dat men van den beginne af zich er op toelegde, om ze door beelden
op te helderen of door redeneering te bewijzen. Vooreerst was het al
opmerkelijk, dat het getal drie in de Schrift zulk eene rijke en diepe
beteekenis had. Er is daar sprake van drie deelen der schepping,
hemel, aarde en hetgeen onder de aarde is; drie volkengroepen naar de
drie zonen van Noach; drie bedeelingen van het genadeverbond, vóór,
onder en na de wet; drie patriarchen; drie deelen van den tabernakel;
drie hoofdfeesten; drie deelen des O. Testaments; drie jaren van
Jezus’ openbare werkzaamheid; drie ambten; drie dagen van Jezus’
begrafenis tot de opstanding; drie kruisen op Golgotha; drie talen
in het opschrift boven Jezus’ kruis; drie geliefde discipelen; drie
getuigen, 1 Joh. 5:8; drie christelijke hoofddeugden; drie soorten van
lust, 1 Joh. 2:16; drie weeën, Op. 8:13 enz., een drievoudigen zegen;
een drievoudige handeling bij het buigen, zegenen; een driedaagsch
vasten, drie gebedstijden des daags enz., Zöckler. Theol. Nat. 682 f.
696 f. Bähr, Symb. des mos. Cultus, 2e Aufl. 1874. Herzog² 17, 410
f. Doch niet alleen in de Schrift bekleedt het getal drie zulk een
ruime plaats, maar ook daarbuiten is dit getal van groote beteekenis.
Voor de christelijke triniteitsleer werd analogie gezocht niet alleen
in de tusschenwezens, die allengs in de Joodsche theologie opkwamen,
Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 172 f., en de drie Sephiroth,
כתר,חכמה en בינה, waarvan de kabbala sprak, Ad. Franck,
La Kabbale 1843. Agrippa van Nettesheim bij Stöckl, Gesch. d. Philos.
des M. A. III 413 cf. II 236. Maar men vond sporen en aanduidingen der
triniteit ook in de Trimurti der Indiërs, Brahma, Vishnu en Ciwa; in de
drie vormen van den chineeschen Tao; in de drie germaansche hoofdgoden,
Odin, Thor en Loki; en in andere chaldeeuwsche, egyptische en grieksche
voorstellingen der goden. Vooral wees men met zekere voorliefde op
eene uitspraak van Hermes Trismegistus en op de drie principia, welke
Plato ter verklaring der wereld aannam, de hoogste νους (het zijnde,
het goede), de wereld der ideeën en de ὑλη, Pfanner, Syst. theol.
gentilis purioris, Basil. 1679 cap. 3. Moor, Comm. in Marck I 885-890.
Tholuck, Die specul. Trinitätslehre des späteren Orients 1826. Lange,
Chr. Dogmatik II 143 f. Kahnis, Luth. Dogm. I² 352. Baur, Chr. Lehre
v. d. Dreieinigkeit I 10 f. 18 f. 33 f. Delitzsch, Apol. 286. Zöckler,
Theol. Nat. 689, cf. ook Schelling, Werke II 2 S. 78. II 3 S. 312 f.
Maar al deze analogieën zijn polytheistisch en kunnen daarom moeilijk
met de christelijke triniteitsleer vergeleken worden. Van meer waarde
zijn dan nog de physische analogieën, die men gezocht heeft in de
natuur. Justinus Martyr bediende zich, in navolging van Philo, van
het beeld van het vuur, dat een ander ontstekend, toch hetzelfde
blijft. Tertullianus zeide, dat God den Logos voortbracht, sicut radix
fruticem et fons fluvium et sol radium, en sprak van bron, vloed en
stroom, van wortel, stam en kroon enz. Deze beelden keerden bij de
latere kerkvaders en theologen telkens terug en werden uitgebreid en
vermeerderd. Hoe meer men alles indacht, hoe meer het bleek, dat alle
ding in drieën bestond. De ruimte met hare drie afmetingen; de tijd
met zijne drie momenten; de natuur met hare drie rijken; de wereld der
stof, des geestes en van beider verbinding in den mensch; de lichamen
in hun vasten, vloeibaren en gasvormigen toestand; de krachten der
aantrekking, der afstooting, en van beider evenwicht; de drie functiën
der menschelijke ziel, το λογικον, το θυμικον en το ἐπιθυμητικον of
de drie vermogens, hoofd, hart en hand; de drie factoren van het
huisgezin, man, vrouw en kind, cf. echter Augustinus, de trin. XII 5
sq.; de drie standen in de maatschappij, Lehr-, Wehr- en Nährstand;
de drie ideale goederen van het ware, goede en schoone; de drieklank
in de muziek, bestaande uit den grondtoon met zijn terts en quint;
de regenboog en zijn vele kleuren; de zon met haar vigor, splendor,
calor, haar levendmakende, verlichtende en verwarmende kracht; de drie
grondkleuren, geel, rood en blauw enz. zijn in vroeger en later tijd
als analogieën der christelijke triniteit gebezigd, Delitzsch, Syst.
d. christl. Apol. 1870 S. 282 f. Zöckler, Theol. Naturalis 1860 S.
672 f. Hooger staan de logische analogieën, die men opgespoord heeft.
Augustinus wijst er telkens op, dat elk ding in de eerste plaats een
zijn, eene eenheid, eene maat, esse, unitas, mensura, modus, moet
hebben; in de tweede plaats een zekeren vorm, species, om iets bepaalds
en van andere dingen onderscheiden te zijn; en eindelijk tusschen dat
algemeene en dit bijzondere eene zekere relatie en overeenstemming,
ordo, bezitten moet. Stof, vorm of schoonheid en harmonie tusschen
beide of liefde zijn de grondvormen en de momenten van alle zijn, de
trin. VI 10. de vera relig. c. 7. de vita beata 34. cf. Gangauf, Des
h. Augustinus specul. Lehre v. Gott d. Dreieinigen 1883 S. 209 f. Omne
quod est, aliud est quo constat, aliud quo discernitur, aliud quo
congruit, 83 quaest. qu. 18. De Middeleeuwsche theologie werkte dit
op allerlei wijze uit en zocht allerwege eene trias op te sporen. Zij
vond analogie der triniteit in het trivium van grammatica, dialectica,
rhetorica; in de drie wijsgeerige vakken, logica, physica, ethica; in
de drie personen der grammatica; in het activum, passivum en medium;
in den singularis, dualis en pluralis; in de drie grondvocalen en in
de radices trilitterales der hebr. taal; in de dispositio, elocutio
en actio der rhetorica; in de definitio, divisio en argumentatio der
dialectica; in de drie vormen der poezie, epos, lyriek en drama; in de
drie trappen der mystiek, cogitatio, meditatio, comtemplatio of fides,
ratio, contemplatio, of via purgativa, illuminativa, unitiva enz.
Dionysius Areopagita deelde zijne hemelsche hierarchie, en Dante zijne
divina Comoedia naar het drietal in. In de nieuwere philosophie is de
drieheid tot formeele heerschappij gekomen. Kant vond volgens Hegel,
Werke II 37, als bij instinct de tripliciteit terug en schematiseerde
daarnaar de organen der kennis, de vermogens der ziel, de kategorieën,
de ideeën der rede enz. Maar eerst in de uit Kant afgeleide
idealistische philosophie van Fichte, Schelling en Hegel werd deze
tripliciteit tot eene dialectische methode. Het idealisme wil de dingen
begrijpen als een product van het bewustzijn, als eene ontvouwing der
idee. Die idee moet daarom als levend, zich bewegend en produceerend
worden gedacht. Dat kan alleen, als ze altijd in eene tegenspraak
verkeert tusschen hetgeen zij is en hetgeen zij doet, en deze tegenspraak
dan in een derde oplost en verzoent. De wet der tegenspraak is het
wezen des geestes. Zoo schrijdt de idee in al hare ontvouwingen en
ontwikkelingen voort door de momenten van positie, negatie, limitatie;
thesis, antithesis, synthesis; an-sich, für-sich, an-und-für-sich. De
gansche wereld ontwikkelt zich in het „Schema der Dreieinigkeiten.”
De logika met haar leer van het zijn, liet wezen en het begrip,
beschouwt den Geist an sich; de natuurphilosophie in de drie vormen
van mechanica, physica en organica heeft het te doen met den Geist
für sich, den geest in zijn anderszijn, in zijn zelfvervreemding; de
Geestesphilosophie met haar subjectieven, objectieven en absoluten
geest behandelt den Geist an und für sich, den geest in zijn terugkeer
tot zichzelf, in zijn zichzelf bewust worden, Windelband, Gesch. der
Philos. 1892 S. 464 f. 481 f. Rümelin, Reden und Aufsätze 1888 S. 47
f. Door den invloed dezer philosophie werd de tripliciteit aan tal van
wijsgeerige en godgeleerde stelsels ten grondslag gelegd. Niet genoeg
echter, dat op allerlei wijze analogieën voor de triniteit werden
opgespoord; er werden ook pogingen aangewend om haar zelve positief
te bewijzen, en hetzij dan uit het wezen van het denken of uit dat der
liefde als noodzakelijk af te leiden. De Logosleer zoowel in de Schrift
als in de grieksche philosophie deed onwillekeurig en vanzelf in het
menschelijke denken en spreken een beeld zien van het trinitarisch
proces in het Goddelijk wezen. Justinus Martyr, c. Tr. c. 61, Tatianus,
Or. c. Gr. c. 5, Tertullianus, c. Prax. c. 5 sq., Lactantius, Inst.
IV 29 enz. bedienen zich al van deze vergelijking. Athanasius en
de Cappadociërs hebben de generatie telkens als een kennen Gods
van zichzelven in zijn beeld, als een eeuwig spreken van een woord
voorgesteld; Vader en Zoon verbonden zich als νους en λογος, bv. Athan.
c. Ar. II 35 sq. Greg. Naz. Or. theol. IV 20, en vooral Gregorius van
Nyssa, Or. catech. c. 1-3. Maar inzonderheid Augustinus vond in den
inwendigen, redelijken mensch duidelijke sporen van de triniteit. En hij
vond ze op verschillende wijze en in verschillende richting. Vooreerst
vond hij ze in de drieheid van esse, nosse en velle; essentia, scientia,
amor; mens, notitia, amor, Conf. XIII 11, de civ. XI 26-28, de trin. IX
4. 5. Vervolgens ontdekte hij er sporen van in de vermogens der ziel,
bepaaldelijk in de zinnelijke waarneming, die tot stand komt door een
voorwerp, ipsa res, door een beeld daarvan in het oog, visio, en de
intentio animi, welke het zintuig op het voorwerp richt, de trin. XI
c. 1. 2; en deze trinitas blijft, ook als het voorwerp verdwijnt, want
dan wordt een beeld daarvan in de memoria bewaard, maakt de uitwendige
aanschouwing voor de interna visio plaats, en blijft het de wil, die
beide verbindt, ib. c. 4 sq. De meeste gelijkenis der triniteit vindt
Augustinus echter in de zelfkennis van den menschelijken geest, de
trin. IX 4 sq. X 9 sq. XIV 6 sq. XV 6 sq. Hij noemt de trinitas, die
hij hier vindt, gewoonlijk met de namen mens, notitia, amor (dilectio),
of memoria, intelligentia, voluntas. Eerst is de geest memoria, d.i.
bewustzijn zoo van andere dingen als van zichzelven; er is nl. een
bewustzijn, eene scientia die nog geen eigenlijke kennis is; in den geest
als memoria liggen vele notitiae verborgen, ook van zichzelven; iemand
kan iets weten, ook al denkt hij er op het oogenblik niet aan, de trin.
XIV c. 6. 7. Maar uit dien geest als memoria, uit de scientia, welke in
de memoria bewaard wordt, wordt nu door de cogitatio, door het denken,
het kennen, de intelligentia voortgebracht. In die intelligentia
vormt de geest een adaequaat beeld van zichzelf, begrijpt en kent en
aanschouwt zichzelf. Mens igitur quando cogitatione se conspicit,
intelligit se et recognoscit. En deze zelfkennis en zelfaanschouwing
is een voortbrengen: gignit ergo intellectum hunc et cognitionem
suam. En deze twee nu worden vereenigd door den wil of de liefde.
Haec autem duo gignens et genitum dilectione tertia copulantur, quae
nihil est aliud quam voluntas fruendum aliquid appetens vel tenens,
de trin. XIV 6. Zoo is Augustinus er diep van overtuigd, dat alle
schepselen, als werken van God Drieëenig, in meerdere of mindere mate
ook vestigia of indicia trinitatis vertoonen, de trin. VI 10. XV 2.
Bovenal zoekt hij een imago trinitatis in den mensch, die naar het beeld
van God Drieëenig is geschapen, ib. de civ. XI 26. Heel de schepping
was voor Augustinus een spiegel Gods. Op allerlei wijze tracht hij dan
ook de overeenkomst aan te toonen tusschen de trinitas, die hij in de
schepselen, inzonderheid in den mensch, ontdekt, en de trinitas in het
Goddelijk wezen. De trias bestaat bij beide daarin, dat alle drie één
en gelijk zijn, dat elk der drie in de beide andere en deze weer in den
eenen en alzoo omnia in omnibus zijn, de trin. IX 5. X 11. Maar daarbij
verheelt hij zich niet, dat al deze vergelijkingen maar analogieën en
beelden zijn, en dat er bij de overeenkomst ook zeer groot onderscheid
bestaat. Zoo is de trinitas in den mensch niet de mensch zelf maar iets
in of aan den mensch, terwijl in God de triniteit Hijzelf en de drie
personen de ééne God zijn. De memoria, intelligentia en amor zijn in den
mensch slechts krachten, maar de drie personen zijn in het Goddelijk
wezen drie subjecten. Bij den mensch zijn die drie krachten dikwerf
ongelijk en dienen om elkander aan te vullen, maar in het Goddelijk
wezen is er volkomen eenheid en gelijkheid der personen, de trin. XV 7.
17. 20 sq. Augustinus bedoelde dan ook niet, met deze analogieën en
beelden de triniteit apriori te bewijzen; hij ging uit van het geloof,
hij nam ze aan op grond van Gods woord; alleen poogde hij ze aposteriori
in de gansche natuur aan te wijzen en denkend op te helderen, de vera
relig. 7. de trin. I 1. V 1. IX 1. De eerste zeven boeken van zijn
werk de trinitate zijn dan ook hoofdzakelijk gewijd aan bewijzen uit de
Schrift; en eerst in de laatste acht boeken zoekt hij ze uit natuur en
mensch te bevestigen. En eindelijk voegde hij er nog aan toe, dat deze
trinitas in den menschelijken geest wel door een ieder kon opgemerkt
worden maar toch alleen door den geloovige als beeld van het drievuldig
wezen Gods kon worden erkend. Zij is wel wezenlijk eigen aan den geest
des menschen en is door de zonde niet uitgeroeid; maar zij is toch
verduisterd en wordt door het geloof vernieuwd, als de mensch God weer
leert meminisse, intelligere et amare. En volkomen worden we eerst zijn
beeld, als we Hem zien zullen van aangezicht tot aangezicht, de trin.
XIV 12 sq. Ibi esse nostrum non habebit mortem, ibi nosse nostrum non
habebit errorem, ibi amare nostrum non habebit offensionem, de civ. XI
28. Deze bewijsvoering voor de triniteit uit het denken is door velen
overgenomen, bijv. Erigena, de div. nat. II 32. Anselmus, Monol. c.
29-67. Lombardus, Sent. I dist. 3, 6-23. Thomas, S. Theol. I qu. 45
art. 7. S. c. Gent. IV 26. Sent. I dist. 3 qu. 2 art. 3. Bonaventura,
Brevil. II c. 12. Itiner. mentis c. 2-4. Sent. I dist. 3 art. 1 en
2. Duns Scotus, Sent. I dist. 3 qu. 9. Hugo Vict. de Sacr. I pars 3
c. 21 sq. Luther, bij Köstlin, Luthers Theol. I² 99 f. Melanchton,
Loci Comm. loc. 3. Enarratio symb. Nic., Corpus Ref. XXIII col. 235,
Explicatio Symb. Nic. ib. col. 359 sq. Examen Ordinandorum, ib. col.
3. Jak. Schegk, Contra Antitrinitarios bij Trechsel, Die protest.
Antitrin. II 380 f. Polanus, Synt. Theol. p. 202. Zanchius, Op. I col.
356 sq. Keckermann, Syst. Theol. 1603 p. 20 sq. Poiret, Cogitationum
rationalium de Deo, anima et malo libri quatuor 1677, bij Baur, Chr.
Lehre v. d. Dreieinigkeit III 315 f. Mornaeus, de verit. relig. christ.
c. 5. Leibniz, Syst. Theol. Mainz, 1825 p. 30. Lessing, Erziehung des
Mensch. § 73. Schelling, Werke II 3 S. 315. Twesten, Dogm. II 194-216.
Lange, Dogm. II 141. Bilderdijk, Opst. v. godg. en zedek. inhoud I 24v.
Kuyper, De Schrift, het woord Gods 1870. Shedd, Dogm. Theol. I 183 enz.
Maar in verband met deze bewijsvoering voor de triniteit uit het denken
bedient Augustinus zich nog van eene andere, nl. uit de liefde. Hij gaat
uit van de uitspraak der Schrift: God is liefde, en toont aan, dat er
in de liefde altijd eene drieheid is, amans et quod amatur et amor.
In de liefde is altijd een subject en een object en een band tusschen
beide. Immo vero vides trinitatem, si caritatem vides, de trin. VIII
8. IX 1. 2. Ook deze speculatie is door velen nagevolgd, vooral door
Richard Vict. de trinitate III c. 2 sq. De volheid der Goddelijke
liefde, evenals die der Goddelijke goedheid, zaligheid en heerlijkheid
vorderen eene meerderheid van personen in het Goddelijk wezen, want de
liefde verlangt een object en wel een, dat aan den liefhebbende gelijk
is. Maar deze liefde is dan eerst volkomen, wanneer beiden, hij die
liefheeft en hij die geliefd wordt, een derde in hun beider liefde
opnemen en door hem wederkeerig geliefd worden. En evenzoo vinden we
deze redeneering bij Bonaventura, Sent. I dist. 2 art. 1. qu. 2., en in
den nieuweren tijd bij J. Müller, Die christl. Lehre v. d. Sünde II⁵ 181
f. Sartorius, Lehre v. d. heiligen Liebe I³ S. 11 f. Liebner, Christ,
Dogm. I 69 f. Schöberlein, Grundlehren des Heils 1848 S. 22 f. Peip,
art. Trinität, Herzog² 16, 465 f. Dorner, Chr. Glaub. I 415 f. Ges.
Schriften 345 f. enz. Naast deze meer algemeene speculaties uit het
verstand en den wil Gods zijn nog andere constructies der triniteit
beproefd. De merkwaardigste is die der theosophie, welke onder invloed
van het neoplatonisme, het gnosticisme en de kabbala wederom kort voor
de Hervorming optrad in Pico van Mirandola, Reuchlin, Nettesheim,
Paracelsus; dan in Jakob Böhme haar eigenlijken wijsgeer vond en in
deze eeuw weer door Schelling en Baader werd voorgestaan. Schelling
gaat daarvan uit, dat het werkelijke zijn niet uit een zuiver denken is
te verklaren. Het wat der dingen moge uit de rede worden afgeleid;
het dat der dingen is daaruit onmogelijk te verklaren. De essentie
en de existentie der dingen wijzen op verschillende principia terug,
Philos. der Offenb., Werke, II 3 S. 57 f. Daarom is beide het deisme
en het pantheisme te verwerpen, II 2 S. 68 f. God mag niet eleatisch
als een abstracte eenheid worden opgevat. Hij is eene All-einheit,
eene Mehrheit, die de eenheid van het deisme en de alheid van het
pantheisme met elkander verbindt, ib. 73. Reeds in het begrip Gods zijn
drie momenten te onderscheiden; vooreerst dat van het zijn-kunnende,
het subject, de wil, vervolgens dat van het zuiver-zijnde, het object,
de idee, en eindelijk de identiteit van beide, het subject-object, II
2 S. 24 f. II 3 S. 205 f. In deze drie is het begrip van het absolute
voltooid; het is daardoor geest, volmaakte geest, II 3 S. 238 f.,
persoonlijk en zelfbewust, II 2 S. 73 f., een Einzelwesen, II 3 S. 174.
Maar al is het ook, dat wij denkende eerst door deze drie heen tot den
volmaakten Geest komen, toch is Hij daarom niet uit deze voortgekomen.
Integendeel, de Geest is het eerste en draagt deze drie momenten als
immanente Bestimmungen in zich, II 3 S. 240 f. De volmaakte, absolute
Geest is alzoo de an sich, für sich en bei sich seiende Geist, ib.
251 f. Maar in dien Geest ligt ook verborgen dat wat zijn zal. Hij is
vrije Geest en kan zichzelven buiten zich openbaren, ib. 261. De drie
Bestimmungen, die de Geest in zichzelf heeft, worden de Potenzen van
een buitengoddelijk zijn, ib. 272. Schelling leidt heel de schepping, de
mythologie en de openbaring uit de scheiding en vereeniging der drie
Potenzen af; zij zijn de vormen aller mogelijkheden, de principia, de
ἀρχαι, van alle zijn, II 2 S. 61, 112, II 3 S. 267 f. Deze kosmogonie
is bij Schelling echter tegelijkertijd eene theogonie. In de ontwikkeling
der wereld verheffen de Potenzen in God zich op steeds hooger trap;
in de openbaring Gods aan zijne schepselen wordt Hij tevens zichzelf
openbaar. De drie Bestimmungen in den absoluten geest, de drie Potenzen
in de wereldschepping en de mythologie banen den weg, om de ééne en
zelfde Godheid als drie personen te begrijpen, II 3 S. 316. De absolute
Geest wordt tot Vader, Zoon en Geest in het historisch verloop der
openbaring. God, n.l. niet eene bijzondere gestalte maar de gansche God,
de absolute persoonlijkheid, kan Vader heeten, niet alleen als Urheber
van alle dingen, maar ook in zoover Hij door de eerste Potenz van zijn
wezen de tweede dwingt om zichzelve te realiseeren, II 3 S. 311, 322,
maar Hij is niet werkelijk Vader bij het begin en den voortgang van het
proces, maar eerst aan het einde, ib. 335 f. 339. De tweede gestalte is
de Zoon, wiens generatie niet eeuwig is maar betrekking heeft op het
zijn des Zoons buiten den Vader en daarom aanvangt in het moment der
schepping; de Zoon is daarom eerst ten volle Zoon aan het einde van het
proces, ib. 312, 318, 321 f. 330 f. En ditzelfde geldt van de derde
Potenz, 333 f. Aan het einde is de gansche Godheid in drie van elkander
onderscheidene personen verwerkelijkt, die noch drie onderscheidene
Goden noch ook slechts drie onderscheidene namen zijn, 335, 337. Door
deze speculatie bracht de nieuwere philosophie het trinitarisch dogma
wederom in eere. Het ontbrak niet aan pogingen, om de triniteit denkend
te construeeren, vooral uit het wezen des geestes, der zelfbewustheid,
der persoonlijkheid, Weisse, Philos. Dogm. I 444 f. Dorner, Chr. Gl.
I 405 f. J. H. Fichte, Deutinger, Rosenkrantz en anderen, cf. Drews,
Die deutsche Spekul. seit Kant I 285-531. Günther ging zelfs zoo ver,
dat hij, evenals Raymundus de Sabunde, Raymundus Lullus en enkele
andere rationalisten, het onderscheid tusschen articuli puri en mixti
verwierp, de drieëenheid ook tot de redewaarheden rekende en uit den
aard van het zelfbewustzijn bewijsbaar achtte, Drews I 447 f. Kleutgen,
Theol. der Vorzeit I² 399-451.
25. Kerk en theologie namen over het algemeen tegenover deze
philosophische constructies der triniteitsleer eene zeer gereserveerde
houding aan. Hoogstens willen zij van bewijzen voor de triniteit alleen
aposteriori iets weten, ten einde het dogma op te helderen; maar ook
dan nog waarschuwden velen tegen de poging, om voor deze leer steun te
zoeken in de rede. Meer dan eenig ander was het dogma der triniteit
een mysterie, dat natuur en rede verre te boven ging en alleen uit
de bijzondere openbaring gekend kon worden. Evenals Augustinus nam
Thomas wel vestigia trinitatis in de schepping aan en poogde ze ook
a posteriori door redeneering toe te lichten. Maar hij verklaarde
uitdrukkelijk, dat de triniteit niet door de rede kenbaar was, want de
schepping is een werk der gansche triniteit en toont dus wel de eenheid
des wezens maar niet het onderscheid der personen. Qui autem probare
nititur trinitatem personarum naturali ratione, fidei dupliciter
derogat; ten eerste door aan de waardigheid des geloofs dat alleen
onzienlijke dingen tot object heeft, te kort te doen, en ten tweede,
door anderen van het geloof af te houden, als ze gaan denken, dat ons
geloof op zoo zwakke gronden steunt, S. Theol. I qu. 32 art. 1, cf. ook
Lombardus, Sent. I dist. 3 n. 6 en de commentaren op die plaats. Calvijn
zag weinig nut in de analogieën en bewijzen, die uit natuur en mensch
voor de triniteit werden bijgebracht, Inst. I 13, 18. I 15, 4. Comm. in
Gen. 1:26. En vele Geref. en Luth. theologen oordeelden op dezelfde
wijze, Hyperius, Meth. theol. p. 111. Zanchius, Op. I 356 sq. Walaeus,
Op. I 236. Synopsis pur. theol. VII 14. Mastricht, Theol. theor. pract.
II 24, 21. Gerhard, Loci theol. III § 23-32. Quenstedt, Theol. I p. 265
sq. Hollaz, Examen theol. p. 344 enz., cf. in den nieuweren tijd Böhl,
Dogm. 80. Beck, Glaub. II 129.
Zonder twijfel is nu tegenover allen, die de leer der triniteit op
redelijke gronden willen doen rusten, staande te houden, dat de kennis
dezer leer alleen aan Gods bijzondere openbaring is te danken. De
Schrift is de eenige en laatste grond voor de leer der drieëenheid; de
rede kan hoogstens a posteriori deze leer eenigermate door het denken
ophelderen. Maar toch zijn de bijgebrachte redeneeringen tot toelichting
van het triniteitsdogma niet van alle waarde ontbloot. Vooreerst geeft
de Schrift er zelve ons vrijheid toe, als zij zegt, dat de gansche
schepping en vooral de mensch een werk is van den drieëenigen God.
Zeer zeker zijn alle werken Gods naar buiten ongedeeld en aan alle
drie personen eigen: in deze werken staat dus veelmeer de eenheid
Gods dan het onderscheid der personen op den voorgrond. Maar in die
eenheid kan toch de verscheidenheid niet ontbreken. En de Schrift
zelve duidt daarmede aan, dat alle schepselen vestigia, en de mensch
de imago trinitatis vertoonen zal. Hoezeer dan ook de zonde objectief
de openbaring Gods in zijne werken omfloersd en subjectief ons oog
verduisterd heeft, het kan niet apriori worden ontkend, dat het door
de openbaring verlichte verstand in de natuur sporen ontdekken kan van
dien God, dien het in de Schrift leerde kennen als drieëenig in zijn
wijze van bestaan en werken. Daar komt bij, dat al deze redeneeringen
ongetwijfeld niet in staat zijn om het dogma der triniteit te bewijzen.
Geen van die alle kan of mag zijn de grond van ons geloof. We zouden de
waarheid aan de bespotting onzer tegenstanders prijsgeven, indien wij ze
aannamen op zoo zwakke gronden, als onze rede vermag bij te brengen,
Thomas S. Theol. I qu. 32 art. 1, qu. 46 art. 2. S. c. Gent. I c.
9. Maar deze redeneeringen zijn toch wel in staat, om verschillende
tegenwerpingen te weerleggen, die tegen het dogma worden ingebracht,
ib. c. Gent. I c. 9; ze hebben wel de kracht om aan te toonen, dat het
noch onmogelijk noch ongerijmd is, wat de openbaring ons leert, ib. S.
Theol. II 2 qu 1 art. 5 ad 2; en ze zijn bij machte te betoogen, dat het
geloof der tegenstanders onvoldoende is en met de rede zelf in strijd,
ib. S. Theol. I qu. 1 art. 8. Voetius, Disp. I p. 1 sq. Zoo ongerijmd
is de leer der triniteit toch niet, als ze aan een oppervlakkig
rationalisme van vroeger en later tijd voorkwam. Met eene berekening,
dat één geen drie en drie geen één kan zijn, is ze niet omvergeworpen.
Veeleer is de philosophie telkenmate en ook weer in deze eeuw tot de
leer der triniteit teruggekeerd en heeft althans eenigermate haar rijken
zin en hare diepe beteekenis ingezien. Daar komt eindelijk nog bij dat
deze redeneeringen den samenhang opsporen en bewaren tusschen natuur
en genade, tusschen schepping en herschepping. Het is éénzelfde God,
die ons schept en onderhoudt en die ons herschept naar zijn beeld. De
genade verheft zich wel boven de natuur, maar is met haar niet in
strijd. Herstellend wat door de zonde in haar bedorven is, verheldert
en volmaakt zij ook wat er in haar nog van Gods openbaring is
overgebleven. Het denkend verstand plaats de triniteitsleer midden in
het rijke leven van natuur en menschheid. De belijdenis van den Christen
is geen eiland in den oceaan, maar een hooge bergtop, vanwaar heel
de schepping wordt overzien. En het is de taak van den christelijken
theoloog, om de openbaring Gods in haar verband met en beteekenis
voor heel het leven duidelijk in het licht te stellen. Het christelijk
denken blijft onbevredigd, zoolang niet al het zijnde tot God drieëenig
is teruggeleid en de belijdenis der drieëenheid Gods niet midden in het
centrum van ons denken en leven is geplaatst. De analogieën en bewijzen,
voor de triniteit bijgebracht, strekken dan ook niet om het dogma te
demonstreeren, maar ze dienen vooral om het veelzijdig nut en de rijke
beteekenis aan te toonen, die er in deze belijdenis ligt opgesloten voor
het leven en het kennen der schepselen. Ze zijn ten slotte geboren niet
uit eene zucht naar ijdele speculatie en ongepaste nieuwsgierigheid,
maar uit een diep religieus belang. Indien God drieëenig is, dan moet
dat van de hoogste beteekenis zijn, want het is alleen uit en door en
tot God, dat alle dingen zijn.
Vooreerst dan doet de triniteit ons God kennen als den waarachtig
Levende. Reeds door de kerkvaders werd opgemerkt, dat de dwaling van
deisme en pantheisme, van monisme en polytheisme door de triniteit
vermeden, en het ware, dat in al die ideeën over God verborgen lag, in
de triniteit was opgenomen. Het deisme graaft eene klove tusschen God
en zijn schepsel, heft beider verwantschap op en houdt voor God niets
dan een abstracte eenheid, een puur zijn, een eentonige en eenvormige
existentie over, het bevredigt noch het hoofd noch het hart, het is de
dood der religie. Het pantheisme brengt ons God wel nader maar maakt
Hem aan het schepsel gelijk, wischt de grenslijn tusschen creator en
creatura uit, berooft Hem van een eigen zijn en leven en ondermijnt den
godsdienst. Maar de christelijke leer der triniteit doet God kennen
als wezenlijk onderscheiden van de wereld en toch als een eigen, zalig
leven deelachtig. God is eene volheid van zijn, πελαγος οὐσιας. Hij is
niet onvruchtbaar, ἀγονος. Hij is het absolute zijn, de Eeuwige, die
is en was en komen zal, maar in dat zijn de eeuwig levende, de eeuwig
voortbrengende. Men heeft de triniteit trachten afteleiden uit het
denken en willen Gods, uit zijne liefde, goedheid, volmaaktheid enz.
Bedoeld als wijsgeerige constructies der triniteitsleer, laten zij
alle te wenschen over. De constructie uit het denken brengt het tot
geen onderscheid van personen, maakt de processie van den derden
persoon niet duidelijk en moet met het oog op dezen overgaan tot en
zich aanvullen met de constructie uit den wil Gods. De afleiding
der triniteit uit de liefde stuit op dezelfde bezwaren en weet de
processie des H. Geestes niet in het licht te stellen. Maar toch
is het waar, dat deze en alle andere eigenschappen eerst leven en
realiteit verkrijgen door de triniteit. Buiten en zonder deze zijn ze
namen, klanken, ledige begrippen. Als eigenschappen van een drieëenig
God beginnen ze te leven voor hoofd en voor hart. Eerst door haar
verstaan we, dat God in zichzelven, ook afgedacht van de wereld, de
onafhankelijke, de eeuwige, de alwetende, de algoede, de liefde, de
heiligheid en de heerlijkheid is. De triniteit doet ons God kennen als
de volheid van zijn, het waarachtige leven, de eeuwige schoonheid.
Ook in God is er eenheid in de verscheidenheid, verscheidenheid in
de eenheid. Ja deze orde en harmonie is in Hem op absolute wijze
aanwezig. Bij schepselen is daarvan slechts eene zwakke analogie. Of
de eenheid of de verscheidenheid komt niet tot haar recht. Schepselen
bestaan in ruimte en tijd, staan naast elkaar en doordringen elkander
niet. Er is eenheid alleen door attractie, door wil en genegenheid,
eene zedelijke eenheid, die verbreekbaar en wankel is. En waar
diepergaande, physische eenheid bestaat, b. v. tusschen de vermogens
der ééne substantie, is er onzelfstandigheid, en neemt de eenheid het
onderscheid in zich terug. Maar in God is beide aanwezig: absolute
eenheid en absolute verscheidenheid. Het is éénzelfde wezen, dat door
drie supposita gedragen wordt. Er is hier de hoogste gemeenschap,
gemeenschap deszelfden wezens, en tegelijk de hoogste verscheidenheid,
verscheidenheid van personen. Daarom kunnen, indien God drieëenig
is, de drie personen niet anders dan als ὁμοουσιοι gedacht worden.
Het arianisme in zijne velerlei vormen denkt het wezen Gods niet in
en bevredigt daarom het denken niet. Indien er onderscheidingen zijn,
niet buiten maar in en binnen het Goddelijk wezen, dan moeten deze
onderscheidingen, d. i. deze personen allen wezensgelijk zijn. In God
kan niets bestaan, wat iets anders of iets minder dan God ware. Er is
geen overgang tusschen Schepper en schepsel. Vader, Zoon en Geest zijn
allen hetzelfde wezen deelachtig en waarachtig God, of ze zinken neder
tot het creatuur. Er is op christelijk standpunt geen derde mogelijk.
Maar evenzoo wordt hierdoor het sabellianisme in zijn verschillende
modi veroordeeld. Want de homoousie der drie personen heeft dan
alleen zin en beteekenis, als deze waarlijk en realiter van elkander
onderscheiden zijn, als onderscheidene dragers van eenzelfde substantie.
De verscheidenheid der subjecten, die in de openbaring Gods, in
schepping en herschepping, naast elkander optreden, komt op uit de
verscheidenheid, die in het wezen Gods zelf tusschen de drie personen
bestaat. Er zou naar buiten geen onderscheid in de eenheid kunnen zijn,
indien zij niet innerlijk, ad intra, bestond.
In de tweede plaats is de triniteit van het hoogste belang voor
de schepping. Deze is alleen te handhaven bij de belijdenis van een
drieëenig God. Daardoor alleen is het toch mogelijk, om eenerzijds
tegen het deisme het verband en andererzijds tegen het pantheisme het
onderscheid van God en wereld te handhaven. De schepping is niet te
denken als een zuiver toeval en evenmin als eene zelfontwikkeling
van het Goddelijk wezen. Zij moet haar grondslag hebben in God en toch
geen moment vormen in zijn innerlijk levensproces. Hoe zou dit beide
te handhaven zijn anders dan door de drieëenheid Gods? Het leven Gods
is Goddelijk rijk; het is vruchtbaar; er is actie, productie in. En de
triniteitsleer spreekt daarom ook van de generatie des Zoons en de
processie des H. Geestes. Beide deze daden zijn wezenlijk onderscheiden
van de schepping; gene zijn immanente verhoudingen, deze is een opus
ad extra; gene zijn genoegzaam in zichzelve, God heeft de schepping
niet noodig, Hij is leven, zaligheid, heerlijkheid in zichzelven.
Maar toch staat de schepping met deze vruchtbaarheid Gods in het
nauwste verband. Want vooreerst heeft Athanasius terecht opgemerkt,
dat indien het Goddelijk wezen onvruchtbaar is en zichzelf niet
mededeelen kan, er ook van geen openbaring Gods naar buiten, d. i.
van geen mededeeling Gods in en aan zijn schepsel sprake kan zijn. De
leer van de onmededeelbaarheid van het Goddelijk wezen door generatie
en processie aan Zoon en Geest brengt mede, dat de wereld los staat
naast, buiten, tegenover God. God is dan absoluut verborgen, βυθος,
σιγη, het onbewuste, Ungrund; de wereld openbaart Hem niet; er is geen
kennisse Gods mogelijk. Daarentegen leert het dogma der triniteit, dat
God zich meedeelen kan, absoluut aan Zoon en Geest, relatief dus ook
aan de wereld. Want de mededeeling, die er plaats heeft in het Goddelijk
wezen, is naar de gedachte van Augustinus, het voorbeeld, de archetype
van het werk Gods in de schepping. De Schrift wijst telkens op het
nauwe verband, dat tusschen Zoon en Geest eenerzijds, en de schepping
andererzijds bestaat. De benamingen Vader, Zoon (woord, wijsheid), Geest
duiden zeer zeker immanente relatiën aan, maar weerspiegelen zich toch
ook in de verhoudingen, die in de werken Gods naar buiten tusschen de
drie personen aanwezig zijn. Uit den Vader zijn alle dingen; in den Zoon
liggen de ideeën van alle zijn; in den Geest zijn de principia van alle
leven. De generatie en processie in het Goddelijk wezen zijn de immanente
daden Gods, die eene schepping en openbaring Gods naar buiten mogelijk
maken. Daaruit eindelijk is te verklaren, dat alle werken Gods naar
buiten dan eerst genoegzaam worden gekend, als hun trinitarisch bestaan
wordt ingezien. De voorbeelden, boven genoemd, zijn ten deele zeer
gezocht en in elk geval niets meer dan analogieën. Maar de philosophie
van Plato af tot von Hartmann toe is altijd weer, bewust of onbewust,
tot een drietal principia of ἀρχαι teruggekeerd, waaruit de schepping
in haar geheel en in hare deelen kon worden verklaard. Er ligt een
groote waarheid in, dat de schepping ons overal vestigia trinitatis
vertoont. En omdat deze vestigia zich het duidelijkst in den mensch
vertoonen en hij zelfs imago trinitatis heeten mag, daarom spoort hij als
het ware door een immanenten drang allerwege deze vestigia op. In de
trias komt eerst uit de volkomenheid van het schepsel, de afgerondheid
van het systeem, de harmonie der schoonheid. Hoe hooger iets staat in
de schepselenrij, des te meer streeft het de trias tegemoet. En zelfs
in de afdwalingen van den mensch op godsdienstig gebied is er nog iets
van deze werking te bespeuren. Schelling’s poging om ook de mythologie
trinitarisch te duiden, is toch nog iets meer geweest dan eene geniale
phantasie.
In de derde plaats is de triniteit van het hoogste gewicht voor de
christelijke religie. Met de belijdenis van Gods drieëenheid staat en
valt het gansche Christendom, de geheele bijzondere openbaring. Zij
is de kern van het christelijk geloof, de wortel aller dogmata, de
substantie van het nieuwe verbond. Uit dit religieus, christelijk
belang heeft dan ook de ontwikkeling der kerkelijke triniteitsleer haar
aanvang genomen. Het ging bij haar waarlijk niet om een metaphysisch
leerstuk of wijsgeerige bespiegeling, maar om het hart en het wezen
der christelijke religie zelve. Zoozeer wordt dit gevoeld, dat allen,
die nog prijs stellen op den naam van Christen, eene zekere triniteit
erkennen en huldigen. In elke christelijke belijdenis en dogmatiek is
de diepste vraag deze, hoe God één en toch weer drievoudig kan zijn.
En al naar gelang deze vraag beantwoord wordt, komt in alle stukken
der leer de christelijke waarheid minder of meer tot haar recht. In
de triniteitsleer klopt het hart van heel de openbaring Gods tot
verlossing der menschheid. Voorbereid in het Oude Verbond, treedt zij
daarom eerst duidelijk in Christus aan het licht. De religie kan met
niets minder dan God zelven toe. In Christus nu komt God zelf tot
ons, en in den H. Geest deelt Hij ons zichzelven mede. Het werk der
herschepping is door en door trinitarisch. Uit en door en in God zijn
alle dingen. Het is één Goddelijk werk van het begin tot het einde,
en toch drievoudig onderscheiden; het wordt besloten door de liefde
des Vaders, de genade des Zoons en de gemeenschap des H. Geestes. En
dienovereenkomstig wijst het geloofsleven van den Christen op drie
principia terug, gelijk de Ned. Gel. art. 9 zegt, dat wij de leer der
drieëenheid kennen zoo uit de getuigenissen der Heilige Schrift als uit
de werkingen der drie personen, voornamelijk uit degene, die wij in ons
gevoelen. Wij weten ons kinderen van den Vader, verlost door den Zoon en
met beiden in gemeenschap door den H. Geest. Alle heil en zegen komt
ons uit God drieëenig toe. In dien naam worden wij gedoopt; die naam
is de hoofdsom onzer belijdenis; van dien naam daalt alle zegen op ons
neer; aan dien naam brengen wij eeuwiglijk dank en eere; in dien naam
vinden wij rust voor het hart, vrede voor onze consciëntie. De Christen
heeft een God boven en voor en in zich. Aan de leer der triniteit is
daarom de zaligheid in dit en het toekomende leven verbonden, al is het
ook, dat wij de mate der kennis niet kunnen bepalen, die ook van dit
mysterie eisch is voor een oprecht geloof.
§ 28. DE RAAD GODS.
1. Tot dusver handelden wij over het Goddelijk wezen, gelijk het is en
bestaat in zichzelf. Niet in dien zin, alsof wij over God dachten en
spraken, buiten zijne openbaring in natuur en Schrift om. Immers wij
kunnen van God niet spreken dan op grond van zijne openbaring; als wij
ons onderwonden zijne namen op onze lippen te nemen, spraken wij van
Hem als Christenen, onderwezen door zijn Woord. Maar toch handelden wij
over God, gelijk Hij blijkens zijne openbaring in zichzelf bestaat. En wij
leerden Hem kennen als het eeuwige wezen, dat tegelijk het hoogste zijn
en het hoogste leven is, als summum esse, louter essentia en tevens als
ipsissima ἐνεργεια, actus purissimus, totus actuosus; Hij werkt altijd.
Thans dalen wij tot zijne werken af. Die werken zijn de schepselen, opera
ad extra. Maar voordat wij deze kunnen beschouwen, rijst de vraag: Welk
is het verband tusschen God, gelijk Hij in zichzelf bestaat en deze zijne
werken? En dat verband wordt aangegeven in den Raad Gods, die de opera
essentialia ad intra, d. i. de besluiten omvat. Deze worden ons in
de Schrift niet in het afgetrokkene beschreven, maar in de historie
zelve ons voor oogen gesteld. God is Heer der gansche aarde en betoont
dat van dag tot dag in de schepping, onderhouding en regeering aller
dingen. En zoo is het ook met de verkiezing en de verwerping. Deze
worden in het O. T. niet als eeuwige besluiten geteekend, maar zij
treden ons op iedere bladzijde als feiten in de historie tegemoet. Van
den aanvang af gaat het menschelijk geslacht in tweeën uiteen, in de
heilige linie van Seth, Gen. 4:25, 26, 5:1-32 en de meer en meer van
God zich vervreemdende van Kain, Gen. 4:17-24. Als beide geslachten
zich vermengen en de ongerechtigheid doen toenemen, vindt Noach alleen
genade in de oogen des Heeren, Gen. 6. Na den zondvloed wordt de zegen
uitgesproken over Sem en Japhet, de vloek daarentegen over Kanaan, Gen.
9:25-27. Uit Sems geslacht wordt Abraham verkoren, Gen. 12. Van zijne
zonen is niet Ismael maar Izak de zoon der belofte, Gen. 17:19-21,
21:12, 13. Onder Izaks zonen wordt Ezau gehaat en Jakob geliefd, Gen.
25:23, Mal. 1:2, Rom. 9:11, 12. Van de zonen van Jakob krijgt elk een
eigen rang en taak, en ontvangt Juda het primaat, Gen. 49. Terwijl alle
andere volken tijdelijk voorbijgegaan worden en hun eigen wegen wandelen,
wordt Israel alleen uitverkoren door den Heere tot een volk des
eigendoms. Deze verkiezing, בחר, ידע, Hos. 13:5, Am. 3:2, is
niet geschied om Israels waardigheid maar alleen naar Gods ontfermende
liefde, Deut. 4:37, 7:6-8, 8:17, 9:4-6, 10:15, Ezech. 16:1v. Am. 9:7
en deze liefde is van oude dagen af, Jer. 31:3. Zij had tot object
Israel als volk en natie, ofschoon duizenden het verbond verbraken en
er onderscheid is tusschen Israel naar het vleesch en naar de belofte,
Rom. 2:28, 29, Rom. 9-11. En zij had tot doel, dat Israel den Heere
toebehooren, zijn volk en eigendom wezen, en in heiligheid voor zijn
aangezicht wandelen zou, Ex. 19:5, Deut. 7:6, 14:2, 26:18, Ps. 135:4,
Mal. 3:17. In den kring van Israel is er dan telkens weer sprake van
een bijzondere verkiezing tot een waardigheid of dienst, zoo b. v. van
Jerusalem en Sion tot eene woning des Heeren, Deut. 12:5, 14:23, 1
Kon. 11:30, 2 K. 21:7, Ps. 78:68, 70, van Mozes tot middelaar des O.
Verbonds, Ex. 3, van Levi tot het priesterschap, Deut. 18:5, 21:5, van
Saul en David tot koning, 1 Sam. 10:24, 2 Sam. 6:21, van de profeten
tot hun ambt, 1 Sam. 3, Jes. 6, Jer. 1, Ezech. 1-3, Am. 3:7, 8, 7:15,
bovenal van den Messias tot Verlosser van zijn volk, die de Israel, de
knecht des Heeren bij uitnemendheid is, Jes. 41:8, 42:1, 44:1, 45:4
enz. Toch ofschoon deze verkiezing in het O. T. meest als feit in de
historie optreedt en alzoo met de roeping zelve samenvalt, toch berust
ze op eene voorkennis en voorbepaling Gods. In het algemeen leert
het O. Testament, dat God alle dingen schept, onderhoudt en regeert
door het woord en met wijsheid, Ps. 33:6, 104:24, Job 38, Spr. 8 enz.,
zoodat alles berust op gedachte Gods. Maar er wordt ook uitdrukkelijk
gezegd, dat God het toekomstige weet en vooraf verkondigt, Jes. 41:22,
23, 42:9, 43:9-12, 44:7, 46:10, 48:3v., Amos 3:7. In de profetie
maakt Hij van te voren de dingen bekend, welke en zooals ze geschieden
zullen, Gen. 3:14v. 6:13, 9:25v. 12:2v. 15:13v. 25:23, 49:8v. enz. De
levensdagen van een mensch zijn alle reeds te voren bepaald en in ’t
boek Gods geschreven, voordat er nog een in het aanzijn getreden is,
Ps. 139:16, 31:16, 39:6, Job 14:5. De rechtvaardigen zijn geschreven
in het boek des levens, gelijk de burgers van een stad of een rijk zijn
opgeteekend, en hebben daarin de verzekering, dat zij deel zullen hebben
aan het leven in de gemeenschap met God in de theocratie van Israel,
Ex. 32:32, Ps. 87:6, Ezech. 13:9, Jer. 17:13, Ps. 69:29; in Jes. 4:3
en Dan. 12:1 wordt dit verder zoo ontwikkeld, dat aan het theocratisch
heil in de toekomst zij deel zullen hebben, die opgeschreven zijn ten
leven. De Nieuwtest. gedachte wordt hier voorbereid, dat het boek des
levens de namen bevat van de erfgenamen des eeuwigen levens. En alle
dingen geschieden naar den raad Gods. Bij Hem is wijsheid en macht,
raad, עֵצָה en verstand, Job 12:13, Spr. 8:14, Jes. 9:5, 11:2,
28:29, Jer. 32:19. Hij kiest daardoor altijd de beste wegen tot bereiking
van zijn doel, heeft niemands raad noodig, en is vreeselijk, verre
verheven, boven den raad der heiligen en van allen, die rondom Hem
zijn, Jes. 40:13, Jer. 23:18, 22, Ps. 89:8. Gods raad is zijne bepaalde
gedachte, zijn vast besluit over alle dingen, Jes. 14:24-27, Dan. 4:24.
Die raad is wel verborgen, Job 15:8 maar komt in de historie zelve
tot werkelijkheid. Want naar dien raad geschiedt alles, hij bestaat
in eeuwigheid, niemand kan hem weerstaan, Jes. 24 vs. 24-27, 46:10,
Ps. 33:11, Spr. 19:21; en daartegenover wordt de raad der vijanden
vernietigd, Neh. 4:15, Ps. 33:10, Spr. 21:30, Jer. 19:7.
2. Het N. Test. stelt dezen raad Gods in nog veel helderder licht. Niet
alleen zijn Gode al zijne werken van eeuwigheid bekend, Hd. 15:18 (cf.
echter de variae lectiones), maar alles geschiedt naar den bepaalden
raad en voorkennis Gods. Het N. T. woord βουλη duidt aan den wil Gods
als berustend op raad en overleg, en is daarin van θελημα, den wil als
wil, onderscheiden, cf. Ef. 1:11 βουλη του θεληματος. Zulk een raad
Gods gaat er aan alle dingen vooraf. Hij omvat alles, Ef. 1:11, ook
de zondige daden der menschen, Hd. 2:23, 4:28, cf. Luk. 22:22. God
heeft de woonplaats der volken zoowel in tijd als in uitbreiding te
voren bepaald, ὁρισας, Hd. 17:26. Gods wil wordt openbaar ook in de
verderving van Judas, Joh. 17:12, in de overgave der Heidenen, Rom.
1:24, in de verwerping van Ezau, Rom. 9:13, in de verharding van de
goddeloozen, Rom. 9:18, in de verwekking van Pharao, Rom. 9:17, in het
verdragen van de vaten des toorns tot het verderf toebereid, Rom. 9:22,
in het gezet zijn (κειμαι) van Christus niet alleen tot eene opstanding
maar ook εἰς πτωσιν, Luk. 2:34, tot een κρισις, Joh. 3:19-21, tot een
λιθος προσκομματος και πετρα σκανδαλου, 1 Petr. 2:7, 8, cf. 1 Thess.
5:9, Judas vs. 4. Maar vooral heeft de βουλη του θεου toch betrekking
op het werk der verlossing, Luk. 7:30, Hd. 13:36, 20:27, Hebr. 6:17. En
het N. T. is rijk in woorden, om dezen raad Gods nader te omschrijven.
Zij spreekt van εὐδοκια, welbehagen, welgevallen, Mt. 11:26, Luk. 2:14,
10:21, Ef. 1:5, 9, Phil. 2:13, 2 Thess. 1:11; προθεσις, voornemen, Rom.
8 vs. 28, 9:11, Ef. 1:11, 3:11, 2 Tim. 1:9; προγνωσις, voorkennis,
Rom. 8:29, 11:2, 1 Petr. 1:2; ἐκλογη, uitverkiezing, Mk. 13:20, Hd.
9:15, 13:17, 15:7, Rom. 9:11, 11:5, 28, 1 Cor. 1:27, 28, Ef. 1:4, 1
Thess. 1:4, 2 Petr. 1:10, Jak. 2:5; προορισμος, Rom. 8:29, Cor. 2:7,
Ef. 1:5, 11; cf. ook Hd. 13 vs. 48 waar gezegd wordt, dat er zoovelen
geloofden, ὁσοι ἠσαν τεταγμενοι εἰς ζωην αἰωνιον, d. i. niet als er
zich geschikt hadden of subjectief gepraedisponeerd waren maar als
er verordend, besteld waren ten eeuwigen leven; en ook nog Ef. 2:10,
waar van de goede werken der geloovigen gezegd wordt, dat God ze
προητοιμασεν. De woorden zijn aldus onderscheiden: προθεσις duidt aan,
dat God in het werk der zaligheid niet naar willekeur of toeval maar
naar een vast plan, naar een onveranderlijk voornemen te werk gaat;
ἐκλογη wijzigt dit aldus, dat dat voornemen niet allen omvat, maar dat
het een προθεσις κατ’ ἐκλογην, Rom. 9:11, een verkiezend voornemen is,
zoodat niet allen maar velen tot de zaligheid komen; προγνωσις let op
de personen, die in dit verkiezend voornemen Gods het object zijn niet
van zijne nuda praescientia maar van zijne dilectio practica; terwijl
eindelijk προορισμος meer ziet op de middelen, welke God beschikt, om
deze gekenden te brengen tot de voor hen bepaalde bestemming. Προθεσις
certitudinem eventus indicat, προγνωσις personarum singularitatem,
προορισμος mediorum ordinem. De verkiezing is certa per προθεσιν,
determinata per προγνωσιν, ordinata per προορισμον, Turretinus, Theol.
El. IV qu. 7. De eeuwigheid van dit voornemen ligt niet vanzelf reeds
opgesloten in de praepositie προ, waarmede de woorden zijn samengesteld,
maar wordt toch duidelijk uitgesproken in Ef. 3:11, 2 Tim. 1:9, cf. Mt.
25:34, 1 Cor. 2:7, Ef. 1:4. Wel is beweerd, dat Paulus in Rom. 9 niet
handelt over de absolute vrijmacht en het eeuwig besluit Gods, maar
alleen over een Verhalten Gottes, das in der Zeit, in der Geschichte
seine Ursachen wie seine Wirkungen hat, W. Beyschlag, Die paulin.
Theodicee Röm. IX-XI, 2te Aufl. Halle 1895. Dr. van Dijk, De leer der
verkiezing volgens het N. T., Studiën ond. red. van de la Saussaye,
Valeton en Van Dijk IV 3e stuk. Buhl, Der Gedankengang von Röm. 9-11,
Stud. u. Kr. 1887 S. 295-322. Kübel, Herzog² 12, 158. Maar deze
bewering wordt door Rom. 9 weerlegd. Immers, de προθεσις κατ’ ἐκλογην
gaat duidelijk aan de feiten der historie vooraf; de geschiedenis
dient dus om dat voornemen, dat al bestond, vast te doen blijven, Rom.
9:11. Aan Sara wordt lang te voren een zaad der belofte beloofd, v.
9. Voordat de kinderen van Izak geboren waren, had God al gezegd, dat
de meerdere den mindere zou dienen, vs. 11. De verzen 15-18 leeren
dat de verkiezing haar oorzaken niet heeft in de werken maar enkel
en alleen in den wil van den roepende. Zeer zeker spreekt Rom. 9 van
een handelen Gods in den tijd maar de oorzaak van dat handelen valt
buiten den tijd, ligt alleen in Gods wil en welbehagen. Daarbij komt,
dat de causa electionis elders ook duidelijk alleen en uitsluitend aan
Gods genade, liefde, welbehagen toegeschreven wordt, Mt. 11:25, Luk.
12:32, Ef. 1:5, 9, 11, 2 Tim. 1:9, 10. Zelfs is het niet juist, om
bij Rom. 9:21 hetzij uitsluitend met het supralapsarisme aan de massa
incorrupta of met Augustinus en het infralapsarisme alleen aan de
massa corrupta te danken. Paulus denkt hier in ’t geheel niet aan deze
onderscheiding. Wat hij zeggen wil, is alleen dit, dat God het absolute
recht heeft, om aan zijne schepselen die bestemming te geven, welke
Hem goeddunkt, cf. Jes. 10:15, Jer. 18, Mt. 20:15. Van het standpunt
van het absolute recht heeft een schepsel niets tegen zijn Schepper
te zeggen. Paulus weerlegt alle bedenkingen tegen de verkiezing niet
daarmede, dat zij rechtvaardig en billijk is maar met een beroep op
de souvereiniteit en het absolute recht Gods. Evenals het N. T. de
eeuwigheid der verkiezing duidelijker uitspreekt dan het O. T., zoo vat
het die verkiezing ook meer individueel en persoonlijk op. Terwijl in het
O. T. het volk van Israel als het object der verkiezing voorkomt, zijn
het hier bijzondere personen, die in Christus verkoren zijn, saam zijn
lichaam vormen en den naam van εκλεκτοι dragen, Mt. 24:31, Luk. 18:7,
Hd. 13:48, Rom. 8:33, Ef. 1:4, Tit. 1:1, 2 Tim. 2:10, 1 Petr. 1 vs. 1,
2, 9 enz. Vooral blijkt dit ook uit het boek des levens, waarin de namen
zijn opgeschreven van de erfgenamen des eeuwigen levens, Luk. 10:20,
Hebr. 12:23, Phil. 4:3, Op. 3:5, 13:8, 20:12, 21:27, 22:19. Eindelijk
is het de duidelijke leer van het N. Test. dat de verkiezing haar doel
heeft, niet in een aardsch leven in Kanaan, noch ook in eene eminente
plaats in het Godsrijk, maar bepaaldelijk in de hemelsche zaligheid.
Wel is er binnen de gemeente ook weer eene verkiezing tot een of ander
ambt of dienst, bv. van de apostelen, Luk. 6:13, Joh. 6 vs. 70 enz.,
maar de eigenlijke verkiezing heeft tot doel de heiligheid, Ef. 1:4,
het kindschap, Ef. 1:5, de zaligheid, 2 Thess. 2 vs. 13, het eeuwige
leven, Hd. 13:48, de gelijkvormigheid aan Christus, Rom. 8:29, Joh.
17:24, de verheerlijking Gods, Ef. 1 vs. 6, 12. Ook in Rom. 9 handelt
Paulus niet over eene hoogere of lagere plaats in het Godsrijk, maar
hij maakt onderscheid in Israel zelf tusschen kinderen des vleesches
en kinderen der belofte. Hij spreekt bepaald van vaten ter eere en van
vaten ter oneere, κατηρτισμενα εἰς ἀπωλειαν. Hij plaatst ontferming en
verharding tegenover elkander, en laat in vs. 14 en 19 tegenwerpingen
aan het woord komen, wier ernst juist de leer van zulk eene vrijmachtige
verkiezing onderstelt.
3. Ook buiten de christelijke religie is er over praedestinatie en
wilsvrijheid velerlei strijd gevoerd. De philosophie is beurtelings
gekomen tot een pantheistisch determinisme of tot eene deistische
vrijheidsleer. De Joden schrijven den mensch ook in den toestand van
zonde de wilsvrijheid toe, Weber, System 223. In het Mohammedanisme
is over praedestinatie en wilsvrijheid een strijd gevoerd, die in veel
opzichten analoog is aan dien in de christelijke kerk. In den Islam is
God de volstrekte almacht, de absolute willekeur, tegenover welke de
mensch volkomen lijdelijk is. Daartegen kwam in de tweede eeuw der Hedjra
verzet van den kant der Motazelieten, die den vrijen wil verdedigden,
de voorbeschikking bestreden en niet de almacht maar de gerechtigheid
beschouwden als het wezen Gods, Houtsma, De strijd over het dogma tot
op El-Ash’ari, Leiden 1875. Kuenen, Volksgodsd. en wereldgodsd. 1882
blz. 40 v.; verg. ook den strijd in de school van Ramanuja in Indië, die
dikwerf met dien van Gomaristen en Arminianen vergeleken is, Saussaye,
Rel. gesch. I 448. In de christelijke kerk legde men in den eersten tijd
tegenover het heidensche noodlot en het gnostische naturalisme allen
nadruk op de zedelijke natuur, de vrijheid en de verantwoordelijkheid
van den mensch en kon daarom de leer der Schrift over den raad Gods
niet tot haar recht doen komen. De mensch was wel in meerdere of
mindere mate door de zonde bedorven maar bleef toch nog vrij en kon de
aangebodene genade Gods aannemen. Eene absolute praedestinatie en eene
onwederstandelijke genade werd niet geleerd; de raad Gods bestond in
de praescientia en de daarvan afhankelijke bepaling van loon of straf.
God geeft aan het ongeloof over hen, van wie hij vooruit weet dat zij
niet zullen gelooven, en Hij verkiest degenen, wier verdiensten Hij
vooruit heeft gezien, Justinus, c. Tryph. § 141. Iren. adv. haer. IV
29. Tertull. adv. Marc. II 23 enz., cf. Münscher--v. Coelln I 356 f.
Hagenbach, § 48 en 57. Calvijn, Inst. II 2, 4, 9. Dit is wezenlijk het
standpunt gebleven van de grieksche kerk. De mensch is door de zonde
verzwakt en sterfelijk geworden. Toch kan hij nog het natuurlijk goede
willen en ook de aangeboden genade (gratia praeveniens) aannemen of
verwerpen. Neemt hij ze aan, dan wordt hij door die genade ondersteund
(gratia cooperans), en moet tot den einde toe volharden, want hij kan
nog altijd afvallen. Degenen, die de genade aannemen en volharden,
heeft God te voren gekend en voor de zaligheid bestemd. De anderen,
ofschoon Hij voluntate antecedente aller zaligheid wil, laat Hij liggen
in hun val en bestemt hen ten verderve, Damascenus, de fide orthod.
II 29, 30. Conf. orthod. qu. 26-30. In de wijze van uitdrukking sloot
Pelagius zich bij de ouderen aan, maar hij leerde toch, door miskenning
van de door de kerkvaders steeds tegelijk gehandhaafde leer van de
verlossing, iets wezenlijk nieuws, Harnack, D. G. III 183. De zonde was
bij hem geen hebbelijkheid of toestand, maar alleen eene daad, welke
de menschelijke natuur met haar vrijen wil volkomen ongeschonden laat.
De genade bestaat daarin, dat God aan den mensch door de schepping
het posse in natura schenkt en voorts in de wet en de leer en het
voorbeeld van Christus hem een auxilium divinum biedt; deze gratia per
Christum wordt echter geschonken secundum merita aan zulken, die hun
vrijen wil goed gebruiken. De praedestinatie eindelijk was niets dan een
vooruitzien Gods van de vrije daden en verdiensten der menschen en de
daaraan beantwoordende vooruitbepaling van loon en straf. Eigenlijk is
er dus geen praedestinatie van de zijde Gods, noch tot de genade, noch
tot de zaligheid; ze hangt geheel af van de praevisio der goede daden
van den mensch. Alleen kwam Pelagius bij den kinderdoop in eene groote
moeilijkheid, want deze werd zonder eenige verdiensten geschonken; en
hij kon zich daaruit niet redden dan door allerlei uitvluchten en
inconsequenties. De leer van Pelagius werd eenigszins verzacht in
het in de Middeleeuwen zoo genoemde semipelagianisme van Johannes
Cassianus, abt in Marseille, leerling van Chrysostomus en goed bekend
met de grieksche patres. Deze leerde wel, dat de zonde de menschelijke
natuur bedorven had. Doch de mensch was niet dood, maar krank. Hij was
gelijk aan een zieke, die zichzelf niet genezen maar toch de medicijn
tot zich nemen en naar genezing verlangen kan; aan iemand, die in een
put gevallen, zichzelf niet redden maar toch het toegeworpen touw
aangrijpen kan. De zondige mensch kan daarom de genade niet verdienen,
maar toch wel aannemen, en, door haar ondersteund, volharden. En God
schenkt die genade aan hen, van wie Hij vooruit heeft gezien, dat zij
haar zouden aannemen en in haar zouden volharden; zoo ook bij kinderen
en volken. Hij onthoudt ze daarentegen aan hen, van wie hij het tegendeel
voorziet. En hierin bestaat de praedestinatie en reprobatie; zij hangt
af van de praescientia Dei aangaande de houding des menschen tegenover
de aangeboden genade. Nostrum est velle, Dei perficere. Cf. G. J.
Vossius, Historia Pelagianismi 1618, betere editie 1655. Wiggers,
Pragm. Darstellung des Aug. u. Pelag. 1831-33. Wörter, Der Pelag.
nach seinem Ursprunge und seiner Lehre, Freiburg 1866. Munscher-v.
Coelln I 371 f. Harnack, D. G. III 151 f. Schwane, Dogm. II² 512 f.
Möller, art. Pelagius in Herzog². Reeds lang vóór den pelagiaanschen
strijd leerde Augustinus de praedestinatie. Hij kwam daartoe door zijne
studie van den brief aan de Romeinen, Reuter, Augustin. Studien
1887 S. 5 f., en wilde hierin niets anders geven dan de leer der
Schrift, de dono pers. c. 19. Hij gaf ze reeds in zijne quaestiones ad
Simplicianum van het jaar 397 en ontwikkelde ze dan breeder in zijne
geschriften de correptione et gratia 427, de praedestinatione sanctorum
en de dono perseverantiae 428 of 429. Augustinus maakt onderscheid
tusschen praescientia en praedestinatio. Gene is ruimer dan deze.
Praedestinasse est hoc praescisse, quod (Deus) fuerat ipse facturus,
de dono persev. 18. de praed. sanct. 10. 19. De praedestinatie is
niets anders dan praescientia scilicet et praeparatio beneficiorum
Dei, quibus certissime liberantur quicunque liberantur, de dono pers.
14. Deze praedestinatie geschiedt niet naar verdienste of waardigheid
maar uit loutere genade; niet om maar tot het geloof, non eliguntur
quia crediderunt sed eliguntur ut credant, de praed. sanct. 17. Alle
menschen waren immers gelijk, eene massa damnata, de civ. XIV 26. de
praed. sanct. 8. de nat. et gr. 4. 8 enz. Vooral komt dit uit in de
praedestinatie van jonge kinderen, van wie er sommigen zonder doop
verloren gaan en anderen door den doop behouden worden, de praed.
sanct. 12. Enchir. 98. De praedestinatie heeft haar eenige oorzaak in
den souvereinen wil Gods, in zijne absolute vrijmacht. Hij is niemand iets
schuldig, en kan rechtvaardig allen verdoemen, maar naar zijn welbehagen
maakt Hij het eene vat ter eere en het andere ter oneere, de praed.
sanct. 8. Naast de praedestinatie komt dus de reprobatie te staan.
Augustinus rekent deze meermalen tot de praedestinatie. Hij spreekt van
een praedestinare ad aeternam mortem, de an. et ejus orig. IV 10. de
civ. XXII 24, van praedestinati ad sempiternum interitum, in Joh. Ev.
tract. 48, van mundus damnationi praedestinatus, ib. 111, van Judas als
perditioni praedestinatus, ib. 107 enz. De tekst 1 Tim. 2:4 werd daarom
door Augustinus in beperkten zin en op verschillende wijze verklaard,
Enchir. 103. de corr. et gr. 14. Meestal echter wordt praedestinatie
opgevat als voorbeschikking ter zaligheid. Bij het goede is er
praedestinatie noodig, bij het kwade is praescientia voldoende, ofschoon
deze toch ook weer niet louter passief, doch actief wordt opgevat.
Want God verordineert niet op dezelfde wijze tot het verderf en tot de
daartoe leidende middelen, nl. de zonden, als Hij verordineert tot de
zaligheid en tot de middelen, die daartoe strekken. De praedestinatie
is nl. bij Augustinus altijd eene praedestinatio adaequata, d. i. tot de
zaligheid en daarom ook tot de genade. Tot de praedestinati behooren
ook zij, die nu nog niet gelooven of zelfs nog niet geboren zijn. Maar
hun getal staat vast en is onveranderlijk. In den tijd komen zij tot
Christus, ontvangen den doop, het geloof en bovenal ook het donum
perseverantiae. Want dit wordt alleen aan de praedestinati geschonken.
Of iemand gepraedestineerd is, kan hij alleen daaruit weten, dat hij
ten einde toe volhardt. Want God heeft in de kerk sommigen opgenomen
die niet verkoren zijn en niet volharden, opdat de praedestinati zich
niet verheffen en valsche rust zouden zoeken, de corr. et gr. 13.
Waarom God nu slechts sommigen behoudt en anderen verloren laat gaan,
is eene geheimenis. Onrechtvaardig is het niet, want Hij is niemand
iets schuldig. De reprobatie is een daad van gerechtigheid, gelijk
de praedestinatie een daad van genade was. In beide maakt God zijne
deugden openbaar, de civ. XIV 26, cf. Wiggers, I 290 f. Schwane II²
557 f. Baltzer, Des h. Aug. Lehre über Prädest. und Reprob. Wien 1871.
Rottmanner, Der Augustinismus. München 1892.
4. Het pelagianisme werd tegelijk met het nestorianisme veroordeeld
op het concilie te Efese 431. De strijd tusschen de volgelingen van
Augustinus, Prosper, Hilarius, den anonymen schrijver van de vocatione
omnium gentium, Lucidus, Fulgentius e. a., en de Semipelagianen,
Cassianus, Faustus van Reji, den ongenoemden schrijver van het
veelbesproken boek Praedestinatus, dat in de vijfde eeuw ontstond en
door den Jesuit Sirmond in 1643 werd uitgegeven, Gennadius, Vincentius
van Lerinum e. a. kwam eerst op de Synode van Orange 529 tot eene
beslissing. Hier werd aan de eene zijde duidelijk geleerd, dat de gansche
mensch door de zonde van Adam bedorven is, can. 1. 2, van zichzelf
niets heeft dan mendacium et peccatum, can. 22, en dat beide initium en
augmentum fidei te danken is niet aan onszelven, aan onze natuurlijke
krachten, aan onzen vrijen wil, maar aan de genade, aan de infusio,
operatio, inspiratio, illuminatio van den H. Geest in ons, die onzen
wil buigt (corrigens) van ongeloof tot geloof, can. 3-8. Maar aan den
anderen kant wordt van den vrijen wil alleen gezegd, dat hij door de
zonde verzwakt, infirmatum, attenuatum is, can. 8. 13. 25, dat alle
gedoopten door de in den doop ontvangen genade, Christo auxiliante
et cooperante, kunnen en moeten vervullen, si fideliter laborare
voluerint, hetgeen tot de zaligheid behoort, can. 13. 25; en wordt er
voorts van de absolute praedestinatie, de gratia irresistibilis, de
particulariteit der genade geheel gezwegen. Deze onbeslistheid werkte
schadelijk. Duidelijk kwam dit uit in den Gottschalkschen strijd. Velen
stonden toen reeds op semipelagiaansch of pelagiaansch standpunt,
Hinkmar, Rhabanus, Erigena, en behaalden op de synode van Quierzy 853
de overwinning. Maar er waren ook tal van geleerde mannen, die zich
volstrekt niet vinden konden in de veroordeeling van Gottschalk en
de uitspraken van Quierzy. Daartoe behoorden Prudentius, Remigius,
Ratramnus, Lupus e. a.; zij verdedigden eene gemina praedestinatio; de
praedestinatio ad gloriam is zonder eenige verdienste, geschiedt niet
om praevisa fides, merita, maar is oorzaak van de praedestinatio ad
gratiam, fidem, merita enz.; de praedestinatio ad damnationem echter
sluit niet op die wijze de praedestinatio ad peccata in, maar is,
althans als reprobatio positiva, van de praescientia en permissio der
zonden afhankelijk. Vandaar dat 1 Tim. 2:4 nog beperkt werd opgevat,
niet van alle menschen hoofd voor hoofd maar van vele of allerlei
menschen werd verstaan, en dat het ongerijmd werd geacht, dat Christus
voor alle menschen, dus ook voor de Heidenen, die nooit van Hem hooren,
en zelfs ook voor den mensch der zonde, den antichrist, zou hebben
voldaan. Op dit standpunt stond ook nog de synode van Valence 855.
Cf. H. Schrörs, Der Streit über die Prädest. in IX Jahrh. Freiburg
1884. Niemeijer, De strijd over de leer der praedest. in de 9de eeuw,
Gron. 1889. Schwane, D. G. III 428 f. Denzinger, n. 283 sq. En dit is
in hoofdzaak ook nog het standpunt der scholastiek. De praedestinatio
ad mortem wordt liefst niet met dezen naam genoemd, omdat het dan
zoo licht den schijn krijgt, dat ze als een middel de praedestinatio
ad peccata meebrengt, maar ze wordt gewoonlijk behandeld onder den
naam van reprobatio; soms wordt deze dan in negatieve en positieve
onderscheiden; de eerste is ante praevisa merita en eene daad van
souvereiniteit, de tweede is echter afhankelijk van en volgt op de
praescientia en het besluit tot toelating van de zonden. Vandaar dat
1 Tim. 2:4 nog in beperkten zin wordt opgevat, en eene benevolentia
Dei universalis, en eene algemeene voldoening van Christus nog niet
wordt geleerd, Lombardus, Sent. I dist. 40 en 41 met de comm. van
Thomas, Bonaventura, Scotus, Thomas, S. Theol. I qu. 19 en 23. c.
Gent. III 163. Maar het nominalisme, de afwijzing van de Reformatie en
het jezuitisme hebben de Roomsche kerk en theologie hoe langer hoe
verder van Augustinus en Paulus verwijderd. Rome sloeg de roepstem
tot hervorming niet straffeloos in den wind en stelde te Trente het
volgende dogma vast: 1º door de zonde is het liberum arbitrium wel
viribus attenuatum et inclinatum, maar niet amissum et extinctum,
Trid. sess. 6 cap. 1 en can. 5; de mensch kan vóór de justificatio nog
vele natuurlijke dingen doen, die volstrekt geen zonde maar waarlijk
goed zijn, ib. can. 7. 2º. Tot het goede in bovennatuurlijken zin, tot
geloof, hoop, liefde, tot de justificatio, tot het verwerven van het
eeuwige leven is de door de erfzonde van de dona superaddita beroofde,
natuurlijke mensch niet in staat. Daartoe behoeft hij meer dan de
vires naturae en legis doctrina, nl. de divina gratia, de praeveniens
Spiritus Sancti inspiratio, ib. can. 1-3. 3º. Deze gratia divina wordt
bij de kinderen der geloovigen geschonken in den doop, en bestaat bij
de volwassenen daarin, dat God hen objectief roept door het evangelie
en subjectief hun hart aanraakt per Spiritus Sancti illuminationem.
Deze genade is onverdiend, praeveniens, gratia gratis data, ib. cap.
5. 4º. Deze genade is echter niet onwederstandelijk. Zij wekt den mensch
wel op, helpt en beweegt hem, en maakt hem geschikt om zich te wenden
tot zijne justificatio, en tot vrije toestemming aan de genade; maar hij
kan de inspiratie des H. Geestes beide recipere en abjicere, ib. cap.
5. Indien hij deze genade aanneemt, en door haar opgewekt en bewogen
met God medewerkt en zich door de zeven praeparationes geschikt maakt
en voorbereidt, se disponat ac praeparet, voor de justificatio, dan
ontvangt hij deze in den doop uit genade en alleen volgens een door
de scholastiek zoo genoemd meritum ex congruo, ib. cap. 6 en 8 en
can. 4. 5º. De gratia infusa der justificatio blijft weerstaanbaar en
verliesbaar, maar aangenomen en bewaard, stelt zij in staat om goede
werken te doen en volgens een meritum ex condigno het eeuwige leven
te verdienen, ib. c. 9-16. 6º. Hiermede in overeenstemming heeft Rome
Augustinus’ leer van de absolute praedestinatio beslist verworpen. Zij
heeft echter daarbij steeds den naam van Augustinus vermeden, van zijne
leer bij zijne aanhangers eene caricatuur gemaakt en deze veroordeeld.
Het bovengenoemde boek Praedestinatus stelt het voor, alsof er in de
vijfde eeuw in Gallie eene secte van ultra-praedestinatianen bestaan
had, en geeft het Augustinisme weer in paradoxe stellingen, die geen
volgeling van Augustinus ooit heeft geleerd, Harnack III 225 f. En
evenzoo is in Gottschalk, Bradwardina, Wiclif, Hus, Bajus, Jansenius,
Quesnel onder een valschen naam het echte Augustinisme veroordeeld,
Denzinger Enchir. § 477 sq. 881 sq. 966 sq. 1216 sq. Harnack III
628-640. Het Tridentinum spreekt zich zeer voorzichtig over de
praedestinatie uit. Eenerzijds schijnt het eene verkiezing te leeren,
want het zegt, dat niemand in dit leven mag vaststellen se omnino esse
in numero praedestinatorum, want alleen uit speciale openbaring kan
men weten quos Deus sibi elegerit, VI cap. 12 en can. 15. 16. Maar
aan de andere zijde leert het uitdrukkelijk, dat Christus gezonden is,
opdat omnes adoptionem filiorum reciperent, dat Hij voor allen voldaan
heeft, VI cap. 2 en 3, dat de mensch de genade aannemen of verwerpen,
behouden of verliezen kan, en veroordeelt de leer: justificationis
gratiam non nisi praedestinatis ad vitam contingere; reliquos vere
omnes qui vocantur vocari quidem sed gratiam non accipere utpote divina
potestate praedestinatos ad malum, ib can. 17, alsof dit laatste weder
door iemand en zóó werd geleerd! De kerk laat deze beide reeksen van
uitspraken onverzoend naast elkander staan; maar de theologie heeft
steeds en op allerlei wijze eene overeenstemming beproefd. Vooreerst
leeren bijna alle Roomsche theologen, dat God voluntate antecedente
aller zaligheid wil en daarom ook Christus voor allen heeft laten
voldoen; deze voluntas antecedens strekt zich zelfs tot de ongedoopt
stervende kinderen en tot de Heidenen uit. Maar naar zijne voluntas
consequens, die rekening houdt met het goede of slechte gebruik dat
de menschen van hun vrijheid en van de genade maken, wil God niet de
zaligheid van allen. De praedestinatio wordt hier in den beginne
reeds van de praescientia afhankelijk. Vervolgens is allengs onder
hen opgekomen en algemeen aangenomen het onderscheid tusschen de
praedestinatio complete en incomplete sumpta, adaequata en inadaequata.
Onder de eerste wordt verstaan de praedestinatie beide ad gratiam et
ad gloriam; onder de laatste die, welke op ééne van beide betrekking
heeft. De bedoeling van deze onderscheiding is, dat de praedestinatio
ad gratiam en die ad gloriam niet onafscheidelijk verbonden zijn; men kan
de praedestinatio ad gratiam deelachtig zijn en de genade des geloofs
en der rechtvaardigmaking ontvangen hebben en toch deze weer verliezen
en zoo verstoken zijn van de praedestinatio ad gloriam. Deze scheiding
was aan de Middeleeuwsche theologen, Anselmus, Lombardus, Thomas enz.
onbekend, wordt nog door sommigen bestreden maar dringt hoe langer hoe
verder door. Wat nu de praedestinatio ad primam gratiam betreft, deze
heet bij allen in tegenstelling met het pelagianisme onverdiend, Rom.
9:16, Joh. 6 vs. 44; ze geschiedt niet ob praevisa merita; ook is zij
in tegenstelling met het semipelagianisme voorafgaande aan den wil des
menschen, gratia praeveniens, praecedens. Omdat nu de praedestinatio
ad primam gratiam de aanvang is van de praedestinatio completa of
adaequata, kan er gezegd worden, dat de geheele praedestinatio
genade is en onverdiend, wijl ze is gratuita in causa, terwijl ze bij
de Thomisten gratuita in se is. Maar dit sluit niet uit, dat deze
praedestinatio ad primam gratiam en tot elke volgende genade niet eene
zekere orde volgen zou; volgens Molina heeft God door de scientia
media vooruitgezien, dat sommige menschen van de telkens aangeboden
genade een goed gebruik zouden maken en heeft dienovereenkomstig de
uitdeeling der genade besloten. Ook heeft Hij vooruitgezien, dat de
heiligen door hun gebeden of door merita de congruo voor anderen de
genade verwerven zouden, en dienovereenkomstig besloten ze dezen te
schenken. Iemand kan niet voor zichzelven de praedestinatio ad primam
gratiam verdienen, maar de heiligen kunnen het wel voor anderen, en
bovenal is Christus causa nostrae praedestinationis. De praedestinatio
ad gloriam is volgens de Augustinianen en Thomisten zooals Sylvius,
Thoma, Salmanticenses, Gonet, Gotti, Billuart, Alvarez, Lemos,
Goudin enz., en ook volgens Bellarminus en Suarez wel absoluut; God
heeft eerst besloten om aan sommigen de zaligheid te schenken vóór
en afgezien van alle verdiensten en daarna besloten, hen door de
genade zoo te bewerken, dat zij die zaligheid door hunne werken konden
verdienen. Maar de Molinisten, Molina, Valentia, Vasquez, Tanner,
Lessius, Becanus, Petavius, Lapide enz. verdedigen de praedestinatio ad
gloriam post praevisa merita. Wat eindelijk de reprobatio aangaat, zijn
de Augustinianen en Thomisten verdeeld; sommigen sluiten zich geheel bij
Augustinus aan, zijn infralapsarisch en laten het besluit der verwerping
volgen op de erfzonde en op deze alleen, zoodat de reprobatie eene
justa derelictio in eadem massa is (Gonet, Gotti, Gazzaniga); anderen
onderscheiden tusschen een negatief maar absoluut decreet, om aan
sommigen de zaligheid niet te schenken, en een ander besluit, om de
genade te onthouden, de zonde toe te laten, en te straffen (Alvarez,
Estius, Sylvius, Salmanticenses); nog anderen verstaan onder het
besluit der verwerping niets dan den wil Gods, om toe te laten, dat
sommigen door eigen schuld verloren gaan (Billuart, Goudin), cf. C.
Pesch, Praelect. II 217 sq. Jansen, Prael. III 171 sq. Maar tegen hen
staan de Molinisten over, die de zoogenaamde reprobatio negativa,
d. i. een absoluut, aan de zonde voorafgaand, souverein besluit, geheel
verwerpen en leeren, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil,
en voorts alleen eene reprobatio positiva aannemen, d. i. een besluit
Gods, om hen, wier zonde en ongeloof Hij vooruitgezien heeft, eeuwig te
straffen. De reprobatio is dus in elk opzicht post praevisa merita,
en dan volgens enkelen zooals Hinkmar nog alleen eene praedestinatio
der straf voor de goddeloozen, maar niet van de goddeloozen voor de
straf. Cf. Bellarminus, de gr. et lib. arb. II c. 9-15. Becanus, Theol.
schol. I tract. 1 c. 14-16. Petavius, de Deo, 1. X. Theol. Wirceb.
ed. 3 Paris. 1880 III 181-285. Billuart, Summa S. Thomae, geheel Tom.
II. Daelman, Theologia I p. 199-316. Schwetz, Theol. dogm. II § 121.
C. Pesch, Prael. II 165-226. Jansen, Prael. theol. II 135-177. Simar,
Dogm. p. 556-576 enz.
5. De Reformatie ging tot Paulus en Augustinus terug en vond in de
belijdenis van Gods vrijmachtige verkiezing de kracht, om tegen het
pelagianisme der Roomsche kerk op te treden. Alle Hervormers waren
hierin eenstemmig. Luther leerde en verdedigde de praedestinatie in
den eersten tijd even sterk als Zwingli en Calvijn. Hij heeft haar ook
nimmer herroepen, al is het ook, dat hij later tegen de Wederdoopers
meer en meer nadruk legde op de openbaring Gods in woord en sacrament,
J. Müller, Lutheri de praedest. et lib. arb. doctrina 1852. Schweizer,
Die protest. Centraldogmen I 57-94. Köstlin, Luthers Theol. I 165 f.
286 f. II 32 f. Weber, Luthers Streitschrift de servo arbitrio, Jahrb.
f. d. Theol. 1878 S. 229-249. Max Staub, Das Verhältniss der menschl.
Willensfreiheit zur Gotteslehre bei Luther u. Zwingli, Zurich 1894.
Melanchton leerde eerst volkomen hetzelfde, Loci Comm. 1521, cap. de
hominis viribus adeoque de libero arbitrio, en ook in zijn comm. op Rom.
9, maar kwam sedert 1527 en in de latere uitgaven der Loci van 1535 af
en in de Conf. Aug. variata van 1540, tot eene steeds verdere afwijking
van de praedestinatie en tot een open belijdenis van het synergisme,
Schweizer I 381 f. Dit synergisme werd evenals het universalisme van
Sam. Huber door de echte Lutheranen, zooals Flacius, Wigand, Amsdorf,
Hesshusius e. a. beslist verworpen, Frank, Theol. der Concordienformel
IV 152. Art. Synerg. in Herzog². En de Formula concordiae sprak zoo
sterk mogelijk uit, dat de mensch van nature onbekwaam is tot eenig
geestelijk goed en dat het geloof in volstrekten zin eene gave Gods
is. Dit had er toe moeten leiden, om ook de absolute praedestinatie
te aanvaarden. Maar in Luther woonde van den aanvang af toch een
eenigszins andere geest dan in Zwingli en Calvijn. De belijdenis der
praedestinatie rustte bij hem alleen op anthropologische gronden, op het
diep bederf der zonde en de onmacht van den mensch. Als de mensch maar
geen verdienste had en alleen van de genade afhing, scheen er genoeg
gedaan. Luther vermeed daarom hoe langer hoe meer de speculatieve leer
der praedestinatie, de voluntas beneplaciti, den verborgen God, hield
zich aan de bediening van woord en sacrament, aan welke de genade
gebonden is, en stelde den universeelen heilswil Gods, voluntas signi,
steeds meer op den voorgrond. Hij zag de verandering van Melanchton
in zake dit leerstuk zwijgend aan, en bleef staan bij de leer van de
rechtvaardiging uit het geloof. De praedestinatie had geen zelfstandige
theologische beteekenis; ze was van secundair belang. De synthetische
methode in deze leer werd bestreden; men volgde de analytische, van
onderen op; men leidde haar niet af uit de idee Gods maar alleen uit
den toestand van den mensch, Schweizer, I 398. 445. 466. Vandaar dat
het synergisme van Melanchton nog wel bestreden, maar langzamerhand
ook de praedestinatie zelve ter zijde gesteld werd. Hesshusius bracht
tegen Calvijn en Beza reeds in, dat hun leer een fatum invoerde en God
tot auteur der zonde maakte 1560-61. Marbach trad in 1561 te Strassburg
tegen Zanchius op. Andreae leerde nog wel eene verkiezing, wier oorzaak
alleen lag in Gods genade, maar hield zich overigens aan de prediking
van het evangelie en bleef bij de tweede oorzaken, geloof en ongeloof
staan, Schweizer, I 477 f. De Formula concordiae leert zoo beslist
mogelijk het servum arbitrium maar laat de absolute en particuliere
praedestinatie rusten en houdt zich aan den universeelen en ernstigen
wil van God in het evangelie. Ze loochent de electie niet, ze roept
ook de praescientia niet tot hulp, ze is het nog eens met het ubi et
quando visum est Deo der conf. Aug.; de verkiezing is onvoorwaardelijk
en heeft haar oorzaak alleen in Gods wil. Maar ze vereenzelvigt electie
en praedestinatie, ze laat de reprobatie afhangen van de praescientia;
en nadat ze de electie heeft geleerd, voegt ze er terstond aan toe, uit
vrees voor allerlei gevaar of misbruik, dat men niet beproeven moet
om over dat verborgen besluit te speculeeren, maar dat men den raad
Gods beschouwen moet in Christus, in het evangelie, welks prediking
universeel is en ernstig, en dat de oorzaak van het verderf alleen
’s menschen ongeloof is. God wil dat allen zalig worden; Hij wil
niemands zonde en niemands dood. Na de Formula concordiae, vooral ook
in den strijd tegen Hubers universalisme, kwam onder de Lutherschen,
zooals Gerlach, Hunnius, Lyser, de voorstelling op, dat God voluntate
antecedente aller zaligheid wil, maar voluntate consequente alleen de
zaligheid van hen, wier geloof en zaligheid hij vooruit had gezien.
Tegen het einde der eeuw wordt steeds beslister tusschen praescientia
en praedestinatio onderscheiden, de praedestinatie is gelijk aan de
electie, en is afhankelijk van Christus’ verdienste, de oorzaak der
verwerping ligt in ’s menschen zonde. De Saksische visitatieartikelen
van 1592, door Hunnius opgesteld, en de geschriften van Hunnius de
providentia dei et aeterna praedestinatione 1597 en de libero arbitrio
1598 leeren dit duidelijk. De bemiddeling wordt gezocht in den ernst,
waarmede de natuurlijke mensch van de middelen der genade gebruik maken
kan, Schweizer I 526-585. Heppe, Dogm. d. d. Pr. II 1-79. Maar bij
deze leer konden de Lutherschen niet blijven staan. Toen op de Synode
te Dordrecht de Remonstranten veroordeeld waren, voelden zij zich hoe
langer hoe meer tot dezen aangetrokken. Ofschoon de Gereformeerden
altijd tusschen Lutherschen en Remonstranten onderscheid maakten,
oordeelden de eersten steeds meer, dat in de Remonstranten hun eigen
leer veroordeeld was, Schweizer, Centr. II 206 f. De Luthersche
theologen der 17e eeuw naderden de Remonstrantsche belijdenis. Zij leeren
eerst eene voluntas Dei antecedens, welke Christus voor allen sterven
deed, aller zaligheid wil en dan allen het evangelie aanbiedt, en
daarna eene voluntas consequens, welke de zaligheid werkelijk besluit
te schenken aan hen, quos in Christum finaliter credituros esse
praevidit, en het verderf bereidt aan hen, die de genade finaliter
weerstaan, Quenstedt, Theol. did. polem. III p. 1-74. Hollaz, Examen
theol. p. 585-649. Gerhard, Loci theol. loc. VII Schmid, Dogm. der ev.
luth. K. 196 f. In 1724 verklaarde Mosheim, dat de 5 artikelen van de
Remonstranten de zuivere Luthersche leer behelsden, Schweizer, II 210.
Het pietisme, rationalisme, supranaturalisme en heel de geestesrichting
der achttiende eeuw was de leer der praedestinatie niet genegen; de
voluntas antecedens verdrong de voluntas consequens geheel en al; en
onder de praedestinatie werd niets anders verstaan, dan het algemeene
besluit Gods, om de menschen door het geloof in Christus te zaligen,
Wegscheider, Inst. theol. § 147. Bretschneider, Dogm. III 127 f.
Reinhard, Dogm. 439 f. Herder achtte het een geluk, dat de strijd over
de genade in den stroom der vergetelheid begraven was en riep uit:
Verdorren müsse die Hand, die ihn je daraus hervorhebt, Vom Geist des
Christ. 154. Leibniz spande zich nog in, om de wilsvrijheid met de
praedestinatie te vereenigen, Tichler, Theol. des Leibniz I 357 f. Maar
Kant sprak open uit, dat de mensch nog eene moralische Anlage had en
dus kon wat hij moest, Religion, ed. Rosenkranz 50 f.
6. Terwijl de Lutherschen het oorspronkelijk standpunt van Luther en van
geheel de Reformatie meer en meer prijsgaven, zijn de Gereformeerden
daaraan getrouw gebleven; de oorzaak der scheuring is dus niet bij hen
te zoeken. Zwingli leerde de praedestinatie zoo beslist mogelijk, niet
alleen op anthropologische gronden maar ook vooral op theologische
gronden, aan het wezen Gods ontleend, Anamnema de Providentia, Opera
IV 79 sq. Calvijn sprak in de eerste uitgave zijner Institutie nog
zeer zacht en bescheiden, maar kwam door zijne studie van den brief
aan de Romeinen, April 1538-1541 in Strassburg, tot steeds beslister
belijdenis, zoowel ten aanzien van ’s menschen onvrijheid, II c. 2, als
ten opzichte van de verkiezing, III c. 21 sq. Hoewel zich wachtend
voor de paradoxen van Luther en Zwingli en soms de praedestinatie
meer onderstellend dan leerend, bv. in den Catech. Ecclesiae Genev.
met voorrede aan den coetus van Oostfriesland, bij Niemeyer Conf.
Ref. 123 sq., trad hij toch met kracht voor haar op, waar ze ontkend
en bestreden werd. Hij verdedigde ze tegen Alb. Pighius van Kampen in
zijn geschrift: Defensio sanae et orthodoxae doctrinae de servitute et
liberatione humani arbitrii 1543. Tegen Bolsec schreef hij de aeterna
Dei praedestinatione 1552. Tegen Rome richtte hij zijn Acta Synodi
Tridentinae cum antidoto 1547. En hij rustte niet, voordat zijne leer
in geheel het reformatorisch Zwitserland, bepaaldelijk in Zurich, waar
Bullinger eene gematigde, infralapsarische opvatting voorstond, ingang
gevonden had, Schweizer, Centr. I 255-292. Door Calvijn is de leer
der praedestinatie opgenomen in de belijdenis van alle Gereformeerde
kerken. Toch is er van den beginne af groot verschil geweest in de wijze
van voorstelling, zoowel in de confessies als onder de theologen.
Afgedacht van de Repetitio Anhaltina van 1579 bij Niemeyer, p. 638,
de confessio Sigismundi van 1613, ib. 650, het colloquium Lipsiense
van 1631, ib. 661 sq. 664 sq., welke de Gereformeerde leer slechts
onzuiver teruggeven, is er onder de belijdenisschriften een onmiskenbaar
verschil. De Catechismus Genevensis van Calvijn spreekt heel niet over
de praedestinatie; de Heidelb. Catechismus maakt van de verkiezing
maar even gewag, vr. 52, 54; de Anglikaansche confessie spreekt alleen
van praedestinatio ad vitam en geeft haar tot object eos quos (Deus)
in Christo elegit art. 7; de Confessio Helv. II van Bullinger art. 10
en de Conf. Scotic. I art. 8 spreken ongeveer in gelijken geest; de
Confessio Gallic. art. 12 en Belgica art. 18 en de Formula cons. Helv.
4-6 zijn beslist maar sober en infralapsarisch; het strengst en meest
calvinistisch laten zich uit de consensus Genevensis, de canones van
Dordrecht, de Lambeth articles opgesteld door Dr. Whitaker 1595, bij
Schaff, Creeds of Christ. III 523, de Iersche artikelen van 1615, ib.
526, de Westminster Confessie c. 3. En evenzoo is er groot onderscheid
onder de theologen. Er waren er altijd, die de leer der praedestinatie,
uit vrees voor misbruik behandelden »a posteriori, van beneden op«,
Trigland, Kerck. Gesch. 79, 84, 85 v. 92 v. 99. Ze hielden meer van de
methode, om op te klimmen uit het gevolg tot de oorzaak, uit de vrucht
tot den wortel, en om uit het geloof en de bekeering tot de verkiezing
te besluiten en deze dan aan te wenden tot troost en verzekering,
dan dat zij apriori uit de idee Gods de praedestinatie en electie
afleidden. Daartoe behoorden vooral Bullinger, Ursinus, Olevianus,
Boquinus, Hyperius, Sohnius e. a., Heppe Dogm. des d. Protest. II 1-79,
Gooszen, in zijne beide werken over den Heidelb. Catech. 1890 en 1893.
Dr. van ’t Hooft, De Theol. van H. Bullinger 1888, cf. mijn art. Calv.
en Geref., Vrije Kerk, Febr. 1893. Maar dit is geen verschil in soort
en in beginsel. Al de genoemde theologen hebben meermalen duidelijk en
onomwonden hun instemming met de Calvinistische leer der praedestinatie
betuigd, Trigland, Kerck. Gesch. 59-79. Schweizer, Centr. I passim, cf.
II 110. Omgekeerd wilden ook de Calvinisten ten allen tijde soberheid
en voorzichtigheid in de behandeling van dit leerstuk. Calvijn bracht
ze in den catech. Genev. niet ter sprake. Dordt, canones I 12, 14 en
Westminster, conf. c. 4 § 8 waarschuwen tegen ijdele en nieuwsgierige
onderzoekingen. Vele theologen behandelden in den eersten tijd de leer
der verkiezing niet in den locus de Deo maar in den locus de salute,
Calvijn zelf, Inst. III c. 21-24. Martyr, Loci Comm. 1580 p. 229.
Sohnius, Op. I 256. II 42. Musculus, Loci Comm. cap. 24. Heid. Catech.
vr. 54. Conf. Belg. art. 16. Gall. art. 12 enz. Zij volgen dus eerst de
orde van den apostel Paulus, die uit de leer der zonde en der genade
in Rom. 9-11 tot de verkiezing opstijgt en ook in Ef. 1:3 uitgaat van
de zegeningen van Christus. Maar gelijk Paulus, daar aangekomen, dan
ook apriori uit de verkiezing alle heilsweldaden afleidt, Rom. 8:29
v. Ef. 1:4 v., zoo maakt ook bij de Gereformeerden de analytische
methode allengs voor de synthetische plaats. Het geloofsleven was wel
de voorwaarde, onder welke de belijdenis der verkiezing opkwam, maar
het feit der verkiezing was toch de bron van alle heil, fundamentum
ac prima causa bonorum omnium. Dit was de overtuiging niet alleen van
Calvijn, maar ook van Melanchton, Hemming, Bucer, Olevianus enz., bij
Heppe, Dogm. d. d. Prot. II 12. 20. 27. 70. Musculus zegt uitdrukkelijk:
wij behandelen de verkiezing na het geloof, niet alsof ze daarop eerst
volgen zou maar opdat wij van daaruit als van den stroom ad ipsum fontem
zouden opzien, Loci p. 534. De systematische orde en het theologisch
belang eischten, dat de praedestinatie in den locus de Deo behandeld
werd. Zoo was reeds geschied door de scholastiek, Lombardus, Sent. I
dist. 40, Thomas, S. Theol. I qu. 23; zoo geschiedde ten deele ook nog
door de Lutherschen, Gerhard loc. VII; en zoo werd de gewone orde bij
alle Gereformeerden, Hyperius, Meth. Theol. p. 182. Beza, Tract. Theol.
I 171 III 402. Polanus, Synt. IV c. 6-10. Zanchius Op. II 476. Junius,
Maccovius, Maresius, Mastricht enz., hetzij ze dan behandeld werd bij
de leer der eigenschappen Gods of ook in een afzonderlijken locus na
de triniteit. Dit verschil in orde is op zichzelf niet principieel
en behoeft dit niet te zijn. Maar toch is het niet toevallig, dat
de apriorische orde meest door de Gereformeerden is gevolgd, en
daarentegen de aposteriorische orde, die de praedestinatie behandelt
aan den ingang of in ’t midden van den locus de salute, langzamerhand
in gebruik gekomen is bij de Lutherschen, de Remonstranten, de Roomschen
en de meeste nieuwere dogmatici. Ook dan echter bestaat het verschil
niet daarin, dat de Gereformeerden de praedestinatie op speculatieve
manier afleiden uit een apriorisch, wijsgeerig, deterministisch
Godsbegrip en de anderen zich houden aan de openbaring Gods in
Christus. Want ook de strengste Calvinisten willen in den locus de Deo
en in dien de decretis niets anders geven dan de leer der Schrift,
den inhoud van Gods openbaring. Maar bij de Gereformeerden heeft de
praedestinatie niet alleen een anthropologisch en soteriologisch,
maar vooral ook een theologisch belang. Het gaat in haar niet
allereerst om de zaligheid des menschen maar om de eere Gods. Ook
met de synthetische, apriorische orde is een diep _religieus_ belang
gemoeid. De bewering, dat deze orde een nominalistisch Godsbegrip zou
onderstellen en een dor, levenloos dogma zou bieden, gelijk sommigen
meenen, bv. Jahrb. f. d. Theol. 1868 S. 107-110. Schneckenburger,
Vergl. Darst. I 55. Doedes, Ned. Geloofsbel. 185, 203 v. de Cock, Is de
leer der absolute praedest. uitgangspunt of resultaat van de leer der
Geref. Kerk. 1868, is daarom van allen grond ontbloot. Dor en abstract
kan de leer der praedestinatie behandeld worden evengoed in het midden
als in het begin der dogmatiek. Waarachtig, zaligmakend geloof is er
noodig, niet alleen om de verkiezing, maar ook om alle andere dogmata,
ook die over God, de triniteit, den mensch enz. te belijden. Gave deze
overweging den doorslag, dan moesten alle dogmata na den locus de
salute verplaatst worden. De dogmatiek beschrijft echter de waarheid
niet, gelijk ze subjectief tot het bewustzijn der geloovigen komt, maar
gelijk God ze objectief in zijn woord heeft voorgesteld, cf. deel I 49,
50. De synthetische methode handhaaft alleen voldoende het religieus
belang van de eere Gods, cf. Kübel, Herzog² 12, 145 f.
7. Onder de Gereformeerden rees er spoedig nog een ander verschil, dat
van supra- en infralapsarisme. Het wortelt principieel reeds in den
strijd van Augustinus tegen de Pelagianen. Bij dezen. was de volgorde
der besluiten aldus: 1º. het besluit om den mensch te scheppen, 2º.
om op grond van den voorgezienen maar niet te voren bepaalden val
Christus te zenden, voor allen te laten voldoen, aan allen te laten
prediken, en hun allen te schenken eene gratia sufficiens, en 3º. om op
grond van voorgezien geloof en volharding eenerzijds en van voorgezien
ongeloof ter andere zijde sommigen te verkiezen ten eeuwigen leven
en anderen te bestemmen voor de eeuwige straf. Bij Augustinus was de
volgorde eene gansch andere. Soms brengt hij de reprobatie ook tot de
praedestinatio, boven 321, maar ook als hij dat niet doet, vat hij de
praescientia niet negatief en passief maar actief op. De wil Gods
is toch rerum necessitas, de Gen. ad litt. VI 15; wat contra Dei
voluntatem geschiedt, geschiedt nog niet praeter ejus voluntatem; de
toelating is positief te denken, nec utique nolens sinit sed volens,
Enchir. 95. 100. De supralapsarische voorstelling, dat de reprobatie
een daad is van Gods souvereiniteit, ligt hier reeds in opgesloten.
Meestentijds echter spreekt Augustinus in betrekking tot den val van
Gods praescientia en permissio, de civ. XIV 11. de trin. XIII 12
enz. Het besluit van schepping en van toelating van den val is dan
het eerste; en daarop volgt dan het tweede besluit van verkiezing en
verwerping. Deze onderstellen beide het gevallen menschelijk geslacht,
de massa corrupta, Enchir. c. 98 sq. de corr. et. gr. 7 sq. Augustinus
is in zijne voorstelling dus doorgaans infralapsarisch; hij gaat niet
achter den val terug; hij ziet in de verwerping eene daad van Gods
gerechtigheid. Bonus est Deus, justus est Deus. Potest aliquos sine
bonis meritis liberare, quia bonus est; non potest quemquam sine
meritis damnare, quia justus est, c. Jul. III c. 18. Maar Augustinus
plaatst het besluit van verkiezing en verwerping ook niet verder
vooruit. Alleen de erfzonde gaat er aan vooraf. Deze is tot verwerping
genoegzaam. De dadelijke zonden blijven bij het besluit der verwerping
buiten rekening, ofschoon ze in aanmerking komen bij de bepaling van
de mate der straf. Augustinus kwam tot deze orde door hetgeen Paulus
van Jacob en Ezau zegt, Rom. 9:11 en door het lot van vroegstervende
ongedoopte kinderen, Enchir. c. 92-99. de civ. XVI 35, de dono pers.
c. 8 sq. c. Julianum IV c. 8. Toch, al is de erfzonde genoegzame reden
tot verwerping, zij is ook bij Augustinus de laatste en diepste oorzaak
niet. Op de vraag, waarom God sommigen verworpen, anderen verkoren; en
ook, waarom Hij dezen bepaald verworpen en genen verkoren heeft, is er
geen antwoord dan de wil en het welbehagen Gods. Hij ontfermt zich diens
Hij wil en Hij verhardt dien Hij wil, Enchir. 95. de praed. sanct. 8. 9.
de corr. et gr. 8. Eindelijk volgt dan een derde besluit ten aanzien
van de middelen, die tot het doel leiden. Bij de verwerping trekt
Augustinus de lijn niet door. Wel leert hij, dat God ook in de zonde
positief en actief optreedt; God is peccatorum ordinator, Conf. I 10;
Hij oordeelde het goed, dat de zonde er zijn zou, Enchir. 27. 96. de civ.
XXII 1; Hij straft zonde met zonde, c. Jul. V 3. de gr. et lib. arb. 21;
maar de verwerping stelt hij meest negatief voor als een praeterire et
derelinquere, en rekent ze doorgaans niet tot de praedestinatie, maar
vereenzelvigt deze met de electie en subsumeert dan beide, verkiezing
en verwerping, onder de providentia. Daarentegen is er wel eene
praedestinatie tot de middelen ter zaligheid. De praedestinatie of
electie is nl. bij Augustinus altijd eene praedestinatio ad gloriam, en
deze brengt nu vanzelf de praedestinatio ad gratiam mede. De verkiezing
is dus niet geschied om het voorgezien geloof of de voorgeziene goede
werken; zij is ook niet geschied om Christus. Maar zij is verkiezing
tot het einddoel en dus tot de middelen d. i. Christus, die zelf ook
gepraedestineerd is, en alzoo tot de roeping, den doop, het geloof,
de gave der perseverantie; de praedestinatie is eene voorbereiding
der genade. Wie dus verkoren zijn, komen langs den weg der genade in
Christus onfeilbaar tot de hemelsche zaligheid, de corr. et gr. 7. 9.
13. de praed. sanct. 10. 19. de dono pers. 18. Vele volgelingen van
Augustinus kwamen daarom later tot de leer der gemina praedestinatio,
boven 323. Naast de praedestinatio ad gloriam kwam gecoordineerd te
staan eene praedestinatio ad mortem. Deze echter kon toch niet in
denzelfden zin worden opgevat als gene; en daarom werd ze onderscheiden
in reprobatio negativa en positiva. De reprobatio negativa gaat dan
aan den val vooraf en is eene daad van souvereiniteit; ze is evenmin
om verdiensten geschied als de verkiezing, Lombardus, Sent. I dist.
41. 1; zij sluit in de voluntas permittendi aliquem cadere in culpam
en is causa derelictionis, Thomas, S. Theol. I qu. 23 art. 3, cf.
echter Daelman, Theol. I 296-303, Billuart, Summa S. Thomae II 459
sq. En zoo leerden vele Thomisten, Alvarez, Salmanticenses, Estius,
Sylvius enz., dat de negatieve reprobatie aan den val voorafging en
louter eene daad van Gods vrijmacht en welbehagen was, Pesch, Prael.
dogm. II 217 sq. Alleen werd deze supralapsarische reprobatie geheel
negatief opgevat, als het besluit Gods, om sommige menschen niet te
verkiezen, te laten vallen en daarna te bestemmen tot de eeuwige straf
(reprobatio positiva). _Zakelijk_ nu hebben Luther, Zwingli, Calvijn en
alle supralapsarische Gereformeerden niet anders geleerd. De Roomschen
stellen het wel anders voor, en leggen aan de Praedestinatianen in
de vijfde eeuw, aan Gottschalk, Bradwardina, Wiclif, en vooral aan de
Hervormers ten laste, dat zij eene praedestinatio ad peccata leerden
en God tot auteur der zonde maakten, Bellarminus, de amiss. gr. et
stat. pecc. II c. 2 sq. Petavius, de Deo X c. 6 sq. Möhler, Symbolik
§ 12. Maar dit geschiedt alleen, om eigen semipelagiaansch standpunt te
handhaven en met Augustinus en Thomas in overeenstemming te brengen.
De wijzigingen, die de Hervormers in de leer van Augustinus en Thomas
hebben aangebracht, zijn behalve de leer van de verzekerdheid der
zaligheid ondergeschikt en raken het wezen der zaak niet. Met hen
leerden zij, dat de uitverkiezing niet geschiedde ob praevisa merita,
maar bron was van geloof en goede werken; dat de praedestinatio ad
gloriam onfeilbaar die ad gratiam meebracht; dat de reprobatio negativa
niet te verklaren was als eene daad van gerechtigheid maar moest
opgevat worden als eene daad van souvereiniteit, voorafgaande aan
de zonde; dat deze reprobatio negativa het besluit meebracht, om de
zonde toe te laten, en sommigen in hun val te laten liggen; en dat de
reprobatio positiva met die zonde rekening hield. Maar daaraan voegden
zij nu dikwerf nog toe, dat de begrippen van praescientia en permissio,
schoon op zichzelf niet verkeerd, niet zuiver passief konden of
mochten worden opgevat en, indien dit geschiedde, toch niet de minste
oplossing boden, en dat de onderscheiding van reprobatio negativa en
positiva weinig waarde had. Daardoor kwamen alle drie Reformatoren
tot de zoogenaamde supralapsarische voorstelling van de leer der
praedestinatie, volgens welke de beide besluiten van verkiezing en
verwerping te beschouwen zijn als daden van Gods souvereiniteit,
voorafgaande aan die omtrent den val, de zonde en de verlossing in
Christus. Calvijn met name blijft dikwerf met opzet bij de naaste oorzaken
van zaligheid en verderf staan en redeneert dan op infralapsarische
wijze. Een verworpene zoeke de oorzaak zijner straf niet in Gods besluit
maar in het bederf zijner natuur, dat eigen schuld is, Inst. III 23,
9. Verkorenen en verworpenen waren beiden even schuldig, maar God is
barmhartig jegens genen, rechtvaardig jegens dezen, ib. III 23, 11.
Onder het leem, Rom. 9:21 zijn de gevallen menschen te verstaan, van
wie God sommigen verkiest en anderen overlaat exitio suo, cui natura
obnoxii sunt omnes, comm. op Rom. 9:21, de aet. praedest. C. R. XXXVI
287. De val in Adam is propinqua reprobationis causa, comm. op Rom.
9:11. God haat in ons niets dan de zonde, C. R. ib. 295. 315. En van
deze voorstelling, quod ex _damnata_ Adae sobole Deus quos visum est
eligit, quos vult reprobat, zegt Calvijn, sicuti ad fidem exercendam
longe aptior est, ita maiore fructu tractatur.... sicuti non solum
ad pietatem potius conducit, sed magis videtur mihi theologica, plus
convenable à la chrestienté et aussi pour plus édifier, C. R. XXXVI
317. Maar dit bevredigt Calvijn toch niet. De zonde moge de naaste
oorzaak der verwerping zijn, zij is niet de laatste, C. R. ib. Immers,
het kan niet zoo voorgesteld worden, dat God den mensch zonder
voorafgaand plan besloot te scheppen, dan toezag en afwachtte wat
de mensch doen zou en daarna eerst, dit van te voren wetende, tot
verkiezing en verwerping overging. De praescientia en de permissio
geven geen oplossing, want God had, den val te voren wetende, hem
kunnen verhinderen; Hij heeft hem dus vrijwillig toegelaten wijl Hij dit
goed oordeelde, Inst. I 18, 1. II 4, 3. III 23, 6-8. C. R. ib. 359.
XXXVII 291. 294. Daarom is Adams val, de zonde in het algemeen en al
het kwade niet alleen door God voorzien maar ook door Hem in zekeren
zin gewild en bepaald, ib. Er moet daarom, schoon voor ons verborgen,
eene reden zijn, waarom God den val heeft gewild; er is nog een altius
Dei consilium, dat aan den val voorafgaat, C. R. XXXVI 288. Als Pighius
dan ook aan Calvijn tegenwerpt, dat op zijn standpunt discretionem inter
electos ac reprobos priorem fuisse hominis lapsu in mente divina,
dan geeft Calvijn wel ten antwoord, dat Pighius de causae proximae et
remotae verwart, dat ieder verworpene de causa proxima in zijn eigen
zonde moet zoeken en dat ook op het andere standpunt gelijke bezwaren
blijven bestaan, maar hij wijst de gevolgtrekking van Pighius niet af;
er is een arcanum Dei consilium, dat aan den val voorafgaat, C. R.
XXXVI 296 sq. De verwerping evenals de verkiezing heeft haar laatste
en diepste oorzaak in Gods wil, Inst. I 18, 2. III 22, 11. III 23,
1, 2, 7, 8. C. R. XXXVI 278, 317. enz. Bij Calvijn wisselt dus de
supralapsarische voorstelling met de infralapsarische af, Rivetus, de
praed. et elect. nomine et objecto, Op. II. Twissus, Vind. gr. 1652 I
105 sq. Petavius, de Deo X c. 6 sq. Kreyher, Die Erwählungslehre Zw.
u. Calv. Stud. u. Krit. 1870, 3tes Heft. Later werd het supralapsarisme
geleerd door Beza, Tract. theol. I 171-205. 360 sq. III 402-407.
Piscator, de gratia Christi. Polanus, Synt. IV c. 7-10. Ferrius,
Specimen schol. orthod. c. 26. Withaker, Op. I 692. Perkins, Werken I
761-806. Twissus, Op. I 35, sq. Gomarus, Op. 1664 I 428 sq. II 24 sq.
Maccovius, Loci C. c. 25. Voetius, Disp. I 354 sq. Heydanus, Corpus
theol. I loc. 3. Burman, Synopsis I c. 38 § 13 sq. Wittichius, Theol.
pacif. § 255 sq. Comrie, Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VI en VII, vooral bl.
376 v. Kuyper, Heraut 584.
Naar de supralapsarische voorstelling gaat er aan alle besluiten
een weten Gods van alle mogelijkheden vooraf, scientia simplicis
intelligentiae. Naar den regel quod ultimum est in executione, primum
est in intentione, stelde God in zijne eerste besluit het doel vast,
waartoe Hij alle dingen scheppen en regeeren zou, nl. om in de eeuwige
zaligheid en in de eeuwige straf van bepaalde mogelijke menschen,
creandi et labiles, zijne deugden, bepaaldelijk zijne barmhartigheid en
zijne gerechtigheid, te openbaren. Opdat deze deugden zouden kunnen
geopenbaard worden, moest een tweede besluit vaststellen, dat er een
menschheid zou bestaan in zoo deerniswaardigen en ellendigen toestand,
dat ze object van die barmhartigheid en gerechtigheid kon wezen. Opdat
zulke menschen er kwamen, moest in een derde besluit worden bepaald,
dat een mensch zou geschapen worden, versierd met Gods beeld en hoofd
van de menschheid, en dat die mensch permissione efficaci vallen zou
en al zijne nakomelingen in zijn val zou meesleepen. En eindelijk moest
God in een vierde besluit aanwijzen, hoe zijne barmhartigheid aan de
uitverkorenen bewezen zou worden in de beschikking van een Middelaar,
in de gave des geloofs en in de bewaring ten einde toe, en hoe
andererzijds zijne gerechtigheid in de verworpenen openbaar zou worden
in de vrije onthouding der zaligmakende genade Gods en in de overgave
aan de zonden. De verkiezing en verwerping ging in deze volgorde
der decreten niet alleen aan geloof en ongeloof, aan vernieuwing en
verharding, maar ook aan den val en aan de schepping vooraf. Er deed
zich hier echter terstond één bezwaar voor. Het was vaststaande Geref.
leer, dat de verkiezing van Christus en van de gemeente plaats had in
één besluit, in verband met elkaar, en dus tot object had den Christus
mysticus. Doch in de supralapsarische orde wordt de verkiezing der
gemeente losgemaakt van die van Christus en van deze gescheiden door
het besluit van schepping en val. Aan dat bezwaar trachtte Comrie
tegemoet te komen, Ex v. ’t Ontw. v. Tol. VII 346v., en hij leerde
daarom, dat de verkorenen vóór het besluit van schepping en val
verkoren zijn tot vereeniging met den Christus. Deze vereeniging is zoo
innig en onverbrekelijk, dat, wanneer die verkorenen vallen zullen,
gelijk daarna in ’t besluit wordt bepaald, Christus die verkoren was tot
Hoofd, nu ook verkoren zal worden tot Middelaar der verzoening. Door
Comrie werd dus ingezien dat de verkiezing der gemeente als het lichaam
van Christus niet te scheiden was van die van Christus tot Hoofd der
gemeente. En zoo plaatste hij beider verkiezing vóór het besluit der
schepping en van den val. De verkiezing kreeg dus nu bij de mogelijke
menschen ook een mogelijken Christus tot object. De kerken hadden echter
steeds in deze supralapsarische voorstelling bezwaar. Ze is in geen
enkele confessie opgenomen. Op de synode te Dordrecht waren er wel
enkele aanhangers van dit gevoelen, vooral Gomarus en Maccovius, Acta
syn. Dordr. Sess. 107, v. d. Tuuk, Joh. Bogerman, bl. 224 v., Kist
en Royaards, Archief v. Kerkgesch. III 1831 bl. 505 v. Ook wilden de
afgevaardigden van Zuid-Holland en Friesland in deze kwestie liever
geen beslissing. Maar al de oordeelen van in- en uitlandsche theologen,
ook zelfs van Genève, waren infralapsarisch. En de synode omschreef
de electio als dat besluit Gods, quo.... e universo genere humano, ex
primaeva integritate in peccatum et exitium sua culpa prolapso....
elegit, Can. I 7. Zij veroordeelde het supralapsarisme niet, zij liet
het privaat gevoelen van Gomarus voor wat het was maar accepteerde het
niet, van der Tuuk bl. 227 v. Alleen de synode te Westminster liet in
cap. 3 van haar confessie dit vraagstuk met opzet onbeslist en koos
tusschen infra- en supralapsarisme geen partij. En voorts vond het
infralapsarisme onder de theologen steun bij Martyr, Loci C. 232 sq.
Zanchius, Op. II 485 sq., die door Vitringa II 41 ten onrechte onder
de supralapsaristen gerekend worden, Bogerman bij van der Tuuk bl. 226,
349, Polyander, Rivetus, Walaeus, H. Alting, Molinaeus, Wendelinus,
Spanheim, Fr. Turretinus, Heidegger enz., vooral ook Maresius, die in
verschillende geschriften het infralapsarisme verdedigde tegen Voetius,
en anderen, cf. ook Walch, Bibl. theol. sel. II 1024 sq.
8. Toch vond ook deze zachtere vorm van de leer der praedestinatie
spoedig tegenspraak. In de eeuw der Reformatie werd ze reeds bestreden
door Erasmus, Bibliander, Pighius, Bolsec, Trolliet, Castellio, Ochinus
e. a. De Socinianen loochenden geheel de praedestinatie, leerden
alleen een besluit Gods om aan hen die zijne geboden onderhouden het
eeuwige leven te schenken en de anderen te straffen, en offerden aan
de wilsvrijheid van den mensch zelfs Gods alwetendheid op, Socinus,
Praelect c. XIII. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 32. Fock, Der Socin.
653 f. Hier te lande ontmoette ze bij velen bezwaar, zooals Coolhaes,
Duifhuis, Coornhert, Sybrants, Herberts, Wiggerts en dan vooral bij
Arminius. Deze verstond onder de praedestinatie het eeuwig besluit
Gods, om degenen, van wie Hij vooruitzag, dat zij krachtens de gratia
praeveniens gelooven en krachtens de gratia subsequens volharden
zouden, in en om en door Christus te zaligen, en de anderen, die
niet gelooven of volharden zouden, te straffen, Arminii Opera 1629
p. 119, 283, 389 enz. Arminius bedoelde nog, de noodzakelijkheid der
genade en het geloof als gave vast te houden; en zijne volgelingen
beproefden ditzelfde in hunne remonstrantie van het jaar 1610 art. 3
en 4, bij Scholten L. H. K. II 458. Maar deze genade was toch altijd
wederstandelijk, art. 4, 5, en de algemeene wil van God, om alle
menschen te behouden, de algemeene voldoening van Christus, het
algemeene aanbod van de genoegzame middelen der genade, en het bezwaar
van de dan toch altijd weer vaste en zekere praescientia Dei ten aanzien
van wie wel en niet gelooven zouden, noodzaakten, om de beslissing hoe
langer hoe meer neer te leggen in de handen van den mensch, Scholten
II 472 v. In de latere remonstrantsche geschriften komt dit duidelijk
uit, in den brief van Episcopius aan het Gereformeerde buitenland, in
de tweede remonstrantie van het jaar 1617, bij Schweizer, Centr. II 89
f. 106 f., in de confessie en apologie der confessie bij Episcopius,
Opera II 69 f. 95 f., in de dogmatische werken van Uytenbogaert,
Onderwijzing in de christ. leer, 2e ed. 1640, Episcopius, Opera I 410
sq. Limborch, Theol. Christ. II c. 18 sq. en IV. Het remonstrantisme
heeft het rationalisme voorbereid. Wel werd het op de synode te Dordt
veroordeeld, maar als geestesrichting vond het in de 17e en 18e eeuw
hoe langer hoe meer in alle kerken en landen ingang. Zelfs kreeg
het van Gereformeerde zijde steun in de school te Saumur. Hier leerde
Amyraldus een dubbel besluit. God besloot eerst in het algemeen, dat
allen zonder onderscheid, die geloofden in Christus, zalig zouden
worden; maar door zijne praescientia wetende, dat niemand uit zichzelf
gelooven kon, voegde Hij aan het eerste, algemeene en conditioneele
besluit een tweede, bijzonder en absoluut decreet toe, om aan enkelen
de genade des geloofs te schenken en hen te behouden, Traité de la
prédestination 1634. Synt. thesium in acad. Saumur. 1665 pars II p.
107 sq. cf. Rivetus, Opera III 828-852. Spanhemius, de gratia univers.
18. 40. Examen v. h. Ontwerp v. Toler. VI 195 v. VII 314 v. 450 v.
Schweizer, Centr. II 225 f. Scholten L. H. K. II 612 v. Walch, Bibl. II
1028. Het eerste, algemeene besluit drong, indien het iets beteekende,
het tweede geheel op zijde. In weerwil van de veroordeeling in de
Formula consensus van 1675 can. 4-6 drong het door en leidde bij Pajon
tot loochening van de gratia efficax. In alle Geref. kerken won eene
arminiaansche richting veld. Al de richtingen en secten, die in de 17e
en 18e eeuw opkwamen, neonomianisme, deisme, quakerisme, methodisme
enz. toonden zwakkere of sterkere verwantschap met Arminius. Slechts
enkele theologen hielden hier en daar stand, zooals Comrie, Holtius en
Brahe hier te lande, Boston en de Erskine’s in Schotland, en vooral ook
Jonathan Edwards 1703-1758 in Amerika.