de onhoudbaarheid van het deistisch pelagianisme aangetoond. En
daarvoor is een pantheistisch of materialistisch, een meer ethisch of
meer physisch getint determinisme in de plaats getreden. Natuurlijk
is er bij schijn van overeenkomst tusschen dit determinisme en de leer
der praedestinatie een principieel onderscheid. In het pantheisme en
materialisme is er voor een raad Gods in het geheel geen plaats; er
blijft slechts ruimte voor een onbewust noodlot, eene blinde natuur, een
alogischen wil. Toch hebben velen de kerkelijke leer der praedestinatie
in zulk een deterministischen zin verstaan en verklaard, Biedermann,
§ 847 f. Strauss II 362 f. 462 f. Scholten, L. H. K. passim, vooral II⁴
453-605, De vrije wil, 1859 bl. 385 v. Hartmann, Religionsphilosophie II
174 f. 216 f. 271 f. Op dit standpunt heet het: so gewiss jeder Mensch
zum Bösen nicht bloss prädisponirt sondern auch prädeterminirt ist,
so gewiss ist auch jeder zum Guten nicht bloss prädisponirt sondern
prädeterminirt.... so gewiss es keinen schlechthin Verworfenen giebt,
so gewiss keinen schlechthin Erwählten, denn auch der Verworfenste
trägt die Gnade in gewissem Grade in sich und auch der Begnadeste ist
nicht vom aktuellen Bösen eximirt, Hartmann, ib. 217. In den grond
komt hiermede ook Schleiermacher overeen, Chr. Gl. II § 117-120; want
wel gaat hij van de kerkleer uit en houdt hij aan de openbaring in
Christus vast, doch hij onderscheidt verkiezing en verwerping alleen
ten opzichte van den tijd; er zijn geen verworpenen in strengen zin,
ieder zou onder andere omstandigheden hier reeds bekeerd geworden
zijn of komt later tot bekeering. Alle gedachten van vroeger en later
tijd keeren in de nieuwere theologie terug. Vooreerst trachten velen
heel de leer der praedestinatie te ontgaan door de opmerking, dat de
eeuwigheid geen tijd is vóór den tijd, dat de besluiten Gods dus niet als
vóór vele eeuwen klaar en gereed kunnen gedacht worden, maar dat heel
de praedestinatie met verkiezing en verwerping niets anders is, dan
het in der tijd zich openbarende eeuwige immanente handelen en regeeren
Gods; de besluiten zijn niets anders dan de feiten der historie zelve,
Schweizer, Christl. Glaub. II 254 f. Lipsius Dogm. § 540. Op deze
wijze wordt echter heel het onderscheid tusschen eeuwigheid en tijd,
tusschen God en wereld uitgewischt en het theisme voor het pantheisme
ingeruild. Daarom nemen anderen wel een eeuwig besluit Gods aan, maar
dat in niets anders bestaat dan in de voluntas antecedens, waarbij God
aller zaligheid van harte wenscht en wil. In de geschiedenis wordt
echter dit algemeene besluit, althans tijdelijk, particulier. Want
God gaat bij de uitvoering daarvan historisch te werk. Object van de
verkiezing zijn geen individueele personen, maar de gemeente. God roept
volken, en Hij doet dat successief, naarmate zij in den loop der tijden
onder zijne leiding ontvankelijk en rijp geworden zijn voor de hoogere
religie van het Christendom. En onder die volken roept Hij ook weer de
bijzondere personen successief en in verband met hun volk, hun aanleg,
hun opvoeding. De verkiezing van het eene volk en van den eenen mensch
is dus niet ten koste maar ten bate van anderen. Niet allen kunnen
de eersten zijn. De nu tijdelijk voorbijgegane, d. i. verworpene volken
en personen komen later in dit of waarschijnlijk na dit leven tot
waarachtige bekeering. In elk geval is er geen besluit der verwerping
van Gods zijde, dat bepaalde personen van de zaligheid uitsluiten zou;
hoogstens is er van ’s menschen zijde een blijvende tegenstand en eene
positieve verharding mogelijk, welke hem eeuwig verloren doet gaan,
Martensen § 206 f. Lipsius § 541-548. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III²
112 f. Luthardt, Komp. der Dogm. § 32 f. Nitzsch, Evang. Dogm. 607. Nog
anderen gaan weer een schrede verder en leeren, dat er bij dat algemeen
besluit nog een ander bijzonder besluit is gevoegd, waarin God bepaalde
hen te zaligen, wier geloof en volharding hij vooruitgezien en geweten
heeft, en daarentegen de andere eeuwig te straffen. Maar allen stemmen
daarin overeen, dat zij de beslissing voor de eeuwigheid toekennen aan
de macht van den mensch. Toch weer op verschillende manier. De kracht,
om de genade aan te nemen of te verwerpen, komt volgens den een aan den
mensch reeds toe uit de schepping of uit de paedagogische leiding van
Gods algemeene voorzienigheid, J. Müller, Dogm. Abhandl. 243 f. Id.
Lehre v. d. Sünde II 313 f. Nitzsch, Syst. d. Chr. Lehre § 144. Kübel
in Herzog² 12, 161, cf. 15, 112. Ebrard, Dogm. § 325. 344, ook Ch. de
la Saussaye in mijne Theol. van ch. d. l. S. 64v.; volgens den ander uit
de gratia praeparans en antecedens, welke den mensch geschonken wordt
in den doop of in de prediking van wet en evangelie, Kliefoth, Acht
Bücher von der Kirche 1854 cf. Müller, Dogm. Abhandl. 247 f. Sartorius,
Lehre v. d. h. Liebe I³ 174 f. Thomasius, Christi Person u. Werk II³
278. 286. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. § 40. 41. Dorner, Glaub. III
703-724. Lipsius § 541; of ook wordt de verzoening daarin gezocht,
dat de genade geschonken wordt aan hen, die de natuurlijke krachten
van den wil goed gebruiken en met ernst Gods woord onderzoeken enz.,
Philippi, Kirchl. Gl. IV 1, S. 72 f., cf. Shedd, Dogm. Theol. II 511.
Eindelijk wordt nog door enkelen de praedestinatie in Augustiniaanschen
zin geleerd, zooals Hodge, Syst. Theol. I 535 s. Shedd, Dogm. Theol.
I 393 s. Strong, Syst. Theol. New-York 1890 p. 171 s. Böhl, Dogm. 124
f. 527 f. enz. Opmerkelijk is het, dat in Amerika de Luthersche kerken,
vereenigd in de Missouri-synode het Calvinisme genaderd zijn, Dieckhoff,
Der missour. Prädestinatismus u. die Concordienformel, Rostock 1884,
daarentegen de Cumberland Presbyterian Church de Westminster confessie
in Arminiaanschen geest gewijzigd heeft, Schaff, Creeds III 771. Bij de
revisie der Westminster confessie, die voor enkele jaren in Schotland
en Amerika aan de orde werd gesteld, brachten velen ook bezwaren in
tegen de leer der verkiezing en der verwerping, het verloren gaan van
vroegstervende kinderen en van Heidenen, en in het algemeen tegen
het eenzijdig uitgaan der confessie van de souvereiniteit Gods met
miskenning van zijne universeele liefde.
9. Onder den Raad Gods is te verstaan zijn eeuwig besluit over al wat
in den tijd zijn of geschieden zal. De Schrift gaat er allerwege van
uit, dat alwat is en geschiedt, realiseering is van Gods gedachte en
wil, en zijn voorbeeld en grondslag vindt in Gods eeuwigen raad, Gen.
1, Job 28:27, Spr. 8:22, Ps. 104:24, Spr. 3:19, Jer. 10:12, 51:15,
Hebr. 11:3, Ps. 33:11, Jes. 24:24-27, 46:10, Spr. 19:21, Hd. 2 vs.
23, 4:28, Ef. 1:11 enz. Het is reeds het voorrecht van den mensch, om
na overleg en beraad te handelen. Bij een redelijk wezen gaat aan de
daad de gedachte, het voornemen vooraf. Veelmeer is dit het geval bij
den Heere onzen God, zonder wiens weten en willen niets in het aanzijn
treden kan. Onder Christenen kan er dan ook over het bestaan van zulk
een raad des Heeren geen verschil bestaan. Alleen het pantheisme, dat
geen eigen, van de wereld onderscheiden, leven en bewustzijn in God
erkent, kan daartegen bezwaar inbrengen. Maar dit komt daardoor voor
de keuze te staan, om òf den logos in de wereld te loochenen en deze
uit een blinden wil af te leiden, òf den logos in de wereld te erkennen
maar dan ook in God eene bewustheid aan te nemen, die de ideeën aller
dingen bevat. De logos in de wereld onderstelt den logos in God.
Er zou geen gedachte in de schepping kunnen wezen, als deze niet
geschapen ware met verstand en met wijsheid. Deze gedachte des Heeren
die in de schepping belichaamd wordt is verder niet te denken als een
onzeker denkbeeld, waarvan de realiseering twijfelachtig blijft; zij is
geen nuda praescientia, welke uit de schepselen haar inhoud ontvangt;
geen plan, ontwerp, voornemen, waarvan de uitvoering verijdeld worden
kan. Maar ze is beide tegelijk, eene daad van Gods verstand en van zijn
wil. Daarom spreekt de Schrift van raad, van gedachten zijns harten,
Ps. 33:11, van raad van zijnen wil, Ef. 1:11, van voorbestemming en
voorverordineering, Hd. 2:23, 4:28, Rom. 8:29; God spreekt en het
is, Hij gebiedt en het staat. De raad Gods is van dien aard, dat hij te
zijner tijd de uitvoering noodzakelijk medebrengt. Hij is krachtdadig,
Jes. 14:27, Ps. 115:3, 135:6, onveranderlijk, Jes. 46:10, Ps. 33:11,
Hebr. 6:17, Jak. 1:17, onafhankelijk, Mt. 11:26, Ef. 1:9, Rom. 9:11,
20, 21. Toch is er tusschen het besluit en de uitvoering onderscheid
evenals tusschen Gods wezen en zijne werken naar buiten. Het besluit
Gods is een opus ad intra, immanent in het Goddelijk wezen, eeuwig en
staande buiten den tijd. Wel is daartegen ingebracht, dat de eeuwigheid
niet kan en niet mag gedacht worden als een tijd vóór den tijd. en dat
de raad Gods en zijne verkiezing dus ook niet mag verstaan worden als
een besluit, dat eeuwen te voren genomen werd. Deze opmerking is ook
juist op zichzelve. De eeuwigheid is essentieel onderscheiden van den
tijd. De raad Gods is evenmin als de generatie eene daad Gods in het
verleden; hij is eene eeuwige daad Gods, eeuwig voltooid en eeuwig
voortgaande, buiten en boven den tijd, Martyr, Loci Comm. p. 230b. Hij is
geen vrucht van allerlei redeneering en overweging, zoodat God eerst
een tijd lang zonder besluit, besluiteloos, zonder wil zou geweest zijn,
zooals Scaliger terecht opmerkte, Moor, Comm. in Marck. I 900. Vitringa
II 13. Heppe, S. 101-102. En hij is evenmin te denken als een plan, dat
ergens gereed ligt en nu op uitvoering wacht. Maar de raad Gods is
de eeuwig werkzame wil Gods, de willende besluitende God zelf, niet
iets toevalligs in God maar met zijn wezen één. God kan niet als niet
willende, als besluiteloos gedacht worden, Maccovius, Loci Comm. 129.
Mastricht III 1, 28. Turretinus, Theol. El. IV 1, 7. Examen v. h. Ontw.
v. Tol. 6e Sam. 164-166. Maar daarmede blijft toch de raad Gods als een
opus ad intra gehandhaafd, door niets dan door God zelven bepaald,
onderscheiden van de werken Gods in den tijd, Hd. 15:18, Ef. 1:4.
Inhoud en voorwerp van dezen raad Gods zijn alle dingen, welke in den
tijd zijn en geschieden zullen, in één woord de wereldidee, de κοσμος
νοητος. Deze wereldidee staat met het wezen Gods in nauw verband, maar
mag toch niet met het wezen Gods en dus ook niet met den Zoon, den
Logos vereenzelvigd worden. Ze staat tot het wezen Gods in dezelfde
verhouding, als het Weltbewusstsein tot het zelfbewustzijn Gods. De
zelfkennisse Gods put zich in de wereld niet uit, evenmin als zijne
macht of eenige van zijne deugden. Maar wel is de wereld een geschikt
instrument, om al Gods deugden op creatuurlijke wijze tot openbaring
te brengen. De wereldidee is zoo door God geconcipiëerd, dat zij zijne
heerlijkheid kan uitstralen en zijne volmaaktheden naar de mate van het
schepsel tot aanschouwing brengen kan. Zij is een spiegel, waarin God
zijn beeld vertoont. Zij is de creatuurlijke reflex van zijn aanbiddelijk
wezen; eindige, beperkte, inadaequate maar toch ware en getrouwe afdruk
van zijne zelfkennis. In betrekking tot de wereld zelve is deze raad
Gods daarom beide causa efficiens en causa exemplaris. Causa efficiens,
want al het creatuurlijk zijnde kan uiteraard slechts tot bestaan komen
door en tengevolge van het besluit en den wil Gods. Het besluit is
de baarmoeder aller dingen, Zef. 2:2. Al wat is, vindt zijn laatsten,
diepsten grond in het welbehagen Gods, in de εὐδοκια του θεου. Hooger
kunnen wij niet opklimmen. Waarom alle dingen zijn en zoo zijn, vindt
voor ons zijn laatste antwoord in het Deus voluit, in zijn absolute
souvereiniteit. Maar de raad Gods is ook causa exemplaris van al wat
is en geschiedt. Wij denken de dingen, nadat en zooals ze zijn. Voor God
zijn de dingen, nadat en zooals ze door Hem zijn gedacht. Gelijk Mozes den
tabernakel maken moest naar de afbeelding, op den berg hem getoond,
Hebr. 8:5, gelijk alle πατρια in hemel en aarde uit den Vader genoemd
wordt, Ef. 3:15, zoo is al het tijdelijke een beeld van het eeuwige,
al het zijnde eene afschaduwing van het gedachte, en in den diepsten
grond al wat is en geschiedt eene weerkaatsing van het Goddelijk wezen.
Hoewel er aanmerking op gemaakt is, wijl de wereldidee niet met Gods
wezen samenvalt, kan toch het woord van Thomas in goeden zin verstaan
worden, Deus secundum essentiam suam est similitudo omnium rerum, S.
Theol. I qu. 15 art. 1. qu. 44 art. 3, cf. Lombardus, Sent. I dist.
36. Polanus, Synt. p. 268. Gomarus, Theses Theol. IX § 28-30. Amesius,
Medulla Theol. I 7. 13 sq. Heidegger, Corpus Theol. V 12. Turret. Th.
El. IV 1, 7. Mastricht III 1, 28. Moor I 903 sq. Daarom is deze raad
Gods niet anders te denken dan als een enkel, eenvoudig besluit. Op de
Westminster synode was er discussie over, of men van besluit in sing.
of in plur. zou spreken. De confessie gebruikt het woord alleen in het
enkelvoud. En inderdaad is de wereldidee in het Goddelijk bewustzijn ééne
eenvoudige conceptie. Gelijk Minerva geheel volwassen uit Jupiters
hoofd te voorschijn komt, gelijk het genie plotseling en ineens de idee
van een kunstwerk grijpt, zoo is in het zelfbewustzijn Gods de wereldidee
eeuwiglijk voltooid. Maar evenals een kunstenaar zijne conceptie slechts
langzamerhand uitvoeren kan, zoo spreidt God de ééne gedachte van
zijnen raad stuksgewijze in den tijd voor de oogen zijner schepselen uit.
De wereldidee is ééne; maar zich realiseerende ontplooit zij zich in
al haar rijkdom in de vormen van ruimte en tijd. In schepselen en op
creatuurlijke wijze, dat is buiten zich, kan God zijne liefde en zoo al
zijne deugden niet anders openbaren dan in de vormen van lengte en
breedte, van diepte en hoogte, Ef. 3:18, 19. Zoo alleen leeren wij
iets kennen van Gods veelvuldige wijsheid en van zijn onnaspeurlijken
rijkdom. Maar zoo legt het ééne, eenvoudige en eeuwige besluit Gods
zich in den tijd voor onze oogen ook in een veelheid van dingen en
gebeurtenissen uiteen, welke elk weer op een moment in het ééne besluit
Gods terugwijzen en ons op menschelijke wijze van vele besluiten Gods doen
spreken. Af te keuren is dit spraakgebruik niet, indien maar de eenheid
van het besluit in God en het onverbrekelijk verband aller bijzondere
besluiten vastgehouden en erkend wordt.
10. In den raad Gods is allereerst dat besluit te onderscheiden, dat
vroeger algemeen met den naam van providentia werd aangeduid. Het
woord προνοια, providentia, voorzienigheid beteekent oorspronkelijk
niets anders dan het vooruitzien, het vooruit zorgen, het vooruit
overleggen. Zoo werd het woord ook eerst in de theologie opgevat.
De voorzienigheid Gods werd daarom tot de besluiten gerekend en bij
den wil Gods ter sprake gebracht. Ze werd dan omschreven als ratio
ordinis rerum in finem, d. i. als die daad van Gods verstand en
wil, waardoor Hij van eeuwigheid alle dingen heeft geordend tot een
door Hem vastgesteld doel. Als zulk eene ratio ordinis is zij wel te
onderscheiden van de uitvoering in den tijd, d. i. van de exsecutio
ordinis, die meer bepaald den naam droeg van gubernatio, Boethius, de
consol. phil. IV pr. 6. Lombardus, Sent. I dist. 35 n. 1. Thomas. S.
Theol. I qu. 22 art. 1. c. Gent. III 77. En zoo wordt de providentia
als een besluit Gods opgevat, behalve door vele Roomsche theologen,
Petavius, de Deo VIII. Theol. Wirceb. III p. 175 sq. Perrone, Prael.
II 233 c. Pesch, Prael. dogm. II 158, ook in den eersten tijd door
vele Geref. theologen, Ursinus, Explic. Catech. qu. 27. Zanchius Op.
II 324, 436. Maresius, Syst. theol. IV § 19. Conf. Helv. II art. 6,
cf. later over de regeering Gods. In dezen zin is de providentia een
consilium of decretum, waarnaar als naar het exemplar God in den tijd
alle dingen onderhoudt en regeert. Maar later is de naam providentia
het meest in gebruik gekomen voor de daad der onderhouding en regeering
zelve, gelijk Zwingli, Calvijn, Polanus, de Synopsis enz., ze reeds in
dien zin na de schepping behandelen. De naam doet minder ter zake,
maar wel is van belang, dat het besluit Gods alle dingen omvat, niet
alleen de bepaling van den eeuwigen staat der redelijke schepselen
(praedestinatio), maar de ordening en rangschikking van alle dingen
zonder onderscheid. En dit werd oudtijds door den naam providentia
aangeduid. De praedestinatie kwam dus niet los op zichzelve te staan,
maar hing samen met het besluit Gods over alle dingen en was daarvan
slechts eene bijzondere toepassing. Gelijk Zwingli het uitdrukte: est
autem providentia praedestinationis veluti parens; de praedestinatio
is de providentia zelve, inzoover ze betrokken wordt op het eeuwig
lot van menschen en engelen. De Gereformeerden drukten dit in engere
aansluiting aan de Schrift, die van geen προνοια spreekt, door den
raad Gods uit. Deze omvat alle dingen en heeft dus in de eerste plaats
betrekking op de wereld in haar geheel. Alles, ook in de onbewuste
natuur, is en geschiedt naar den raad Gods. Aan alle dingen liggen zijn
ordinantiën ten grondslag. Hemel en aarde, licht en duisternis, dag en
nacht, zomer en winter, zaaiïng en oogst enz. zijn beide in hun eenheid
en in hun verscheidenheid geordend door Hem, die wonderlijk is van raad
en groot van daad, Gen. 1:14, 26, 28, 8:22, Ps. 104:5, 9, 119:90,
91, 148:6, Job 38:10 v., Jes. 28:29, Jer. 5:24, 31:25 v., 33:20, 25.
Voorzoover nu de raad Gods de redelooze natuur tot object heeft, wordt
hij, behalve door de Manicheën enz. schier eenparig erkend. En ook is
er nog groote eenstemmigheid, wanneer zulk een raad en bestel Gods
in meer specialen zin aangenomen wordt voor de redelijke schepselen.
De schepping van het menschelijk geslacht, Gen. 1:26, de verdeeling
der volken, Gen. 11, de bepaling van hunne tijden en hunne woning, Hd.
17:26, het onderscheid tusschen volken en menschen in gave, aanleg,
rang, stand, rijkdom, staat enz., Deut. 32:8, Spr. 22:2, Mt. 25:15;
zelfs de ongelijkheid binnen de gemeente in allerlei gaven, 1 Cor. 4:7,
12:7-11, Rom. 12:4 v. vinden haar diepste oorzaak in den wil Gods.
Alle zijn en alle verscheidenheid van zijn is slechts te verklaren uit
zijn welbehagen. De grond van het bestaan en van het zóó bestaan aller
dingen rust alleen in God. Dat iets is en dat het juist dit en niet
iets anders is; dat er velerlei zijn en leven is; dat er eindelooze
verscheidenheid onder de schepselen is in soort, geslacht, duur,
rang, stand, bezit enz. is alleen Gods welbehagen. En dit welbehagen
onderstelt niet maar schept zijn object. Als de dieren spreken konden
en met hun Schepper twistten, omdat zij niet, als wij, menschen zijn, zou
ieder dat ongerijmd achten, zegt Augustinus, de verbis apost. sermo 11,
cf. Calv. Inst. III 22, 1. En inderdaad past aan geen schepsel iets
anders dan te berusten in het welbehagen Gods. Er is eigenlijk maar
keuze tusschen deze twee, dat het schepsel òf zijn eigen maker zij en dus
ophoude schepsel te wezen, òf dat het schepsel schepsel blijve van het
begin tot het einde en dus zijn bestaan en zoo bestaan alleen te danken
hebbe aan God. Zoodra echter die raad Gods ook uitgebreid werd tot de
zedelijke wereld, is er van allerlei kant oppositie gekomen. Hier had
de raad Gods zijn einde, dit was het speciale domein van den mensch,
hier trad de mensch op als de schepper van zijn eigen lot. Ten einde de
vrijheid, de verantwoordelijkheid, de schuld enz. te handhaven, heeft
Pelagius tusschen de natuurlijke en de zedelijke wereld, tusschen het
posse en het velle onderscheid gemaakt en de laatste aan den raad en de
voorzienigheid Gods onttrokken. En alle pelagianisme is er op uit, om
de zedelijke wereld voor een deel of in haar geheel zelfstandig te maken
tegenover God. Deze poging verdient echter op zich zelve en gansch in
het algemeen reeds afgewezen te worden. Vooreerst is ze in strijd met de
Schrift. Want wel handhaaft de Schrift de zedelijke natuur des menschen
ten allen tijde zoo sterk mogelijk, maar nooit zoekt ze dat daardoor te
doen, dat zij eene dualistische scheiding maakt tusschen natuurlijke
en zedelijke wereld en deze laatste aan God onttrekt. Gods raad gaat
over alle dingen, ook over het zedelijke, over het kwade zoowel als
over het goede. Vervolgens is zulk eene scheiding feitelijk onmogelijk.
De wereldidee is één organisch geheel. Physis en ethos staan in het
nauwste verband en grijpen ieder oogenblik in elkaar in. Onderscheid is
er zeer zeker; maar scheiding is er nergens; er is geen punt in de
schepping aan te wijzen, waar de raad en het bestuur Gods eindigt en
de onafhankelijke wil en daad van het schepsel begint. Bovenal in deze
eeuw heeft de historische en organische beschouwing deze pelagiaansche
scheiding op ieder punt verdreven en veroordeeld. Maar verder zou dit
dualisme het grootste en belangrijkste deel der wereld aan Gods raad
ontnemen en in handen spelen van toeval en willekeur. Ja niet alleen
aan Gods raad en wil, maar zelfs aan zijne kennis wordt dan voor een
groot deel de wereld onttrokken. Indien God en zijn schepsel niet anders
dan als concurrenten kunnen gedacht worden en de een zijne vrijheid en
zelfstandigheid slechts behouden kan ten koste van den ander, dan moet
God hoe langer hoe meer beperkt worden in zijn weten en willen; het
pelagianisme bant God uit de wereld, het leidt tot deisme en atheisme,
en zet de willekeur, de dwaasheid van den mensch op den troon. Daarom
moet de oplossing van het probleem in eene andere richting gezocht
worden, n.l. alzoo dat God, doordat Hij God en de wereld zijn creatuur
is, door zijn oneindig groot weten en willen de zelfstandigheid en
vrijheid der schepselen niet vernietigt maar juist schept en handhaaft.
11. Bij de providentia generalis en specialis verheft het pelagianisme
zich echter nog niet in zijn volle kracht; deze erkent het tot op
zekere hoogte. Maar dan vooral treedt het bestrijdend op, wanneer
de eeuwige staat der redelijke schepselen, het bijzonder besluit der
praedestinatie ter sprake komt. Nu is de praedestinatie slechts eene
nadere toepassing van den raad, de providentia Gods. Evenmin als er
scheiding te maken is tusschen de natuurlijke en de zedelijke wereld,
is er een grens aan te wijzen tusschen wat betrekking heeft op den
tijdelijken en wat betrekking heeft op den eeuwigen staat der redelijke
schepselen. Toch heeft het pelagianisme hier de praedestinatie voor
de praescientia ingeruild en de voorverordineering omschreven als
dat besluit Gods, waarbij Hij eeuwige zaligheid of straf heeft bepaald
voor hen, wier volhardend geloof of ongeloof hij te voren had gezien.
Hoe algemeen deze voorstelling nu ook in de christelijke kerk is
aangenomen--ze wordt immers gedeeld door de Grieksche, Roomsche, Luth.,
Remonstr., Anabapt., Methodist. kerk enz.--zij wordt toch èn door de
Schrift, èn door de religieuse ervaring èn door het theologisch denken
beslist weersproken. Ten eerste leert de Schrift duidelijk en klaar,
dat geloof en ongeloof, zaligheid en verderf niet maar een object is
van de nuda praescientia Dei, doch bepaald van zijn wil en besluit.
De προγνωσις in Rom. 8:29, 11:2, 1 Petr. 1:2, cf. Hd. 2:23 is geen
passief vooruit weten, geen toestand van het bewustzijn maar evenals
het hebr. ידע Hos. 13:5, Am. 3:2 enz., eene aan de realiseering
in de historie voorafgaande zelfbepaling Gods, om tot de objecten
zijner voorkennis in eene bepaalde verhouding te treden; ze staat met
de προθεσις, προορισμος en ἐκλογη in het nauwste verband en is eene
daad zijner εὐδοκια. Ten tweede is het leer der Schrift, dat het geloof
niet voortkomen kan uit den natuurlijken mensch, 1 Cor. 2:14, dat het
eene gave Gods is, Ef. 2:8, Phil. 1:29, 1 Cor. 4:7, en dat het dus
niet aan de verkiezing voorafgaat maar deze onderstelt en haar vrucht
en werking is, Rom. 8:29, Ef. 1:4, 5, Hd. 13:48. Ten derde is het het
eenparig getuigenis van alle religieuse, christelijke ervaring, dat
de zaligheid beide in objectieven en in subjectieven zin enkel en
alleen Gods werk is. In de leer moge iemand pelagiaansch wezen, in
de practijk van het christelijk leven, in het gebed bovenal, is ieder
Christen Augustiniaansch. Dan sluit hij allen roem uit en geeft Gode
alleen de eer. Augustinus zeide daarom terecht, dat het geloof der
oude kerk aan Gods genade zich niet zoozeer in de opuscula als in de
gebeden had uitgesproken, de dono pers. 23, cf. Hodge, Syst. Theol.
I 16. Ten vierde is de praescientia Dei toch van dien aard, dat haar
object als ontwijfelbaar zeker vooruit geweten wordt en dan is ze gelijk
aan de praedestinatie; indien het object echter totaal toevallig en
willekeurig is, is ook de praescientia niet te handhaven. Volgens de
Grieksche, Roomsche en Luthersche kerken, en zelfs ook volgens de
Remonstranten in hun remonstrantie, die allen de praedestinatie door de
praescientia zoeken te ontwijken, is het getal dergenen, die gelooven en
zalig zullen worden, even vast en zeker als volgens Augustinus en de
Gereformeerden. Augustinus zeide: certus est praedestinatorum numerus
qui neque augeri potest neque minui, de corr. et gr. 13. En zoo wordt
geleerd door Lombardus, Sent. I dist. 40. Thomas, S. Theol. I qu. 23
art. 6. 7, cf. qu. 24 en alle Roomsche theologen, al verschillen ze
ook daarin, dat sommigen die zekerheid der uitkomst meer afleiden uit
den wil, en anderen, zooals Molina e. a., meer uit het weten Gods,
Perrone, Prael. theol. II 249. Pesch, Prael. theol. II 205. Jansen,
Prael. theol. dogm. III 143. De Luthersche theologen hebben later wel
de praedestinatie laten afhangen van de praescientia maar toch de
zekerheid en onveranderlijkheid der uitkomst nooit in twijfel getrokken,
Gerhard, Loci Theol. loc. VII § 212 sq. Quenstedt, Theol. did. polem.
III p. 20. Hollaz, Examen theol. p. 641. De Schrift sprak op vele
plaatsen, Dan. 12:1, Mt. 24:24, 25:34, Joh. 10:28, Rom. 8:29-30, 1
Petr. 1:2-4 te duidelijk en te sterk, dan dat deze onveranderlijkheid
kon ontkend worden. Zoowel formaliter als materialiter, beide naar
quantiteit en qualiteit, staat het getal dergenen, die zalig worden,
volgens de belijdenis van alle christelijke kerken onwrikbaar vast.
Maar indien dit erkend en ingedacht wordt, is de praescientia met de
providentia en praedestinatio één en hetzelfde. God heeft vooruit
geweten wie gelooven zouden, en weet dat eeuwig en onveranderlijk. Zoo
zullen dezen in den tijd ook zeker en onfeilbaar komen tot het geloof
en tot de zaligheid. Voor vrijheid in den zin van toeval en willekeur
blijft er op dit standpunt nergens eenige ruimte over. De praescientia
sluit de praedestinatio in. Zegt men, gelijk Castellio, bij Schweizer,
Centrald. II 278, dat God het toevallige juist als toevallig vooruit
geweten heeft, dan valt men in de gedachtenlijn van Augustinus terug
en kan men daardoor evengoed de vrijheid met de praedestinatie in
overeenstemming brengen. De vraag is juist, of het vrije, toevallige als
zoodanig zeker en onfeilbaar eeuwig geweten kan worden. Zoo ja, dan
heeft Augustinus gelijk en is heel de leer der praescientia onnoodig.
Zoo neen, dan moet men verder gaan en ook de praescientia ontkennen;
dan moet de uitkomst van de wereldgeschiedenis volstrekt toevallig en
als zoodanig onberekenbaar en onweetbaar blijven. Cicero heeft dit reeds
ingezien en daarom ook de praescientia ontkend, cf. boven 208v. Later
volgden hem de Socinianen, de Remonstranten, Episc. Inst. theol. IV
sect. 2 c. 18. Vorstius bij Scholten II 492 en vele theologen in den
nieuweren tijd, die ter handhaving van de creatuurlijke vrijheid eene
zelfbeperking Gods in zijn weten, willen en kunnen hebben aangenomen,
Weisse, Philos. Dogm. § 509. Martensen § 115. 116. Rothe, Ethik § 42.
Dorner, Gl. I 319 f. Hofstede de Groot, Inst. theol. nat. ed. 3 p.
183 e. a., cf. Scholten, L. H. K. II 490. Toch hebben de christelijke
kerken deze consequentie niet aangedurfd. Alle belijden de providentia
en de praescientia Dei. Alles geschiedt in den tijd, gelijk het eeuwiglijk
door God geweten wordt. Het eindresultaat en de daartoe leidende
wegen en middelen staan in Gods praescientia vast. Zoo beschouwd, is
de leer der praedestinatie geen belijdenis der Geref. kerk alleen,
geen private meening van Augustinus en Calvijn, maar een dogma der
gansche Christenheid. Er is verschil in den naam, waarmede ze genoemd
wordt; in de wijze, waarop ze voorgesteld wordt; maar zakelijk is er
overeenstemming, d. i. alle christelijke kerken en theologen belijden,
dat alles is en geschiedt en uitkomt, gelijk God het eeuwiglijk weet.
In dien zin kon Augustinus terecht zeggen: praedestinationis hujus
fidem, quae contra novos haereticos nova sollicitudine defenditur,
nunquam ecclesia Christi non habuit, de dono pers. c. 23; en Prosper:
praedestinationem Dei nullus catholicus negat, bij Perrone II 249. Alle
christelijke kerken hebben haar in de confessie in meerder of minder
mate ter sprake gebracht. Ja, er kan gezegd, hetzij men pelagiaansch of
augustiaansch denke, de zaak waarover men denkt blijft er toch dezelfde
om. De historie verandert niet. De feiten en het verband der feiten
in de wereldgeschiedenis bestaan gelijk ze zijn, onafhankelijk van de
valsche of ware voorstelling, die wij er ons van vormen, Schweizer, Ref.
Dogm. I 73. Het onderscheid ligt alleen hierin, dat de Gereformeerden
met de Schrift in de hand en met Augustinus tot voorbeeld niet bij de
tweede oorzaken zijn blijven staan, maar tot de eerste oorzaak, d. i.
den wil Gods, durfden opklimmen en daarin alleen voor hun denken en
leven rust hebben kunnen vinden. De leer der praedestinatie heeft haar
onverwinlijke kracht en gestrengheid in de feiten der wereldhistorie,
gelijk zij door Gods woord worden verklaard als de uitvoering van zijn
eeuwigen raad. Zij is zelve niet hard en streng, maar huiveringwekkend
ernstig zijn de _feiten_, waarop zij gebouwd is, Hodge, Syst. Theol. II
349. En het pelagianisme bevredigt daarom niet, wijl het op ieder punt
van het leven en van de geschiedenis der menschheid met de ontzaglijke
werkelijkheid in botsing komt. Het is een oppervlakkig vernis, dat den
mensch wel bedriegt maar de werkelijkheid niet verandert.
12. Toch komt het pelagianisme, schoon in het algemeen reeds
onhoudbaar gebleken, op ieder speciaal punt in de leer der
praedestinatie zijn aanval hervatten. Ten eerste neemt het eene voluntas
of decretum Dei antecedens en conditionatum aan, om aan alle gevallen
menschen eene genoegzame genade aan te bieden. Het beroept zich
daarvoor op verschillende teksten der H. Schrift, Jes. 5:3, Jer. 51:9,
Ezech. 18:23, 32, 33:11, Mt. 23:37, Joh. 3:16, Rom. 11:32 en vooral
1 Tim. 2:4 en 2 Petr. 3:19. Pelagianen, Semipelagianen, Roomschen,
Lutherschen, Remonstranten, onder de Gereformeerden de Amyraldisten
en alle universalisten van vroeger en later tijd nemen zulk een eerste
algemeen besluit aan. Dit besluit komt echter terstond in conflict met
de werkelijkheid. Alle eeuwen door is slechts een klein gedeelte der
menschheid met het evangelie bekend geweest. Feitelijk is de genade
in de historie der menschheid niet universeel maar particulier. Wel
zijn er verschillende pogingen beproefd, om dit feit met het algemeene
besluit in overeenstemming te brengen. De Pelagianen hebben de grens
tusschen natuur en genade uitgewischt en ook in de lex naturae een
weg ter zaligheid gevonden. Vele Roomsche theologen oordeelen, dat de
genade geschonken wordt of zal worden aan allen, die een goed gebruik
maken van het licht en de kracht der natuur. De oude Lutheranen zeiden,
dat de genade in den tijd van Adam, Noach en de apostelen, Rom. 10:18
universeel was geweest maar alleen door de zonde der menschen weer
beperkt was. En nieuwere theologen zijn gekomen tot de leer, dat het
evangelie der genade nog na den dood zal gepredikt worden aan alle
infideles negativi. Maar al deze hypothesen gaan buiten de Schrift
om en kunnen het feit van de particulariteit der genade niet te
niet doen. Indien dit feit echter vast staat, rijst de vraag, waarom
het evangelie aan den een wordt gepredikt en aan den ander niet?
Waarom wordt de een in een christelijk, en de ander in een heidensch
land geboren? De Pelagianen en Semipelagianen trachtten ook dit te
rechtvaardigen met de overweging, dat God ook bij deze praedestinatio
ad primam gratiam gerekend had met de natuurlijke verdiensten van den
mensch en het gebruik, dat hij van zijn natuurlijke krachten had gemaakt.
Maar Augustinus weerlegde deze praedestinatio ad primam gratiam ob
praevisa merita ex voluntate naturali afdoende, door te wijzen op de
kinderen, die geen zoodanige verdienste hadden en van welke sommige
gedoopt en andere ongedoopt stierven. De Roomsche kerk heeft dit punt
dan ook steeds in het pelagianisme bestreden, de gratia praeveniens
vastgehouden en de eerste genade onverdiend genoemd, cf. bij Denzinger,
n. 171. 679. Metterdaad stuit het pelagianisme bij de kinderen op een
onoverkomelijk bezwaar. De praedestinatio ad primam gratiam, d. i. het
geboren worden in een christelijk land of het later bekend worden met
het evangelie is geheel onverdiend en onvoorwaardelijk. Hier bij het
begin, bij het eerste besluit kan de praedestinatie niet anders dan
als absoluut en inconditioneel worden opgevat. Waarom de een met het
evangelie bekend wordt en de ander ervan verstoken blijft, de een dus
in de mogelijkheid wordt gesteld om eeuwig zalig te worden en de ander
niet, is uit den mensch niet te beantwoorden. Ieder moet hier, of hij
wil of niet, berusten in den wil en het welbehagen Gods.
Ten tweede zoekt het pelagianisme zich te handhaven bij de
praedestinatio ad gratiam efficacem. De werkelijkheid leert, dat niet
allen, die het evangelie hooren, dit aannemen met een waar geloof.
Vanwaar dit onderscheid? Het pelagianisme zegt, dat de gratia, die
aan allen geschonken wordt, in zichzelve sufficiens is, en dat nu de
wil des menschen beslist, of die gratia efficax zal zijn en blijven al
dan niet; bij het pelagianisme is er dus eigenlijk geen besluit meer
na dat van de universeele aanbieding der genade. Van nu aan is alles
overgelaten aan de beslissing van den mensch. God heeft het zijne
gedaan; Hij gaf het posse; de mensch bezit het velle. Maar geen enkele
christelijke confessie heeft dit pelagiaansche standpunt durven innemen.
Alle hebben in zwakker of sterker zin eene gratia efficax, een donum
fidei geleerd, en dus ook een tweede besluit in de praedestinatie
onderscheiden. Alleen rees dan de vraag, aan wie deze gratia efficax,
deze gratia habitualis, infusa, d. i. het ware geloof geschonken werd.
Op dit punt heerscht velerlei verwarring. Maar toch is in Rome, bij de
Lutherschen, bij de Remonstranten enz. langzamerhand de leer opgekomen,
dat de genade des geloofs geschonken wordt aan hen, die van de gratia
prima, d. i. de prediking van het evangelie, de verlichting des H.
Geestes enz. een goed gebruik maken en doen wat in hun vermogen is,
quod in se est. Wel is dit geen meritum ex condigno, maar toch een
meritum ex congruo. God bindt zich in de uitdeeling van de gave des
geloofs aan den ernst van het menschelijk streven. De praedestinatio ad
ulteriores gratias is een besluit, niet van Gods souvereiniteit, maar
van zijne gerechtigheid of billijkheid. Het is billijk, dat God het geloof
en de vergeving schenke aan wie zijn best heeft gedaan. Toch is ook deze
voorstelling beide met de Schrift en met de werkelijkheid in strijd. Wel
is de mensch verplicht tot geloof en bekeering en wordt hij daartoe ook
door de prediking van het evangelie vermaand. Maar uit de verplichting
is geen besluit te trekken tot de macht; uit het du sollst volgt nog
geenszins het du kannst. Hoe zou de zondige en bedorven mensch ook de
macht bezitten, om het evangelie al of niet aan te nemen en van de
gratia prima al of niet een goed gebruik te maken? Waar zou hij die
macht aan ontleenen, aan zichzelven, aan de inwerking van den Logos,
aan de genade des doops? De voorstanders der aan allen aangeboden
gratia sufficiens zijn er zelf verlegen mede. En de Schrift leert zoo
duidelijk mogelijk, dat de mensch gansch onwillig en onmachtig is, dat
het geloof eene onverdiende gave der genade is, dat de zaligheid ook
subjectief Gods werk is. Natuur en genade mogen in verband staan;
er is tusschen beide een wezenlijk onderscheid en geen geleidelijke
overgang; van een meritum ex congruo is noch in de Schrift noch in
de werkelijkheid sprake. Kinderkens gaan de wijzen en verstandigen, en
tollenaren en zondaren gaan de fariseën voor in het koninkrijk der
hemelen.
Ten derde en ten laatste zoekt het pelagianisme zijne positie nog te
behouden bij de praedestinatio ad gloriam. Ook al gelooft iemand in
waarheid en al heeft hij daardoor de vergeving en het recht ten leven
ontvangen, het is volstrekt niet zeker, dat hij dat geloof behouden
en alzoo de zaligheid verwerven zal. Er is daarom bij God nog een
derde besluit noodig, nl. om de zaligheid te schenken aan hen, wier
volharding in het geloof ten einde toe Hij eeuwiglijk heeft voorzien.
Maar in versterkten zin keeren al de bovengenoemde bezwaren hierbij
terug. Het besluit Gods wordt geheel conditioneel en verliest het
karakter van een wil en een besluit; het is niets dan een wensch,
welks vervulling geheel onzeker is; God ziet lijdelijk toe en neemt eene
afwachtende houding aan; de mensch beslist, willekeur en toeval zitten
op den troon; zelfs bij de geloovigen is de einduitkomst nog geheel
onzeker; ieder oogenblik is er afval der heiligen mogelijk. De scheiding
der praedestinatio ad gratiam van die ad gloriam is voorts geheel met
de Schrift in strijd; zij maakt, dat de keten des heils, Rom. 8:29 op
ieder punt verbroken kan worden; zij lost het ééne werk der herschepping
op in eene reeks van menschelijke daden en handelingen, die los, zonder
samenhang naast elkander staan en alle continuiteit missen. En eindelijk
wordt bij deze leer heel het werk Gods in de zaliging van zondaren
miskend en geloochend; de Schrift legt altijd en overal den sterksten
nadruk op de trouwe en onveranderlijkheid Gods, op de eeuwigheid van
zijn verbond, op de vastheid van zijne beloften; maar van dit alles is
er bij het pelagianisme geen sprake meer. De Heere kent niet degenen
die de zijnen zijn; zijn verbond en zijne goedertierenheid wankelen wel
van oogenblik tot oogenblik; er worden wel schapen gerukt uit Jezus’
hand; het is niet waar, dat God verheerlijkt, alwie Hij gekend, geroepen
en gerechtvaardigd heeft. Het zuivere, consequente pelagianisme is de
volkomen omverwerping van alle Christendom en religie. Daarom is het
ook door geen enkele christelijke kerk aanvaard. Hoezeer de leer de
praedestinatie door semipelagiaansche inmengselen bij de Roomsche en de
Luthersche kerk onzuiver is geworden, ze wordt toch door alle beleden.
De praedestinatie is zakelijk een dogma van heel de Christenheid.
13. Het woord praedestinatie, προορισμος, is in de christelijke
theologie echter in zeer verschillenden zin gebezigd; nu eens had
het ruimer dan enger beteekenis. Op pelagiaansch standpunt is ze
niets anders dan het besluit, om hun, wier geloof en volharding God
vooruitgezien heeft, de eeuwige zaligheid te schenken, en om anderen,
wier zonden en ongeloof Hij voorzag, te bestemmen tot de eeuwige
straf. Schepping, val, Christus, de prediking van het evangelie en de
aanbieding der genade aan allen, volhardend geloof en ongeloof gaan
aan de praedestinatie vooraf, zijn niet in haar opgenomen maar vallen
buiten haar; zij zelve is niets anders dan het bestemmen ten eeuwigen
leven of tot de eeuwige straf. Hier heeft praedestinatie den engsten
zin, maar hangt ze ook geheel van de nuda praescientia Dei af, is ze
onzeker en den naam van praedestinatie niet waard; niet God maar de
mensch maakt de geschiedenis en stelt haar resultaat vast. Dit gevoelen
is boven genoegzaam weerlegd en behoeft niet meer besproken te worden,
cf. nog Perkins, Werken I 788 v. Twissus, Op. I 669 sq. Maar breeder
behandeling verdient het belangrijk verschil tusschen het infra- en
supralapsarisme. Dit bestaat feitelijk toch in niets anders dan in
een enger of ruimer omschrijving van het begrip der praedestinatie.
Augustinus n.l. beperkte het woord in dubbelen zin. Ten eerste liet
hij het besluit der praedestinatie volgen op dat van de schepping en
den val; en ten tweede nam hij het woord gewoonlijk in bonam partem,
vereenzelvigde de voorverordineering met de verkiezing en duidde het
besluit der reprobatie liefst met den naam van praescientia aan.
Praedestinatie zegt wat God doet, n.l. het goede, maar praescientia
ziet op wat de mensch doet, n.l. het kwade, de dono pers. c. 17-19.
de praed. sanct. c. 10. Bij dit spraakgebruik sloot over het algemeen
de scholastiek, Lombardus, Sent. I dist. 40, Thomas, S. Theol. I qu.
23, de Roomsche, Denzinger, Enchir. 279. 285. 296. Trid. VI can. 6,
en de Luthersche theologie zich aan, Müller, Symb. Bücher S. 554. De
infralapsarii onder de Gereformeerden lieten op dezelfde wijze het
besluit van schepping en val aan dat van verkiezing en verwerping
voorafgaan; maar terwijl de meesten hier na den val geen bezwaar hadden,
om ook de verwerping onder de praedestinatio op te nemen en alzoo
van eene gemina praedestinatio te spreken, Turretinus, Theol. El. IV
9. 6, oordeelden anderen het beter, om het woord praedestinatie tot
de verkiezing te beperken, en de verwerping afzonderlijk daarnaast
onder een eigen naam te behandelen, Hyperius, Methodus Theol. 183
sq. Martyr, Loci C. 231-233. Zanchius, Op. II 479. Keckermann, Syst.
theol. 1603 p. 296. Pareus op Rom. 8:29, 30, ed. 1609 p. 562. Indien
nu het woord praescientia niet in pelagiaanschen zin wordt opgevat
en de reprobatie niet aan den wil Gods onttrokken wordt, gelijk bij
de latere Roomschen en Lutherschen, dan is dit een verschil in naam
maar niet in de zaak zelve, Mastricht, Theol. III 2, 24. Turretinus,
Theol. El. IV 7, 4. Stapfer, Wederl. Godg. V 466 v. Maar kenmerkend
voor het infralapsarisch gevoelen is, dat schepping en val in het
besluit aan de verkiezing en verwerping voorafgaan. Daarentegen wordt
door het supralapsarisme de praedestinatie zoo uitgebreid, dat ze ook
de schepping en den val in zich opneemt als middelen, die tot het
einddoel, den eeuwigen staat der redelijke schepselen, leiden.
Beide voorstellingen van de praedestinatie, zoowel de supra- als de
infralapsarische, zijn in de Geref. kerk en theologie steeds naast
elkander erkend. De Ned. belijdenisschriften zijn infralapsarisch, maar
geen kerkelijke vergadering, ook die van Dordrecht niet, heeft ooit
een supralapsariër bemoeilijkt. De Lambethsche artikelen van 1595,
opgenomen in de Iersche confessie van 1615 cap. 3, en de confessie
van Westminster laten het vraagstuk met opzet onbeslist. De Geref.
Godgeleerden hebben altijd aan beide voorstellingen het burgerrecht
toegekend, Voetius, Disp. V 602-607. Twissus, Op. I 50. Spanheim,
disp. de praedest. § 8. 9. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VII 296. 383 v.
Spanheim placht te zeggen, dat hij op den katheder supra-, in het
onderwijzen der gemeente infralapsariër was, Ex. v. h. Ont. v. Tol.
VII 296. En inderdaad staan beide op Gereformeerden grondslag. Aan de
eene zijde leeren de supralapsarii even beslist als de infralapsarii,
dat God geen auteur der zonde is, maar dat deze haar oorzaak heeft
in den wil des menschen. God als de Almachtige moge den val hebben
bepaald en ook in en door de zonde zijn regiment uitoefenen; Hij blijft
heilig en rechtvaardig, de mensch valt en zondigt vrijwillig, door
eigen schuld. Cadit homo, providentia Dei sic ordinante, sed suo
vitio cadit, Calv. Inst. III 23, 8. En ook zijn de supralapsarii niet
tot hunne voorstelling gekomen door philosophisch denken, maar zij
gaven haar, wijl zij haar meer in overeenstemming achtten met de H.
Schrift. Evenals Augustinus tot zijne leer der praedestinatie kwam
door de studie van Paulus, zoo heeft de leer der Schrift over de
zonde Calvijn tot zijn supralapsarisme geleid. Hij gaf daarin naar zijn
eigen verklaring geen philosophie maar de waarheid naar het Woord
Gods, Inst. I 18. III 21-23. En aan de andere zijde erkennen de
infralapsarische Gereformeerden ten volle, dat God den val en de zonde
en veler eeuwige straf niet door eene nuda praescientia vooruitgezien
maar in zijn besluit opgenomen en bepaald heeft, Turretinus, Theol.
El. IV 9, 6. Over de decreten zelve en hun inhoud is er dus heel geen
verschil. Beiden ontkennen den vrijen wil, verwerpen het geloof als
oorzaak der verkiezing en de zonde als oorzaak der verwerping, en
bestrijden alzoo het pelagianisme; beiden berusten ten slotte in het
souvereine welbehagen Gods. Er is alleen verschil over de orde der
decreten. De infralapsariër houdt zich aan de historische, causale;
de supralapsariër verkiest de ideëele, teleologische orde. Gene vat
het begrip praedestinatie in enger zin op en laat schepping, val,
providentia eraan voorafgaan; deze neemt onder de praedestinatie alle
andere besluiten op. Daar valt de nadruk op de veelheid, hier op de
eenheid der besluiten; daar hebben alle besluiten tot op zekere hoogte
een eigen, zelfstandige beteekenis, hier zijn de voorafgaande alle aan
het laatste besluit ondergeschikt.
14. Het beroep op de Schrift brengt dit geschil niet tot oplossing.
Want terwijl het infralapsarisme gesteund wordt door al die plaatsen,
waar verkiezing en verwerping betrekking hebben op de gevallen wereld
en voorgesteld worden als daden van barmhartigheid en gerechtigheid,
Deut. 7:6-8, Mt. 12:25, 26, Joh. 15:19, Rom. 9:15, 16, Ef. 1:4-12, 2
Tim. 1:9, zoekt het supralapsarisme zijne sterkte in al die teksten,
welke Gods absolute souvereiniteit uitspreken, vooral ook in betrekking
tot de zonde, Ps. 115:3, Spr. 16:4, Jes. 10:15, 45:9, Jer. 18:6, Mt.
20:15, Rom. 9:17, 19-21. Het feit, dat elk van beide voorstellingen
op eene zekere groep van teksten steunt en daarbij eene andere niet
genoeg tot haar recht doet komen, bewijst reeds beider eenzijdigheid. Het
infralapsarisme verdient lof om zijne bescheidenheid, het geeft geen
oplossing maar blijft bij de historische, causale orde staan, het schijnt
minder hard en rekent meer met de eischen der practijk. Bevredigen
doet het echter niet, omdat de verwerping evenmin als de verkiezing
te begrijpen is als eene daad van Gods gerechtigheid. Geloof en goede
werken zijn niet de oorzaak der verkiezing en zoo is ook de zonde
niet de oorzaak der verwerping; deze ligt alleen in Gods vrijmachtig
welbehagen, het besluit der reprobatie gaat dus steeds in zekeren zin
aan het besluit om de zonde toe te laten vooraf. Bovendien, indien
God het besluit der verwerping eerst nam na dat van de toelating der
zonde, komt altijd de vraag weer op: maar waarom heeft Hij die zonde dan
toegelaten? Bestond die toelating in eene nuda praescientia, en is
de val feitelijk eene verijdeling van Gods plan geweest? Maar dat kan
en mag een Gereformeerde, ook al is hij infralapsiër, nooit zeggen.
Hij moet den val toch ook in zekeren zin opnemen in Gods besluit
en te voren bepaald laten zijn. Maar waarom heeft God dan den val
permissione efficaci besloten? Het infralapsarisme heeft hierop geen
antwoord dan alleen Gods welbehagen, maar zegt dan hetzelfde als het
supralapsarisme. De verwerping is niet te verklaren als eene daad van
Gods gerechtigheid, want de eerste zonde is in elk geval toegelaten
door Gods souvereiniteit. Het infralapsarisme komt, teruggaande, toch
weer bij het supralapsarisme uit; indien het dit niet zou willen, zou
het tot de praescientia de toevlucht moeten nemen. En daar komt dan
eindelijk nog bij, dat het het besluit der verwerping plaatst na den val,
maar waar ergens? Heeft God besloten, velen te verwerpen alleen na de
erfzonde; komt deze bij het besluit der verwerping alleen in aanmerking,
en rekent God heel niet bij dit ontzettend besluit met de peccata
actualia? Indien de verwerping tot Gods gerechtigheid moet herleid
worden, waarom ze dan liever niet geplaatst, niet na het intreden der
erfzonde alleen maar na het volbrengen der peccata actualia door ieder
te verwerpen mensch in het bijzonder? Dat leerde nu wel Arminius, die
ook de zonde van het voorgezien ongeloof er onder opnam. Maar dat ging
natuurlijk niet voor een Gereformeerd theoloog. De reprobatie hing dan
van de nuda praescientia, d. i. van den mensch af, de zondige daden des
menschen werden dan de laatste en diepste oorzaak der verwerping, en
daarom bleef men vrij willekeurig bij het besluit der verwerping terstond
na den val staan. Maar feitelijk leerde het daarom in betrekking tot
alle peccata actualia volkomen hetzelfde als het supralapsarisme; de
reprobatie gaat wel niet aan de erfzonde maar toch aan alle andere
zonden vooraf. Het infralapsarisme schijnt zachter en billijker te zijn,
maar dit blijkt toch bij dieper nadenken niet veel meer dan schijn te
wezen.
Het supralapsarisme heeft dus ongetwijfeld voor, dat het van alle
ijdele pogingen, om God te rechtvaardigen, afziet en bij verwerping en
verkiezing beide rust in Gods souverein, onbegrijpelijk maar toch altijd
wijs en heilig welbehagen. En toch is het, zoo niet meer, dan toch
minstens even onbevredigend als het infralapsarisme. Het neemt den
schijn van eene oplossing aan, maar geeft die feitelijk op geen enkel
punt en in geen enkel opzicht. Vooreerst toch is de openbaring van al
Gods deugden zonder twijfel het einddoel van al Gods wegen, maar het
gaat niet aan om met het supralapsarisme terstond in dit einddoel de
wijze op te nemen, waarop hiernamaals deze gloria Dei in den eeuwigen
staat zijner redelijke schepselen tot openbaring zal komen. Want die
eeuwige staat, beide van zaligheid en van verderf, is niet het
einddoel zelf, maar een middel, om al Gods deugden op creatuurlijke
wijze tot openbaring te brengen. Het is immers niet te zeggen, dat God
zijne eer niet had kunnen openbaren in de zaliging van allen, indien
dit Hem behaagd had. Het is ook niet juist, dat God in den eeuwigen
staat der verlorenen _uitsluitend_ zijne gerechtigheid, en in dien
der verkorenen _uitsluitend_ zijne barmhartigheid openbaart. Ook in
de gemeente, die gekocht werd door het bloed des Zoons, wordt zijn
recht openbaar; en ook in de plaats des verderfs zijn er nog spranken
van zijne barmhartigheid. Einddoel van al Gods werken is en moet zijn
zijne heerlijkheid; maar de wijze, waarop deze heerlijkheid schitteren
zal, is daarmee niet vanzelf gegeven; deze is door zijn wil bepaald,
en ofschoon God ook daarvoor wijze en heilige redenen heeft gehad, wij
kunnen niet zeggen, waarom Hij juist dit middel heeft gewild, waarom
Hij veler verderf en niet aller behoud heeft bepaald. Bovendien stuit
het supralapsarisme daarbij op het bezwaar, dat het aan het besluit der
verkiezing en verwerping slechts mogelijke menschen en, gelijk Comrie
er aan toevoegde, een mogelijken Christus tot object geeft. Wel is dit
laatste element, door anderen uit de supralapsarische voorstelling
verwijderd, Kuyper, De vleeschwording des Woords bl. 202v. Maar daarmede
is het principe niet weggenomen, waaruit deze dwaling voortkwam. Indien
de verkiezing slechts mogelijke menschen tot object heeft, brengt zij
logisch die van een mogelijken Christus mede, wijl de verkiezing van
de gemeente en haar Hoofd niet gescheiden kan worden. Maar afgedacht
hiervan, de verkiezing en verwerping, die slechts homines creandi et
labiles tot object heeft, is nog niet het eigenlijke, doch slechts een
voorloopig besluit. Het supralapsarisme moet straks toch weer tot de
infralapsarische orde voortschrijden. Want nadat eerst mogelijke menschen
verkoren en verworpen zijn, volgt daarna het besluit, om deze mogelijke
menschen werkelijk te scheppen en te laten vallen, en moet dan toch weer
het besluit volgen om nu die niet meer slechts in de idee als mogelijk
gedachte maar nu ook in het besluit als werkelijk bestaande gedachte
menschen deels te verkiezen deels te verwerpen. De logische orde in het
supralapsarisme laat dus alles te wenschen over. Eigenlijk is het van
het infralapsarisme alleen hierin onderscheiden, dat het op de wijze van
het Amyraldisme aan de infralapsarische reeks van besluiten een besluit
aangaande mogelijkheden vooraf laat gaan. Maar wat is zulk een besluit
aangaande mogelijke menschen, waarvan volstrekt nog niet vaststaat of
ze werkelijk zullen zijn? Homines possibiles zijn er oneindig vele in het
bewustzijn Gods, die nooit zullen zijn. Het besluit der verkiezing en
der verwerping heeft dus non-entia tot object, en niet bepaalde, Gode
bij name bekende personen. Eindelijk is er nog deze moeilijkheid aan het
supralapsarisme verbonden, dat het de eeuwige straf op dezelfde wijze en
in denzelfden zin tot object van Gods wil maakt als het eeuwige leven
der zaligen, en dat het de zonde, welke tot die eeuwige straf leidt,
op dezelfde wijze en in denzelfden zin tot een middel maakt als de
verlossing in Christus een middel is tot de eeuwige zaligheid. Hierover
is onder Gereformeerden geen verschil, dat de zonde en de straf door
God gewild en bepaald is. Het is ook volkomen waar, dat woorden als
permissio en praescientia feitelijk niets geven tot oplossing der
moeilijkheden. De vragen blijven toch immers precies dezelfde: waarom
heeft God, alles vooruitwetende, den mensch zoo geschapen, dat hij
vallen kon en den val niet verhinderd? Waarom liet Hij allen vallen in
éénen? Waarom laat Hij niet aan allen het evangelie prediken en schenkt
Hij niet aan allen het geloof? In één woord, als God vooruitziet en
toelaat, doet Hij dat volens of nolens. Het laatste is onmogelijk. Zoo
is dan de permissio eene permissio efficax, eene daad van zijn wil. Ook
is het begrip der permissio zonder eenige waarde of kracht tegenover
de beschuldiging, dat God de auteur der zonde is, want wie iemand
_laat_ zondigen en verloren gaan, terwijl Hij het verhinderen kon, is
even schuldig als wie hem tot de zonde aanspoort. Maar andererzijds is
ook hierover geen verschil, dat de zonde, schoon niet zijnde praeter
Dei voluntatem, toch is en blijft contra ejus voluntatem; dat zij niet
alleen een middel is om te komen tot het einddoel, maar dat zij is
eene verstoring van Gods schepping, en dat de val van Adam dus geen
vooruitgang maar zeer zeker een val is geweest. En ook dit staat wel
vast, dat het denken de woorden permissio, praescientia, praeteritio,
derelictio wel afkeuren kan, maar dat niemand andere, betere woorden
aan de hand kan geven. Zelfs de strengste supralapsariër kan die
woorden niet missen, noch op den kansel noch in den katheder, Frank,
Theol. der Concordienformel IV, 148. 272. Want al moge men aannemen,
dat er is eene praedestinatio ad mortem; van eene praedestinatio ad
peccatum heeft onder de Gereformeerden niemand durven spreken. Allen
zonder onderscheid, Zwingli, Calvijn, Beza, Zanchius, Gomarus, Comrie
enz. hebben vastgehouden, dat God niet de auteur is der zonde, dat
de mensch niet is geschapen tot de verdoemenis, dat in de verwerping
ook de strengheid zijner gerechtigheid uitkwam, dat de verwerping
niet is de causa, het principium, maar alleen de causa per accidens,
de remotio principii is van de zonde, dat de zonde niet is de causa
efficiens maar wel de causa sufficiens van de reprobatie enz. Daarom
is het supralapsarisme, en gelukkig ook, altijd inconsequent, het
begint met een stouten aanloop, maar deinst spoedig achterwaarts en
valt in het eerst verworpen infralapsarisme terug. Bij de voorstanders
van het supralapsarisme komt dit duidelijk uit. Bijna allen aarzelen om
de reprobatio in haar geheel en zonder eenige restrictie aan de zonde
te laten voorafgaan. De Thomisten onderscheidden tusschen reprobatio
negativa en positiva; de eerste ging aan schepping en val vooraf, de
tweede volgde er op, cf. boven 326. Deze onderscheiding keert ook
telkens bij de Geref. theologen, zij het ook in meer of minder gewijzigden
vorm terug. Niet alleen wordt door allen erkend, dat het besluit der
reprobatie te onderscheiden is van de condamnatio, die van dat besluit
de uitvoering is, in den tijd geschiedt en de zonde tot oorzaak heeft,
Beza, Tract. theol. I 176. Polanus, Syst. theol. p. 251. 254. Maar
in het besluit der verwerping zelve wordt door velen onderscheid
gemaakt tusschen een voorafgaand, meer algemeen decreet Gods, om in
sommige homines creabiles et labiles zijne deugden, bepaaldelijk zijne
barmhartigheid en gerechtigheid te openbaren, en een daaropvolgend,
bepaald decreet, om die homines possibiles ook werkelijk te scheppen,
te laten vallen en zondigen en om hun zonden te straffen, Beza, I 173.
176. 177, cf. III 403. Piscator bij Twissus, I 51-52, Perkins, Werken I
763. Twissus, I 71. Maccovius, Loci Comm. p. 222. 237. Voetius, Disp. V
602 sq. Mastricht, Theol. theor. pract. III 2, 12. Ex. v. h. ontw. v.
Tol. VII 375v. Moor II 66. 67.
15. Zoo is het noch aan het supra- noch aan het. infralapsarisme
gelukt, om bij dit probleem de oplossing te geven en de alzijdigheid
der Schrift tot haar recht te doen komen. Voor een deel is dit te
verklaren uit de eenzijdigheid, waaraan zij zich beide schuldig maken.
Vooreerst is het niet juist, gelijk zoo straks reeds werd gezegd, om
den finis supremus van alle dingen te omschrijven als de openbaring
van Gods barmhartigheid in de verkorenen en van zijne gerechtigheid in
de verlorenen. Voorzeker is de heerlijkheid Gods en de manifestatie
van zijne volmaaktheden het einddoel van alles; maar de dubbele staat
van zaligheid en rampzaligheid is in dat einddoel niet opgenomen en
verhoudt zich daartoe als middel. Het is volstrekt niet te bewijzen,
dat met dit einddoel van Gods glorie die dubbele staat gegeven moest
zijn. Indien Hij opera ad extra tot stand brengt, kan Hij daarmede nooit
iets anders bedoelen dan de eere van zijn naam. Maar dat Hij die eere op
deze en op geene andere wijze zoekt, hangt alleen van zijne vrijmacht af.
Afgedacht hiervan echter, is het ook niet waar, dat Gods gerechtigheid
alleen in den rampzaligen staat der verlorenen en zijne barmhartigheid
alleen in de zaligheid der verkorenen tot openbaring zou komen, want
ook in den hemel straalt zijne gerechtigheid en heiligheid, en ook in
de hel is er nog iets van zijne barmhartigheid en goedertierenheid. In
de tweede plaats is het onjuist, om de rampzaligheid der verlorenen
voor te stellen als doel der praedestinatie. Wel is de zonde niet tot
eene nuda praescientia en permissio Dei te herleiden. Val en zonden
en eeuwige straf zijn opgenomen in het besluit Gods, en in zekeren
zin door God gewild. Maar dan toch altijd slechts in zekeren zin en
niet op diezelfde wijze als genade en zaligheid. In deze heeft Hij een
welgevallen, maar zonde en straf zijn zijn lust, zijne vreugde niet. Als
Hij de zonde dienstbaar maakt aan zijne eere, doet Hij dat door zijne
almacht, maar het is tegen haar natuur. En als Hij de goddeloozen
straft, verheugt Hij zich niet in hun lijden op zichzelf, maar viert
Hij daarin den triumf zijner deugden, Deut. 28:63, Ps. 2:4, Spr. 1:26,
Klaagl. 3:33. Zoo er daarom eenerzijds met het oog op het alomvattende
en onveranderlijke van Gods raad geen bezwaar tegen is, om van eene
gemina praedestinatio te spreken, is toch de praedestinatie in het
eene geval niet van denzelfden aard als in het andere. Praedestinatio
est constitutio finis et ordinatio mediorum ad finem; cum aeterna
damnatio non sit finis hominis, sed tantum extremum, ideo reprobationis
genus non proprie praedestinatio constitui potest. Pugnant enim haec
inter sese, ordinare ad finem et ordinare ad damnationem. Omnis enim
finis sua natura est optimum quid et perfectio rei; damnatio autem est
extremum malum et summa imperfectio, ita ut impropria sit locutio,
qua dicitur, Deum nonnullos homines praedestinasse ad damnationem,
Keckermann, Syst. theol. 1603 p. 296, cf. Twissus I 53 A. Hoe sterk
en hoe veelvuldig de Schrift dan ook zegt, dat zonde en straf door
God bepaald zijn; de woorden προθεσις, προγνωσις, προορισμος bezigt
zij toch schier uitsluitend van de praedestinatio ad gloriam. In de
derde plaats is het ook nog om eene andere reden minder juist, om de
praedestinatio ad mortem aeternam te coordineeren met en evenzeer
als einddoel te stellen als de praedestinatio ad vitam aeternam.
Object van de verkiezing zijn niet maar enkele menschen, evenals van
de verwerping, maar in de verkiezing is het menschelijk geslacht
onder een nieuw Hoofd, n.l. Christus, object, en dus worden door de
gratia niet slechts enkele individuen maar het menschelijk geslacht
zelf met heel den kosmos behouden. En in deze behoudenis van het
menschelijk geslacht en van de wereld komen niet enkele deugden Gods tot
openbaring, zoodat daarnaast nog een eeuwig verderf zou noodig zijn om
zijne gerechtigheid te openbaren, maar in het voltooide Godsrijk komen
alle deugden en volmaaktheden Gods tot ontvouwing, zijne gerechtigheid
en zijne genade, zijne heiligheid en zijne liefde, zijne souvereiniteit
en zijne barmhartigheid. En deze status gloriae is dus het eigenlijke
rechtstreeksche, zij het ook aan zijne eere ondergeschikte doel, dat
God met zijne schepping beoogt. In de vierde plaats dwaalden supra- en
infralapsarisme daarin, dat zij alwat aan het einddoel voorafging als
middelen onderling in gesubordineerde verhouding plaatsten. Nu zijn de
middelen vanzelf ondergeschikt aan het einddoel maar daarom nog niet
aan elkaar. De schepping is maar niet een middel voor den val, en
deze maar niet een middel voor genade en verharding, en deze wederom
niet enkel een middel voor zaligheid en rampzaligheid. Er dient toch
wel bedacht, dat de decreten even rijk zijn aan inhoud als de gansche
wereldgeschiedenis, want deze is de ontvouwing van gene. Wie zou nu in
staat zijn, om deze wereldhistorie saam te vatten in een logisch schema
van enkele begrippen? Schepping, val, zonde, Christus, geloof, ongeloof
enz. staan volstrekt niet alleen in verhouding van middelen tot elkaar,
zoo dat het voorgaande als het ware wegvallen kan, als het volgende is
bereikt. Ze zijn onderling niet gesubordineerd maar ook gecoordineerd,
gelijk Twissus I 71 reeds opmerkte. De schepping heeft waarlijk niet
alleen daartoe plaats gehad, opdat de val zou kunnen intreden, maar
zij gaf aan eene wereld het aanzijn die blijven zal ook in den staat der
heerlijkheid. De val geschiedde niet alleen daartoe, dat er een creatura
miserabilis zou zijn, maar hij houdt als feit zijne beteekenis met al
de gevolgen, die er uit voortgekomen zijn. Christus is niet maar een
Middelaar geworden, wat voor de verzoening der zonde voldoende ware
geweest; maar God heeft Hem ook verordineerd tot Hoofd der gemeente. De
gansche wereldhistorie is niet een middel, dat wegvalt als ’t einde is
bereikt, maar werkt door en laat vruchten na in de eeuwigheid. En de
electie en reprobatie zelve loopen hier op aarde niet als twee rechte
lijnen naast elkaar, maar in de ongeloovigen is veel, wat niet uit de
verwerping voortvloeit en in de geloovigen is veel, wat niet aan de
verkiezing is te danken. Eenerzijds onderstellen beide de zonde en zijn
daden van barmhartigheid en gerechtigheid, Rom. 9:15, Ef. 1:4, en ze
zijn beide toch ook daden van Goddelijke vrijmacht en souvereiniteit,
Rom. 9:11, 17, 21. Evenzoo is Adam ook vóór den val reeds een type
van Christus, 1 Cor. 15:47 v. en toch is de vleeschwording altijd in
de Schrift op den val van het menschelijk geslacht gebouwd, Hebr. 2:14
v. Soms spreekt de Schrift zóó sterk, dat de verwerping volkomen
gecoordineerd wordt met de verkiezing en de eeuwige straf door God
evenzeer beoogd wordt als doel als de eeuwige zaligheid. Luk. 2:34,
Joh. 3:19-21, 1 Petr. 2:7, 8, Rom. 9:17, 18, 22 enz., maar soms valt
de mors aeterna geheel weg in de beschrijving der toekomst; het einde
zal zijn de zegepraal van het Godsrijk, de nieuwe hemel en aarde,
het nieuwe Jeruzalem, waar God alles in allen zal zijn, 1 Cor. 15,
Op. 21, 22; alles is aan de gemeente ondergeschikt gelijk deze aan
Christus, 1 Cor. 3 vs. 21-23; de verwerping is geheel gesubordineerd
aan de verkiezing. Daarom ten slotte is noch de supra-, noch de
infralapsarische voorstelling van de praedestinatie in staat, om de
volle rijke waarheid der Schrift in zich op te nemen en ons theologisch
denken te bevredigen. Het ware in het supralapsarisme is, dat alle
besluiten saam eene eenheid vormen; dat er een einddoel, is, waaraan
alles ondergeschikt en dienstbaar is; dat de zonde niet ongedacht en
onverwacht voor God in de wereld kwam maar in zekeren zin door Hem is
gewild en bepaald; dat de schepping reeds terstond op de herschepping
aangelegd en bij Adam vóór den val reeds op den Christus gerekend is.
Maar het ware in het infralapsarisme is, dat de besluiten, schoon
één, toch ook met het oog op hun objecten onderscheiden zijn; dat er
in die besluiten niet alleen eene teleologische maar ook eene causale
orde valt op te merken; dat schepping en val niet daarin opgaan, dat
ze slechts middelen zijn voor het einddoel; dat de zonde bovenal en
in de eerste plaats eene verstoring der schepping is geweest en op
en voor zich zelve nooit door God kan zijn gewild. In het algemeen
is de formuleering van het einddoel aller dingen, n.l. dat God zijne
gerechtigheid openbaart in de verworpenen en zijne barmhartigheid in
de verkorenen, toch al te eenvoudig en te sober. De status gloriae
zal zoo onbeschrijfelijk rijk en heerlijk zijn. Wij verwachten een nieuwen
hemel, eene nieuwe aarde, een nieuwe menschheid, eene herstelde
schepping, eene immer voortgaande door geen zonde ooit meer gestoorde
ontwikkeling. En daaraan werken schepping en val, Adam en Christus,
natuur en genade, geloof en ongeloof, electie en reprobatie, alle te
zamen, ieder op zijne wijze mede, niet alleen na maar ook naast en met
elkaar. Ja, de tegenwoordige wereld met hare geschiedenis is ook op
zichzelve reeds eene voortgaande openbaring van Gods deugden. Zij is
niet alleen middel voor de hoogere en rijkere openbaring, die komt, maar
ook in zichzelve van waarde. Zij blijft daarom door en voortwerken ook in
de toekomstige bedeeling en zal aan de nieuwe menschheid voortdurende
stoffe geven tot aanbidding en verheerlijking Gods. Daarom is er onder
de besluiten, evenals onder de feiten der wereldhistorie, niet alleen
eene causale en eene teleologische, maar ook eene organische orde. Wij
kunnen ons in onze beperktheid slechts stellen op het eene of op het
andere standpunt; en daarom komen de voorstanders eener causale en die
van eene teleologische wereld- en levensbeschouwing ieder oogenblik
met elkander in strijd. Maar voor God is dat gansch anders. Hij overziet
het geheel. Alle dingen zijn eeuwig present in zijn bewustzijn. Zijn raad
is ééne enkelvoudige conceptie. En in dien raad staan alle bijzondere
besluiten in datzelfde verband, waarin de feiten der geschiedenis
aposteriori aan ons nu ten deele blijken en eenmaal ten volle zullen
blijken te staan. Dat verband is zoo rijk en gecompliceerd, dat het niet
in een enkel woord van infra- of supralapsarisch is weer te geven.
Het is beide causaal en teleologisch; het voorafgaande werkt op het
volgende in maar het toekomstige bepaalt ook reeds het verleden en het
heden. Er is rijke, alzijdige Wechselwirkung. Gelijk in een organisme alle
leden samenhangen en wederkeerig elkander bepalen, zoo is de wereld een
kunstwerk Gods, waarvan alle deelen onderling organisch verbonden zijn.
En van die wereld beide in hare lengte en breedte is de raad Gods de
eeuwige idee.
16. Hieruit wordt duidelijk, in welken zin de reprobatie tot de
praedestinatie te rekenen is. Let men alleen op het feit, dat de raad
Gods alle dingen omvat, dan is er alle recht, om van eene gemina
praedestinatio te spreken. Ook de zonde, het ongeloof, de dood en
de eeuwige straf staan onder het bestuur Gods. Niet alleen baat het
feitelijk niets, of men hier liever van praescientia en permissio dan
van praedestinatio spreekt. Maar de Schrift getuigt in dezen ook zoo
beslist en stellig mogelijk. Het is waar, dat zij van de verwerping als
eeuwig besluit weinig gewag maakt. Des te meer echter laat ze haar
als daad Gods optreden in de historie. Hij verwerpt Kaïn, Gen. 4:5,
vervloekt Kanaan, Gen. 9:25, drijft Ismael uit, Gen. 21:12, Rom. 9:7,
Gal. 4:30, haat Ezau, Gen. 25:26, Mal. 1:2, 3, Rom. 9:13, Hebr. 12:17,
laat de Heidenen wandelen op hunne eigene wegen, Hd. 14:16; zelfs
binnen den kring der openbaring is er dikwerf van eene verwerping door
den Heere van zijn volk en van bijzondere personen sprake, Deut. 29:28,
1 Sam. 15:23, 26, 16:1, 2 Kon. 17:20, 2 Kon. 23:27, Ps. 53:6, 78:67,
89:39, Jer. 6:30, 14:19, 31:37, Hos. 4:6, 9:17. Maar in die negatieve
verwerping treedt ook menigmaal eene positieve handeling Gods op,
bestaande in haat, Mal. 1:2, 3, Rom. 9:13, vervloeking, Gen. 9:25,
verharding en verstokking, Ex. 7:3, 4:21, 9:12, 10:20, 10:27, 11:10,
14:4, Deut. 2:30, Jos. 11:20, Ps. 105:25, 1 Sam. 2:25, Joh. 12:40, Rom.
9:18, in verdwazing, 1 Kon. 12:15, 2 Sam. 17:14, Ps. 107:40, Job 12:24,
Jes. 44:25, 1 Cor. 1:19, in verblinding en verdooving, Jes. 6:9, Matth.
13:13, Mk. 4:12, Luk. 8:10, Joh. 12:40, Hd. 28:26, Rom. 11:8. Gods
bestuur gaat over alle dingen en ook in de zonden der menschen heeft
Hij zijne hand. Hij zendt een leugengeest, 1 Kon. 22:23, 2 Chr. 18:22,
port door Satan David aan, 2 Sam. 24:1, 1 Chr. 21:1 en beproeft Job,
cap. 1, noemt Nebucadnezar en Cyrus zijne knechten, 2 Chr. 36:22, Ezra
1:1, Jes. 44:28, 45:1, Jer. 27:6, 28:14 enz., en Assyrie de roede zijns
toorns, Jes. 10:5v. Hij geeft Christus over aan zijne vijanden, Hd. 2:23,
4:28, stelt Hem tot een val en opstanding, tot eene reuke des doods en
des levens, tot een oordeel en tot een steen des aanstoots, Luk. 2:34,
Joh. 3:19, 9:39, 2 Cor. 2:16, 1 Petr. 2:8. Hij geeft de menschen over
aan hunne zonden, Rom. 1:24, zendt eene kracht der dwaling, 2 Thess.
2:11, verwekt Simei om David te vloeken, 2 Sam. 16:10, cf. Ps. 39:10,
een Farao om zijne kracht te betoonen, Rom. 9:17 en den blindgeborene,
om zijne heerlijkheid te openbaren, Joh. 9:3. Zeker mag in al deze
werken Gods de eigen zonde des menschen niet voorbijgezien worden. In
de verharding Gods verhardt de mensch zichzelf, Ex. 7:13, 22, 8:15,
9:35, 13:15, 2 Chron. 36:13, Job 9:4, Ps. 95:8, Spr. 28:14, Hebr.
3:8, 4:7. Jezus spreekt in gelijkenissen, niet alleen _opdat_ maar ook
_omdat_ de ongeloovigen niet zien noch hooren, Mt. 13:13. God geeft
de menschen aan de zonde en de leugen over, wijl ze zich dit waardig
hebben gemaakt, Rom. 1:24, 2 Thess. 2:11. En het is a posteriori, dat
de geloovigen in de ongerechtigheden der vijanden het bestuur en de
hand des Heeren zien, 2 Sam. 16:10, Ps. 39:10. Maar desniettemin wordt
in dit alles ook de wil en de mogendheid Gods openbaar. Hij betoont in
dit alles zijne vrijmachtige souvereiniteit. Hij schept het goede en het
kwade, het licht en de duisternis, Jes. 45:7, Am. 3:6, den goddelooze
tot den dag des kwaads, Spr. 16:4, doet alles wat Hem behaagt, Ps.
115:3, handelt met de inwoners der aarde naar zijn welgevallen, Dan.
4:35, neigt aller hart gelijk Hij wil, Spr. 16:9, 21:1, richt aller gang,
Spr. 20:24, Jer. 10:23, maakt uit hetzelfde leem vaten ter eere en ter
oneere, Jer. 18, Rom. 9:20, ontfermt zich diens Hij wil en verhardt dien
Hij wil, Rom. 9:18, stelt tot ongehoorzaamheid, 1 Petr. 2:8, schrijft op
ten oordeel, Jud. 4, en heeft veler namen niet geschreven in het boek
des levens, Op. 13:8, 17:8. Deze veelvuldige, sterke uitspraken der
Schrift worden iederen dag bevestigd in de geschiedenis der menschheid.
De verdedigers der reprobatie hebben dan ook altijd een beroep gedaan
op die schrikkelijke feiten, waaraan de geschiedenis zoo rijk is,
Calvijn, C. R. XXXVII 289 sq. Er is zooveel onredelijks in de natuur,
zooveel onverdiend lijden, zooveel rampen zonder oorzaak, zoo ongelijke,
onbegrijpelijke lotsbedeeling, zoo schreiende tegenstelling van vreugde
en smart, dat voor elk die nadenkt slechts de keuze overblijft, om òf
met het pessimisme deze wereld te verklaren uit den blinden wil van een
onzaligen God, òf op grond van de H. Schrift in den geloove te berusten
in den souvereinen en vrijmachtigen, maar altijd toch, hoe onbegrijpelijk
ook, wijzen en heiligen wil van Hem, die eens over deze raadselen des
levens het volle licht zal doen opgaan. De al of niet aanneming van een
besluit der verwerping heeft haar oorzaak dan ook niet in eene kleinere
of grootere mate van liefde en medelijden. Het onderscheid tusschen
Augustinus en Pelagius, Calvijn en Castellio, Gomarus en Arminius ligt
niet daarin, dat de laatsten zooveel zachter en liever, gemoedelijker
en medelijdender menschen waren. Maar het is hierin gelegen, dat genen
de Schrift in haar geheel, ook in deze hare leer, hebben aanvaard; dat
zij theistisch waren en altijd wilden zijn en ook in deze ontroerende
feiten des levens den wil en de hand des Heeren hebben erkend; dat zij
de werkelijkheid in al haar schrikkelijkheid onder de oogen hebben durven
zien. Het pelagianisme strooit bloemen op de graven, maakt van den dood
een engel, ziet in de zonde eene zwakheid, houdt verhandelingen over
het nut der tegenspoeden, en acht deze wereld de beste, die mogelijk is.
Het Calvinisme is van zulk een oppervlakkig gebazel en gebeuzel niet
gediend. Het rukt zich den blinddoek van de oogen, het wil niet leven
in een ingebeelden waan, het aanvaardt den ernst des levens in zijn
volle diepte, het komt op voor de rechten des Heeren Heeren, en buigt
in ootmoed en aanbidding neer voor den onbegrepen, souvereinen wil van
God almachtig. En daardoor blijkt het in den grond veel barmhartiger te
zijn dan het pelagianisme. Hoe diep Calvijn den ernst gevoelde van wat hij
zeide, blijkt uit zijn decretum horribile, Inst. III 23, 7. Geheel ten
onrechte is dit woord hem tot een verwijt gemaakt. Het pleit niet tegen
Calvijn, het pleit voor hem. Het decretum als leer van Calvijn, is niet
horribile; maar de werkelijkheid is verschrikkelijk, die van dat besluit
Gods de openbaring is, die alzoo door Schrift en geschiedenis wordt
geleerd, die voor ieder denkend mensch, hetzij hij Pelagius of Augustinus
volge, volkomen dezelfde blijft, en die door geen waanvoorstellingen
ook maar in ’t minst kan worden te niet gedaan. En te midden van die
schrikkelijke werkelijkheid brengt nu het Calvinisme niet deze oplossing
maar wel dezen troost aan, dat het in al wat geschiedt den wil en de
hand erkent van een almachtig God, die tevens een barmhartig Vader is.
Het Calvinisme geeft geen oplossing maar doet den mensch rusten in Hem,
die woont in een ontoegankelijk licht, wiens oordeelen ondoorzoekelijk,
wiens wegen onnaspeurlijk zijn. Daarin rustte Calvijn. Testis enim mihi
erit Dominus, cui conscientia mea subscribet, sic me stupenda haec
ipsius judicia quotidie meditari, ut nulla me plus aliquid sciendi
curiositas sollicitet, nulla mihi de incomparibili ejus justitia
obrepat sinistra suspicio, nulla me obmurmurandi libido prorsus
titillet, de aet. praed. C. R. XXXVI 316. En in die ruste des gemoeds
wachtte hij den dag af, waarin hij zien zou van aangezicht tot aangezicht
en de oplossing van deze raadselen ontvangen zou, Inst. III 23, 2. C.
R. XXXVI 366.
17. Hoezeer echter de verwerping eenerzijds met volle recht tot de
praedestinatie gerekend mag worden, toch is zij niet in denzelfden zin
en op dezelfde wijze inhoud van Gods besluit als de verkiezing. De
voorstanders der gemina praedestinatio hebben dit ook ten allen tijde
erkend. Als het ging om de souvereiniteit Gods, om de stellige en
ondubbelzinnige getuigenissen van zijn woord, om de niet weg te cijferen
feiten der historie, dan waren zij even onverbiddelijk als de apostel
Paulus en wilden zij van geen toegeven of bemiddelen weten. Dan kwamen
zij soms tot harde uitspraken, die het pelagiaansch gezinde hart van
den mensch hinderen kunnen. Zoo zeide Augustinus eens, dat God ook dan
niet kon beschuldigd worden, als Hij sommigen onschuldig had willen
verdoemen. Si humanum genus, quod creatum primitus constat ex nihilo,
non cum debita mortis et peccati origine nasceretur et tamen ex eis
creator omnipotens in aeternum nonnullos damnare vellet interitum;
quis omnipotenti creatori diceret: quare fecisti sic? de praed. et
gratia 16. En sommige theologen, ook onder de Gereformeerden, hebben
gesproken in denzelfden geest. Wie iets beseft van de onvergelijkelijke
grootheid Gods en de nietigheid van het schepsel; en wie daarbij
bedenkt, hoe wij menigmaal het zwaarste lijden van mensch en dier met
het onverschilligste gemoed kunnen aanzien, bovenal als het aan ons
eigen belang, aan de kunst of aan de wetenschap, dienstbaar is; die
verliest den moed, om Augustinus of anderen om zulk eene uitspraak
hard te vallen, laat staan, om God tot verantwoording te roepen. Als
het om _recht_ gaat, enkel en alleen om _recht_, welk recht kunnen wij
laten gelden tegenover Hem, die ons uit het niet te voorschijn riep
en alles schonk, wat wij hebben en zijn? Maar desniettemin, al kan een
oogenblik zoo gesproken worden tegenover iemand, die meent God van
onrecht te mogen aanklagen, bijna alle Gereformeerden, met Calvijn aan
het hoofd, hebben toch ten slotte zulk een dominium absolutum beslist
en met verontwaardiging verworpen, boven bl. 212 v. De oorzaak, waarom
God het eene of het andere gewild, dezen verkoren en genen verworpen
heeft, moge ons geheel onbekend zijn. Zijn wil is altijd wijs en heilig
en goed en heeft voor alle ding zijne rechtvaardige redenen gehad.
Zijne macht is niet te scheiden van zijne gerechtigheid, Calvijn, C. R.
XXXVI 310. 361. Als maar eerst het recht en de eere Gods waren erkend,
rieden alle Gereformeerden de voorzichtigste en teederste behandeling
van de leer der praedestinatie aan, en waarschuwden tegen ijdele en
nieuwsgierige onderzoekingen. Nos ergo nimis acutos esse non convenit;
modo ne interea, quod Scriptura clare docet ac experientia confirmat,
vel negemus verum esse vel tanquam Deo minus consentaneum carpere
audeamus, Calvijn, ibid. 366. Zwingli, Op. VIII 21. Beza, Tract. theol.
I 197. Martyr, Loci C. III c. 1. Westm. conf. bij Schaff, Creeds III
610. Can. Dordr. I 12. 14 enz. Ofschoon God kent degenen, die de zijne
zijn en het getal der uitverkorenen klein wordt genoemd, bene sperandum
est tamen de omnibus, neque temere reprobis quisquam est annumerandus,
Conf. Helv. II bij Niemeyer, Coll. Conf. 482. Piscator, Aphorismi 1614
p. 223. Zanchius, Op. II 497 sq. Voorts hielden allen staande, dat de
zonde, schoon niet praeter, toch wel terdege was contra Dei voluntatem.
Wel kon zij niet de oorzaak, de causa efficiens en impulsiva, van
het besluit der verwerping zijn, want zij zelve volgde immers in den
tijd op het eeuwig besluit en zou, indien zij de oorzaak zelve ware,
alle menschen hebben moeten doen verwerpen. Maar zij was toch causa
sufficiens, en van de eeuwige straf bepaald de causa meritoria. Immers,
er is onderscheid tusschen het besluit der verwerping en de verwerping
zelve. Het eerste heeft zijne laatste en diepste oorzaak alleen in Gods
wil; maar de verwerping zelve houdt met de zonde rekening. Het besluit
der verwerping realiseert zich door de eigen schuld des menschen heen,
Polanus, Synt. 251. Twissus, Vind. gr. I 273 sq. Perkins, Werken I 769.
Turretinus, Theol. El. IV 14. Synopsis pur. theol. XXIV 50. Ex. v. h.
Ontw. v. Tol. VII 445. Heppe, Dogm. 132. Daarom is dit besluit ook geen
fatum, dat den mensch tegen zijn wil voortdrijft; geen Damocleszwaard,
dat dreigend boven zijn hoofd hangt. Het is niet anders dan de Goddelijke
idee van de werkelijkheid zelve. In het besluit liggen oorzaken en
gevolgen, voorwaarde en vervulling, ligt heel het verband der dingen
juist zoo aaneengeschakeld, als we dat in de werkelijkheid aanschouwen.
Zonde, schuld, ellende, straf hebben in het besluit diezelfde natuur en
diezelfde onderlinge verhouding als in de wereld der dingen zelve. Wij
zien dat besluit, dat ons niet van te voren is geopenbaard, allengs in
zijne gansche volheid zich ontvouwen in de historie; bij ons is het en
moet het zijn de zuivere reflex in ons bewustzijn van de werkelijkheid.
Wij denken de dingen nadat ze zijn. Maar bij God is het besluit de
eeuwige idee van de werkelijkheid, gelijk die allengs in den tijd zich
ontplooit. Zijne gedachten der dingen gaan aan hun zijn vooraf. En nu
zegt het besluit der verwerping alleen, dat die gansche, zondige
werkelijkheid, heel die wereldhistorie in het onderling verband harer
gebeurtenissen, haar laatste oorzaak heeft, niet in zichzelve--hoe
zou dit ook kunnen?--maar buiten zichzelve in de gedachte en in den
wil Gods. Het besluit verandert niets aan de werkelijkheid; deze is en
blijft volkomen dezelfde, of men Augustinus of Pelagius volgt; maar het
doet den geloovige belijden, dat ook die schrikkelijke wereld, waarvoor
de Manicheën een αντιθεος, het pessimisme een blinden onzaligen wil,
en velen een noodlot of toeval invoeren, er is naar den wil van Hem,
die nu ons in geloof doet wandelen maar eens in den dag aller dagen
zich rechtvaardigen zal voor alle creatuur. Geheel onjuist is dus de
voorstelling, alsof de raad Gods in het algemeen en het besluit der
verwerping in het bijzonder eene enkele, naakte, wilsbeschikking ware
aangaande iemands eeuwig lot. Het mag niet zoo worden voorgesteld,
alsof voor een mensch alleen het einde ware bepaald en hij nu, wat
hij ook doe, met geweld daarheen gedreven werd. Het besluit is even
onoverzienbaar rijk als de werkelijkheid. Het is de sprinkader van _al_
het zijnde. Het omvat in eene enkele conceptie het einde met de wegen,
het doel met de middelen. Het is geen transcendente macht, die van
boven naar willekeur, nu en dan eens in de werkelijkheid ingrijpt en
ze heendrijft naar het einde. Het is de Goddelijke, immanente, eeuwige
idee, die haar volheid ten toon spreidt in de vormen van ruimte en
tijd, en wat bij God één is successief in lengte en breedte voor onzen
beperkten blik ontvouwt. Het besluit der verwerping ligt dus ook niet
los naast alle andere besluiten, ook niet naast dat der verkiezing.
Zonde en genade, straf en zegen, gerechtigheid en barmhartigheid
liggen in de werkelijkheid niet dualistisch naast elkaar, alsof de
verworpene enkel met zonde en straf, de verkorene uitsluitend met
genade en zegen werd bezocht. Immers, de geloovigen zondigen nog
dagelijks en struikelen in velen. Zijn deze zonden der geloovigen nu
een uitvloeisel der verkiezing? Niemand zal het beweren. Wel worden
die zonden door God wederom aan hun zaligheid dienstbaar gemaakt en
werkt alles den geroepene ten goede mee, Rom. 8:28. Doch daartoe zijn
die zonden niet uit zichzelve en van nature geschikt, maar alleen,
wijl God als de Almachtige uit het kwade nog het goede kan doen
voortkomen. De zonden zijn dus geen middelen ter zaligheid, zooals de
wedergeboorte, het geloof. Ze zijn geen praeparatio gratiae maar, in
zichzelve beschouwd, negatio gratiae, Becanus, Theol. schol. I tr. 1
c. 14 qu. 3 n. 12-20. Daarom heeft ook voor de geloovigen de wet nog
beteekenis; daarom worden ze vermaand hunne verkiezing vast te maken
met vreeze en beving; daarom is er ook bij de geloovigen soms van
tijdelijke verharding en verwerping sprake. Maar ook omgekeerd deelen de
reprobati in vele zegeningen, die niet als zoodanig uit het besluit
der verwerping maar uit de goedheid en genade Gods hun toevloeien. Ze
ontvangen vele natuurlijke gaven, leven, gezondheid, kracht, spijze,
drank, vroolijkheid enz., Mt. 5:45, Hd. 14:17, 17:27, Rom. 1:19, Jak.
1:17 enz., God laat zich hun niet onbetuigd. Hij verdraagt hen met veel
lankmoedigheid, Rom. 9:22. Hij laat hun het evangelie zijner genade
verkondigen en heeft geen lust in hun dood, Ezech. 18:23, 33:11, Mt.
23:27, Luk. 19:41, 24:47, Joh. 3:16, Hd. 17:30, Rom. 11:32, 1 Thess.
5:9, 1 Tim. 2:4, 2 Petr. 3:19. De Pelagianen leiden uit deze plaatsen
af, dat het Gods eigenlijke, wezenlijke wil is, dat alle menschen hoofd
voor hoofd zalig worden, en dat er dus geen voorafgaand besluit der
verwerping is. Dat leeren deze teksten niet. Maar wel erkennen ze dit
als den wil Gods, dat ook aan de reprobati met alle middelen der genade
gearbeid wordt tot hunne zaligheid. Deze media gratiae nu vloeien niet
als zoodanig uit het besluit der verwerping voort. Ze kunnen daartoe
worden misbruikt; ze kunnen strekken om den mensch onontschuldigbaar
te stellen, te verharden en zijn oordeel te verzwaren, evenals de zon
koesteren maar ook verschroeien kan. Maar in zichzelf, van nature zijn
ze geen media reprobationis maar media gratiae ad salutem, Synopsis
XXIV 54 sq. Heppe p. 134. 135. Verkiezing en verwerping moge dus op
eene finale en totale scheiding uitloopen; hier op deze aarde kruisen
zij zich als het ware telken male. Dat wijst er op, dat ze beide op en
voor zichzelf geen einddoel zijn en geen causa finalis voor God zijn
geweest. Beide zijn middelen voor de gloria Dei, die het laatste doel en
dus de diepste grond aller dingen is. Begin en einde, reden en doel van
al het zijnde is dus iets goeds. Zonde en straf kan nooit op zichzelf en
om zichzelf door God zijn gewild. Ze strijden met zijn natuur. Hij is verre
van goddeloosheid, en Hij heeft geen lust tot plagen. Hij doet het niet
van harte. Ze kunnen dus alleen door God gewild zijn als middelen voor
een ander, beter, grooter goed. Zelfs is er groot verschil tusschen
verkiezing en verwerping. Al wat God doet, doet Hij om zijns zelfs wil.
Ook de verkiezing heeft haar oorzaak en doel alleen in God. Maar in het
werk, dat Hij door de verkiezing tot stand brengt, verlustigt Hij zich.
Daarin schitteren zijn eigen deugden Hem tegen. De nieuwe schepping is
een spiegel zijner volmaaktheden. Maar dat, wat Hij naar het besluit der
verwerping uitvoert, is niet rechtstreeks en in zichzelf het voorwerp
van zijn welgevallen. De zonde is niet zelve een goed. Zij wordt een goed
alleen, wijl ze en in zoover ze tegen haar natuur en ondanks haarzelve
door Goddelijke almacht gedwongen wordt ter verhooging van Gods eer.
Zij is zijdelings een goed, omdat ze onderworpen, bedwongen, overwonnen
wordt en alzoo Gods grootheid, macht, gerechtigheid toont. Want hierin
komt zijne souvereiniteit ten slotte het schitterendst uit, dat Hij het
kwade nog ten goede weet te leiden, Gen. 15:20 en dienstbaar maakt
aan de zaligheid der gemeente, Rom. 8:28. 1 Cor. 3:21-23, aan de
heerlijkheid van Christus, 1 Cor. 15:24v., Ef. 1:21, 22, Phil. 2:9, Col.
1:16, aan de glorie van zijn naam, Spr. 16:4, Ps. 51:6, Job 1:21, Joh.
9:3, Rom. 9:17, 22, 23, 11:36, 1 Cor. 15:28.
18. Zoo loopt de praedestinatie ten slotte op de verkiezing uit; in
deze bereikt zij haar einde en komt zij tot haar volle realiteit. In haar
hoogsten vorm is zij het besluit Gods aangaande de openbaring zijner
deugden in den eeuwigen, heerlijken staat zijner redelijke schepselen, en
de schikking der daartoe leidende middelen. Ook zoo mag de verwerping
niet worden vergeten. Eerst tegenover deze donkere keerzijde treedt
de verkiezing zelve in het heerlijkste licht. Het is van aangrijpenden
ernst, dat ook op dit hoogste terrein, waar het gaat om het eeuwig
wel en het eeuwig wee van de redelijke schepselen, de dag opkomt
uit den donkeren nacht, het licht geboren wordt uit de duisternis.
Het schijnt, dat de wet overal doorgaat, dat velen geroepen zijn en
weinigen uitverkoren. Er ligt eene diepe waarheid in het spreekwoord,
dat de dood des eenen het brood des anderen is. Darwins leer van the
survival of the fittest heeft eene algemeene geldigheid en is van
kracht door de gansche schepping heen. Duizenden bloesems vallen af,
opdat enkele zouden rijpen tot vrucht. Millioenen van levende wezens
worden er geboren en slechts enkele blijven in het leven. Duizenden
menschen arbeiden in het zweet van hun aanschijn, opdat enkelen zich
zouden kunnen baden in weelde. Rijkdom, weelde, kunst, wetenschap,
al het hooge en edele wordt gebouwd op den grondslag van armoede,
ontbering, onkunde. Nooit en nergens gaat het in de wereld toe naar
de gelijkmatige verdeeling der socialisten. Er is geen gelijkheid op
eenig terrein. Overal is er verkiezing naast en op den grondslag der
verwerping. De wereld is niet ingericht naar de farizeesche wet van
werk en loon; verdienste en rijkdom hebben niets met elkander te maken.
En ook op het hoogste terrein is het alleen Goddelijke genade, die
onderscheid maakt. Gelijk alle besluiten, zoo heeft ook de verkiezing
haar diepste oorzaak in het welbehagen Gods. De Pelagianen van alle
gading hebben deze besluiten steeds willen opvatten als daden van
Gods gerechtigheid, waarin Hij te werk ging naar de verdienste van den
mensch. God laat zich in zijne besluiten bepalen door de voorgeziene
gedragingen van het schepsel. Hij biedt aan allen de zaligheid aan.
Hij schenkt het geloof aan wie van dit aanbod door zijn natuurlijke of
ook door geschonken bovennatuurlijke kracht een goed gebruik maakt.
Hij zaligt, wie in het geloof volhardt ten einde toe. Nu is er wel
onder de besluiten eene zekere orde; zij omvatten beide het doel en
de middelen. Aan het gebed zijner kinderen heeft God in zijn besluit
de verhooring verbonden. Als Hij besloten heeft regen te geven in de
droogte, heeft Hij tevens vastgesteld, dat zijn volk er Hem om bidden
zal en dat Hij den regen geven zal als verhooring op hun gebed. In zijn
besluit heeft Hij verband gelegd tusschen zonneschijn en warmte, zaaiing
en oogst, luiheid en armoede, kennis en macht enz., en zoo ook tusschen
zonde en straf, ongeloof en verderf, geloof en zaligheid. De harmonie
tusschen de verschijnselen en gebeurtenissen in de werkelijke wereld
is een volkomen afdruk van de harmonie in de wereld der gedachten en
besluiten Gods, Edwards, Works II 514. De Schrift blijft menigmaal
bij deze causae secundae staan, en ook de Gereformeerden hebben hare
beteekenis ten volle erkend. Maar deze tweede oorzaken zijn daarom de
laatste en diepste oorzaak nog niet. En aan het onderzoek daarnaar
kan men niet ontkomen. Van alle kanten dringen de vragen zich aan
ons op. Waarom is er zoodanig verband tusschen de verschijnselen en
gebeurtenissen onderling, als we telkens in de wereld waarnemen? Een
beroep op de natuur der dingen is geen afdoend antwoord, want ook die
natuur is van God en door Hem bepaald. De wetenschap kan het _dat_
constateeren, maar zij onderstelt het zijnde en weet niet, waarom het
zoo is en zijn moet. Waarom er causaliteit is tusschen de schepselen
onderling, waarom elk schepsel dat is wat het is, waarom er zoo
eindelooze verscheidenheid onder de schepselen is, in aard, natuur,
geslacht, soort, macht, verstand, rijkdom, eer enz.; binnen den kring
van het geschapene is er geen oorzaak voor te vinden. En zoo ook
onder de redelijke schepselen; waarom sommige engelen tot de eeuwige
heerlijkheid zijn bestemd en van de anderen de val en het verderf is
voorgezien en bepaald; waarom juist die menschelijke natuur, welke
Christus aannam, tot deze eere verwaardigd werd; waarom de eene mensch
binnen, de ander buiten het Christendom wordt geboren; waarom de een in
karakter, aanleg, gezindheid, opvoeding zooveel boven den ander vóór
heeft; waarom het eene kind vroeg sterft en als een kind des verbonds
in den hemel wordt opgenomen en het ander buiten het verbond zonder
genade den dood ingaat; waarom de een tot het geloof komt en de ander
niet; het zijn altemaal vragen, waarop geen schepsel antwoorden kan. De
besluiten Gods zijn niet te begrijpen als daden van eene gerechtigheid,
die handelt naar werk en verdienste. Bovenal blijkt bij de engelen
duidelijk, dat de laatste oorzaak van hun verkiezing en verwerping
moet liggen in den wil Gods. Want ook al neemt men de praescientia
te baat, zeggende, dat God de volharding van sommige en den val van
andere engelen heeft vooruitgezien, zoo gaat deze praescientia dan toch
aan hun schepping vooraf. Waarom heeft God dan die engelen geschapen,
wier val Hij voorzag? Waarom gaf Hij hun geen genoegzame genade om
staande te blijven, gelijk als de anderen? Er is hier eene reprobatie,
die enkel en alleen rust op Gods souvereiniteit, Bellarminus, de gr.
et lib. arb. II c. 17. Twissus, Vind. gr. I 76. Aan de andere zijde is
de verkiezing niet op zichzelve altijd eene daad van barmhartigheid of
als zoodanig te verklaren. Bij de verkiezing van Christus en van de
goede engelen is er van zonde en dus van barmhartigheid geen sprake.
En de verkiezing van menschen is wel eene daad van barmhartigheid,
maar toch niet alleen uit de barmhartigheid te verklaren. Want dan had
God allen barmhartig moeten zijn, wijl allen ellendig waren. En zoo is
de verwerping wel eene daad van gerechtigheid geweest maar niet uit
de gerechtigheid alleen te verklaren, want dan waren allen verworpen
geworden, Twissus, Vindic. gr. IV 111 sq. Onderling mogen de besluiten
dus in verband staan, zij zelve zijn als daden Gods niet conditioneel,
maar absoluut, daden van Gods volstrekte souvereiniteit. Er is door God
een oorzakelijk verband gelegd tusschen zonde en straf, en Hij handhaaft
dat in ieders conscientie; maar het besluit der reprobatie vindt niet
in de zonde en het ongeloof, maar in den wil Gods zijn diepste oorzaak,
Spr. 16:4, Mt. 11:25, 26, Rom. 9:11-22, 1 Petr. 2:8, Op. 13:8. Zoo
ook is er een causaal verband tusschen geloof en zaligheid, maar het
besluit der verkiezing is niet door het voorgezien geloof veroorzaakt;
veeleer is de verkiezing de oorzaak van het geloof, Hd. 13:48, 1 Cor.
4:7, Ef. 1:4, 5, 2:8, Phil. 1:29. Zelfs Christus kan niet als causa
electionis worden beschouwd. Wel is deze uitdrukking voor eene goede
uitlegging vatbaar. Thomas zegt terecht, dat Christus de oorzaak is
van onze praedestinatie, niet als daad of besluit beschouwd, maar met
het oog op haar einde en doel. Sic enim Deus praeordinavit nostram
salutem, ab aeterno praedestinando, ut per Jesum Christum compleretur,
S. Theol. I qu. 24 art. 4. En zoo werd ook door sommige Gereformeerden
gesproken van Christus als causa of fundamentum electionis, of van
onze verkiezing per en propter Christum, Hyperius, Meth. Theol. p.
193. Conf. Belg. art. 16. Conf. Helv. II art. 10. Martinius op de
Synode te Dordrecht 1618/19, sess. 65. 67. Maresius, Syst. Theol.
IV § 41. Christus is inderdaad wel causa of fundamentum electionis,
inzoover de verkiezing in en door Hem wordt gerealiseerd; Hij is ook de
causa meritoria van de zaligheid, die het doel der verkiezing is; Hij
is ook de middelaar en het hoofd der uitverkorenen. Het besluit der
verkiezing is ook met het oog op den Zoon, uit liefde tot Hem genomen,
Heidegger, Corpus Theol. V 31. De gemeente en Christus zijn samen, in
eenzelfde besluit, in gemeenschap met en voor elkander, verkoren, Ef.
1:4. Maar daarom is Christus als middelaar de causa impulsiva, movens,
meritoria van het besluit der verkiezing nog niet. In dien zin is
Christus wel de oorzaak der verkiezing genoemd door vele Roomschen,
door de Remonstranten, in hun declaratio circa art. 1 de praedest., bij
M. Vitringa II 55, door de Lutherschen, Form. Conc. bij Müller S. 705.
720. 723, Quenstedt III 17. 31 sq. en door vele nieuwere theologen,
Hofmann, Schriftbew. I 229, Meyer op Ef. 1:5, Kübel in Herzog² 12,
156 enz. Maar de Gereformeerden hebben dit terecht bestreden, Martyr,
Loci C. 236. Polanus, Synt. VI 27. Voetius, Disp. II 267. Twissus,
Vindic. gr. I 139 sq. Turretinus, El. IV qu. 10. Moor II 18 sq. Immers,
Christus is zelf object der praedestinatie en kan daarom haar oorzaak
niet zijn. Hij is eene gave van de liefde des Vaders en deze gaat dus aan
de zending des Zoons vooraf, Joh. 3:16, Rom. 5:8, 8:29, 2 Tim. 1:9,
1 Joh. 4:9. De Zoon heeft den Vader niet tot liefde bewogen, maar de
verkiezende liefde is opgekomen uit den Vader zelven. En zoo leert de
Schrift dan allerwege, dat de oorzaak van alle besluiten niet in eenig
schepsel ligt maar alleen in God zelven, in zijn wil en welbehagen,
Mt. 11:26, Rom. 9:11v. Ef. 1:4v. En juist daarom is de leer der
verkiezing, beide voor den ongeloovige en voor den geloovige, tot zulk
een onuitsprekelijk rijken troost. Indien het naar recht en verdienste
ging, dan waren allen verloren. Maar nu het naar genade gaat, is er ook
voor den ellendigste hoop. Indien werk en loon de maatstaf ware in het
koninkrijk der hemelen, dan werd het voor niemand geopend. Of ook indien
naar de leer van Pelagius de deugdzame om zijne deugd en de farizeër
om zijne gerechtigheid ware uitverkoren, dan ware de arme tollenaar
buitengesloten. Het pelagianisme is zoo meedoogenloos hard. Maar de
verkiezing belijden, dat is, in den onwaardigste der menschen, in den
diepst gezonkene nog een schepsel Gods en een voorwerp zijner eeuwige
liefde te erkennen. De verkiezing dient niet, gelijk ze zoo dikwerf
gepredikt wordt, om velen af te stooten maar om allen uit te noodigen
tot den rijkdom van Gods genade in Christus. Niemand _mag_ gelooven dat
hij een verworpene is, want elk wordt ernstig en dringend geroepen en
is verplicht te gelooven in Christus tot zaligheid. Niemand _kan_ het
gelooven, want zijn leven zelf en alwat hij geniet is een bewijs, dat
God geen lust heeft in zijn dood. Niemand _gelooft_ het ook werkelijk,
want zoo had hij de hel reeds op aarde. Maar de verkiezing is een bron
van troost en kracht, van nederigheid en ootmoed, van vertrouwen en
beslistheid. De zaligheid des menschen ligt onwankelbaar vast in het
genadige en almachtige welbehagen Gods.
19. En deze heerlijkheid der verkiezing blijkt nog schooner, wanneer wij
ten slotte letten op haar voorwerp en doel. In de vroegere dogmatiek
werd dat object gewoonlijk gespecialiseerd. Engelen, menschen en
Christus werden als haar voorwerp behandeld. Over de menschen is er
geen verschil; hetzij vóór of na het geloof, hetzij vóór of na den val,
allen nemen aan, dat menschen het eigenlijke object der praedestinatie
en der electie zijn. Dit is niet in dien zin te verstaan, dat menschen,
volken, geslachten, of ook de gemeente in het algemeen, zonder nadere
bepaling en in tegenstelling met de individuen en bijzondere personen
het voorwerp der verkiezing zouden zijn, gelijk Schleiermacher, Gl.
§ 119. Lipsius § 525 f. Ritschl, Rechtf. u. Vers. III² 112-130 e.
a. beweren. Deze voorstelling toch is eene loutere abstractie, wijl
menschheid, volk, geslacht, gemeente slechts in bijzondere personen
bestaat; ze wordt ook door de Schrift weersproken, want deze leert
eene personeele verkiezing, Mal. 1:2, Rom. 9:10-12 Jakob, Hd. 13:48
ὁσοι, Rom. 8:29 ὁυς, Ef. 1:4 ἡμας, Gal. 1:15 Paulus; de namen der
verkorenen staan geschreven in het boek des levens, Jes. 4:3, Dan.
12:1, Luk. 10:20, Phil. 4:3, Op. 3:5 enz. Maar toch is het waar,
dat die uitverkorenen in de Schrift niet los en atomistisch worden
beschouwd, maar als één organisme. Zij zijn het volk Gods, het lichaam
van Christus, de tempel des H. Geestes. Zij zijn dan ook in Christus
verkoren, Ef. 1:4, tot leden van zijn lichaam. Beide, Christus en de
gemeente zijn dus opgenomen in het besluit der praedestinatie. Daarom
zeide Augustinus reeds: sicut ergo praedestinatus est ille unus, ut
caput nostrum esset, ita multi praedestinati sumus, ut membra ejus
essemus, de praed. sanct. c. 15, cf. de corr. et gr. c. 11. de dono
pers. c. 14. De synode van Toledo 675 sprak in denzelfden geest, bij
Denzinger n. 232, en de scholastiek handelde breedvoerig over de
praedestinatie van Christus, vooral in aansluiting aan Rom. 1:5,
Thomas, Sent. I dist. 40 qu. 11. III qu. 10. S. Theol. III qu. 24. S.
c. Gent. IV c. 9. Petavius, de incarn. verbi lib. XI c. 13. 14. De
Lutherschen ontkenden dit echter, omdat zij de praedestinatie opvatten
als verkiezing uit zonde tot zaligheid door de barmhartigheid Gods,
Quenstedt, Theol. did. polem. III p. 18. 43. Maar des te meer deden de
Gereformeerden het uitkomen, dat Christus ook door God was verordineerd
en met de gemeente saam het object van Gods verkiezing was. Er was
zelfs nog verschil over, of Christus object was van de praedestinatie
alleen of ook van de electie. Sommigen zooals Calvijn, C. Ref. XXXVII
714. Gomarus, Op. I 430. Marck. VII 5. Moor, II 55. Kuyper, Heraut 286.
287 zeiden, dat Christus bestemd was tot middelaar, om de zaligheid
voor de zijnen tot stand te brengen; de verkiezing der menschen ging dus
logisch aan de voorverordineering van Christus tot middelaar vooraf.
Maar anderen, zooals Zanchius, Op. II 535 sq. Polanus, Synt. IV 8.
Synopsis 24, 24. Ex. v. h. Ontw. v. Thol. VII 344-353. Heppe, Dogm.
der. w. ref. K. S. 125 f. Kuyper, Uit het Woord II 314 beschouwen
Christus ook als voorwerp der verkiezing, wijl Hij bestemd was niet
alleen tot middelaar maar ook tot hoofd der gemeente; de verkiezing
van Christus ging dan logisch vóór die der gemeente. Nu is ongetwijfeld
waar, dat Christus is verordineerd tot middelaar, om al datgene te doen
wat tot zaliging des menschen van noode was; en even zeker is, dat
Christus niet door de ontferming Gods verkoren is uit zonde en ellende
tot heerlijkheid en zaligheid. Maar de Schrift spreekt toch menigmaal
ook bij den Messias van Gods verkiezing, Jes. 42:1, 43:10, Ps. 89:4, 20,
Mt. 12:18, Luk. 23:35, 24:26, Hd. 2:23, 4:28, 1 Petr. 1:20, 2:4. Deze
verkiezing draagt terecht dien naam, omdat de Zoon van eeuwigheid door
den Vader tot middelaar is aangewezen, en bovenal omdat de menschelijke
natuur van Christus uit loutere genade en zonder eenige verdienste tot
vereeniging met den Logos en tot het ambt van middelaar is bestemd.
Maar hierdoor is Christus alleen nog object van de praedestinatie,
wijl deze in onderscheiding van de verkiezing juist de schikking der
middelen tot het einde omvat. De Schrift echter zegt anderzijds even
sterk, dat de gemeente verkoren is in en tot Christus, om zijn beeld te
dragen en zijne heerlijkheid te aanschouwen, Joh. 17:22-24, Rom. 8:29;
Christus is niet slechts bestemd tot middelaar maar ook tot hoofd der
gemeente; alles is door Hem maar ook tot Hem geschapen, 1 Cor. 3:23,
Ef. 1:22, Col. 1:16 v. Niet alsof daarmede Christus de grond en het
fundament onzer verkiezing werd. Maar de verkiezing der gemeente is de
allereerste weldaad aan de gemeente; en ook deze weldaad heeft reeds
in gemeenschap met Christus plaats, en heeft niet tot grond maar juist
tot doel, dat alle andere weldaden, wedergeboorte, geloof enz. door
Christus aan de gemeente worden medegedeeld. In dezen zin gaat de
verkiezing van Christus logisch aan de onze vooraf. Maar hoe men deze
logische orde zich ook dacht, alle Gereformeerden zeiden, dat Christus
en zijne gemeente saam, dat de Christus mysticus het eigenlijk object der
verkiezing was. Uno et indiviso decreto omnes, Christus et nos, electi
sumus, Mastricht, Theol. theor. pract. III 3, 8. Heidegger, Corpus
Theol. V 30. Ook hierbij bleven ze echter niet staan. In overeenstemming
met Augustinus, Enchir. 100, de Scholastici, Thomas S. Theol. I qu.
23 art. 1 ad 3 en in tegenstelling met de Lutherschen, Quenstedt III
p. 18, 43, namen zij ook de engelen in het besluit der praedestinatie
op. De Schrift gaf daar aanleiding toe, 1 Tim. 5:21, 2 Petr. 2:4, Jud.
6, Mt. 25:41, en dit voorbeeld van Christus leerde, dat de verkiezing
niet altijd een toestand van zonde en ellende onderstelt. Hoezeer dan
ook de ἐκλογη in de Schrift als eene afzondering uit de volken, Gen.
12:1, Deut. 7:6, 30:3, Jer. 29:14, 51:45, Ezech. 11:17, Hos. 11:1, Hd.
2:40, Phil. 2:15, 1 Petr. 2:9 enz. en het getal der uitverkorenen
dikwerf als zeer klein beschouwd wordt, Mt. 7:14, 22:14, Luk. 12:32,
13:23, 24; in die ἐκκλησια wordt toch de wereld behouden. Niet enkele
menschen uit de wereld, maar de wereld zelve is het voorwerp van Gods
liefde, Joh. 3:16, 17, 4:14, 6:33, 12:47, 2 Cor. 5:19. In Christus
zijn alle dingen in den hemel en op aarde met God verzoend; onder Hem
worden ze alle vergaderd tot één, Ef. 1:10, Col. 1:20. De wereld, door
den Zoon geschapen, is ook voor den Zoon als haren erfgenaam bestemd,
Col. 1:16, 2 Petr. 3:13, Op. 11:15. En zoo is het niet een toevallig en
willekeurig aggregaat, maar een organisch geheel, dat in de verkiezing
door God is gekend en in de verlossing door Christus is behouden.
Reconciliatus mundus ex inimico liberabitur mundo. Ecclesia sine macula
et ruga ex omnibus gentibus congregata atque in aeternum regnatura cum
Christo, ipsa est terra beatorum, terra viventium, Aug. de doctr. chr.
III 34, cf. Perkins, Werken I 770. Twissus, Vind. gr. I 312. En juist,
omdat het object der verkiezing een volmaakt organisme is, daarom is
zij zelve niet anders te denken dan als een vast en bepaald besluit
Gods. In een aggregaat is het aantal deelen geheel onverschillig. Maar
al wat organisch bestaat, berust op maat en getal. Christus is door
God verkoren tot Hoofd, de gemeente tot zijn lichaam; en samen moeten
zij opwassen tot een volkomenen man, in welken ieder lid zijn eigene
plaatse bekleedt en zijn eigen taak vervult. De electie is de Goddelijke
gedachte, het eeuwig bestek van dien tempel, dien Hij in den loop der
eeuwen bouwt en waarvan Hij zelf de Kunstenaar en de Bouwmeester is. Aan
den bouw van den tempel is alles ondergeschikt en dienstbaar. Gelijk
alle besluiten Gods uitloopen in dat der verkiezing, zoo werkt heel
de geschiedenis van wereld en menschheid mede tot de komst van het
koninkrijk Gods. Zelfs zij, die in dat koninkrijk geen burgers zijn, zegt
Calvijn, in salutem nascuntur electorum, C. R. XXXVI 360. Polanus, Synt.
252. Schepping en val, onderhouding en regeering, zonde en genade, Adam
en Christus, dragen elk op zijne wijze bij tot het tot stand brengen van
dit Godsgebouw. En dit gebouw zelf wordt opgetrokken tot eere en tot
verheerlijking Gods. Παντα γαρ ὑμων ἐστιν, ὑμεις δε Χριστου, Χριστος δε
θεου, 1 Cor. 3:21-23.