heengeleid worden tot hunne
bestemming. Cf. boven 417v. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 328 f.
Kuyper, Het werk van den H. Geest I 20v.
7. Toch, al is de schepping een werk der gansche triniteit, het kan
niet ontkend worden, dat zij in de Schrift nog in eene eigenaardige
verhouding tot den Zoon staat, welke afzonderlijke bespreking verdient.
Het O. Test. zegt menigmaal, dat God door het woord alle dingen
geschapen heeft, Gen. 1:3, Ps. 33:6, Ps. 148:5, Jes. 48:13, door
wijsheid de aarde gegrond en door verstandigheid de hemelen toebereid
heeft, Ps. 104:24, Spr. 3:19, Jer. 10:12, 51:15. Maar die wijsheid wordt
ook persoonlijk voorgesteld als raadgeefster en werkmeesteresse der
schepping. God verwierf en bezat ze, schikte ze, doorzocht ze, opdat
Hij door haar als eerstelinge zijns wegs, als beginsel zijner werken,
de wereld scheppen en inrichten zou. En zoo was ze vóór de schepping
reeds bij Hem, en gedurende de schepping werkte ze mede en verheugde
zich in de werken van Gods handen, bovenal in de menschenkinderen,
Spr. 8:22-31, Job 28:23-27. In het N. Test. wordt deze leer verder
ontwikkeld. Wij lezen daar niet alleen, dat God alles geschapen heeft
door den Zoon, Joh. 1:3, 1 Cor. 8:6, Col. 1:15-17, Hebr. 1:3, maar
Christus heet daar ook πρωτοτοκος πασης κτισεως, Col. 1:15, ἀρχη
της κτισεως του θεου, Op. 3:14, de Alpha en Omega, het begin en het
einde van alle dingen, Op. 1:17, 21:6, 22:6, tot wien alles geschapen
is, Col. 1:17, om onder Hem als het Hoofd wederom bijeen te worden
vergaderd, Ef. 1:10. Christus heeft in al deze plaatsen niet slechts
eene soteriologische maar ook eene kosmologische beteekenis. Hij is
middelaar der herschepping niet alleen maar ook der schepping. De
Apologeten wisten met deze gedachten der Schrift nog geen raad. Onder
platonischen invloed staande, zagen zij in den Logos dikwerf niet
veel meer dan den κοσμος νοητος; ze brachten Hem ten nauwste met de
wereld in verband, hielden zijne generatie door de creatie gemotiveerd
en maakten tusschen de geboorte des Zoons en de schepping der wereld
nog geen genoegzaam onderscheid; ze worstelen nog met de gnostische
gedachte, dat de Vader eigenlijk de verborgen, onzichtbare Godheid
is en eerst door den Logos openbaar wordt, cf. boven bl. 251v. Al
is dit gnostische element nu door de kerkvaders, vooral Athanasius
en Augustinus, ook uit de theologie gebannen; het is daarin toch
telkens wedergekeerd. De wortel, waaruit deze gedachte ontspruit, is
altijd een zeker dualisme, eene meer of minder scherpe tegenstelling
tusschen geest en stof, tusschen God en wereld. God is onzichtbaar,
ontoegankelijk, verborgen; de wereld is indien niet anti-, dan toch
ongoddelijk, God-loos, athée. Om deze principieele tegenstelling te
verzoenen is er een tusschenwezen noodig, en dat is de Logos. Hij is in
betrekking tot God de wereldidee, het wereldbeeld, de κοσμος νοητος,
en in betrekking tot de wereld is Hij de eigenlijke Schepper, het
principe der mogelijkheid, dat er eene wereld komt. Bij de Hernhutters
leidde dit er zelfs toe, dat de Vader geheel terugtreedt, en Christus
de eigenlijke Schepper is; de herschepping verslindt de schepping,
de genade vernietigt de natuur. Verscheiden Vermittelungstheologen
leeren, dat de Logos de wereld is naar hare idee, en dat het dus gehört
zum Wesen des Sohnes, sein Leben nicht mehr im Vater sondern auch in
der Welt zu haben; als das Herz des Vaters ist er zugleich das ewige
Weltherz, der ewige Weltlogos, Martensen, Dogm. § 125. Meyer op Col.
1:16. Deze voorstelling leidt dan vanzelf tot de leer der menschwording
buiten de zonde. De wereld is op zichzelve profaan, de schepping
eigenlijk geen wezenlijk Goddelijk werk. Indien God zal kunnen scheppen,
indien de wereld, indien de menschheid Hem aangenaam zal kunnen wezen,
dan moet Hij ze zien in Christus. Deze is het, in wien en om wien de
wereld alleen door God gewild kan zijn; in wien als het hoofd en het
Centralindividuum de menschheid Gode alleen welgevallig kan wezen;
de menschwording is noodzakelijk voor de openbaring en de meedeeling
Gods, en de Godmensch is het hoogste doel der schepping, cf. Dorner,
Entw. der Lehre van der Person Christi III 1227-1262, Nitzsch, Syst.
der chr. Lehre S. 204, Lange, Chr. Dogm. II 215 en vooral ook Keerl,
Der Mensch, das Ebenbild Gottes II 1 f. Ten slotte voltooit zich deze
gedachtenreeks in de leer, dat de schepping noodzakelijk is voor God
zelven; God an sich is wel natuur, Urgrund, βυθος, σιγη, maar om zelf
tot persoonlijkheid, geest te worden, heeft Hij de schepping noodig.
De schepping is de geschiedenis Gods, de kosmogonie is theogonie,
Schelling, Werke II 2 S. 109.
Deze gnostiek is alleen principieel te overwinnen, wanneer alle
dualisme tusschen God en wereld bij den wortel wordt afgesneden.
Scheppen is geen lager en minder Goddelijk werk dan het herscheppen;
de natuur staat niet beneden de genade; de wereld is niet profaan
in zich zelve. En zoo was er dan ook geen lager Goddelijk wezen van
noode, om den Vader in staat te stellen tot het scheppen der wereld.
De christelijke kerk gelooft in den Vader, den Almachtige, Schepper des
hemels en der aarde. De schepping is volstrekt niet meer het werk van
den Zoon dan van den Vader. Alle dingen zijn uit God. En de christelijke
kerk belijdt van den Zoon, dat Hij niet minder is dan de Vader en niet
dichter bij de schepselen staat maar dat Hij ééns wezens is met den
Vader en met den Geest, en dat zij samen de ééne, eeuwige, waarachtige
God zijn, Schepper van hemel en van aarde. Maar wel neemt de Zoon bij
het werk der schepping eene eigen plaats in. Vooral Augustinus stelde
dit in het licht. Ofschoon hij de ideeën der dingen niet met den Logos
vereenzelvigde, gelijk de Apologeten gedaan hadden, moest hij deze toch
met den Logos in verband brengen. De wereld was wel niet eeuwig maar
haar idee was toch eeuwig in het bewustzijn Gods. De Vader spreekt al
zijn gedachten, heel zijn wezen uit in het ééne, persoonlijke Woord, en
daarom is de wereldidee ook vervat in den Logos; de Logos kan daarom
genoemd worden forma quaedam, forma non formata sed forma omnium
formatorum, Serm. 117, cf. de lib. art. III 16 en 17. de trin. XI
10. XV 14, cf. Anselmus, Monol. 34. Thomas, S. Theol. I qu. 34 art.
3, cf. 44 art. 3. Hierdoor kan de beteekenis van den Zoon voor de
schepping worden vastgesteld. Vooreerst is het de Vader, van wien het
initiatief der schepping uitgaat, die de wereldidee denkt, maar alwat
de Vader is en heeft en denkt, deelt Hij mede aan en spreekt Hij uit in
den Zoon. In Hem aanschouwt de Vader de idee der wereld zelve, niet
als ware deze met den Zoon identisch, maar zoo dat ze in den Zoon, in
wien zijne gansche volheid woont, Hem voor oogen staat en te gemoet
treedt. In de Goddelijke wijsheid ligt ook, als deel, als epitome, die
wijsheid besloten, welke in de schepselen gerealiseerd zal worden. Hij
is de Logos, door wien de Vader alle dingen schept; de gansche wereld
is eene gerealiseerde gedachte Gods; een boek met groote en kleine
letteren, waaruit zijne wijsheid te kennen is. Maar niet alleen causa
exemplaris is Hij, ook ἀρχη δημιουργικη. Het woord, dat God spreekt,
is geen klank zonder inhoud; het is krachtig en levend. Het woord,
de wereldidee, welke de Vader uitspreekt in den Zoon, is eene ratio
seminalis, forma principalis, van de wereld zelve; daarom heet de
Zoon de ἀρχη, πρωτοτοκος, ἀρχη της κτισεως, de eerstgeborene, die de
schepping draagt, in wien ze rust, uit wien ze opkomt als haar oorzaak
en voorbeeld; en daarom is dat woord, dat de Vader bij de schepping
spreekt en waardoor Hij de dingen uit het niet in het aanzijn roept, ook
krachtig, want het wordt gesproken in en door den Zoon. En eindelijk is
de Zoon ook in zekeren zin de causa finalis der wereld. Omdat zij in
Hem haar grondslag en voorbeeld heeft, is zij ook tot Hem geschapen,
wel niet als laatste einddoel, maar toch als Hoofd, Heer en Erfgenaam
aller dingen, Col. 1:16. Saamgevat in den Zoon, onder Hem als Hoofd
vergaderd, komen alle schepselen weer tot den Vader, uit wien alle
dingen zijn. En zoo heeft de wereld haar eeuwige idee, haar ἀρχη en haar
τελος in het drieëenig wezen Gods. Het woord, dat de Vader uitspreekt
in den Zoon, is de volle uitdrukking van het Goddelijk wezen en dus ook
van al datgene, wat ook door dat woord als schepsel buiten het Goddelijk
wezen bestaan zal. En de spiratie, waardoor Vader en Zoon principium
zijn van den Geest, bevat ook in zich het willen van die wereld, wier
idee in de Goddelijke Wijsheid is begrepen, Kleutgen, Philos. II 870.
Daarom gaat de schepping uit van den Vader door den Zoon in den Geest,
opdat zij in den Geest door den Zoon weder tot den Vader terugkeere.
8. Hierdoor valt er ook eenig licht op het moeilijk probleem van de
schepping en den tijd. De Schrift zegt eenvoudig en menschelijk, dat de
dingen een begin hebben gehad. Zij spreekt van een tijd vóór de geboorte
der bergen, vóór de grondlegging der wereld, vóór de tijden der eeuwen,
Gen. 1:1, Ps. 90:2, Spr. 8:22, Joh. 1:1, Ef. 1:4, 2 Tim. 1:9. En ook wij
kunnen in ons denken en spreken nimmer van dien tijdvorm ons ontdoen.
Eigenlijk worden uit deze menschelijke beperktheid al de bezwaren
geboren, die tegen eene schepping in den tijd telkens weer oprijzen.
Teruggaande met onze gedachten, komen wij ten slotte tot het eerste
moment, waarin alle ding een aanvang neemt. Daarvóór is er niets dan
de diepe stilte der eeuwigheid. Maar aanstonds vermenigvuldigen zich
de vragen in ons hart. Waarmede zullen we die eeuwigheid vullen en wat
werkzaamheid kan er zijn, als alle werk van schepping en onderhouding
wordt weggedacht? De leer der triniteit en der besluiten geeft ons
hier eenig antwoord; maar losgemaakt van de wereld, bieden ze geen
inhoud meer aan ons denken. Wat deed God dan vóór de schepping, Hij,
die niet als een Deus otiosus gedacht worden kan, maar die altijd
ἐργαζεται, Joh. 5:17. Is Hij dan veranderd, overgegaan van ledigheid tot
werkzaamheid, van rust tot arbeid? Hoe is de schepping, de overgang
tot de daad van schepping, te rijmen met de onveranderlijkheid Gods?
En waarom is Hij eerst tot die schepping overgegaan, toen reeds eene
eeuwigheid voorbijgesneld was? Hoe is er in die boven allen tijd verheven
eeuwigheid een moment te vinden, waarin God van het niet-scheppen tot
het scheppen overging? En waarom koos Hij juist dat moment, waarom begon
de schepping niet eeuwen te voren? Al deze vragen hebben verschillende
antwoorden uitgelokt. Het pantheisme beproefde eene oplossing te geven
door te leeren, dat in God wezen en werken één waren, dat God geen
Schepper is geworden maar dat de schepping zelve eene eeuwige is; de
wereld heeft geen begin gehad, zij is de eeuwige zelfopenbaring Gods;
en God gaat niet in duur aan de wereld vooraf maar alleen in logischen
zin, in zoover Hij aller dingen oorzaak is; de natura naturans is niet
te denken zonder natura naturata, de substantie niet zonder attributa
en modi, de idee niet zonder verschijning, Erigena, de div. nat. I
73. 74. III 8. 9. 17 enz. Spinoza, Cogit. metaph. II c. 10. Hegel,
Werke VII 25 f. Verwant is daarmede de solutie, welke Origenes gaf;
hij verwierp wel de eeuwigheid der materie, en leerde wel, dat alles
door den Logos uit niets geschapen was, de princ. II 1; maar God is
niet ledig te denken, zijne almacht is eeuwig als Hijzelf, en daarom is
Hij ook van eeuwigheid beginnen te scheppen. Wel is de tegenwoordige
wereld niet eeuwig, de princ. III 5, maar aan deze wereld gingen
ontelbare werelden vooraf, gelijk er ook vele op volgen zullen, de
princ. I 2. III 5. Dit gevoelen, dat eigenlijk van de Stoa afkomstig
is, Zeller, Philos. der Gr. IV³ 153 f., werd door de kerk veroordeeld
op het concilie te Nicea, maar is toch telkens weer vernieuwd, in
deze eeuw nog door Rothe, Theol. Ethik § 50 f. Ulrici, Gott u. die
Natur 1866 S. 671 f. Martensen, Chr. Dogm. § 65, 66. Dorner, Gl. I 466
f. G. Wetzel, Die Zeit der Weltschöpfung. Jahrb. f. deutsche Theol.
1875 S. 582-588 enz. Hierbij verdient ook nog vermelding de in de
scholastiek veel behandelde vraag, of de wereld niet eeuwig had kunnen
zijn. Ter verdediging van Aristoteles, die de eeuwigheid der wereld
leerde, Zeller, III³ 357 f., werd deze vraag door sommigen bevestigend
beantwoord, o. a. door Thomas, S. Th. I. qu. 46 art. 1, 2. S. c. G. II
31-37, Durandus, Occam, Biel, Cajetanus, cf. Esser, Die Lehre des h.
Th. v. Aq. über die Möglichkeit eener anfangslosen Schöpfung, Münster
1895. Rolfes, Philos. Jahrb. X 1897 Heft 1. Door anderen werd ze echter
beslist ontkend, zooals door Bonaventura, Sent. I. dist. 44 art. 1 qu.
4. Albertus Magnus, Henricus van Gent, Richard, Valentia, Toletus,
cf. Petavius, de Deo III c. 5. 6, en evenzoo door de Lutherschen,
Quenstedt I 421. Hollaz p. 358, en de Gereformeerden, Zanchius, Op. III
22 sq. Voetius, Disp. I 568. Leydecker, Fax Verit. 140. Coccejus, S.
Theol. c. 15. Moor II 179 M. Vitringa II 83. Turret. Th. El. V qu. 3;
slechts een enkele achtte eene eeuwige schepping mogelijk, Burmannus,
Synopsis I 41, 24. Al deze antwoorden schenken echter aan het denken
geen bevrediging. Natuurlijk is er hierover geen verschil, dat de
wereld op dit oogenblik in plaats van duizenden jaren, ook wel reeds
millioenen van eeuwen zoude hebben kunnen bestaan. Niemand, die dit in
het afgetrokkene ontkent. Maar geheel iets anders is het, of de wereld
eeuwig had kunnen zijn in denzelfden zin als God eeuwig is. Dit nu is
onmogelijk, want eeuwigheid en tijd verschillen essentieel. Kant zag
er eene onoplosbare antinomie in, dat de wereld eensdeels een begin
moest hebben gehad, omdat een oneindig afgeloopen tijd ondenkbaar was,
en dat ze toch anderdeels geen begin kon hebben, wijl een ledige tijd
ondenkbaar is, Kr. d. r. Vern. ed. Kirschmann, 5e Aufl. 360 f. Alleen
het laatste lid dezer antinomie heeft geen recht van bestaan; met de
wereld valt ook de tijd vanzelf weg; er blijft dan geen tijd en dus ook
geen ledige tijd meer over, Iren. adv. haer. III 8. Athan. c. Ar. I 29.
58. Tert. adv. Marc. II 3. adv. Hermog. 4. August. de civ. XI 6. Dat wij
dat niet kunnen indenken en altijd zulk eene hulpvoorstelling van een
tijd vóór den tijd noodig hebben, doet hier niets ter zake en komt alleen
daarvandaan, dat ons denken in den tijdvorm bestaat; om den tijd weg te
denken, zou het denken zichzelf moeten wegdenken, wat onmogelijk is. Zoo
blijft alleen over het eerste lid van Kants antinomie, nl. dat de wereld
een begin moet hebben gehad. Hoe eindeloos ook verlengd, tijd blijft
tijd en wordt nooit eeuwigheid. Er is tusschen beide een essentieel
verschil, boven bl. 131. De wereld is niet zonder tijd te denken; tijd
is een bestaansvorm van al het eindige en geschapene; nooit kan het
praedicaat der eeuwigheid in strikten zin toekomen aan wat in den vorm
van den tijd bestaat. Evenzoo berust de vraag, of God dan niet van
eeuwigheid had kunnen scheppen, op de vereenzelviging van eeuwigheid en
tijd. Er is in de eeuwigheid geen vroeger of later. God _heeft_ eeuwig
de wereld geschapen, d. i. ook in het moment, toen de wereld het aanzijn
ontving, was en bleef God de Eeuwige en schiep Hij als de Eeuwige. De
wereld, ook al had zij eene eindelooze reeks van eeuwen bestaan en al
waren millioenen van werelden aan deze voorafgegaan, ze blijft tijdelijk,
eindig, beperkt en heeft dus een begin gehad. De hypothese van Origenes
geeft niet de minste oplossing; de kwestie blijft volkomen dezelfde; ze
wordt alleen eenige millioenen van jaren verschoven. Nog ongegronder is
de vraag, wat God dan deed vóór de schepping. Ze is door Augustinus,
Conf. XI 12. Luther, Calvijn, Inst. I 14, 1 overeenkomstig Spr. 26:5
beantwoord. Zij gaat uit van de onderstelling, dat God in den tijd
bestaat en dat de schepping en onderhouding zijn dagelijksche inspannende
arbeid is. Maar God woont in de eeuwigheid, Hij is actus purissimus,
eene oneindige volheid van leven, zalig in zichzelven, zonder de
schepping niet ledig en door haar niet vermoeid. Non itaque in ejus
vacatione cogitetur ignavia, desidia, inertia, sicut nec in ejus opere
labor, conatus, industria. Novit quiescens agere et agens quiescere,
August. de civ. XII 17. En evenzoo is het met het pantheisme; het
is niet zoo oppervlakkig als het socinianisme en het materialisme,
dat eeuwigheid eenvoudig verandert in een naar voren en naar achter
eindeloos verlengden tijd en het onderscheid tusschen eindeloos en
oneindig niet kent; het zegt niet dat God alle dingen is en alle dingen
God zijn; het maakt onderscheid tusschen het zijn en het worden, natura
naturans en naturata, substantie en modi, het al en alle dingen, de
idee en de verschijning, d. i. tusschen eeuwigheid en tijd. Maar op de
vraag: waarin bestaat dat onderscheid dan? wat verband is er tusschen
beide? hoe gaat de eeuwigheid over in tijd? blijft het pantheisme het
antwoord schuldig. Het geeft woorden en beelden genoeg, maar er laat
zich niets bij denken. Het theisme echter houdt eeuwigheid en tijd voor
twee incommensurabele grootheden. Ze kunnen en mogen geen van beide
door ons verwaarloosd worden; zij dringen zich beide aan ons bewustzijn
en denken op. Maar wij vermogen beider verband niet te doorzien; levende
en denkende in den tijd, staan wij bewonderend stil voor het mysterie van
het eeuwige, ongeschapene zijn. Eenerzijds staat vast, dat God de Eeuwige
is; in Hem is geen verleden of toekomst, geen worden of verandering;
en alwat Hij is, is eeuwig, zijne gedachte, zijn wil, zijn besluit. Eeuwig
is in Hem ook de wereldidee, die Hij denkt en uitspreekt in den Zoon;
eeuwig is in Hem het besluit om de wereld te scheppen; eeuwig is in Hem
de wil, die de wereld in den tijd geschapen heeft; eeuwig is ook de daad
van scheppen, als daad Gods, als actio interna et immanens, August. de
civ. XII 17. Lombardus, Sent. II dist. 1 n. 2. Bonav. Sent. II dist.
1 art. 1 qu. 2. Thomas, c. Gent. I 82. Petavius, de Deo V 9, 9 en 13,
5. Voetius, Disp. I 565. Turret. Th. El. V qu. 3, 16, want Hij is geen
Schepper _geworden_, zoodat Hij eerst een tijd lang niet en daarna wel
zou hebben geschapen; Hij is de eeuwige Schepper, als Schepper was Hij
de Eeuwige en als de Eeuwige heeft Hij geschapen. De schepping bracht
daarom geen verandering in Hem; zij is niet uit Hem geëmaneerd; zij is
geen deel van zijn wezen; Hij is onveranderlijk dezelfde eeuwige God. En
andererzijds staat vast, ook voor het denken, dat de wereld een begin
heeft gehad en in den tijd is geschapen. Augustinus heeft terecht
gezegd: mundus non est factus in tempore sed cum tempore, Conf. XI
10-13, de civ. VII 30. XI 4-6. XII 15-17, gelijk Plato en Philo en
Tertullianus, adv. Marc. II 3 dit al vóór hem hadden gezegd en alle
theologen dit later hebben herhaald. Een ledige tijd is ondenkbaar.
Een tijd vóór de wereld is er niet geweest. De tijd is noodwendige
bestaansvorm van het eindige. Hij is niet afzonderlijk geschapen maar
met de wereld vanzelf gegeven, geconcreëerd evenals de ruimte. In
zekeren zin is de wereld er dus altoos geweest, d. i. zoolang als er
tijd was. Alle verandering valt dus niet in God maar in haar. Zij is aan
tijd d. i. aan verandering onderworpen. Zij is het voortdurende worden
tegenover God als het eeuwige en onveranderlijke zijn. En deze beide nu,
God en wereld, eeuwigheid en tijd, staan in deze verhouding; dat de
wereld in al hare deelen gedragen wordt door Gods alomtegenwoordige
kracht en de tijd in al zijne momenten doordrongen is van het eeuwige
zijn onzes Gods. Eeuwigheid en tijd zijn geen twee lijnen, waarvan de
kortere een tijdlang met de eindeloos verlengde parallel loopt; maar
de eeuwigheid is het onveranderlijke middelpunt, dat zijn stralen doet
uitgaan tot den ganschen omtrek van den tijd. Voor het beperkte oog van
het schepsel legt zij haar oneindigen inhoud in de breedte der ruimte
en de lengte des tijds successief uiteen, opdat het iets zou verstaan
van de onnaspeurlijke grootheid Gods. Maar daarom blijft eeuwigheid en
tijd toch onderscheiden. Dit alleen belijden wij, dat het eeuwige willen
Gods, zonder op te houden eeuwig te zijn, werkingen kan voortbrengen en
voortbrengt in den tijd, gelijk zijn eeuwig denken ook tijdelijke dingen tot
inhoud hebben kan. Thomas bij Kleutgen, Philos. der Vorz. II 871. De
macht van Gods wil, die eeuwiglijk één is, deed ontstaan wat niet was,
zonder dat in Hem eenige verandering plaats greep. God wil eeuwiglijk,
wat eerst na eeuwen plaats hebben zal of vóór eeuwen plaats gehad
heeft. En ten tijde, als het geschiedt, is er in de dingen verandering
maar in zijn wezen niet. Una eademque sempiterna et immutabili voluntate
res quas condidit et ut prius non essent egit, quamdiu non fuerunt et
ut posterius essent, quando esse coeperunt, Aug. de civ. XII 17.
9. Indien nu deze wereld, welke ontstaan is en bestaat in den tijd,
essentieel van het eeuwige en onveranderlijke zijn Gods onderscheiden
is, dringt zich met des te meer kracht de vraag op, wat God bewoog,
om deze wereld in het aanzijn te roepen. De Schrift leidt telkens
alle zijn en zoo-zijn der schepselen tot den wil Gods terug, Ps. 33:6,
115:3, 135:6, Jes. 46:10, Mt. 11:25, Rom. 9:15v. Ef. 1:4, Op. 4:11
enz. Dat is voor ons de laatste grond, het einde aller tegenspraak.
Dei voluntas suprema lex. Voluntas conditoris rei cujusque natura
est, Aug. de civ. XXI 8. Op de vraag, waarom de dingen er zijn en zijn
zooals ze zijn, is er geen ander en dieper antwoord, dan omdat God
het gewild heeft. Wie dan nog verder vraagt: waarom heeft God het
gewild? majus aliquid quaerit quam est voluntas Dei; nihil autem majus
inveniri potest, de Gen. c. Manich. I 2, cf. boven 208v. En dit is
het standpunt van heel de christelijke kerk en theologie geweest. Maar
het pantheisme is hiermede niet tevreden en zoekt naar een dieperen
grond. Vooral op tweeërlei wijs tracht het dan de wereld uit het wezen
Gods te verklaren. Of het stelt dat wezen als zoo overvloeiende rijk
voor, dat de wereld als vanzelve daaruit voortstroomt, en, naarmate
ze zich verder van Hem verwijderd, het μη ὀν nadert en tot zinlijke
materie stolt. Dit is de leer der emanatie, die in het Oosten opkwam,
in Indie en Perzie vooral verbreiding vond en dan in de stelsels van
het gnosticisme en het neoplatonisme ook tot het Westen doordrong. Of
het beproeft de wereld te verklaren niet uit den πλουτος maar uit de
πενια του θεου. God is zoo arm, zoo onzalig, dat Hij de wereld noodig
heeft voor zijn eigen ontwikkeling; Hij is in zichzelf louter potentia,
die niets is maar alles worden kan; Hij moet zichzelf objectiveeren, en
door de tegenstelling met de wereld heen tot geest, tot persoonlijkheid
worden in den mensch. An sich is God nog niet het absolute, Hij wordt
dit eerst door het wereldproces; eerst Deus implicitus, wordt Hij
allengs Deus explicitus. De wereld is dus noodig voor God, zij is een
noodzakelijk ontwikkelingsmoment in zijn wezen; Ohne Welt ist Gott kein
Gott. Tegenover dit pantheisme, dat de persoonlijkheid Gods teniet
doet en de wereld vergoddelijkt, handhaaft het theisme de leer, dat
de schepping eene daad is van Gods wil. Maar toch is daarmede geen
willekeur bedoeld. Zoo is de wil Gods wel opgevat in de mohammedaansche
theologie en ook bij de Nominalisten, de Socinianen, de Cartesianen.
De wereld is een product van loutere willekeur; zij is er, maar had
er evengoed niet of ook geheel anders kunnen zijn. De christelijke
theologie heeft zich echter meestal voor dit uiterste gewacht, en
heeft geleerd, dat, al was de wil Gods in de schepping ook ten hoogste
vrij en al is alle dwang en noodzakelijkheid uitgesloten, toch die wil
zijne motieven en God met zijne werken naar buiten zijne hooge en heilige
bedoelingen had, boven bl. 208-216. En zoo is er dan gevraagd, wat God
bewoog om deze wereld te scheppen, d. i. wat doel Hij met de schepping
zich voorstelde. De antwoorden zijn daarop verschillend geweest.
Velen hebben in de goedheid en de liefde Gods een genoegzaam motief
tot verklaring der wereld gezien. De Schrift sprak er ook menigmaal
van, dat God goed is, dat zijne goedheid blijkt in al zijne werken, en
dat Hij al zijne schepselen liefheeft en hunne zaligheid wil. God kon
ook niet gedacht worden als iets behoevende, Hij kon de wereld niet
geschapen hebben om iets te ontvangen, maar alleen om zich te geven
en mede te deelen. Zijne goedheid was daarom de reden der schepping.
Reeds Plato, Timaeus p. 29 D, Philo bij Herzog² 11, 643 en Seneca,
Epist. 95 spraken in dien geest; en christelijke theologen zeiden ook
menigmaal, dat God de wereld niet uit behoefte maar uit goedheid, niet
voor zichzelven maar voor de menschen schiep. Deus mundum non sibi
sed homini fecit, Tert. adv. Marc. I 43. adv. Prax. 5. Bona facere si
non posset, nulla esset potentia; si autem posset nec faceret, magna
esset invidia, Aug. de Gen. ad litt. IV 16. Ὁ των ὁλων θεος ἀγαθος
και ὑπερκαλος την φυσιν ἐστι, διο και φιλανθρωπος ἐστιν. Ἀγαθω γαρ
περι οὐδενος ἀν γενοιτο φθονος, ὁθεν οὐδε το εἰναι τινι φθονει ἀλλα
παντας εἰναι βουλεται, ἱνα και φιλανθρωπευεσθαι δυνηται, Athan., Or.
c. gentes 41, cf. ook Damascenus, de fide orth. II 2. Thomas, S. Th.
I qu. 19 art. 2. Voetius, Disp. I 558 enz. Deze uitspraken wisselden
echter telkens af met andere, waarin God zelf en zijne eere de oorzaak
en het doel der schepping werd genoemd. Maar het humanisme plaatste den
mensch op den voorgrond; het socinianisme zocht zijn wezen niet in de
gemeenschap met God maar in de heerschappij over de aarde; de leer van
het natuurrecht, van de natuurlijke moraal en van de natuurlijke religie
maakte den mensch autonoom en onafhankelijk van God; Leibniz leerde,
dat God door zijne goedheid, wijsheid en macht zedelijk gebonden was, om
uit vele mogelijke werelden de beste te kiezen en deze tot aanzijn te
brengen; Kant riep door de practische Vernunft God alleen te hulp, om
den mensch hiernamaals de zaligheid te verschaffen, waarop hij naar zijne
deugd aanspraak had. En zoo werd in het rationalisme der vorige eeuw
de mensch het interessantste schepsel; alles was er om hem en aan zijne
volmaking dienstbaar; de mensch was Selbstzweck en al het andere, God
zelf daaronder begrepen, was middel, Bretschneider, Syst. Entw. 442
f. Id. Dogm. I 669. Wegscheider, Dogm. § 95. En ook thans nog leeren
velen, dat God aan de wereldidee, welke Hij noodzakelijk denkt, realiteit
moet geven, omdat Hij anders zelfzuchtig en niet de hoogste liefde ware.
Omdat Hij goed is, wil Hij niet alleen zalig zijn, maar sticht Hij een rijk
der liefde en zoekt Hij de zaligheid zijner schepselen; deze is voor
Hem het einddoel, Rothe, Theol. Ethik. § 40. 41. Dorner, Chr. Gl. I
448-459. Martensen, Dogm. § 59. Hofmann, Schriftbew. I² 205 f. Kahnis,
Dogm. I 428. Müller, Chr. Lehre v. d. Sünde II⁵ 187 f. Schoeberlein,
Prinzip u. Syst. der Dogm. 628. Thomasius, Christi Person u. Werk I³
144. James Orr, Christ. view of God 155. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III²
259 f., en ook Hermes en Günther bij Kleutgen, Theol. I² 642 f. Deze
leer van den mensch als Selbstzweck is echter op christelijk standpunt
onaannemelijk. Natuurlijk wordt in de schepping ook wel Gods goedheid
openbaar; de Schrift spreekt dit telkens uit. Maar toch is het niet
juist te zeggen, dat zijne goedheid de schepping eischt, omdat Hij anders
zelfzuchtig ware. God is immers de Algoede, de volmaakte liefde, de
volkomene zaligheid in zichzelven en heeft dus ook de wereld niet
noodig, om zijne goedheid of liefde tot ontwikkeling te brengen, evenmin
als Hij haar behoeft om tot zelfbewustzijn en persoonlijkheid te komen.
Vervolgens ligt het in den aard der zaak, dat God er niet is om den
mensch maar de mensch er alleen zijn kan om God. Want hoewel de mensch
in zekeren zin Selbstzweck mag genoemd worden, inzoover hij als redelijk,
zedelijk wezen nooit tot een willoos instrument kan of mag worden
verlaagd; toch is hij van God ten diepste afhankelijk en heeft niets dat
Hij niet heeft ontvangen. God alleen is Schepper, de mensch is schepsel;
en reeds daarom alleen kan hij het doel der schepping niet zijn. Wijl hij
zijn oorsprong alleen in God heeft, kan Hij ook in Hem alleen zijn doel
hebben. En eindelijk is de leer, dat de schepping haar motief in Gods
goedheid en haar einddoel in des menschen zaligheid heeft, ook met de
werkelijkheid in strijd. Het heelal gaat toch waarlijk in den dienst des
menschen niet op en moet toch nog een ander doel hebben, dan om hem
nuttig te zijn. Het platte utilisme en de zelfzuchtige teleologie der
vorige eeuw zijn genoegzaam weerlegd. Het lijden en de smart, welke over
de menschheid uitgestort wordt, is uit de goedheid Gods alleen niet
te verklaren. En de uitkomst der wereldgeschiedenis, die niet alleen
van de zaligheid der verkorenen maar ook van een eeuwigen triumf over
de goddeloozen spreekt, brengt nog gansch andere deugden Gods tot
openbaring dan zijne goedheid en liefde alleen.
10. De Schrift neemt dan ook een ander standpunt in en geeft een hooger
doel aan. Zij zegt, dat de gansche natuur eene openbaring is van
Gods deugden en eene verkondigster van zijn lof, Ps. 19:1, Rom. 1:19.
God schiep den mensch naar zijn beeld en tot zijn eer, Gen. 1:26, Jes.
43:7. Hij verheerlijkt zich in Farao, Ex. 14:17 en in den blindgeborene,
Joh. 9:3. Hij schept den goddelooze tot den dag des kwaads, Spr. 16:4,
Rom. 9:22. Christus is gekomen om Hem te verheerlijken, Joh. 17:4.
Alle weldaden der genade schenkt Hij om zijns naams wil, verlossing,
vergeving, heiligmaking enz., Ps. 105:8, 78:9, Jes. 43:25, 48:11,
60:21, 61:3, Rom. 9:23, Ef. 1:6 v. Hij geeft zijn eer aan geen ander,
Jes. 42:8. Einddoel is, dat alle koninkrijken Hem onderworpen zijn en
alle schepsel zich voor Hem buige, Dan. 7:27, Jes. 2:3-13, Mal. 1:11, 1
Cor. 15 vs. 24 v. Hier reeds wordt Hem eere gebracht door al zijn volk,
Ps. 115:1, Mt. 6:13. Eens zal God alleen groot zijn, Jes. 2 vs. 3-13,
en heerlijkheid ontvangen van al zijne schepselen, Op. 4:11, 19:6. Hij is
de Eerste en de Laatste, de Alpha en de Omega, Jes. 44:6, 48:12, Op.
1:8, 22:13. Uit en door en tot Hem zijn alle dingen, Rom. 11:36. Hierop
steunende, leerde de christelijke theologie schier eenstemmig, dat de
gloria Dei het einddoel van al Gods werken was. Ofschoon in den eersten
tijd de goedheid Gods vooral als motief der schepping wordt genoemd,
ontbreekt toch de eere Gods als aller dingen einddoel niet. Zoo zegt
Athenagoras, dat God propter se ipsum et elucentem in omnibus ipsius
operibus bonitatem et sapientiam adductum fuisse, ut hominem faceret,
de resurr. mort. 12. Tertullianus zegt, dat God heel de wereld schiep
in ornamentum majestatis suae, Apolog. 17. Vooral in de middeleeuwsche
theologie kwam deze gloria Dei meer tot haar recht, bij Anselmus, die
de eere Gods tot principe maakt van zijne leer over menschwording en
voldoening, Cur Deus homo c. 11, maar dan verder ook bij Lombardus,
Sent. II dist. 1. Thomas, S. Theol. I qu. 44 art. 4. qu. 66 art. 2.
qu. 103 art. 2. S. c. Gent. III 17. 18. Sent. II dist. 1 qu. 2 art.
2. Bonaventura II dist. 1 p. 2 enz. En deze zelfde leer vinden we bij
de latere Roomschen, Scheeben, Dogm. II 31 f. Simar, Dogm. S. 234 f.
Kleutgen, Theol. der Vorz. I² 640-692. Schwetz, Theol. dogm. I 396
sq. Jansen, Pract. dogm. II 319 sq.; dan bij de Lutherschen, Gerhard,
Loci theol. loc. V c. 5. Quenstedt, Theol. I 418. Hollaz, Examen p.
360 enz.; en eindelijk en inzonderheid ook bij de Gereformeerden, cf.
vooral Edwards, The end in creation, Works II 193-257. Het onderscheid
tusschen hen en de Lutherschen en Roomschen bestaat niet daarin dat zij
de eere Gods en deze laatsten den mensch tot einddoel stellen, maar is
hierin gelegen, dat zij deze eere Gods tot principe hebben gemaakt van
alle leer en leven, van dogmatiek en moraal, van huisgezin, maatschappij
en staat, van wetenschap en kunst. Nergens is deze gloria Dei zoo
universalistisch toegepast als onder de belijders der Gereformeerde
religie. Nu is er echter tegen dit einddoel aller schepselen een
dubbel bezwaar ingebracht. Vooreerst, dat God daardoor zelfzuchtig
wordt, zichzelven zoekt en de schepselen, bepaaldelijk de menschen, tot
middelen verlaagt. Reeds vroeger, blz. 178, is dit ter sprake gebracht
en aangetoond, dat God als de volmaakt goede in niets dan in zichzelven
rusten en met niets minder dan zichzelven tevreden mag zijn. Hij kan niet
anders dan zijne eigene eere zoeken. Gelijk een vader in zijn gezin en een
vorst in zijn rijk de hun als zoodanig toekomende eere eischen en zoeken
moeten, zoo is het ook met den Heere onzen God. Nu kan de mensch deze
hem toekomende eer alleen vragen in den naam Gods en voor het ambt,
door God hem opgedragen; maar God vraagt en zoekt die eere in zijn eigen
naam en voor zijn eigen wezen. Omdat Hij is het hoogste en het eenige
goed, de volmaaktheid zelve, daarom is het de hoogste gerechtigheid,
dat Hij in alle schepselen zijn eigen eere zoekt. En zoo weinig heeft
dit zoeken van eigene eere iets met onze zelfzucht gemeen, dat God
veelmeer die eere, waar ze Hem wederrechtelijk onthouden wordt, in den
weg van recht en gerechtigheid afeischt. Gewillig of onwillig zal
alle schepsel voor Hem de knie eens buigen. Gehoorzaamheid in liefde
of gedwongen onderwerping is de eindbestemming van alle creatuur. De
andere tegenwerping luidt, dat God dan toch, alzoo zijne eere zoekende,
het schepsel van noode heeft. De wereld dient tot zijne verheerlijking;
er ontbreekt dus iets aan zijne volmaaktheid en zaligheid; de schepping
voorziet in eene behoefte Gods en draagt bij tot zijne volmaaktheid,
Strauss, Gl. I 633. Deze tegenwerping schijnt onweerlegbaar; en toch
is er ook bij verschillende soorten van menschelijken arbeid eene
analogie op te merken, die ons het scheppen Gods verduidelijken kan. Op
lager standpunt arbeidt de mensch, omdat hij moet; behoefte of dwang
drijft hem voort. Maar hoe edeler de arbeid wordt, hoe minder er voor
behoefte of dwang plaatse is. Een kunstenaar schept zijn kunstwerk
niet uit behoefte of dwang, maar naar de vrije aandrift van zijn genie.
Ik stort mijn boezem uit als ’t vinkjen in de abeelen; ik zing en ken
geen ander doel (Bilderdijk). De vrome dient God niet uit dwang noch
door hoop op loon, maar uit vrije liefde. Zoo is er ook in God een
welgevallen, dat beide boven behoefte en dwang, boven πενια en πλουτος
oneindig verheven is, dat in de schepping de kunstenaarsgedachten
Gods belichaamt en daarin verlustiging vindt. Ja, wat in menschen
slechts zwakke analogie is, is bij God in volstrekte oorspronkelijkheid
aanwezig. Het schepsel heeft geene zelfstandigheid buiten en tegenover
God, gelijk de schepping van een kunstenaar. God zoekt dus nooit het
schepsel, alsof dit Hem iets geven kan, wat Hij mist, of iets ontnemen
kan, wat Hij bezit. Hij zoekt het schepsel niet, maar door het schepsel
heen zoekt Hij zichzelven. Hij is en blijft altijd zijn eigen doel, cf.
boven bl. 207. Zijn willen is altijd, ook in en door de schepselen heen,
volstrekte zelfgenieting, volkomen zaligheid. Daarom is de wereld niet
voortgekomen uit eene behoefte Gods, uit zijne armoede en onzaligheid,
want het is Hem in het schepsel niet om dat schepsel maar om zichzelven
te doen. En evenmin is haar ontstaan aan een onbedwingbaar pleroma
in God te danken, want Hij gebruikt alle schepsel tot zijne eigene
verheerlijking en maakt het dienstbaar aan de verkondiging zijner deugden.
12. Hieruit vloeit ook eene geheel bijzondere wereldbeschouwing voort.
Het woord schepping kan beide beteekenen, de daad en het product
van het scheppen. Naarmate de eerste opgevat wordt, verandert ook
de beschouwing van het tweede. Het pantheisme tracht de wereld
dynamisch, het materialisme mechanisch te verklaren. Maar beide
streven ernaar, om alles af te leiden uit één allesbeheerschend
principe. Daar moge de wereld een ζωον zijn, waarvan God de ziel is,
hier een mechanisme, dat door verbinding en scheiding der atomen tot
stand komt; in beide wordt het onbewuste, blinde noodlot ten troon
verheven: beide miskennen den rijkdom en de verscheidenheid der wereld,
wisschen de grenzen uit tusschen hemel en aarde, stof en geest, ziel
en lichaam, mensch en dier, verstand en wil, eeuwigheid en tijd,
Schepper en schepsel, het zijn en het niet-zijn en lossen alles op in
eene doodsche eenvormigheid; beide loochenen een doel en kunnen noch
eene oorzaak noch eene bestemming aanwijzen voor het bestaan der wereld
en voor hare geschiedenis. Gansch anders is echter de beschouwing
der Schrift. Hemel en aarde zijn van den aanvang af onderscheiden.
Alles wordt geschapen met een eigen aard en rust op eigen door God
daarvoor gestelde ordinantiën. Zon en maan en sterren hebben hun
eigen taak; en plant en dier en mensch hebben een onderscheiden
natuur. Er is de rijkste verscheidenheid. Maar in die verscheidenheid
is er ook de hoogste eenheid. Voor beide ligt de grond in God. Hij is
het, die alle dingen schiep naar zijne onnaspeurlijke wijsheid, die ze
voortdurend onderhoudt in hunne onderscheidene natuur, die ze leidt
en regeert naar de hun ingeschapene krachten en wetten, en die als
het hoogste goed en als aller dingen einddoel door alle dingen in
hunne mate en op hunne wijze nagestreefd en begeerd wordt. Hier is
eene eenheid, die de verscheidenheid niet vernietigt maar handhaaft,
en eene verscheidenheid, die aan de eenheid niet te kort doet, maar
ze in haar rijkdom ontvouwt. Krachtens die eenheid kan de wereld in
overdrachtelijken zin een organisme heeten, waarin alle leden in
verband staan met elkaar en wederkeerig op elkander inwerken. Hemel
en aarde, mensch en dier, ziel en lichaam, waarheid en leven, kunst
en wetenschap, godsdienst en zedelijkheid, staat en kerk, gezin en
maatschappij enz., ze zijn wel onderscheiden maar ze zijn niet gescheiden.
Er bestaan tusschen hen allerlei betrekkingen; een organische, of
indien men wil, een ethische band houdt hen alle saam. De Schrift
spreekt dit duidelijk uit, als zij het heelal niet alleen samenvat onder
den naam van hemel en aarde, maar ook aanduidt als עולם, d. i. het
verborgene, het onzichtbare, het onoverzienbare, den tijd in verleden
of toekomst, de eeuw, de eeuwigheid, de wereld, Pred. 1:4, 3:11; en
in het N. T. als κοσμος, Joh. 1:10, τα παντα, 1 Cor. 8:6, 15:25 v.,
κτισις, Mk. 10:16, αἰωνες, Hebr. 1:2, duur, levensduur, Zeitalter,
wereld, cf. seculum a. v. sexus, menschenleeftijd, wereld, en ons wereld
van waeralti, werolt, mannen- of menschenleeftijd. De namen עולם en
αἰωνες gaan uit van de gedachte, dat de wereld een duur, een leeftijd
heeft, en dat er eene geschiedenis in plaats heeft, die uitloopt op
een bepaald doel. Het grieksche κοσμος en het latijnsche mundus stellen
echter de schoonheid en harmonie der wereld op den voorgrond. En de
wereld is inderdaad beide. Gelijk Paulus de gemeente tegelijk bij een
lichaam en een gebouw vergelijkt en van een wassenden tempel spreekt,
Ef. 2:21 en Petrus de geloovigen levende steenen noemt, 1 Petr. 2:5;
zoo is de wereld eene geschiedenis en een kunststuk te zamen. Zij is een
lichaam, dat wast en een gebouw, dat opgetrokken wordt. Zij spreidt zich
uit in de breedte der ruimte en zet zich voort in de lengte des tijds.
Noch het mechanisch principe van het materialisme noch het dynamisch
principe van het pantheisme is genoegzaam tot hare verklaring; maar
wat waarheid is in beide wordt in de leer der wereld naar de Schriften
erkend. Zij is tegelijk horizontaal en verticaal te beschouwen; zij
streeft van de laagste schepselen af opwaarts, naar boven, het licht en
het leven Gods te gemoet, en zij beweegt zich tevens voorwaarts naar een
Godverheerlijkend einde. Zoo spreidt zij Gods deugden en volmaaktheden
ten toon, in beginsel reeds bij haar aanvang, bij haar voortgaande
ontwikkeling in steeds hoogere mate, en eens volkomen aan het einde
der tijden. Augustinus is de kerkvader geweest, die ook deze gedachten
het diepst verstaan en het breedst uitgewerkt heeft. In zijn werk de
civitate Dei levert hij eene christelijke philosophie der geschiedenis;
toont hij aan, hoe de christelijke wereldbeschouwing in de geschiedenis
haar waarheid en haar bewijs vindt; schetst hij de civitas coelestis in
haar oorsprong en wezen, in hare ontwikkeling en verhouding tot de
civitas terrena, in haar einde en doel, Biegler, Die Civitas Dei des h.
Aug. Paderborn 1894. Maar tegelijk neemt hij daarin op de beschrijving van
het heelal als eene wonderschoone harmonie. De wereld is bij Augustinus
eene eenheid, universum ab unitate nomen accepit, de Gen. c. Manich.
I 21. Doch die eenheid is geen eenvormigheid maar eindeloos rijke
verscheidenheid, de civ. XI 10. God n.l. is summum esse, summum verum,
summum bonum, summum pulchrum. En daarom schiep Hij vele schepselen,
die in verschillende mate deelhebben aan zijn zijn, aan zijne waarheid,
goedheid en schoonheid. Aliis dedit esse amplius et aliis minus, atque
ita naturas essentiarum gradibus ordinavit, de civ. XII 2. Met beroep
op het woord uit het boek der Wijsheid 11:21: παντα μετρω και ἀριθμω και
σταθμω διεταξας, zegt Augustinus, dat alle dingen door modus, species,
numerus, gradus, ordo onderscheiden zijn. En daardoor brengen zij juist
die wereld, die universitas tot stand, waarin God naar zijn welbehagen
zijne bona uitdeelt en die alzoo eene openbaring zijner deugden is, de
div. qu. 83 qu. 41. de ord. I 19. de Gen. ad litt. I 9 II 13. Conf.
XII 9. de civ. XI 33. Want al die verscheidenheid is alleen aan God,
niet aan de verdienste van het schepsel te danken. Non est ulla natura
etiam in extremis infimisque bestiolis, quam non ille constituit,
sine quibus nihil rerum inveniri vel cogitari potest, de civ. XI 15,
cf. Scipio, des Aur. Aug. Metaphysik, Leipzig 1886 S. 31-80. En deze
wereldbeschouwing is die van heel de christelijke theologie geweest.
De wereld is één lichaam met vele leden, Athan. c. Ar. II 28. 48.
De eenheid, orde en harmonie in de wereld was bij de kerkvaders een
krachtig bewijs voor het bestaan en de eenheid Gods, Athan. Or. c.
gentes c. 39. God is het middelpunt en alle schepselen groepeeren
in concentrische kringen en in eene hierarchische orde zich om Hem
henen, Pseudodion. de coel. en de eccl. hierarchia. Thomas vergelijkt
de wereld bij een zuiver gestemd snarenspel, welks harmonieën ons de
heerlijkheid en zaligheid van het Goddelijk leven vertolken, S. Th. I
qu. 25 art. 6. Hare deelen inveniuntur ad invicem ordinatae esse quasi
partes animalis in toto, quae sibi invicem deserviunt, Thomas, Sent. II
dist. I qu. I art. 1. Nulla est mundi particula, zegt Calvijn, in qua
non scintillae saltem aliquae gloriae ejus emicare cernantur, Inst. I
5, 1. Nihil in toto mundo praestantius, nobilius, pulchrius, utilius,
divinius ista rerum multarum diversitate, distinctione, ordine, quo
una altera nobilior est, et una pendet ab altera, una subest alteri,
una obsequium accipit ab altera. Hinc enim totius mundi est ornatus,
pulchritudo, praestantia; hinc multiplex usus, utilitas, fructus nobis
exoritur. Hinc ipsa Dei bonitas, gloria, sapientia, potentia clarius
elucet, illustratur, Zanchius, Op. III 45. En bij allen is de wereld
een theatrum, een speculum lucidissimum gloriae divinae. Door deze
wereldbeschouwing heeft het Christendom zoowel de natuurverachting
als de natuurvergoding overwonnen. In het Heidendom staat de mensch
niet in de rechte verhouding tot God en daarom ook niet tot de wereld.
En evenzoo wordt in het pantheisme en materialisme de verhouding des
menschen tot de natuur principieel vervalscht. Beurtelings acht hij
zich oneindig ver boven de natuur verheven en meent hij, dat ze geen
geheimen meer voor hem heeft; en dan weer voelt hij die natuur als eene
onbegrepen, duistere, geheimzinnige macht, wier raadselen hij niet
oplossen, aan wier macht hij zich niet ontwortelen kan. Intellectualisme
en mysticisme wisselen elkander op; ongeloof maakt voor bijgeloof
plaats; en het materialisme slaat in occultisme om. Maar de Christen
ziet opwaarts en belijdt God als den Schepper van hemel en aarde. Hij
ziet in natuur en geschiedenis de onnaspeurlijkheid van Gods wegen en
de ondoorzoekelijkheid zijner oordeelen, maar Hij wanhoopt niet, want
alle dingen staan onder het bestuur van een almachtig God en een
genadig Vader, en zullen daarom medewerken ten goede dengenen, die
God liefhebben. Hier is er dus plaats voor liefde en bewondering van
de natuur, maar is ook alle vergoding buitengesloten. Hier wordt de
mensch in de rechte verhouding tot de wereld gesteld, want hij is in de
rechte verhouding tot God geplaatst. Daarom is de schepping ook het
fundamenteele dogma; het staat heel de Schrift door op den voorgrond;
het is de grondsteen, waar Oud en Nieuw Verbond op rusten. En deze
leer sluit daarom ten slotte ook eene egoïstische theologie en een
valsch optimisme uit. Zeker, er ligt waarheid in, dat alle dingen er
zijn om den mensch, of liever om de menschheid, om de gemeente van
Christus, 1 Cor. 3:21-23, Rom. 8:28. Maar die menschheid vindt haar
einddoel met alle schepselen in de verheerlijking Gods. Daaraan is
alles ondergeschikt. Daartoe werkt alles, ook de zonde en het lijden,
mee. En met het oog daarop is de wereld doelmatig ingericht. In de
scholastiek werd ook de vraag behandeld, an Deus possit aliquid facere
melius quam fecit. Abaelard zeide van neen, omdat Gods goedheid altijd
het beste moest willen en anders zelfzuchtig ware, Introd. ad theol.
III c. 5, en Leibniz redeneerde later geheel in denzelfden geest. Maar
in God is geen onzekerheid, geen keuze te denken. Hij heeft niet uit
vele mogelijke werelden de beste gekozen. Zijn wil is eeuwig bepaald.
Een schepsel kan op zich zelf altijd beter, grooter, schooner gedacht
worden dan het werkelijk is, omdat een schepsel contingent en voor
ontwikkeling en volmaking vatbaar is. En zelfs is het universum als
contingent ook anders en beter voor ons menschen te denken. Wel zeide
Thomas: universum non potest esse melius propter decentissimum ordinem
his rebus attributum a Deo, in quo bonum universi consistit; quorum si
unum aliquod esset melius, corrumperetur proportio ordinis, sicut si
una chorda plus debito intenderet, corrumperetur citharae melodia.
Maar hij voegde er aan toe: Posset tamen Deus alias res facere vel alias
addere istis rebus factis, et esset aliud universum melius, S. Theol.
I qu. 25 art. 6 ad 3, cf. Lombardus, Sent. I dist. 44. Bonaventura,
Sent. I qu. 44 art. 1 qu. 1-3. Hugo Vict. de Sacr. II c. 22. Voetius,
Disp. I 553 sq. Mastricht III 6, 11. Heidegger, Corpus Theol. VI 21. De
aard van het schepsel brengt mee, dat het beide in zijn zijn en in zijn
zoo-zijn niet anders dan als contingent kan gedacht worden. Maar voor
God bestaat deze vraag niet. Deze wereld is goed, omdat zij beantwoordt
aan het doel, door Hem bepaald. Zij is noch de beste noch de slechtste,
maar zij is goed, omdat God haar alzoo heeft genoemd. Zij is goed,
omdat zij dienstbaar is, niet aan den individueelen mensch maar aan de
openbaring van Gods deugden. En voor wie ze zoo beschouwt, is zij ook
goed, omdat zij hem God kennen doet, wien te kennen het eeuwige leven
is. Daarom zeide Lactantius naar waarheid: idcirco mundus factus est ut
nascamur; ideo nascimur ut agnoscamus factorem mundi ac nostri, Deum;
ideo agnoscimus ut colamus; ideo colimus, ut immortalitatem pro laborum
mercede capiamus, quoniam maximis laboribus cultus Dei constat; ideo
praemio immortalitatis afficimur, ut similes Angelis effecti, summo
Patri ac Domino in perpetuum serviamus et simus aeternum Dei regnum.
Haec summa rerum est; hoc arcanum Dei; hoc mysterium mundi, Inst. div.
VII 6.
§ 30. DE GEESTELIJKE WERELD.
1. Naar de H. Schrift valt de schepping uiteen in eene geestelijke en
eene stoffelijke wereld, in hemel en aarde, τα ἐν τοις οὐρανοις και
τα ἐπι της γης, τα ἀορατα και τα ὁρατα, Col. 1:16. Het bestaan van
zulk eene geestelijke wereld wordt in alle religies erkend. Behalve
de eigenlijke goden, zijn ook allerlei halfgoden of heroën, daemonen,
genii, geesten, zielen enz. voorwerp van religieuse vereering. Vooral
in het Parzisme werd deze leer der engelen sterk ontwikkeld. Eene
gansche schaar van goede engelen, Jazada is daar verzameld rondom
Ahuramazda, den God des lichts, gelijk de God der duisternis Ahriman
omgeven is door een aantal booze engelen, Dewa’s. Volgens Kuenen,
G. v. I. II 254 v. en vele anderen hebben de Joden hunne leer van
de engelen vooral aan de Perzen sedert de Babylonische Ballingschap
ontleend. Maar hierin is zeer groote overdrijving. Want vooreerst
erkent ook Kuenen, dat het geloof aan het bestaan en de werkzaamheid
van hoogere wezens oudisraelietisch is. Ten andere is er een groot
onderscheid tusschen de angelologie in de kanonische schriften en
in het joodsche volksgeloof. En eindelijk is er in de wederkeerige
verhouding van Judaisme en Parzisme nog zooveel onzekers, dat James
Darmesteter in zijn werk over den Zendavesta in 1893 juist omgekeerd
de Perzische engelenleer afleidt uit het Judaisme, cf. Dr. Geesink in
de Heraut 830, en tegen Darmesteter, Tiele, Versl. en Meded. v. d.
Kon. Ak. van Wet. Letterk. 1895 bl. 364 v. Het bestaan der engelen
werd echter volgens Hd. 23:8 ontkend door de Sadduceën, die daarom
de engelverschijningen in den Pentateuch waarschijnlijk hielden voor
momentane theophanieën. Josephus laat verschillende engelverschijningen
onvermeld en tracht sommige natuurlijk te verklaren, bv. Ant. VIII 13,
7. Volgens Justinus, Dial. c. Tr. 128, werden de engelen door sommigen
gehouden voor tijdelijke emanaties uit het Goddelijk wezen, die na
volbrenging van hare taak weder in God terugkeerden. In later tijd werd
het bestaan der engelen ontkend door de volgelingen van David Joris,
cf. Hoornbeek, Summa Controv. 1653, p. 413, door de Libertijnen, cf.
Calvijn, Opera ed. Schippers VIII 383, door Spinoza, Tract. Theol. pol.
II 56 en Hobbes, Leviathan III c. 34, die er eenvoudig openbaringen
en werkingen Gods in zagen. Balthazar Bekker ging in zijne Betoverde
Werelt II c. 6-15 zoover niet, maar beperkte toch de werkzaamheid der
engelen, hield hen menigmaal voor menschen en leerde evenals Spinoza,
dat Christus en zijne apostelen zich in de leer der engelen telkens
naar het geloof hunner tijdgenooten hadden geschikt. Leibniz, Wolff,
Bonnet, Euler en de supranaturalisten trachtten hun bestaan vooral op
zedelijke gronden te handhaven; van den mensch af kon er zoomin naar
boven als naar beneden een vacuum formarum in de opklimmende reeks der
schepselen bestaan, Reinhard, Dogm. 184. Bretschneider, Dogm. I 746
f. Zelfs Kant achtte het bestaan van andere denkende wezens dan de
menschen niet onmogelijk, Zöckler, Gesch. der Bez. zw. Theol. u. Naturw.
II 69. 249. De achttiende eeuw wischte het onderscheid tusschen
engelen en menschen uit, gelijk de negentiende dat tusschen menschen
en dieren. Swedenborg bijv. had van de engelen zelf vernomen, dat zij
eigenlijk menschen waren; het innerlijk wezen van den mensch is een engel
en de mensch is bestemd om een engel te worden, Die wahre christl.
Religion, 2e Aufl. Stuttgart 1873 S. 42. 178. In de nieuwere theologie
is er echter van de engelen weinig overgebleven. Rationalisten als
Wegscheider loochenen wel niet het bestaan der engelen maar ontkennen
toch hun verschijning, Inst. theol. § 102. Marheineke liet in de tweede
uitgave zijner dogmatiek de paragraaf over de engelen weg. Strauss
meende, dat de moderne wereldbeschouwing aan de engelen hun woning had
ontnomen; zij danken hun ontstaan alleen aan volkssagen, aan de zucht,
om de massa stof in de wereld door wat meer geest te doen opwegen,
Gl. I 671 f. Bij Lipsius zijn zij maar bildliche Veranschaulichung des
lebendigen Wirkens der göttlichen Vorsehung en hooren ze alleen thuis
in de religieuse symboliek, Dogm. § 518 f., cf. Biedermann, Chr.
Dogm. II² 510 f. En ook Schleiermacher achtte wel hun bestaan niet
onmogelijk, maar oordeelde toch, dat Christus en de apostelen niets
positiefs over hen leerden, wijl zij naar het volk zich hadden geschikt
en van engelen hadden gesproken gelijk wij van feeën en elfen, en dat
zij dogmatisch en religieus voor ons geen beteekenis hadden, Chr. Gl.
§ 42. 43, cf. Bovon, Dogm. Chrét. Lausanne 1895 I 297. Ook wie hun
bestaan nog handhaaft, verandert menigmaal hun natuur. Schelling hield
de goede engelen voor Potenzen, Möglichkeiten, die vanwege den val niet
in werkelijkheid getreden waren en nu niets anders zijn dan de idee of
Potenz van een individu of volk, Werke, II 4 S. 284 f., cf. Martensen,
Dogm. § 68. 69. Anderen hebben de engelen veranderd in bewoners der
planeten. Reeds vroeg vinden wij de meening, dat de planeten bewoond
waren. Ze komt al voor bij Xenophanes en sommige Stoicynen. Nadat de
nieuwere astronomie eenig denkbeeld had gegeven van de ontzaglijke
ruimte van het heelal, vond die gedachte weer ingang bij Cartesius,
Wittichius, Allinga, Wilkins, Harvey, Leibniz, Wolff, Bonnet, Kant,
Reinhard, Bretschneider, Swedenborg e. a., cf. Zöckler, Gesch. der
Bez. II 55 f. Lange, Gesch. des Mater. 431. Büchner, Kraft und Stoff
55. Strauss, Alte u. neue Gl. 165. C. du Prel, Die Planetenbewohner,
Leipzig 1879. C. Flammarion, Les terres du ciel. 7 ed. Paris 1881.
Id., Zijn de hemellichamen bewoond? holl. vert. door Dr. H. Blink, 1891.
En sommige theologen zijn er zoo toe gekomen, om bij die bewoners aan
engelen te denken, Kurtz, Bibel und Astronomie, 3te Aufl. S. 173 f.
346 f. Keerl, Der Mensch das Ebenbild Gottes I 278 f. Splittgerber,
Tod, Fortleben und Auferstehung 5te Aufl. 1879 S. 150. Lange, Dogm.
II 362 f. K. Keerl, Die Fixsterne und die Engel, Bew. d. Gl. Juni
1896 S. 230 f. enz. En eindelijk is tegenover het materialisme eene
reactie opgetreden in het spiritisme, dat niet alleen het bestaan van
afgestorven geesten erkent maar ook eene gemeenschap tusschen hen en
de menschen mogelijk acht en daarmede ook weer voor het geloof aan eene
geestelijke wereld bij duizenden den weg heeft gebaand. Bijzondere litt.
over de engelen: Suarez, de angelis, Lugd. 1620. Jac. Ode, Comment.
de angelis, Traj. 1739. Voetius, Disp. V 241-268. Kuyper, Heraut nº
858-915. Oswald, Angelologie, Paderborn 1883.
2. Het bestaan der engelen is wijsgeerig niet te bewijzen. De redeneering
van Leibniz, dat er van den mensch af gelijk naar beneden zoo ook naar
boven allerlei soorten van schepselen moeten wezen, opdat er geen
vacuum formarum en geen saltus naturae zij, is niet aannemelijk, wijl
zij bij consequentie het onderscheid uitwisschen zou tusschen Schepper
en schepsel en leiden zou tot een gnostisch pantheisme. Toch kan
de philosophie nog veel minder eenig argument inbrengen tegen de
mogelijkheid van zulk een bestaan. Zoolang wij toch zelven psychische
wezens zijn en het zieleleven niet uit stofwisseling kunnen verklaren,
maar daarvoor eene geestelijke substantie hebben aan te nemen, zoolang
is ook het bestaan van eene geestelijke wereld met geen enkel argument
der rede of met eenig feit der ervaring in strijd. Niet alleen Leibniz
en Wolff, maar ook Schleiermacher en Kant hebben de mogelijkheid ten
volle erkend. De algemeenheid van het geloof aan zulk eene geestelijke
wereld bewijst bovendien, dat er in deze erkentenis iets anders en iets
meer dan willekeur en toeval schuilt. De verklaring van Strauss, dat de
engelenwereld eene compensatie is tegenover de hoeveelheid stof in de
schepping, is geen weerlegging waard. En evenmin heeft de redeneering
van Daub eenige waarde, dat de mensch, wijl geplaatst tusschen goed
en kwaad in, naar beide kanten typen schiep en zoo tot de ideeën kwam
van engel en duivel, bij Dorner, Chr. Gl. I 536. Het geloof aan eene
geestelijke wereld is niet philosophisch maar religieus van aard. Het
hangt ten nauwste met openbaring en wonder saam. Religie is niet
denkbaar zonder openbaring, en openbaring kan niet bestaan, zonder dat
er zich boven en achter deze zienlijke wereld eene geestelijke wereld
bevindt, welke met deze in gemeenschap staat. In alle godsdiensten zijn
de engelen geen factoren van het religieus-ethische leven zelf, maar
van de openbaring, waarop dit leven is gebouwd. Met de religie is het
geloof zelf gegeven, dat hare diepste oorzaken niet liggen binnen den
kring der zienlijke dingen. Het goede en het kwade, beide in religieusen
en ethischen zin, wortelen in eene andere wereld dan die ons onder de
oogen verschijnt. Daar geeft het engelengeloof uitdrukking aan. Het
maakt het wezen en het middelpunt der religie niet uit, maar staat er
toch mede in verband. De transcendentie Gods, het geloof aan openbaring
en wonder, het wezen der religie brengt het geloof aan geestelijke
wezens vanzelve mede. Het Diesseits bevredigt den mensch niet. Hij dorst
altijd weer naar eene andere wereld, die niet minder rijk is dan deze.
Het materialisme roept door reactie het spiritualisme op. Maar terwijl
nu in alle godsdiensten en spiritistische theorieën de leer der engelen
vervalscht en verdorven optreedt, de grenslijn tusschen God en schepsel
uitwischt en het onderscheid tusschen openbaring en religie miskent,
komt deze leer in de Schrift weer zoo voor, dat ze aan Gods eere
niets ontrooft en de religie in haar zuiverheid onaangetast laat. De
openbaring in de Schrift is voor den Christen de vaste grond ook voor
zijn geloof aan de engelen. In vroeger tijd trachtte men de existentie
der goede en vooral ook der kwade engelen historisch te bewijzen, uit
orakels, verschijningen, spoken, bezetenen, Thomas, S. Theol. I qu. 50
art. 1. Zanchius, Op. II 2. Vossius, de orig. et progr. idololatriae
I c. 6. Voetius, Disp. I 985-1017. V 241 enz. Maar deze bewijzen waren
evenmin overtuigend als die uit de rede. Daarentegen wordt het bestaan
der engelen in de Schrift zeer duidelijk geleerd. Wel hebben Spinoza
en Schleiermacher daartegen ingebracht, dat Christus en de apostelen
uit accommodatie aan het volksgeloof over engelen spraken en zelven
niets positiefs over hen leerden. Maar Jezus en de apostelen spreken
zelf onomwonden en herhaaldelijk hun geloof aan de engelen uit, b. v.
Mt. 11:10, 13:39, 16:27, 18:10, 24:36, 26:53, Luk. 20:36, 1 Cor. 6:3,
Hebr. 12:22, 1 Petr. 1:12 enz. Als wij van elfen en feeën spreken, weet
elk, dat dit in figuurlijken zin is bedoeld. Maar in Jezus’ tijd was
het geloof aan de engelen algemeen; indien zij spraken van engelen,
moest ieder denken, dat zij er ook zelven aan geloofden. De laatste
grond voor ons geloof aan de engelen ligt daarom ook in de openbaring.
De christelijke ervaring als zoodanig leert er niets van. Voorwerp
des waren geloofs is de genade Gods in Christus. Engelen zijn geen
factoren van het religieuse leven, geen voorwerp van ons vertrouwen,
geen object van onze aanbidding. Dat zijn ze nergens in de Schrift en
mogen ze dus ook niet zijn voor ons. In de Protestantsche confessies
is er daarom van de engelen zeer weinig sprake, Ned. Gel. art. 12.
Heid. Cat. vr. 112. 117. Niemeijer, Coll. Conf. p. 315. 316. 476. De
Gereformeerden inzonderheid zondigden eer in defectu dan in excessu. Bij
Rome bekleedt de angelologie veel grooter plaats, maar zij vervalscht
daar ook de religie en doet aan Gods eere te kort. Hoezeer de engelen
echter geen factor en object onzer religie zijn, ze zijn toch in de
openbaringsgeschiedenis van groote beteekenis en ontleenen daaraan
vooral hunne waarde voor het religieuse leven.
3. De naam engel, waaronder wij gewoonlijk heel de klasse der hoogere,
geestelijke wezens samenvatten, is in de Schrift geen nomen naturae
maar een nomen officii. Het hebr. מלאך beteekent eenvoudig bode,
gezant en kan ook aanduiden een mensch, hetzij door menschen, Job 1:14,
1 Sam. 11:3 enz., hetzij door God gezonden, Hagg. 1:13, Mal. 2:7, 3:1;
en evenzoo is het gesteld met ἀγγελος, dat meermalen van menschen
gebezigd wordt, Mt. 11:10, Mk. 1:2, Luk. 7:24, 27, 9:52, Gal. 4:4, Jak.
2:15; ten onrechte is het dan in onze Statenoverzetting door engel in
plaats van door gezant weergegeven, b. v. Mal. 3:1, Op. 1:20 enz. Een
gemeenschappelijke, onderscheidende naam voor alle geestelijke wezens
saam is er in de Schrift niet, al worden ze ook dikwerf zonen Gods,
geesten, heiligen, wachters genoemd. Er zijn verschillende soorten en
klassen van engelen, die allen een eigen naam dragen. De wereld der
engelen is even rijk als de stoffelijke wereld; evenals in deze allerlei
schepselen zijn, die samen toch één geheel vormen, zoo is het ook met
de wereld der geesten. Het eerst wordt in de Schrift de klasse der
cherubijnen genoemd. Ze treden in Gen. 3:24 op als bewakers van den
hof. In tabernakel en tempel worden ze boven de ark afgebeeld met
aangezichten, die naar het verzoendeksel gekeerd zijn, en met vleugelen,
die het verzoendeksel bedekken, Ex. 25:18v., 37:8, 1 Chr. 28:18, 2
Chr. 3:14, Hebr. 9:5 en tusschen welke de Heere woont, Ps. 80:2, 99:1,
Jes. 37:16. Als God nederdaalt naar de aarde, wordt Hij voorgesteld
als te varen, te rijden op de cherubim, 2 Sam. 22:11, Ps. 18:11, cf.
Ps. 104:3, Jes. 66:15, Hebr. 1:7. In Ezechiel 1 en 10 komen zij voor
onder den naam van חַיּוֹת, vier in getal, in menschengedaante,
elk met vier vleugelen en met vier aangezichten, nl. van een mensch,
leeuw, stier en arend; terwijl zij eindelijk in Op. 4:6v. als de vier
ζωα, elk met een aangezicht en ieder met zes vleugelen, den troon
Gods omringen en het driewerf heilig zingen dag en nacht. De naam
כְרוּבִים wordt verschillend afgeleid, nu eens van כְ en
רֹב, als velen (Hengstenberg), dan van רלוב wagen, of ook van
כרב ar. beangstigen, dus z. v. a. gruwelijke wezens, meest echter
van een stam, die grijpen, vasthouden beteekent, cf. γρυψ, Delitzsch
op Gen. 3:24 en Ps. 18:11. Even groot verschil is er over de natuur
der cherubs. Sommigen houden ze voor mythische wezens, anderen voor
symbolische figuren, nog anderen voor krachten Gods in de schepping,
of ook voor oorspronkelijke aanduiding van onweerswolken of stormen,
Smend, Altt. Rel. 21 f. Maar in Gen. 3:24, Ezech. 1, Op. 4 worden zij
toch duidelijk als levende en persoonlijke wezens voorgesteld; zelfs is
de menschelijke gedaante in hen overwegend, Ezech. 1:5. Wijl zij echter
wezens van buitengewone, menschelijke kracht en heerlijkheid zijn, roept
de Schrift de symbolische voorstelling te hulp, om ons eenig denkbeeld
te geven van hun geestelijke natuur. Ze worden geteekend als ζωα, in
wie de macht en de sterkte Gods veel beter tot uitdrukking komt dan in
den zwakken mensch. Zij hebben de kracht van een stier, de majesteit
van den leeuw, de snelheid van den arend en daarbij de rede van den
mensch. Op diezelfde eigenschappen wijzen de vleugelen die zij dragen,
en het zwaard, waarmede zij den hof bewaren. Uit deze voorstelling, die
geen afbeelding maar symbool is, blijkt, dat zij ook onder de engelen
hooggeplaatste wezens zijn, die meer dan eenige andere schepselen,
de kracht, de majesteit, de heerlijkheid Gods openbaren en die daarom
ook belast zijn met de taak, om bij den hof van Eden, in den tabernakel
en tempel en ook bij Gods nederdaling ter aarde te waken voor zijne
heiligheid, Dr. Joh. Nikel, Die Lehre des A. T. über die Cherubim
und Seraphim, Breslau 1890. Voorts worden in Jes. 6 de שְׂרָפִים
vermeld, waarschijnlijk van den arab. stam sarufa, nobilis fuit, die
daar ook symbolisch worden voorgesteld in menschelijke gedaante maar
met zes vleugelen, waarvan twee dienen tot bedekking des aangezichts,
twee tot bedekking der voeten en twee tot het snellijk uitvoeren van
Gods bevelen. In onderscheiding van de cherubim, staan zij als dienaren
rondom den Koning, die zit op zijn troon, bezingen zijne eere en wachten
op zijne bevelen. Serafim zijn de edelen, cherubim zijn de krachtigen
onder de engelen. Eindelijk komen bij Daniel nog twee engelen met
eigennamen voor nl. Gabriel, cap. 8:16, 9:21 en Michael c. 10:13, 21,
12:1, die beiden in afwijking van vele vroegere en latere uitleggers,
zooals de van den Honerts, Burman, Witsius, Hengstenberg, Zahn e.
a., voor geschapen engelen te houden zijn en niet met den Zone Gods
vereenzelvigd mogen worden. Ook volgens het N. T. zijn er verschillende
klassen van engelen. De engel Gabriel treedt op in Luk. 1:19, 26.
Michael komt voor Judas 9, Op. 12:7, 1 Thess. 4:16. En voorts is er
onder de engelen sprake van αρχαι, ἐξουσιαι, Ef. 3:10, Col. 2:10,
κυριοτητας, Ef. 1:21, Col. 1:16, θρονοι, Col. 1:16, δυναμεις, Ef.
1:21, 1 Petr. 3:22, die alle op een onderscheid in rang en waardigheid
onder de engelen wijzen, terwijl eindelijk in de Apocalypse van Johannes
telkens zeven engelen zeer duidelijk op den voorgrond treden, c. 8:2, 6,
15:1 enz. Daarbij komt nog, dat het getal der engelen zeer groot is. De
naam Tzebaoth, cf. boven bl. 111v., Mahanaim, Gen. 32:1, 2, legioenen,
Mt. 26:53 en heirleger, Luk. 2:13, en de getallen van duizend maal
duizenden wijzen dit aan, Deut. 33:2, Ps. 68:18, Dan. 7:10, Hebr. 12:12,
Judas 14, Op. 5:11, 19:14. Zulk een groot getal eischt vanzelf reeds
onderscheid van orde en rang, en te meer, omdat de engelen niet als de
menschen in familieverhoudingen tot elkander staan en dus in zoover
veel meer aan elkander gelijk zijn. De Schrift leert dan ook duidelijk,
dat er onder de engelen allerlei onderscheid is, van rang en stand, van
waardigheid en dienst, van ambt en eere, zelfs van klasse en soort.
Deze schoone, rijke gedachte van verscheidenheid in de eenheid mag niet
prijs gegeven worden, ook al is ze door de Joden en door de Roomschen op
phantastische wijze uitgewerkt. De Joden maakten allerlei onderscheid
tusschen de engelen, Weber, System 161 f. In de christelijke kerk
bleef men eerst bij de gegevens der Schrift staan, Iren. adv. haer. II
54. Orig. de princ. I 5. Augustinus zeide nog niet te weten, hoe de
societas der engelen geordend was, Enchir. 58. Maar Pseudodionysius
gaf in zijne geschriften de coelesti en de ecclesiastica hierarchia
eene schematische indeeling. Uitgaande van de gedachte, dat God bij de
schepping als het ware uit zijne eenheid in de veelheid is uitgetreden,
de div. nom. II 11, leert hij, dat alle dingen van God uitgaan in
steeds dalende reeks en zoo weder successief tot Hem terugkeeren.
God is het middelpunt, de schepselen scharen zich peripherisch om
Hem heen. Er is eene hierarchie der dingen, de coel. hier. III 1.
Zoodanige hierarchie is er tweeërlei, eene hemelsche en eene kerkelijke.
De hemelsche wordt gevormd door drie klassen van engelen. De eerste
en hoogste klasse dient uitsluitend God; zij omvat de seraphim, die
onophoudelijk het Goddelijke wezen beschouwen; de cherubim, die zijne
raadsbesluiten bepeinzen; en de tronen, die zijne gezichten aanbidden.
De tweede klasse dient heel de zichtbare en onzichtbare schepping; zij
omvat de heerschappijen, die ordenen wat naar Gods wil geschieden moet;
de machten, die het beslotene uitvoeren, en de krachten, die het ten
einde brengen. De derde klasse dient de aarde, de enkele menschen en
volken; zij omvat de vorsten, die het algemeene welzijn der menschen
bevorderen, de aartsengelen, die de bijzondere volken leiden en de
engelen, die voor de enkele menschen waken, de coel. hier. VI sq. Van
die hemelsche hierarchie is de kerkelijke een beeld, in haar mysteriën
(doop, eucharistie, ordinatie), organen (bisschop, priester, diaken)
en leeken (catechumenen, christenen, monniken), de eccl. hier. 2 sq.
En heel deze hierarchie heeft haar oorsprong en hoofd in Christus,
den menschgeworden Zoon Gods, de eccl. hier. I 1, en haar doel in
de deificatie, ib. I 3. Deze indeeling van Pseudodionysius, die de
hierarchie in hemel en op aarde doet kennen als de intieme gedachte
van het Roomsche systeem, vond een vruchtbaren bodem. Damascenus, de
fide orthod. II c. 3. Lombardus, Sent. II dist. 9. Thomas, S. Theol. I
qu. 108. Petavius, de angelis tib. II. Oswald, Angelologie. Paderborn
1883 S. 57 f. enz. Er wordt nu in de Schrift ook wel duidelijk een
onderscheid en rangorde der engelen geleerd. Ten onrechte meenen
sommigen, dat met de verschillende namen altijd dezelfde engelen worden
bedoeld, alleen van verschillend gezichtspunt uit beschouwd, Hofmann,
Schriftbeweis I 301. Zelfs dient erkend, dat deze rangorde in de
Protestantsche theologie niet genoeg tot haar recht is gekomen. Er is
rang en orde onder die duizenden wezens. God is een God van orde in al
de gemeenten, 1 Cor. 14:33, 40. De wereld der geesten is niet minder
rijk en schoon dan de wereld der stoffelijke wezens. Maar de hierarchie
der Roomsche leer gaat ver boven de openbaring Gods in zijn woord uit.
Zij werd daarom door de Protestanten eenstemmig verworpen, Calv. op Ef.
1:21. Voetius, Disp. I 882 sq. Rivetus, Op. III 248 sq. Quenstedt,
Theol. I 443. 450. Gerhard, Loc. V cap. 4 Sect. 9. En evenzoo werden
alle berekeningen van het getal der engelen ijdel en onvruchtbaar
geacht; zoo bv. die van Augustinus, die het getal der engelen na
sommiger val liet aanvullen door de praedestinati homines, Enchir. 29.
de civ. XXII c. 1. Anselmus, Cur Deus homo I 18; of van Gregorius, die
meende dat er evenveel menschen behouden werden als er engelen staande
gebleven waren, cf. Lombardus, Sent. II 9; of van Willem van Parijs,
die het getal der engelen oneindig noemde; of van Hilarius en vele
anderen, die op grond van Mt. 18:12 meenden, dat het getal der menschen
tot dat der engelen stond als één tot negen en negentig, cf. Petavius,
de angelis I c. 14; of van G. Schott, die het getal der engelen stelde
op duizend maal duizend millioenen, bij Busken Huet, Het Land van
Rembrand II 2, 37. En evenzoo liet men zich weinig in met de vraag,
of de engelen onderling ook in wezen en soort, essentia en specie,
verschilden; Thomas leerde dit beslist, S. Theol. I qu. 50 art. 4, maar
de kerkvaders zijn meest van een ander gevoelen, Damasc. de fide orthod.
II 3. Petavius, de angelis I c. 14. Voetius, Disp. V 261. Hoe velerlei
onderscheid er ook onder de engelen moge bestaan, de Schrift gaat hier
niet op in en biedt slechts enkele gegevens. Ten opzichte van ons
treedt veel meer de eenheid dan de verscheidenheid op den voorgrond; zij
hebben allen eene geestelijke natuur, heeten allen gedienstige geesten,
en vinden allen hun voornaamste werkzaamheid in de verheerlijking Gods.