gevonden. Niet alleen van buiten, van de zijde der Joden, Weber,
System der altsyn. pal. Theol. 147 f., en der Mohammedanen, b. v.
Averroes, Stöckl, Philos. d. M. A. II 89, waartegen dan de Christenen
verdedigend optraden, litt. bij Walch, Bibl. theol. sel. I 881 sq. 896
sq. Maar ook binnen de grenzen des Christendoms werd dit dogma zoowel
vóór als na zijne vaststelling door velen weerstaan. In de belijdenis
der triniteit klopt het hart der christelijke religie; elke dwaling is
afgeleid uit of bij dieper doordenken te herleiden tot eene afwijking in
de leer der drieëenheid. Zij is zulk een wezenlijk bestanddeel van het
christelijk geloof, dat zij in de belijdenis der unitariers nog nawerkt.
Allen, die op den naam van Christenen gesteld zijn, blijven spreken van
Vader, Zoon en Geest, Nitzsch, Ev. Dogm. 425. Des te meer is echter de
leer der triniteit in haar kerkelijken vorm bestreden en telkens anders
voorgesteld. Maar de geschiedenis van dit dogma toont duidelijk, dat
de kerkelijke vorm, waarin deze waarheid vervat is, alleen in staat
is, om de zaak, waarom het te doen is, onvervalscht te handhaven. Nu
bestaat het groote probleem bij dit dogma daarin, dat de eenheid des
wezens de drieheid der personen niet teniet doe noch ook omgekeerd de
drieheid der personen de eenheid des wezens opheffe. En daarom dreigt
er altijd gevaar, om of ter rechter of ter linkerzijde af te dwalen en
alzoo te vervallen tot Sabellianisme of tot Arianisme. Het Arianisme
werd in de 2e en 3e eeuw voorbereid door de Ebionieten, de Alogi,
Theodotus, Artemon, Paulus van Samosata, die in Christus wel een mensch
zagen, op bovennatuurlijke wijze geboren en bij den doop gezalfd met den
H. Geest, bekwaamd tot zijn werk en tot Heer verhoogd, maar die zijne
praeëxistentie en Godheid beslist ontkenden. Het waren de aanhangers
eener adoptiaansche Christologie, Harnack D. G. I 160. 616 f. In de
vierde eeuw wordt deze leer voorgestaan door Lucianus en zijn leerling
Arius en dan voorts door Aëtius en Eunomius. Arius leerde blijkens een
geschrift Θαλεια, waarvan Athanasius c. Ar. I ons fragmenten bewaard
heeft, dat God, wijl ἀγεννητος en zonder aanvang, volstrekt eenig is. Hij
is onuitsprekelijk, onbegrijpelijk, kan niet rechtstreeks met het eindige
gemeenschap hebben, kan zijn wezen, dat juist in ἀγεννησια bestaat, niet
meedeelen. Alles buiten Hem is dus geschapen, geworden door zijn wil.
Hij is niet Vader van eeuwigheid, maar Vader door en van de schepselen.
Maar voordat God tot de schepping der wereld overging, bracht Hij tot
bemiddeling, als een soort tusschenwezen, eene zelfstandige ὑποστασις
of οὐσια voort, die in de Schrift den naam draagt van wijsheid, zoon,
logos, beeld Gods enz., en door wien God alle dingen heeft geschapen,
en evenzoo ook nog eene derde, lagere ὑποστασις nl. den Heiligen
Geest. Deze Logos is niet gegenereerd uit het wezen Gods en heeft niet
het wezen met den Vader gemeen, want dan waren er twee Goden, maar
is geschapen of geboren εξ ουκ οντων, is een κτισμα of ποιημα Gods,
voortgebracht θεληματι και βουλη. Er was dus een tijd, dat Hij niet was,
ἠν ποτε, ὁτε οὐκ ἠν, al is Hij ook geschapen προ χρονων και προ αἰωνων,
d.i. vóór de wereld. Deze Logos was daarom niet ὁμοουσιος met den
Vader, maar geheel van Hem gescheiden, veranderlijk, zoowel het kwade
als het goede kunnende kiezen. Maar Hij was toch een κτισμα τελειον, Hij
koos het goede, werd daardoor onveranderlijk, en is als het ware tot
een God geworden. Deze Logos is ook mensch geworden, heeft de waarheid
verkondigd, onze verlossing bewerkt en is nu onze eere, maar niet onze
aanbidding waardig, Harnack, D. G. I 194 f. Het Arianisme was sterk en
vond vele aanhangers, niet het minst onder hen, die na de bekeering
van keizer Constantijn om allerlei overwegingen tot het Christendom
waren overgegaan. Bovendien leeren ons de geschriften van Athanasius,
welke geduchte wapenen zij meebrachten in den strijd. Zij beriepen zich
vooreerst op eene reeks van Schriftplaatsen, die de eenheid Gods,
Deut. 6:4, 32:39, Joh. 17:3, 1 Cor. 8:6, de geboorte of wording des
Zoons, Spr. 8:22, Col. 1:15, zijne ondergeschiktheid aan den Vader,
Joh. 14:28, 1 Cor. 15:28, Hebr. 3:2, zijne onwetendheid, Mark. 13:32,
Joh. 11:34, zijne beperkte macht, Mt. 28:18 en goedheid, Luk. 18:19,
zijne toenemen in wijsheid, Luk. 2:52, zijn lijden, Joh. 12:27, 13:21,
Mt. 26:39, 27:46, zijne verheffing tot Heer en Christus uitspraken,
Hd. 2:36, Phil. 2:9, Hebr. 1:4 enz. Voorts betoogden zij met vele
aanhalingen, dat zij vele vroegere kerkvaders aan hunne zijde hadden.
Dan ontleenden zij verschillende argumenten aan de Aristotelische,
nominalistisch opgevatte, philosophie, en betoogden daarmede de
eenigheid en de ἀγεννησια Gods. En eindelijk wezen zij de zwakheden en
de tegenstrijdigheden aan, die der christologie van Nicea aankleefden;
waarbij vooral dit argument eene groote plaats innam, dat, als de Zoon
gegenereerd was, Hij daardoor van God als den ongeborene, ἀγεννητος,
wezenlijk onderscheiden en dus in den tijd was ontstaan.
Het Sabellianisme werd in de tweede en derde eeuw voorbereid door
Noëtus, Praxeas, Epigonus, Cleomenes, die leerden, dat in Christus
de Vader zelf geboren was, geleden had en gestorven was, dat Vader
en Zoon dus namen waren voor denzelfden persoon in verschillende
relatiën, vóór en in de menschwording, an sich en in zijne historische
verschijning, of ook dat de Goddelijke natuur in Christus de Vader,
en de menschelijke natuur, de σαρξ, de Zoon was. Dit monarchianisme,
patripassianisme of modalisme werd in de derde eeuw voorgestaan en
verder ontwikkeld door Sabellius. Vader, Zoon en Geest zijn dezelfde
God; het zijn drie namen voor éénzelfde wezen, dat hij υἱοπατωρ noemde,
doch niet tegelijkertijd, maar in drie opeenvolgende energiën of stadiën.
God bestond eerst in het prosopon, de verschijning, den modus des
Vaders nl. als Schepper en Wetgever; daarna in het prosopon des Zoons
als Verlosser van menschwording tot hemelvaart; en eindelijk in het
prosopon des H. Geestes als Levendmaker. Sabellius beriep zich daarbij
vooral op Deut. 6:4, Ex. 20:3, Jes. 44:6, Joh. 10:38. Sabellius nam
dus ook den H. Geest op in het wezen Gods, plaatste Zoon en Geest op
gelijke lijn met den Vader, en leerde voorts eene historische successie
in de openbaringen Gods, een worden in God zelven, Hippolytus, Philos.
IX. Epiphanius, Haeres. 62. Orig. de princ. I 2. Athanas. c. Ar. IV.
Harnack D. G. I 674 f.
12. Beide richtingen zijn in de christelijke kerk rechts en links van de
kerkelijke triniteitsleer alle eeuwen door blijven bestaan. Het wezen
van het Arianisme ligt in de loochening van de homoousie van Vader
en Zoon, in de bewering dat de Vader alleen en in volstrekten zin de
eenige waarachtige God is. Natuurlijk is de Zoon dan een minder en lager
wezen, staande buiten de natuur Gods; maar over de plaats, die den Zoon
toekomt tusschen God en de schepselen-wereld kan dan verschil bestaan;
het Arianisme laat allerlei speling toe. De afstand tusschen God en
wereld is eindeloos en op ieder punt van dien afstand kan den Zoon eene
plaats worden toegekend, van de plaats naast God op zijnen troon af tot
die naast de schepselen, engelen of menschen, toe. Zoo is het Arianisme
dan ook in verschillende vormen opgetreden. Vooreerst in den vorm van
het subordinatianisme: de Zoon is dan wel eeuwig, gegenereerd uit het
wezen des Vaders, geen schepsel en niet uit niets voortgebracht, maar
Hij is toch minder dan en ondergeschikt aan den Vader. De Vader alleen
is ὁ θεος, πηγη θεοτητος, de zoon is θεος, ontving zijne natuur door
mededeeling van den Vader. Zoo werd geleerd door Justinus, Tertull.,
Clemens, Origenes enz., ook door de Semiarianen, Eusebius van Cesarea
en Eusebius van Nicomedie, die den Zoon plaatsten ἐκτος του πατρος en
Hem ὁμοιοοσιος aan den Vader noemden, later door de Remonstranten,
Conf. art. 3. Arminius, Op. theol. 1629 p. 232 sq. Episc. Instit.
theol. IV sect. 2 c. 32. Limborch, Theol. Christ. II c. 17 § 25; door
de supranaturalisten, Bretschneider, Dogm. I⁴ 612 f. Knapp, Gl. I 260.
Muntinghe, Theol. Christ. pars theor. § 134 sq. enz., en door zeer vele
theologen in den nieuweren tijd, Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I 207 f.
Beck, Chr. Gl. II 123 f. 134 f. Twesten, II 254. Kahnis, I 353, 398.
van Oosterzee II § 52. Doedes, Ned. Gel. 71 v. Vervolgens is het in
zijne oude gedaante, die het bij Arius had, wederom opgetreden bij vele
theologen na de Hervorming, vooral in Engeland. Milton b. v. leerde,
dat Zoon en Geest geschapen waren door den vrijen wil des Vaders vóór
de schepping, en slechts den naam van God droegen om hun ambt, evenals
de rechters en overheden in het O. T., de doctr. christ. ed. Summer
1827 lib. I c. 5. 6, en evenzoo met geringe wijzigingen W. Whiston,
wiens arianisme vele tegenschriften in het leven riep, Walch Bibl.
theol. sel. I 957 f., S. Clarke, The scripture doctrine of the trinity
1712, P. Maty, Lettre d’un théologien à un autre théologien sur le
mystère de la Trinité 1729, Dan. Whitby, Harwood, vele Remonstranten
hier te lande, en in dezen tijd de Groninger theologen, Hofstede de
Groot, De Gron. Godg. 160v. Een derde vorm van Arianisme kwam op
in het Socinianisme. De Vader is de eenige, waarachtige God. De
Zoon is een door God onmiddellijk, door bovennatuurlijke ontvangenis
geschapen, heilig mensch, die vóór zijne ontvangenis niet bestond en
door God met dit doel werd voortgebracht, om aan de menschen eene
nieuwe wet te prediken. Na vervulling van dezen last is Hij verhoogd
in den hemel en Goddelijke genade deelachtig geworden. De Geest is
niets anders dan eene kracht Gods, Cat. Racov. qu. 94-190, cf. F.
Socinus, in Bibl. patr. Polon. I 789 sq., Crell, de uno Deo Patre
libri duo, e. a., bij Trechsel, Protest. Antitrinitarier II 221 f.
233 f. Dit Socinianisme verbreidde zich van Polen naar Duitschland,
Nederland, Engeland en Amerika, vond in deze beide laatste landen
tolken in John Biddle, Nathanael Lardner, Theoph. Lindsey, Joseph
Priestley, stichter der Unitarian Society enz., en ging in unitarisme
over. Het Socinianisme kon het supernaturalisme, dat het eerst nog
aannam, op den duur niet handhaven; Jezus werd een gewoon mensch, zij
het ook een voorbeeld van vroomheid en zedelijkheid, het Christendom
raakte geheel los van zijn persoon. Zoo werd ook geleerd door het
rationalisme, Wegscheider, Instit. theol. § 91. De moderne theologie
staat op hetzelfde standpunt. En Ritschl heeft zakelijk niet anders
gedaan dan het Socinianisme vernieuwd. Jezus is een mensch geweest door
God bekwaamd, om het koninkrijk der hemelen op aarde te stichten en is
daarna verhoogd tot den rang van God en Heer der gemeente. In heel deze
rationalistische beschouwing van de triniteitsleer is er natuurlijk nog
veel minder behoefte aan Goddelijke genade, en daarom komt de H. Geest
hierbij nauwelijks ter sprake; zijne Godheid en meestentijds ook zijne
persoonlijkheid wordt ontkend.
13. Ook het Sabellianisme kan optreden in verschillende vormen. Het
heeft met het Arianisme de loochening der drieheid in het Goddelijk
wezen gemeen, maar zoekt nu de eenheid Gods te verkrijgen, niet door
Zoon en Geest buiten Gods wezen te plaatsen, maar door beide er zoo in
op te nemen, dat alle onderscheid tusschen de drie personen verdwijnt.
Het onderscheid tusschen de personen ligt volgens de triniteitsleer
der kerk in de personeele eigenschappen, bepaaldelijk in de eeuwige
generatie. Worden deze geloochend, dan komen de personen los naast
elkander te staan en treedt het tritheisme op. Daarvan werden in de
oudheid beschuldigd de monophysieten Johannes Askusnages en Johannes
Philoponus, Baur, II 13 f., en in de middeleeuwen Roscellinus, cf.
Anselmus, de fide trinitatis et de incarnatione verbi. Later rees
eene dergelijke aanklacht tegen Th. Sherlock, omdat hij in het Goddelijk
wezen drie oneindige geesten aannam, Walch Bibl. theol. sel. I 972;
voorts tegen Roell, omdat hij de generatie bestreed, Examen v. h.
Ontw. v. Toler. VIIIe Sam. bl. 10v. Moor, I 735. 761-771; vervolgens
ook tegen Lampe en Sibelius, omdat zij bezwaar hadden in de formule
per communicationem essentiae, Moor, I 744-755. Ypey en Dermout,
Gesch. der N. H. Kerk III 202 en aant. 84v. Archief v. Kerk. Gesch.
door Kist en Royaards VIII 419v. Wordt daarbij het wezen Gods nog in
platonisch-realistischen zin opgevat, dan gaat het tritheisme over
in tetradisme, dat aan Damianus van Alexandrie werd te laste gelegd,
Baur, II 29 f. Wijl echter zulk eene drieheid van individueele,
gescheiden wezens, μερικαι οὐσιαι, ἰδικαι φυσεις, niet met de eenheid
Gods is overeen te brengen, kan deze ook alzoo worden gehandhaafd
dat Vader, Zoon en Geest dezelfde persoon en hetzelfde wezen zijn;
dit patripassianisme werd in de tweede eeuw door Praxeas geleerd. Of
ook kan men met Marcellus van Ancyra en Photinus van Sirmium Zoon en
Geest beschouwen als eigenschappen in God, die slechts ten behoeve van
schepping en herschepping van God uitgingen en zelfstandig, persoonlijk
werden. De Logos was wel eeuwig als λογος ἐνδιαθετος; de Vader was
nooit zonder Logos, hij was λογοπατωρ; maar deze Logos is eerst Zoon,
προφορικος geworden in den tijd; God breidt zich uit in den tijd tot
Zoon en Geest en keert dan weder in zichzelven terug, Schwane, D. G.
II 135-150. Daaruit wordt dan vanzelf het modalistisch monarchianisme
geboren, dat in de drie personen slechts drie openbaringsmodi van het
ééne Goddelijke wezen ziet. Dit was de eigenlijke leer van Sabellius,
en later keert deze opvatting van het dogma der triniteit telkens
terug. Van modalisme is ook de speculatie over de triniteit bij Erigena,
de div. nat. I 13 en bij Abaelard, Introd. ad theol. I 7 niet vrij.
Maar duidelijker komt dit te voorschijn bij de pantheistische secten
in de Middeleeuwen, bij Joachim van Floris, Amalrik van Bena, David
van Dinant, die een tijdperk des Vaders, des Zoons en des Geestes
onderscheidden en het laatste nabij achtten, Reuter, Gesch. der relig.
Aufkl. im M. A. II 183-249. In de Hervormingseeuw kwam het anabaptisme
in oppositie tegen de kerkelijke triniteitsleer. De waarachtige God
is de God in ons, deze is de wezenlijke Christus, en het Woord, de
Geest in ons is de waarachtige God, b. v. Camillo bij Trechsel II
95 f. David Joris leerde, dat God één was en zich achtereenvolgens
als Vader, Zoon en Geest openbaarde in drie tijdperken van geloof,
hoop en liefde, die begonnen waren met Mozes, Christus en hemzelven,
Trechsel I 44 f. Cramer in Ned. Archief v. Kerk. Gesch. V 1-145. VI
289-368. Maar vooral Servet besteedde aan dit dogma al de kracht van
zijn denken; in drie geschriften onderwierp hij het in zijn kerkelijken
vorm aan eene scherpe kritiek en trachtte het ook positief nieuw op
te bouwen, de trinitatis erroribus libri septem 1531, dialogorum de
trinitate libri duo 1532, en Christianismi restitutio 1553. Servet
heeft geen woorden, scherp genoeg, om de kerkelijke triniteitsleer
te veroordeelen. Zij is in zijne oogen tritheistisch, atheistisch, een
tricipex monstrum, tricipex cerberus, tripartitus Deus. Daartegenover
gaat hij uit van de stelling, dat het Goddelijk wezen niet gedeeld kan
worden, en dat er daarom, ter handhaving der Godheid van Christus en
van den H. Geest, geen personen maar alleen disposities, apparities,
modi Gods mogen aangenomen worden. De Vader is het gansche wezen
Gods, de eenige God. Maar Hij bedient zich van den Logos, die reeds
vóór Christus bestond, echter niet als persoon doch als woord, rede,
gedachte, om zich in de schepping en onder het O. Test. te openbaren
en in Christus mensch te worden. De Logos nam in Christus niet de
menschelijke natuur aan maar werd in Hem vleesch. De mensch Christus
is daarom de waarachtige Zoon Gods, God woont ten volle in Hem. En
evenzoo is de H. Geest, die niet reëel van den Logos onderscheiden
maar in Hem begrepen is, de modus der zelfmededeeling Gods. Door Hem
woont God in alle schepselen in en deelt Hij aan alle zijn leven mede.
Aan het einde van het proces houdt de triniteit weder op, Trechsel
I 65 f. 103 f. 120 f. De gnostische en theosophische elementen, die
hier wederom in de triniteitsleer voor den dag kwamen, namen straks bij
Böhme, Zinzendorf en Swedenborg nog toe. Bij Böhme is de triniteit het
resultaat van een proces, waarvan de donkere natuur, het licht der idee
en de wil in de Godheid de grondslagen en de factoren zijn, Claassen,
Jakob Böhme II 25 f. Zinzendorf noemde zichzelf wel trinitariissimus
maar ging toch eigenlijk van een gnostisch Godsbegrip uit. God an sich
was onbereikbaar, verborgen, ondoorgrondelijk, doch Hij openbaart zich in
Christus. Deze is de eigenlijke Schepper aller dingen, de Jehovah des
O. Test., die vleesch geworden is en het voorwerp is onzer aanbidding.
In Hem wordt ook de triniteit openbaar, echter niet met immanente
verhoudingen van generatie, spiratie enz., maar als eene heilige
familie. De eerste persoon is de Vader, de H. Geest is de moeder,
Christus is de Zoon, en in die familie wordt nu de enkele geloovige
en de gemeente opgenomen als de bruid des Zoons, die evenals Eva uit
Adams zijde, op gansch realistische wijze uit de zijde en het bloed van
Christus geschapen wordt, Plitt, Zinzendorffs Theol. I 211 f. II 24.
133 f. III 14 f. Nog sterker trad Swedenborg tegen de triniteitsleer
op. Hij zag er evenals Servet niets dan tritheisme in. God is één, maar
Hij is in Christus openbaar geworden als Vader, Zoon en Geest, die zich
verhouden als ziel, lichaam en de van beide uitgaande werkzaamheid,
Swedenborg, Die ware christl. Religion, 2te Aufl. Stuttgart 1873 S.
241 f. Deze theosophie heeft de triniteitsleer der nieuwe philosophie
voorbereid. In het stelsel van Spinoza met zijne ééne onveranderlijke
substantie was er nog geen plaats voor. Bij Kant worden de drie personen
vervangen door drie qualiteiten; de ware godsdienst bestaat in het
geloof aan God als heilig wetgever, goed regeerder en rechtvaardig
rechter, Rel. innerhalb u. s. w. 168 f. Schleiermacher oefende op
het dogma der triniteit eene strenge kritiek, en erkende er alleen
dit ware in, dat God met de menschheid is vereenigd, zoowel in den
persoon van Christus als in den Gemeingeist der Kirche, Gl. § 170-172,
cf. ook Lipsius, Dogm. § 368, Schweizer, Chr. Gl. § 103 f. Scholten,
L. H. K. II 238. Volgens Schelling en Hegel bevatte het dogma eene
diepe philosophische gedachte, die zij aldus vertolkten: God is geest,
denken, idee, en het behoort dus tot zijne natuur, om zich voor te
stellen, te denken, te objectiveeren. De inhoud van dat denken kan
echter geen gedachte zijn zooals bij den mensch, maar moet realiteit
wezen. God brengt daarom denkende zichzelven voort, objectiveert zich,
en wel in de wereld, die de eigenlijke Zoon Gods is, en keert dan uit
die Selbstentäusserung door het bewustzijn der menschheid heen in den
Geest weder tot zichzelven terug, Schelling, Werke I 5 S. 294. I 6 S.
28 f. I 7 S. 56 f. Hegel, Werke XI 120 f. 129 f. XII 181 f. Het groote
verschil tusschen deze speculatie en de kerkelijke triniteitsleer werd
nu wel door Strauss, Gl. I 492 f. ingezien. Maar desniettemin scheppen
nog velen behagen in eene dergelijke wijsgeerige constructie, Biedermann,
§ 159. Pfleiderer, Grundriss § 122. Anderen vergenoegen zich er mee,
om in de ééne persoonlijkheid Gods drie potenties, momenten, krachten
te onderscheiden, Schelling in zijne latere periode, Rothe, Ethik
§ 23 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 438-446. En eindelijk brengen velen het niet
verder dan tot eene openbaringstriniteit Gods in natuur (schepping),
geschiedenis (Christus) en geweten (gemeente), Hase, Hutt. Rediv. § 70.
de Wette, Dogm.³ 71. Kaftan, Das Wesen der chr. Rel. 388.
14. De leer der triniteit is in de christelijke religie het dogma en
dus ook het mysterie bij uitnemendheid. Zoodra de gegevens, welke de
H. Schrift voor haar biedt, object werden van het theologisch denken,
ontwaakte de behoefte aan allerlei namen en uitdrukkingen, welke in
de H. Schrift niet voorkwamen, en die toch onmisbaar bleken, om de
waarheid eenigermate, zij het ook ook gebrekkig, weer te geven, en tegen
misvatting en bestrijding te handhaven. De Arianen en vele richtingen in
later tijd, zooals de Socinianen, de Anabaptisten, de Remonstranten, de
Bijbelsche theologen enz. keuren het gebruik van zulke onschriftuurlijke
namen af. Maar de christelijke theologie verdedigde steeds hun recht en
hun waarde, August., de trin. VI 10. Thomas, S. Th. I qu. 29 art. 3.
Calvijn, Inst. I 13, 5. Moor I 710-712. M. Vitringa I 191-195. Gerhard,
Loc. III c. 2. Philippi, Kirchl. Gl. II³ 149 f. De Schrift is ons
immers ook niet gegeven, om eenvoudig nagesproken maar om nagedacht
en in eigen taal te worden weergegeven; Jezus en de apostelen hebben
haar alzoo gebruikt en door redeneering verdere gevolgtrekkingen uit
haar afgeleid; de Schrift is geen wetboek en ook geen dogmatiek maar
het principium der theologie; als woord Gods bindt zij niet alleen in
haar letterlijke woorden maar ook in hetgeen wettig uit haar afgeleid
wordt, cf. deel I 528. Voorts is er geen nadenken over de waarheid der
Schrift en dus geen enkele theologische werkzaamheid mogelijk, zonder
van zulke woorden, die niet in de Schrift voorkomen, gebruik te maken.
Niet alleen in de triniteitsleer, maar ook bij elk ander dogma en in
heel de theologie worden uitdrukkingen en termen gebezigd, die in de
Schrift niet te vinden zijn. Met deze namen is dus de zelfstandigheid
van den Christen, het recht der theologie gemoeid. En eindelijk dienen
deze niet, om nieuwe dogmata buiten de Schrift om of in strijd met
haar in te voeren, maar juist om de waarheid der Schrift tegen de
ketterij te handhaven. Ze hebben veel meer negatieve dan positieve
beteekenis. Zij wijzen de lijnen aan, binnen welke het christelijk denken
zich te bewegen heeft, om niet de waarheid der openbaring onder de
handen te verliezen. Onder den schijn van Schriftuurlijkheid is de
Bijbelsche theologie altijd verder van de Schrift afgedwaald; en met
hare niet-bijbelsche termen is de kerkelijke orthodoxie altijd weer in
haar Schriftuurlijk karakter gerechtvaardigd. Zoo kwamen ook in de leer
der triniteit allengs allerlei ongewone namen op, zooals ὁμοουσιος,
οὐσια, ὑπαρξις, ὑποστασις, προσωπον, γενναν, τριας, unitas, trinitas,
substantia, personae, nomina, gradus, species, formae, proprietates
enz. De beteekenis dezer termen stond echter eerst lang niet vast. Het
woord οὐσια werd wel gewoonlijk van het ééne wezen Gods gebezigd, maar
diende toch bij Origenes, Athanasius, Gregorius Nyss. nog dikwerf, om de
drie personen in dat ééne wezen aan te duiden. Athanasius verdedigde
zich tegen het Sabellianisme uitdrukkelijk daarmede, dat hij den Zoon
niet μονοουσιος maar ὁμοουσιος met den Vader noemt, Expos. fid. c.
2. Evenzoo werd het woord ¡ὑποστασις nu eens van het wezen, dan weer
van de drie personen gebruikt; en men zeide dus nu eens dat er maar
ééne en dan weer, dat er drie ¡ὑποστασεις in God waren. Maar het
Sabellianisme zag in de personen slechts openbaringsvormen van het
ééne wezen. Daartegenover moest de kerk er nadruk op leggen, dat die
personen werkelijk bestaande zelfstandigheden waren in het Goddelijk
wezen. En daarvoor werd de naam ὑποστασις gebruikt. Basilius in zijn
brief περι οὐσιας και ὑποσταεως bracht hierin meer gelijkmatigheid, door
het wezen Gods met οὐσια en de drie personen met ὑποστασις of προσωπον
aan te duiden; elke ὑποστασις heeft dus eigen bestaan, ἰδια ὑπαρξις,
is ὑφεστωσα, en is door ἰδιοτητες, ἰδιωματα, ἰδιαζοντα, σημεια, ἰδια
γνωρισματα, χαρακτηρες, μορφαι van de andere onderscheiden. En hierbij
sluit het spraakgebruik van de beide Gregoriussen en voorts van Joh.
Damascenus en van de grieksche theologie en kerk zich aan. Petavius,
de trin. V c. 1 sq. Schwane, Dogmengesch. II² 99. 151 f. Dorner, Entw.
I² 914 f. Harnack, II² 252. Hatch, Griech. u. Christ., deutsch von
Preuschen 1892 S. 200 f. In het Westen was de verwarring niet zoo
groot. Door Tertullianus was de term essentia of substantia voor het
wezen en de naam persona of subsistentia voor de personen vastgesteld.
Latere kerkleeraars en symbolen namen dit spraakgebruik over. Hilarius
in zijn werk de trinitate spreekt constant van una essentia, substantia,
natura, genus en van tres personae, die door proprietates van elkander
onderscheiden zijn. Augustinus keurde het af, om het grieksche ὑποστασις
door substantia weer te geven. Substantia en essentia liet zich in het
latijn niet zoo onderscheiden als ὑποστασις en οὐσια in het grieksch.
Men kon in het latijn niet spreken van una essentia en tres substantiae.
Veeleer was substantia gelijk het grieksche ουσια, en essentia klonk
in de latijnsche ooren altijd nog vreemd en ongewoon. Het latijn behield
daarom de uitdrukking una substantia en tres personae. Toch werd het
woord substantia door Augustinus liefst geheel vermeden, zoowel voor
het wezen als voor de personen. Want substantia duidde in het latijn,
in onderscheiding van accidens, den drager der eigenschappen aan als
bestaande in zich zelven. Omdat die tegenstelling in God niet vallen
kan, daar wezen en eigenschappen in Hem één zijn, achtte Augustinus
het beter, om het Goddelijk wezen als essentia aan te duiden, de
trin. V 8. VII 4. En gelijk in het Oosten noodig was om tegenover het
Sabellianisme op de zelfstandigheid, de ὑποστασις, der drie personen
nadruk te leggen, zoo hielden de Latijnen tegenover het Arianisme
vast, dat de drie personen geen drie substantiae, maar drie personae
waren. De Scholastiek breidde deze terminologie nog uit en gaf een
vast schema, dat later algemeen, ook in de theologie der Reformatie,
overgenomen werd. In God is één wezen, una essentia, unitas naturae,
en drie personen, tres personae, trinitas personarum. Deze drie
personen zijn in dat wezen één, ὁμοουσιοι, coessentiales, en bestaan
wederkeerig in elkander, ἐμπεριχωρησις, circumincessio personarum.
Maar zij zijn onderscheiden. Want er zijn in God duae emanationes: per
modum naturae en per modum voluntatis; tres hypostases: Pater, Filius,
Spiritus S.; quatuor relationes: paternitas, filiatio, spiratio activa
en passiva; quinque notiones: innascibilitas, paternitas, filiatio,
spiratio activa en passiva; tres proprietates personales: Pater, qui
est ingenitus, Filius, qui est genitus, Spiritus Sanctus, qui est
spiratus, Bonaventura, Brevil. I c. 3. 4 cf. Anselmus, Monol. c. 29 sq.
Lombardus, Sent. I dist. 22 sq. Thomas, S. Theol. I qu. 27-32 enz.
15. Om de leer der triniteit wel te verstaan, dienen drie vragen
beantwoord: wat geeft het woord wezen te kennen? wat wordt er met het
woord persoon aangeduid? En welke is de verhouding tusschen wezen
en persoon en tusschen de personen onderling? Wat het begrip wezen
aangaat, Aristoteles omschreef ¡οἰσια als eene substantie, ἡ μητε
καθ’ ὑποκειμενον τινος λεγεται μητε ἐν ¡ὑποκειμενω τινι ἐστιν, oἱον ὁ
τις ἀνθρωπος και ὁ τις ἱππος. En zoo werd het woord ook eerst in de
theologie gebruikt en op de drie personen zoowel als op het ééne wezen
toegepast. Maar allengs werd οὐσια in een anderen zin gebezigd en werd
het de aanduiding van het wezen, de natuur, de essentia van een ding,
wat Aristoteles genoemd had το τι ἠν εἰναι. Zoo werd het synoniem met
φυσις. Sommigen achtten dit woord, wijl afkomstig van φυναι, evenals
natura van nasci, minder geschikt om het wezen Gods aan te duiden,
Greg. Naz. ad Evagr., Dionys. de div. nom. c. 2. Maar dit woord werd
toch ingeburgerd in de theologie evenals het woord natuur, en vond
steun in 2 Petr. 1:4. Οὐσια, φυσις, substantia, essentia, natura werd
de constante naam voor het ééne wezen Gods, de Godheid in het algemeen,
afgedacht van hare ὑπαρξις, subsistentia en van hare τροποι ὑπαρξεως,
modi subsistendi, dus voor de Goddelijke natuur, gelijk zij aan alle drie
personen gemeenschappelijk is. Dit wezen Gods is één en eenvoudig,
essentieel onderscheiden van alle creaturen en in ’t bezit van al
die eigenschappen, welke vroeger behandeld zijn. De onderscheiding
tusschen dit wezen en de drie personen in God vindt hare analogie in
de schepselen. Bij deze maken wij onderscheid tusschen het wezen en de
individuen. Paulus, Johannes, Petrus zijn allen dezelfde menschelijke
natuur deelachtig maar zijn als personen van het wezen en van elkander
onderscheiden, Basilius, Epist. 43. Maar er dreigt hier aanstonds een
dubbel gevaar. Het nominalisme vat het wezen, het algemeene slechts
op als een naam, een begrip en komt in de leer der triniteit dus tot
tritheisme; het excessieve realisme denkt bij het wezen aan eene achter
en boven de personen staande zelfstandigheid en komt dus tot tetradisme
of sabellianisme. Zelfs Gregorius van Nyssa overwon dit overdreven
realisme niet geheel. Ten betooge, dat de Godheid ééne is en er niet
van drie Goden gesproken mocht worden, ontkende hij de toepasselijkheid
van het getal ook op eindige schepselen. Het was volgens hem een
misbruik, om van hen, die ééne natuur deelachtig zijn, in het meervoud
en dus van vele menschen te spreken, ad Ablabium, cf. Petavius, de
trin. IV c. 9. Schwane II 156 f. Dorner, Entw. I 916 f. Zoo wordt
echter het onderscheid tusschen het wezen in God en in de schepselen
over het hoofd gezien. Er is zonder twijfel analogie, en vanwege die
analogie mogen wij ook bij God van zijn wezen spreken. Maar die analogie
onderstelt toch tegelijk een zeer belangrijk verschil. Het begrip van het
wezen des menschen is een soortbegrip; de menschelijke natuur heeft wel
reëel bestaan en is geen flatus vocis, zij is aanwezig wel niet buiten
en boven de menschen, maar toch in iederen mensch. Doch zij bestaat in
ieder mensch op eene eigene, eindige wijze; de menschen zijn evenals de
goden in het polytheisme wel ὁμοι- maar niet ὁμο- of μονοουσιοι. De
menschelijke natuur is in de verschillende menschen niet tota en niet
numero eadem; en de menschen zijn daarom niet alleen distincti maar
ook divisi. In God is dat alles anders. De Goddelijke natuur is niet
te denken als een abstract soortbegrip en evenmin als eene substantia
buiten, boven, achter de personen; zij bestaat in de personen en in elk
van deze tota en numero eadem. De personen zijn dus wel distincti maar
niet divisi. Zij zijn ὁμο-, μονο-, ταυτοουσιοι. Zij zijn door geen plaats
of tijd of wat ook gescheiden. Allen zijn ze dezelfde Goddelijke natuur en
volmaaktheden deelachtig. Het is ééne en dezelfde Godheid, die in de
drie personen, in allen en in elk in ’t bijzonder bestaat, zoodat er in
God maar één Eeuwige, één Almachtige, één Alwetende is, één God met één
verstand, één wil, ééne macht, Symb. Athan. n. 9-18. Het woord wezen
handhaaft dus de waarheid, die in de Schrift steeds op den voorgrond
wordt geplaatst, in het monotheisme ligt opgesloten en ook door het
unitarisme verdedigd wordt. Welke onderscheidingen er in het Goddelijk
wezen ook mogen bestaan, zij mogen en kunnen niet tekort doen aan de
eenheid der natuur. Want in God is de eenheid niet gebrekkig en beperkt
maar volmaakt en absoluut. Onder schepselen sluit alle verscheidenheid
uit den aard der zaak ook minder of meer scheiding en verdeeling in. Al
wat creatuur is, bestaat noodzakelijk in de vormen van ruimte en tijd en
dus naast en na elkaar. Maar de eeuwigheid, de alomtegenwoordigheid, de
almacht, de goedheid enz. sluiten krachtens heur aard alle scheiding
en deeling uit. God is absolute eenheid en eenvoudigheid, zonder
samenstelling of verdeeling, en die eenheid is zelve niet ethisch, niet
contractueel van aard, gelijk onder menschen, maar volstrekt, en dus
geen accidens aan het wezen, maar met het wezen Gods zelf één.
16. Maar nu ligt de heerlijkheid van de belijdenis der triniteit juist
hierin, dat die eenheid, hoe absoluut ook, verscheidenheid niet
uit- maar insluit. Het wezen Gods is geen abstracte eenheid, geen
afgetrokken begrip, maar een volheid van zijn, een oneindige rijkdom van
leven, die in de verscheidenheid juist de hoogste eenheid ontvouwt.
Die zelfonderscheidingen, welke de H. Schrift nu onder den naam van
Vader, Zoon en Geest in het Goddelijk wezen ons kennen doet, worden in
de theologie aangeduid met het woord persoon. In het Oosten bezigde men
daarvoor eerst προσωπον, correspondeerende aan het hebr. פָּנִים,
aangezicht, uiterlijke verschijning, rol. Maar dit woord was voor
misverstand vatbaar; Sabellius zeide, dat de ééne Goddelijke οὐσια
of ὑποστασις verschillende προσωπα aannam. Daartegenover betoogden
de kerkvaders, dat de drie προσωπα in het Goddelijk wezen niet maar
verschijningen, openbaringsvormen, doch dat zij προσωπα ἐνυποστατα
waren, dat zij bestonden ἐν ὑποστασει. Zoo werd het woord προσωπον door
ὑποστασις, vervangen, welk woord eerst grondslag, onderbouw, vastheid
beteekent, en dan datgene aanduidt, wat werkelijk en niet maar in schijn
bestaat, of ook datgene, wat in zichzelf bestaat in onderscheiding
van accidentia, die inhaereeren in iets anders, cf. ook 2 Cor. 9:4,
11:17, Hebr. 1:3, 3:14, 11:1 en Cremer s. v. In het latijn bezigde men
het woord persona, dat eerst het masker, dan de rol van een acteur
aanduidde, daarna de conditio, qualitas, status, waarin iemand optreedt
en zoo in de rechtstaal het jus standi in judicio te kennen gaf. Dit
begrip was dus ook vrij zwevend, en bij Tertullianus wisselt het nog met
allerlei andere woorden af, nomen, species, forma, gradus, res. Toch
bleef dit woord in het latijn behouden, ook toen in het Oosten προσωπον
reeds door ὑποστασις vervangen was; want het woord ὑποστασις was in
het latijn door geen geschikt woord weer te geven; substantia kon men
niet bezigen, omdat dit al voor het wezen in gebruik was. Maar dit
verschil in uitdrukking gaf herhaaldelijk tusschen het Oosten en het
Westen aanleiding tot misverstand. De Grieken dachten bij het latijnsche
persona aan hun woord προσωπον, en de Latijnen verstonden het grieksche
ὑποστασις in den zin van hun substantia. Over en weer verweet men
elkaar de armoede der taal. Toch leerde men zakelijk geheel hetzelfde,
nl. dat de drie personen geen modi maar zelfstandigheden waren. Zoo
kreeg dus het woord προσωπον, persona in de kerkelijke taal tot wezenlijk
kenmerk de zelfstandigheid, ὑποστασις, subsistentia, subsistens,
suppositum. Dezen zin heeft het woord ὑποστασις nog bij Athanasius
en de Cappadociërs. Maar later kreeg het woord persona er nog een
karaktertrek bij. Als persona toch niets aanduidde dan ὑποστασις, het
in zichzelf bestaande, tegenover accidens, dan kon het ook wel van
zaken gebezigd worden. In den christologischen strijd werd men tegenover
Nestorianisme en Monophysitisme gedrongen tot nog scherper bepaling van
natuur en persoon; en zoo kwam toen, in het aan Boethius toegeschreven
de duabus naturis et una persona Christi, de definitie van persona op
als naturae rationabilis individua substantia. Het woord drukte nu
tweeërlei uit: zelfstandigheid en redelijkheid of zelfbewustheid. Deze
beteekenis heeft het in de scholastiek, Lombardus, Sent. I dist. 23
cf. 25, 26. Thomas, S. Th. I qu. 29. Bonaventura, Sent. I dist. 23 qu.
1 en dist. 25, en voorts ook in de oudere Roomsche, Luth. en Geref.
dogmatiek, Petavius, de trin. IV c. 9. Schmid, Dogm. der ev. luth. K.
S. 90 f. Beza, Tract. theol. I 646. Zanchius, Op. I 13. Maresius, Syst.
theol. III 7. Synopsis pur. theol. VII 8 enz. Eerst sedert de vorige
eeuw kwam de bepaling op, dat het wezen der persoonlijkheid ligt, niet
in het in zichzelf bestaan, maar in zelfbewustzijn en zelfbepaling.
Deze definitie moge nu voor de menschelijke persoonlijkheid juist zijn,
hoewel ze ook dan nog aan bedenking onderhevig is, maar zij is in elk
geval geen juiste omschrijving van het woord persoon in de leer der
triniteit. Hier toegepast, zou zij leiden tot tritheisme, d. i. tot
drie persoonlijkheden, ieder met een afzonderlijk zelfbewustzijn en
zelfbepaling. Zelfs de definitie van Boethius past veelmeer in de
leer van Christus dan in die der triniteit. En dat is ook telkens
gevoeld. Richard van St. Victor bestreed ze, omdat ze sprak van
individua substantia en omschreef persoon daarom als divinae naturae
incommunicabilis existentia, de trin. IV 21. Calvijn sprak alleen
van subsistentia in Dei essentia, Inst. I 13, 6, cf. Alting, Theol.
probl. nova III qu. 31. En allen erkenden de waarheid van het woord
van Augustinus: wij spreken van personen, non ut illud diceretur, sed
ne taceretur, de trin. V 9. VI 10, cf. Anselmus, Monol. c. 37, 38.
Calvijn, Inst. I 13, 2-4, en voorts Braun, Der Begriff Person in seiner
Anwendung auf Trinität und Incarnation, Mainz 1896. Persoon duidt in
het dogma der triniteit niets anders aan, dan dat de drie personen in
het Goddelijk wezen geen modi zijn maar elk op eigene wijze bestaan. Zelfs
op het redelijke en zelfbewuste in dit begrip valt de nadruk volstrekt
niet; want dit vloeit vanzelf daaruit voort, dat zij des zelfden wezens
en alle deugden, dus ook de kennis en wijsheid deelachtig zijn. Wat
echter in het woord persoon wordt uitgedrukt, is dat de eenheid des
Goddelijken wezens zich ontplooit in een drievoudig bestaan. Het is
eene unitas, ex semetipsa derivans trinitatem. De personen zijn geen
drie openbaringsmodi van de ééne Goddelijke persoonlijkheid, maar het
Goddelijk wezen bestaat niet anders dan als driepersoonlijk, juist
omdat zij absolute, Goddelijke persoonlijkheid is. In den mensch hebben
wij daarvan slechts eene zwakke analogie. Persoonlijkheid bij menschen
komt alleen daardoor tot stand, dat er een subject is dat zichzelf als
object tegenover zich stelt en zich met zichzelf weer samenvat; drie
momenten constitueeren het wezen der menschelijke persoonlijkheid, maar
bij ons zijn dat slechts momenten; in God zijn het, wijl er in Hem geen
tijd of ruimte, geen uitbreiding en geen deeling is, drie ὑποστασεις,
drie bestaanswijzen van het ééne en zelfde wezen. Deze analogie van de
menschelijke persoonlijkheid moet echter nog op eene andere wijze worden
aangevuld. De menschelijke natuur is te rijk, om in één enkel mensch of
persoon te worden belichaamd, zij breidt daarom in vele menschen zich
uit en komt eerst in de menschheid tot haar volle ontplooiing. Zoo
ook ontplooit het Goddelijk wezen zijne volheid in drie personen; maar
deze zijn geen drie individuen naast en gescheiden van elkaar, maar
in en binnen het Goddelijk wezen de drievoudige zelfonderscheiding,
welke de ontplooiing des wezens in de persoonlijkheid opneemt en deze
alzoo driepersoonlijk maakt. De ontvouwing der menschelijke natuur is
van tweeërlei aard; in den enkelen mensch tot persoonlijkheid en in de
menschheid tot vele individuen, die saam ook weer een eenheid, eene
persoonlijkheid vormen gelijk Christus met de gemeente één volkomen
man is, 1 Cor. 12:12, Ef. 4:13. Deze dubbele ontvouwing, die in de
menschheid geen andere zijn kan, is in God ééne; de ontplooiing van zijn
wezen tot persoonlijkheid valt saam met die van zijn wezen tot personen.
De drie personen zijn de in en uit en door en binnen het wezen tot
volkomene zelfontvouwing gebrachte ééne Goddelijke persoonlijkheid.
17. Hieruit is af te leiden, in welken zin de derde bovengenoemde
vraag naar de verhouding van wezen en persoon en van de personen
onderling beantwoord moet worden. Bij Tertullianus zijn de drie personen
unius substantiae, unius status, unius potestatis sed unus Deus;
zij zijn drie non statu sed gradu, unum, niet unus; zij zijn unus Deus,
ex quo et gradus isti et formae et species in nomine Patris, Filii
et Spiritus Sancti deputantur. Er is distinctio, distributio, geen
diversitas en divisio. Athanasius en de Cappadociërs omschreven de
ὑποστασεις als τροποι ὑπαρξεως, en gaven daarmede te kennen, dat zij,
één in wezen, toch elk een eigen existentia hadden en in wijze van
bestaan verschilden. Het onderscheid tusschen wezen en persoon en
de personen onderling lag dus in de wederkeerige verhouding, ἡ προς
ἀλληλα σχεσις, in het Vader-, Zoon- en Geestzijn, in de eigenschappen
van πατροτης (ἀγεννησια), υἱοτης (γεννησις) en ἁγιασμος (ἐκπορευσις).
Breeder werd dit uitgewerkt door Augustinus. Hij leidt de trinitas
niet af uit den Vader maar uit de eenheid, uit de deitas en acht ze
niet toevallig, maar wezenlijk aan God eigen. Het behoort tot zijn
wezen, drieëenig te zijn. In zoover is het persoon-zijn met het wezen
zelf identisch. Non enim aliud est Deo esse, aliud personam esse sed
omnino idem, de trin. VII 6. Indien toch het zijn aan God toekwam in
absoluten en het persoon-zijn in relatieven zin, dan zouden de drie
personen niet één wezen kunnen zijn. Elk persoon is daarom gelijk aan het
gansche wezen en evenveel als de beide andere of als alle drie saam.
Bij schepselen is dit niet zoo. Eén mensch is niet zooveel als drie
menschen. At in Deo non ita est; non enim major essentia est Pater et
Filius et Spiritus Sanctus simul quam solus Pater aut solus Filius,
sed tres simul illae substantiae sive personae, si ita dicendae sunt,
aequales sunt singulis, de trin. VII 6. In summa trinitate tantum
est una quantum tres simul sunt nec plus aliquid sunt duae quam una,
et in se infinita sunt. Ita et singula sunt in singulis et omnia in
singulis et singula in omnibus et omnia in omnibus et unum omnia, ib.
VI 10. Ipsa trinitas tam magnum est, quam unaquaeque ibi persona,
ib. VIII 1. Daarom kan het onderscheid tusschen wezen en persoon en
personen onderling niet liggen in eenige substantie, maar alleen in
de onderlinge relaties. Quidquid ergo ad seipsum dicitur Deus, et de
singulis personis singulariter dicitur, id est, de Patre et Filio
et Spiritu Sancto, et simul de ipsa trinitate non pluraliter sed
singulariter dicitur, de trin. V 8. Quidquid autem proprie singula
in eadem trinitate dicuntur, nullo modo ad seipsa sed ad invicem,
aut ad creaturam dicuntur et ideo relative, non substantialiter ea
dici manifestum est, ib. c. 11. En dienovereenkomstig zeide de latere
theologie, dat wezen en persoon niet re maar ratione verschilden,
echter niet ratione ratiocinante, d. i. rationaliter, nominaliter,
gelijk Sabellius meende, maar ratione ratiocinata. Het onderscheid
bestond niet in eenige substantie doch alleen in relatie, maar dit
onderscheid was dan toch werkelijk, objectief, in Gods openbaring
gegrond. Wezen en persoon verschillen niet re maar toch realiter;
het verschil bestaat in een modus subsistendi maar is toch een reëel
verschil. De persoon is eene bestaanswijze van het wezen; en de personen
onderling verschillen dus, gelijk de eene bestaanswijze van de andere,
of naar het gewone voorbeeld, gelijk de opene van de geslotene hand
verschilt, Thomas, S. Th. I qu. 28 sq. Petavius, de trin. IV c. 10.
11. Kleutgen, Theol. der Vorz. I² 350 f. Calvijn, Inst. I 13, 6. 16-20.
Zanchius, Op. I 21 sq. Moor I 713 sq. Turretinus, Th. El. III qu.
27 enz. Indien dit onderscheid van wezen en persoon en van personen
onderling in een enkel woord moet worden aangegeven, is er inderdaad
niet veel meer van te zeggen. Maar duidelijker wordt dit onderscheid
toch, als wij de relatiën zelve indenken, waardoor het in het Goddelijk
wezen tot stand komt. Ofschoon de H. Schrift streng monotheistisch
is, kent zij aan Zoon en Geest toch Goddelijke natuur en volmaaktheden
toe en plaatst hen met den Vader op ééne lijn. Vader, Zoon en Geest
zijn alzoo onderscheidene subjecten in het ééne en zelfde Goddelijke
wezen. En als zoodanig dragen zij dan ook verschillende namen, hebben
zij bijzondere personeele eigenschappen en treden zij altijd op in eene
zekere vaste orde, zoowel ad intra als ad extra. Het onderscheid der
personen ligt dus geheel en al in de zoogenaamde ἰδιωματα, ἰδιοτητες,
proprietates, personeele eigenschappen, nl. paternitas (ἀγεννησια,
innascibilitas), generatio activa, spiratio activa, filiatio (generatio
passiva en spiratio activa), processio (spiratio passiva). Deze voegen
nu uit den aard der zaak niets nieuws, geen nieuwe substantie aan
het wezen toe. Een mensch, die vader wordt, verandert niet van wezen
maar treedt alleen op in eene tot dusver hem vreemde relatie. Het
wezen Gods is van het Vader-zijn, het Zoon-zijn en het Geest-zijn niet
zakelijk, substantieel maar alleen ratione, relatione onderscheiden.
Het ééne en zelfde wezen is en heet Vader, wanneer het gedacht wordt
in zijne relatie tot datzelfde wezen in de relatie des Zoons. En de
personen onderling verschillen dus alleen daarin, dat de een Vader,
de ander Zoon en de derde Geest is. Onder menschen vinden wij hiervan
slechts eene zwakke gelijkenis, maar die toch tot opheldering dienen
kan. Onder menschen is het vaderschap en zoonschap ook wel niets dan
eene relatie, doch die relatie onderstelt een persoonlijk, individueel
subject, dat van die relatie de drager is, maar overigens nog buiten
dat vaderschap en zoonschap op allerlei wijze bestaat. Het vaderschap is
maar eene toevallige eigenschap van het mensch-zijn; sommige menschen
worden nooit vader; wie het wordt, is het langen tijd niet geweest en
houdt het ook weer langzamerhand op te zijn enz. Het mensch-zijn gaat dus
in het vaderschap of zoonschap lang niet op. Zoo is het echter niet
in het Goddelijk wezen. Het God-zijn valt volkomen met het persoon-zijn
samen. Quemadmodum hoc illi est esse, quod Deum esse, quod magnum, quod
bonum esse, ita hoc illi est esse, quod personam esse, Aug. de trin.
VII 6. Het Goddelijk wezen gaat dus, om zoo te zeggen, bij elk der drie
personen in het Vader-, Zoon- en Geest-zijn volkomen op. De paternitas,
filiatio en processio zijn geen bijkomende eigenschappen bij het wezen,
maar de eeuwige bestaansvormen van, de eeuwige, immanente relatiën in
het wezen. Bij menschen valt de ontplooiing der ééne menschelijke natuur
uiteen; ze geschiedt deels in den enkelen mensch, doordat hij wordt tot
persoonlijkheid; ze heeft voorts plaats in de menschheid, wier leden
alle de menschelijke natuur op eene bijzondere wijze representeeren; ze
komt eindelijk ook tot stand in de geslachts- en verwantschapsrelatiën,
die ook telkenmale eene zijde van de menschelijke natuur ons kennen doen.
In de menschen valt deze drievoudige ontplooiing der natuur uiteen in
ruimte en tijd; zij is wezenlijk uitbreiding. In God echter is er geen
scheiding of deeling. De ontplooiing van zijn wezen tot persoonlijkheid
neemt die van zijn wezen tot personen en tevens die van zijn wezen tot
de immanente relatiën, welke door de namen Vader, Zoon en Geest worden
uitgedrukt ineens, terstond, absoluut, volkomen in zich op. Zoo is God
de archetype van den mensch; wat in de menschheid uiteenvalt, naast
elkaar ligt, uiteengespreid wordt in de vormen van ruimte en tijd,
dat is in God eeuwig en eenvoudig aanwezig. De processiones in zijn
wezen brengen tegelijkertijd in God zijne absolute persoonlijkheid, zijne
drievuldigheid en zijne immanente relatiën tot stand. Zij zijn de absolute
archetypen van al die processiones, waardoor in den enkelen mensch, in
het gezin en in de menschheid de menschelijke natuur tot haar volledige
ontvouwing komt. Daarom zijn de drie personen wel elk een ander, alius,
maar niet aliud; de drieheid is uit en in en tot de eenheid; de
ontvouwing des wezens heeft plaats binnen het wezen en doet dus aan de
eenheid en eenvoudigheid des wezens niet te kort. Voorts zijn de drie
personen, schoon niet aliud, toch wel alii, onderscheidene subjecten,
ὑποστασεις, subsistentiae, die juist daardoor het wezen Gods in het
wezen zelf tot absolute ontvouwing brengen. En eindelijk zijn die drie
personen onderling door generatie en spiratie op absolute wijze elkander
verwant; hun onderscheidenheid als subjecten valt met hun immanente
verwantschapsrelatiën volkomen saam. De Vader is enkel en eeuwig Vader,
de Zoon is enkel en eeuwig Zoon, de Geest is enkel en eeuwig Geest.
En omdat ze elk zichzelf zijn op eenvoudige, eeuwige, absolute wijze,
daarom is de Vader God en de Zoon is God en de H. Geest is God. De
Vader is het als Vader, de Zoon als Zoon, de H. Geest als H. Geest. En
wijl zij alle drie God zijn, zijn zij ééne Goddelijke natuur deelachtig, en
is er dus één God, Vader, Zoon en H. Geest, die te prijzen is tot in
eeuwigheid.
18. Nadat alzoo de leer der triniteit in het algemeen is uiteengezet,
dienen thans de drie personen afzonderlijk te worden besproken. De
eerste persoon is de Vader en zijne personeele eigenschap is de
paternitas of ook de ἀγεννησια. In den ariaanschen strijd speelde dit
woord eene groote rol. Het werd uit het gewoon grieksch overgenomen.
Plato noemde de ideeën ἀγεννητους; Aristoteles noemde zoo de stof; de
Gnostieken spraken van God als βυθος ἀγεννητος, ingenitum, Iren. adv.
haer. I 1. Van hen namen Paulus van Samosata en de Arianen, Aëtius
en Eunomius dit spraakgebruik over, om daarmede de homoousie van den
Zoon en den Geest met den Vader te bestrijden. De ἀγεννησια drukte,
in tegenstelling met alle schepsel, Gods eigenlijk wezen uit. De Zoon
echter is niet ἀγεννητος; Hij heet in de Schrift μονογενης en ook de
orthodoxie noemt Hem gegenereerd; dus kan Hij niet God, maar moet Hij een
schepsel wezen; wij mogen niet δυο ἀγεννητα, d. i. δυο θεους aannemen,
Athanasius, c. Ar. I 31 sq. de decr. nic. syn. 28 sq. Basilius, adv.
Eunom. II 25 sq. enz. Nu bestaan er echter in het grieksch twee
woorden: γεννητος a. v. γενναν, gignere, generare en γενητος a. v.
γιγνεσθαι, fieri; het laatste is veel ruimer dan het eerste en duidt
alles aan wat voortgebracht wordt en een begin heeft van bestaan, hetzij
door schepping, generatie of voortplanting. Deze beide woorden werden
eerst nog niet altijd duidelijk onderscheiden; men wees er alleen op,
dat het woord ἀγεννητος of ἀγενητος in verschillenden zin kon gebezigd
worden en in den eenen zin niet en in den anderen zin wel op den Zoon
kon toegepast worden. Maar langzamerhand werd het gebruik, om tusschen
beide woorden onderscheid te maken. Alle drie personen konden dan in
tegenstelling met alle schepsel, ἀγενητος heeten; geen hunner was
voortgebracht op de wijze der creaturen; geen, hunner had een begin
van bestaan. De agenesie was eene eigenschap van het Goddelijk wezen
en aan alle drie personen gemeen. Maar daarvan moest de ἀγεννησια
onderscheiden worden. Deze was eene eigenschap van den Vader alleen.
De Zoon kon γεννητος heeten, niet omdat Hij als een schepsel in den tijd
was, voortgebracht maar wijl Hij van eeuwigheid uit het wezen des Vaders
was gegenereerd, cf. Athan., Basil. Gregor. t. a. p. Damascenus, de
fide orthod. I c. 8. Augustinus, de trin. V c. 3. Petavius, de trin. V
c. 1-3. Suicerus, s. v. Maar de kerkvaders merkten er tegelijk bij op,
dat deze eigenschap, nl. de ἀγεννησια, bepaaldelijk aan den persoon
en niet aan het wezen toekwam. Het wezen is in de drie personen één
en hetzelfde, maar de agennesie is eene relatie in het wezen. Gelijk
Adam en Eva en Abel hetzelfde wezen deelachtig zijn, ofschoon ze dat op
verschillende wijze ontvingen, zoo is ook in God het wezen één, schoon
dit in de drie personen op verschillende wijze bestaat, Athan. de decr.
nic. Syn. 8. Gregor. Naz. Orat. theol. V. Daarbij komt nog, dat de naam
ἀγεννησια negatief is en alleen zegt, dat de Vader boven generatie
verheven is, maar hij zegt niets positiefs aangaande Gods natuur;
eigenlijk is hij dus ook geen aanduiding van den persoon des Vaders,
want het ἀγεννητον esse en het Vader-zijn is volstrekt niet hetzelfde,
Basilius, adv. Eun. I 9. 15. Greg. Naz. Orat. theol. III. August. de
trin. V 5. Daarom is de naam van Vader te verkiezen boven dien van
ἀγεννητος, Basilius, adv. Eun. I 5. De Schriftuurlijke naam van Vader
duidt veel beter dan die van ἀγεννητος de personeele eigenschap van
den eersten persoon aan. In de paternitas ligt eene positieve relatie
opgesloten tot den tweeden persoon. De naam Vader is Gode nog meer
eigen dan de naam van God, want deze laatste is een algemeene naam, een
nomen dignitatis, maar de Vadernaam in het N. T. is evenals die van
Ihvh in het O. T. een nomen proprium, aanduiding van eene personeele
eigenschap Gods. Wie Gode den Vadernaam ontzegt, doet Hem nog grooter
oneer aan, dan wie zijne schepping ontkent. Deze Vadernaam is dan ook
geen overdrachtelijke spreekwijze van menschen op God overgebracht.
Veeleer is de verhouding omgekeerd. Het vaderschap op aarde is eene
verre, zwakke gelijkenis van het Vaderschap Gods, Ef. 3:15. God is
Vader in waarachtigen en volkomenen zin. Onder menschen is een vader
ook weer zoon van een ander en een zoon op zijn beurt ook weer vader;
onder menschen is een vader alleen niet in staat, om een zoon voort te
brengen; onder menschen is het vaderschap tijdelijk en in zekeren zin
toevallig, niet wezenlijk met het mensch-zijn verbonden; het begint eerst
laat en het houdt spoedig, in elk geval bij den dood, weer op. Maar in
God is dat gansch anders. Hij is enkel en louter en geheel Vader; Hij is
alleen Vader, Hij is Vader van natuur; Hij is Vader eeuwiglijk, zonder
begin en einde, en daarom moet ook de generatie eene eeuwige zijn en
de Zoon even eeuwig als de Vader, want als de Zoon niet eeuwig ware,
kon de Vader ook niet eeuwig zijn. De eeuwigheid van het Vaderschap
brengt de eeuwigheid van het Zoonschap mee; wie den Vader noemt, noemt
vanzelf daarin ook den Zoon, Athanasius, c. Ar. I 23. 28. Greg. Naz.
Orat. theol. III 5. 17. Damascenus, de fide orthod. I 8. Hilarius, de
trin. XII 24. Om deze relatie van den Vader tot den Zoon en tevens tot
den H. Geest werd de Vader dikwerf genoemd αὐτογενης, αὐτογενητος,
αὐτοφυης, ἀποιητος, ἀναρχος, principii expers, sui ipse origo, suae
causa substantiae, sui principium; en voorts ἀρχη, αἰτια, ριζα, πηγη,
principium, causa, radix, fons, origo, caput enz. van den Zoon en den
Geest of van de gansche Godheid, Petavius, de trin. V 5. Suicerus, s. v.
19. De bijzondere eigenschap van den tweeden persoon in de triniteit
is de filiatio. In de Schrift draagt Hij verschillende namen, die zijne
verhouding tot den Vader aanduiden, zooals woord, wijsheid, logos, zoon,
eerstgeboren, eeniggeboren, eenige zoon, beeld Gods, εἰκων, ὑποστασις,
χαρακτηρ. Op deze namen en op enkele teksten boven aangehaald, werd
de leer der door Origenes het eerst zoo genoemde eeuwige generatie,
αἰωνιος γεννησις, gebouwd. Natuurlijk spreken wij daarmede op menschelijke
en dus onvolkomene en gebrekkige wijze; en de gedachte daaraan maant
tot bescheidenheid, Iren. adv. haer. II 28, 6, Athan., c. Ar. II 36.
Basilius, adv. Eun. II 22, 24. Greg. Naz. Orat. XX enz. Maar toch mogen
wij zoo spreken. Want evenals bij gelijkenis aan God mond en oor en oog
wordt toegeschreven, zoo is de menschelijke generatie analogie en beeld
van die Goddelijke daad, waardoor de Vader aan den Zoon het leven in
zichzelven geeft. Maar dan moet al het onvolmaakte en zinnelijke daarvan
ook worden weggedacht. De generatie van een mensch is onvolkomen en
gebrekkig; een man heeft eene vrouw noodig, om een zoon voort te
brengen; een man kan nooit in een kind en zelfs niet in vele kinderen
zijn volle beeld, zijn gansche wezen mededeelen; een vader wordt eerst
vader mettertijd en houdt het ook op te zijn, en het kind wordt spoedig
geheel onafhankelijk van en zelfstandig tegenover den vader. Maar alzoo
is het niet bij God. Er is generatie ook in het Goddelijk wezen. Het
is eene schoone, bij de kerkvaders telkens terugkeerende gedachte,
dat God vruchtbaar is. Hij is geen abstracte, starre eenheid, niet
μοναδικος, solitarius. Hij is eene volheid van leven; zijne natuur is
eene γεννητικη, καρπογονος οὐσια; zij is voor uitbreiding, ontvouwing,
mededeeling vatbaar. Wie dit ontkent en alle productie in het Goddelijk
wezen loochent, maakt er geen ernst mede, dat God oneindig, volzalig
leven is. Hij houdt niets dan een abstract, deistisch Godsbegrip over
of neemt ter vergoeding op pantheistische wijze het leven der wereld in
het Goddelijk wezen op. Zonder de triniteit is ook de schepping niet te
verstaan; indien God zich niet mededeelen kan, dan is Hij een duister
licht, eene drooge bron, en hoe zou Hij zich ad extra, aan schepselen
kunnen mededeelen? Athan., c. Ar. II 2. Damasc. de fide orth. I 8.
Maar toch is die generatie op Goddelijke wijze te denken. Daarom is zij
in de eerste plaats geestelijk. De Arianen brachten tegen haar vooral
het bezwaar in, dat alle generatie noodzakelijk scheiding, deeling,
τομη, διαιρεσις en ook παθος, ἀπορροια medebrengt. Dat zou zoo zijn,
als ze lichamelijk, zinnelijk, creatuurlijk ware. Maar zij is geestelijk
en Goddelijk, en daarom eenvoudig, zonder deeling of scheiding, zij
geschiedt ἀρρευστως και ἀδιαιρετως, Athan., Expos. fidei 2. Zij brengt
distinctio en distributio, maar geen diversitas en divisio in het
Goddelijk wezen. Ὁ δε θεος ἀμερης ὠν ἀμεριστος ἐστι και ἀπαθης του υἱου
πατηρ, οὐτε γαρ ἀπορροη του ἀσωματου ἐστιν, οὐτ’ ἐπιρροη τις εἰς αὐτον
γινεται, ὡς ἐπ’ ἀνθρωπων, Athan. de decr. nic. syn. 11. c. Ar. I 16.
28 sq. De generatie in God heeft daarom haar treffendste analogie in
het denken en spreken; en de Schrift zelve wijst daarop, als zij den Zoon
den Logos noemt. Gelijk de geest des menschen in het woord zichzelf
objectiveert, zoo deelt God in den Logos zijn gansche wezen mee. Maar
ook hier is er weer onderscheid. De mensch behoeft vele woorden, om
zijne gedachte uit te drukken; die woorden zijn klanken en dus zinnelijk
en stoffelijk; zij zijn onzelfstandig en hebben geen bestand in zichzelve.
Maar als God spreekt, dan spreekt Hij in den éénen Logos zijn gansche
wezen uit en geeft Hem leven in zichzelven. In de tweede plaats
houdt daarom de generatie in, dat de Vader den Zoon genereert ἐκ της
¡οὐσιας του πατρος, θεον ἐκ θεου, φως ἐκ φωτος, θεον ἀληθινον ἐκ θεου
ἀληθινου, γεννηθεντα οἰ ποιηθεντα, ὁμοουσιον τῳ πατρι, gelijk te Nicea
vastgesteld werd. De Arianen leerden, dat de Zoon door den wil des
Vaders uit niets was voortgebracht. Doch dit was geen generatie maar
creatie. Scheppen is το ἐξωθεν και οὐκ ἐκ της οὐσιας του κτιζοντος και
ποιουντος γινεσθαι το κτιζομενον και ποιουμενον ἀνομοιον παντελως κατ’
οὐσιαν; maar generatie is το ἐκ της οὐσιας του γεννωντος προαγεσθαι το
γεννωμενον ὁμοιον κατ’ οὐσιαν, Damasc. de fide orthod. I 8, cf. Athan.,
de decr. nic. syn. 13. 26. c. Ar. I 5. 6. De Zoon is geen schepsel,
maar God te prijzen in alle eeuwigheid, Rom. 9:5. En daarom is Hij niet
voortgebracht door den wil des Vaders, uit niets en in den tijd. Maar Hij
is gegenereerd uit het wezen des Vaders, in de eeuwigheid. De generatie
is daarom geen eigenlijk werk, geene ἐνεργεια van den Vader, maar den
Vader komt toe eene φυσις γεννητικη. Dat wil natuurlijk niet zeggen,
dat de generatie eene onbewuste ongewilde emanatie is, dat zij buiten
den wil en de macht des Vaders omgaat. Zij is niet eene daad van een
voorafgaanden, besluitenden wil, van eene βουλησις προηγουμενη, gelijk
de schepping; maar zij is den Vader zoo van nature eigen, dat zijn wil
als voluntas concomitans daarin zijn gansche welbehagen heeft. Zij is
openbaring van zijne φυσεως γνησιοτης και οὐσιας ἰδιοτης en dus ook van
zijne kennis, wil en macht en van al zijne deugden, Athan. c. Ar. III
59-67. Greg. Naz. Or. III 6 sq. Cyrillus Alex. de trin. II. Hilarius,
de trin. III 4. Augustinus, de trin. XV 20. Lombardus, Sent. I dist.
6. 7. Thomas, S. Th. I qu. 41 art. 2. In de derde plaats wordt daarom
de generatie door de christelijke kerk ook als eene eeuwige beleden.
De Arianen zeiden, dat de Zoon er eerst niet was, ἠν ποτε ὁτε οὐκ ἠν,
beriepen zich vooral op het ἐκτισε, creavit van Spr. 8:22, cf. boven
bl. 242. en wezen op de antinomie, die er tusschen de begrippen αἰωνιος
en γεννησις bestaat. Maar indien Vader en Zoon dezen hun naam dragen
in metaphysischen zin, gelijk de Schrift onwedersprekelijk leert, dan is
daarmede de generatie ook als eene eeuwige bewezen. Indien de Zoon niet
eeuwig is, is ook God immers niet eeuwig Vader; Hij was dan God voordat
Hij Vader was en is eerst later in den tijd Vader geworden. De loochening
der eeuwige generatie doet dus niet alleen tekort aan de Godheid des
Zoons maar ook aan die des Vaders; zij maakt Hem veranderlijk, berooft
Hem van zijn Goddelijke natuur, ontneemt Hem de eeuwigheid van het
Vaderschap, en laat het onverklaard, hoe God waarlijk en met recht in
den tijd Vader heeten kan, indien de grondslag daarvoor niet eeuwig ligt
in zijne natuur, Athan., de decr. nic. syn. 26 sq. de sent. Dionysii 14
sq. c. Ar. I 12 sq. Basilius, adv. Eun. II 14 sq. de Spir. S. 14 sq.
Greg. Naz. Or. theol. III 3 sq. Maar die generatie is dan ook in waren
zin als eene eeuwige op te vatten. Zij is niet eens in de eeuwigheid
afgeloopen en volbracht, maar zij is eene eeuwige, onveranderlijke, en
dus tegelijk eeuwig voltooide en eeuwig voortgaande daad Gods. Gelijk
de zon het licht uitstraalt, en de bron het water uitstroomt, zoo is
de generatie eigen aan de natuur des Vaders. De Vader was nooit en is
nooit zonder generatie. Hij genereert altijd. ¡Οὐχι ἐγεννησεν ὁ πατηρ τον
υἱον και ἀπελυσεν αὐτον ὁ πατηρ ἀπο της γενεσεως αὐτου, ἀλλ’ ἀει γεννᾳ
αὐτον, Orig. in Jerem. hom. IX 4, de princ. I 2, 2. Gods genereeren is
spreken en zijn spreken is eeuwig, Θεου αιδιον το γεννημα. Athan. c. Ar.
I 14. 20. IV 12. de sent. Dion. 15. 16. Damascenus, de fide orth. I 8.
Aug. de trin. VI 1. Thomas, S. Theol. I qu. 42 art. 2. Polanus, Synt.
theol. III c. 4. Voetius, Disp. V 632. Synopsis pur. theol. VIII 11.
Scholten, L. H. K. II 207.
20. De derde persoon in de triniteit draagt den naam van den H. Geest,
en zijne personeele eigenschap is de ἐκπορευσις, πνοη, processio,
spiratio. De leer des H. Geestes is in de christelijke theologie altijd
slechts in het gevolg van de leer des Zoons behandeld. Bij den tweeden
persoon liep de strijd schier uitsluitend over zijne Godheid; zijne
persoonlijkheid stond over het algemeen vast. Maar bij den H. Geest werd
de strijd voornamelijk gevoerd over zijne persoonlijkheid; indien deze
erkend werd, volgde zijne Godheid van zelve; met de Godheid des Zoons
moest ook die van den H. Geest worden aangenomen. De Pneumatomachen
van vroeger en later tijd brachten echter tegen de persoonlijkheid en
Godheid des H. Geestes allerlei bezwaren in. Zij beriepen er zich op,
dat de naam God nooit in de Schrift aan den H. Geest wordt toegekend,
dat er van zijne aanbidding nergens sprake is, en dat Hij telkens wordt
voorgesteld als eene kracht en eene gave Gods; de enkele plaatsen, die
van Hem als een persoon spreken, moesten als personificaties worden
opgevat. Nu verklaarde Gregorius van Nazianz het groote verschil van
gevoelen, dat er in zijn tijd over den H. Geest bestond, daaruit, dat
het O. Test. den Vader duidelijk had geopenbaard maar minder duidelijk
den Zoon, en dat het N. Test. de Goddelijke natuur des Zoons wel in
helder licht had gesteld, maar de Godheid des H. Geestes nog slechts
duister aangeduid had. Nu echter woont de H. Geest onder ons en maakt
zich klaar aan ons bekend, Orat. V. Hierin ligt eene onmiskenbare
waarheid. De persoonlijkheid en de Godheid des H. Geestes staan niet
zoo objectief buiten en tegen ons over, als die van den Vader en den
Zoon. De naam, dien Hij draagt, drukt die persoonlijkheid niet uit,
gelijk die van Vader en Zoon. De oeconomie des H. Geestes, n.l. de
heiligmaking, teekent zich niet zoo helder voor ons bewustzijn af als
die van schepping, vleeschwording en voldoening. Wij leven zelven in
die oeconomie, de H. Geest woont in ons en onder ons, en daarom richt
zich het gebed minder tot Hem dan tot den Vader en tot den Middelaar.
Hij is veelmeer de auteur dan het voorwerp des gebeds. Daarom was de
persoonlijkheid of althans de Godheid des H. Geestes langen tijd in de
kerk in geschil. Het religieus belang dezer leer werd in den eersten
tijd niet gevoeld. De Geest werd gewoonlijk wel in zijne persoonlijkheid
erkend maar alleen beschouwd als Geest, die in het verledene zijn werk
had verricht, de profeten en apostelen had verlicht en Christus had
toegerust en bekwaamd tot zijn ambt. De noodzakelijkheid der gratia
interna werd nog niet ingezien; er was nog geen bewuste, levendige
behoefte aan eene almachtige, Goddelijke werking der genade in het
hart; de unio mystica, de gemeenschap tusschen God en den mensch,
werd nog niet in haar diepte gepeild; de objectieve openbaring Gods
in Christus scheen voldoende, en eene subjectieve illuminatie werd
nog niet noodig geacht, cf. boven 251v. Zoodra de gemeente dieper
haar eigen leven indacht en zich rekenschap trachtte te geven niet
alleen van de objectieve maar ook van de subjectieve principia des
heils, beleed zij met vreugde de persoonlijkheid en de Godheid des H.
Geestes. En zoo is het alle eeuwen door gegaan. De loochening van het
persoonlijk bestaan en de Goddelijke natuur van den H. Geest komt altijd
bewust of onbewust uit een rationalistisch, pelagiaansch, deistisch
principe voort; ze hoort thuis in den kring der Arianen, Socinianen,
Remonstranten enz. Hieruit blijkt ook terstond, dat de belijdenis van de
persoonlijkheid en Godheid des H. Geestes niet voortgekomen is uit de
philosophie maar uit het hart der christelijke religie zelve, uit het
geloof der gemeente. Er is met haar evenals met de Godheid des Zoons
een diep religieus belang, er is met haar de christelijke religie zelve
gemoeid. Dit staat toch op grond der Schrift ontwijfelbaar vast, dat de
H. Geest het subjectieve principe is van alle heil, van wedergeboorte,
geloof, bekeering, heiligmaking enz., dat er m. a. w. geen gemeenschap
is met Vader en Zoon dan in en door den H. Geest. En nu één van beide:
de H. Geest is een schepsel, hetzij dan eene kracht, eene gave, een
persoon, òf waarachtig God. Indien Hij een schepsel is, dan kan Hij ons
niet inderdaad en in der waarheid God zelf, den Vader en den Zoon met
al hunne weldaden deelachtig maken; dan kan Hij niet het principium zijn
van het nieuwe leven in den Christen en in de gansche gemeente; dan is
er geen waarachtige gemeenschap van God en mensch, dan blijft God boven
en buiten ons, en woont Hij niet in de menschheid in als in zijn tempel.
Maar een schepsel is de H. Geest niet en kan Hij niet zijn. Want Hij staat
in dezelfde verhouding tot den Zoon als deze tot den Vader, en maakt
ons den Zoon en den Vader deelachtig, cf. boven 248. Hij is even nauw
aan den Zoon verbonden als deze aan den Vader. Hij is in den Zoon, en
deze is in Hem. Hij is ἰδιον κατ’ οἰσιαν του υἱου. Hij is de Geest der
wijsheid en der waarheid, der kracht en der heerlijkheid, de Geest, door
wien Christus de gemeente heiligt en in wien Hij haar zichzelven en al
zijne weldaden, de θεια φυσις, de υἱοθεσια, de unio mystica met God
deelachtig maakt. Hij, die ons God zelven schenkt, moet zelf waarachtig
God wezen. Bij dit soteriologisch belang komt dan nog de theologische
beteekenis van de persoonlijkheid en Godheid des H. Geestes. Zonder
deze komt het niet tot eene waarachtige eenheid van Vader en Zoon;
wie de Godheid des H. Geestes loochent, kan die van den Zoon niet
staande houden; eerst in den Goddelijken persoon des H. Geestes sluit
de triniteit zich af, komt de eenheid des wezens in de drieheid der
personen en de drieheid der personen in de eenheid des wezens tot
stand. Met de Godheid des H. Geestes staat en valt het gansche dogma
der triniteit, het mysterie des Christendoms, het hart der religie,
de waarachtige, wezenlijke gemeenschap onzer zielen met God. Dit werd
door de kerkvaders begrepen en daarom hebben zij met de Godheid des
Zoons ook die des Geestes verdedigd, cf. Athanasius in zijne brieven
aan Serapion, Gregorius Naz. in zijne oratio theol. de Spiritu Sancto,
Basilius in zijn derde boek tegen Eunomius en in zijn Liber de Spiritu
Sancto, Gregorius Nyss., vooral in zijn schrijven aan Ablabius, Hilarius,
de trinitate libri XII enz. Het Symbolum Constant. I sprak het geloof
uit εἰς το πνευμα το ἁγιον, το κυριον, το ζωοποιον, το ἐκ του πατρος
ἐκπορευομενον, το συν πατρι και υἱῳ συμπροσκυνουμενον και συνδοξαμενον,
το λαλησαν δια των προφητων. En sedert belijdt de gansche Christenheid
haar geloof εἰς τριαδα ὁμοουσιον, Basilius bij Hahn, Bibl. der Symbole
und Glaubensregeln der alten Kirche³ 1897 S. 270.
21. De relatie, waarin de H. Geest staat tot Vader en Zoon, wordt door
zijn naam το πνευμα ἁγιον en tevens door vele verba, gegeven, gezonden,
uitgestort, geblazen worden, uitgaan, nederdalen enz. eenigermate
bekend gemaakt, bl. 246. De christelijke theologie duidde haar aan
als προβολη, ἐκπορευσις, ἐκφοιτησις, πνοη, προιεναι, προκυπτειν,
προχεισθαι, processio, spiratio enz. Liefst werd zij als eene πνοη,
spiratio gedacht. De Schrift gaf daar grond voor, als zij den H. Geest
רוּחַ, πνευμα noemde en meermalen met adem en wind vergeleek, Ps.
33:6, Job 33:4, Joh. 3:8, 20:22, Hd. 2:2 enz. Maar overigens nam de
theologie hier bij de omschrijving der spiratie bescheidenheid in acht.
Evenals de generatie moest ze gedacht worden als eeuwige mededeeling
des zelfden wezens; ook moest ze van de generatie onderscheiden zijn,
wijl de generatie aan den Zoon en de spiratie aan den H. Geest het leven
in zichzelven gaf, Athan. ad Serap. I 15 sq. Greg. Naz. Or. theol. V 7
sq. Basilius, de Spir. S. 46 sq. Damascenus, de fide orthod. I 8; maar
men gevoelde de moeilijkheid van nadere bepalingen. Augustinus zeide:
quid autem inter nasci et procedere intersit de illa excellentissima
natura loquens, explicare quis potest? Non omne quod procedit,
nascitur; quamvis omne procedat quod nascitur. Sicut non omne quod
bipes est homo est, quamvis bipes sit omnis qui homo est. Haec scio.
Distinguere autem inter illam generationem et hanc processionem nescio,
non valeo, non sufficio, c. Maxim. III 14. de trin. XV 17. 20. Tract.
99 in Joann. enz. Toch werd er wel naar eenig onderscheid gezocht. En
dit werd dan daarin gevonden, dat de Zoon alleen van den Vader uitging,
maar de H. Geest van beiden, August, de trin. XV 26, of daarin dat Hij
van Vader en Zoon uitging ut datus, non ut natus, August. de trin. V
14 Petavius, de trin. VIII c. 13. Vooral werd er echter op gewezen,
dat de H. Geest daarom niet de Zoon des Zoons kon zijn, omdat dan de
trias een πληθος ἀπειρον zou worden en er geen einde zou komen aan de
levensbeweging in het wezen Gods, Basilius, adv. Eunom. V. De H. Geest
is δι’ ἑαυτου συμπληρουν την πολυυμνητον και μακαριαν τριαδα, Basilius,
de Sp. S. 45. De triniteit is voor geen vermeerdering en voor geen
vermindering vatbaar, zij is τελεια, Athan. c. Ar. I 18. Wel antwoordt
Augustinus eenmaal op de bedenking der Arianen, dat de Vader machtiger
was dan de Zoon, indien alleen de eerste een Zoon kon genereeren door
wien alles geschapen werd: absit autem ut, quomodo putas, ideo sit
Pater potentior Filio, quia creatorem genuit Pater, Filius autem non
genuit creatorem. Neque enim _non potuit_ sed _non oportuit_. Maar hoe
dit te verstaan zij, wordt in het onmiddellijk volgende opgehelderd.
Immoderata enim esset divina generatio, si genitus Filius nepotem
gigneret Patri.... nec impleretur generationis series, si semper alter
ex altero nasceretur, nec eam perficeret ullus, si non sufficeret
unus, c. Maxim. Arian. III 12. In illa vero essentia trinitatis nullo
modo alia quaelibet persona ex eadem essentia potest exsistere, de
trin. VII 6. Thomas, S. Theol. I qu. 27 art. 5. Eindelijk werd vooral
door Thomas en de zijnen het onderscheid tusschen generatie en spiratie
alzoo aangegeven, dat de generatie plaats had per modum intellectus, de
spiratie per modum voluntatis. Dit onderscheid was reeds lang daardoor
voorbereid, dat de generatie vergeleken werd bij het denken en spreken,
en de H. Geest werd voorgesteld als de liefde, die Vader en Zoon met
elkander verbindt. In de Middeleeuwsche en Roomsche theologie werd
deze onderscheiding schier algemeen, Thomas, S. Theol. I qu. 27. c.
Gent. IV 13. 15 sq. Bonaventura, Brevil. I c. 3. Thomas, Bonav. e.a. in
Sent. I dist. 13. Petavius, de trin. VII c. 13 enz. De Protestantsche
theologen namen wel allen een zeker onderscheid aan tusschen generatie
en spiratie evenals tusschen Zoon en Geest; ze erkenden ten deele ook
wel de juistheid der bovengenoemde onderscheidingen, Melanchton, Loci
Comm., de Filio. Alsted, Theol. schol. p. 137. 145. Maresius, Syst.
Theol. III 28; maar velen durfden hier toch niet zoo zeker spreken
en achtten deze onderscheiding niet schriftuurlijk en niet bescheiden
genoeg, Quenstedt, Theol. did. polem. I 387 sq. Hollaz, Examen theol.
p. 341. Zanchius, Op. I 255. Voetius, Disp. V 139. Synopsis pur. theol.
IX 14. Moor I 791.
22. Toch ontwikkelde zich allengs in de leer der triniteit een
aanmerkelijk verschil tusschen het Oosten en Westen. De ontologische
processie van den Zoon uit den Vader werd in de tweede eeuw opgevat
als eene eeuwige generatie; en zoo moest ook voor den H. Geest, die
toch niet los naast Vader en Zoon kon blijven staan, eene soortgelijke
processie worden aangenomen. De relatie van den Geest tot Vader en Zoon
moest worden vastgesteld. Athanasius leerde te dien aanzien, dat de H.
Geest beide Geest des Vaders en des Zoons of van Christus heet, dat
Hij diezelfde ἰδιοτης, ταξις, φυσις, in betrekking tot den Zoon bezit
als de Zoon tot den Vader, Ep. ad Serap. I 21. III 1. Hij wordt gezegd
van den Vader uit te gaan, ἐκπορευεσθαι, omdat Hij van den Logos, παρα
του λογου, die uit den Vader is, gezonden en gegeven wordt, ib. I 20.
Als ἐκπορευμα des Vaders, is de H. Geest altijd in de handen van den
Vader, die Hem zendt en den Zoon die Hem draagt, en kan van Hen niet
gescheiden worden, Expos. fidei 4. de sent. Dionys. 17. Hij is niet de
broeder of zoon des Zoons, maar is de Geest des Vaders, gelijk de Zoon
zoon des Vaders is, Ep. ad Serap. I 16. IV 3. Maar al wordt Hij niet
Zoon genoemd, Hij is toch niet ἐκτος του υἱου, want Hij heet de Geest der
wijsheid en van het kindschap; als wij den Geest hebben, hebben wij den
Zoon en omgekeerd. Waarom echter de een Zoon en de ander Geest heet, is
onbegrijpelijk, maar alzoo leert de Schrift, ib. IV 4. 5. Hij is εἰκων
του υἱου, ib. I 24. 26. IV 3, met den Zoon vereenigd, ἡνωμενον, gelijk
de Zoon met den Vader, ib. I 31. Athanasius leert dus zeer duidelijk
eene afhankelijkheid des Geestes van den Zoon maar spreekt toch niet
uit, dat Hij uitgaat van den Vader en den Zoon. De drie Cappadociërs
spreken in denzelfden geest; zij leeren duidelijk, dat de H. Geest tot
den Zoon staat als de Zoon tot den Vader, dat Hij in orde op den Zoon
volgt, dat de Geest ons den Zoon en den Vader schenkt, dat Hij uitgaat
van den Vader en na en met den Zoon gedacht wordt, dat Hij is uit den
Vader door den Zoon, δια υἱου, en dat alleen ἡ προς ἀλληλα σχεσις aan
de drie personen elk een eigen naam schenkt, Greg. Naz. Or. theol. V
9. Basilius, adv. Eun. III 1. sq. de Sp. S. V. enz.; maar de uitgang
de Geestes van den Zoon wordt door geen hunner uitgesproken. Men kan
ook niet zeggen, dat deze door hen geloochend of bestreden werd, want
deze vraag was toen nog niet aan de orde gekomen. Vandaar, dat er bij
Greg. Nyss., Epiphanius, Dydimus, Cyrillus e. a. ook wel uitdrukkingen
voorkomen, die den uitgang des H. Geestes ook uit den Zoon schijnen te
leeren. Ze gebruiken de praeposities παρα en ἐκ; zeggen, dat de H.
Geest alles uit Christus neemt, en dat Christus de bron is van den H.
Geest, Joh. 7:38; ze spreken uit, dat Hij is uit het wezen des Vaders en
des Zoons en dat Hij ἰδιον της οὐσιας υἱου, het beeld, de mond, de adem
des Zoons is; ze erkennen, dat Hij de derde persoon is, bestaande na den
Zoon en alles van den Vader door den Zoon ontvangt enz., Petavius, de
trin. VII c. 3-7. Maar de ontwikkeling der triniteitsleer nam in het
Oosten toch eene andere richting dan in het Westen. Cyrillus leerde
tegen Nestorius, die Christus afhankelijk maakte van den H. Geest en
zoo de orde der personen omkeerde, geheel in overeenstemming met de
grieksche patres, dat de Geest uitging van den Vader door den Zoon,
δια του υἱου, bij Schwane, D. G. II 204. Damascenus zegt evenzoo, dat
de Geest ook Geest des Zoons is, wijl Hij door Hem is geopenbaard en
medegedeeld; dat Hij van, ἐκ, den Vader uitgaat δια του υἱου; maar hij
verwerpt uitdrukkelijk, dat Hij is uit den Zoon en uit Hem zijn bestaan
heeft, Zoon en Geest worden herleid tot ééne oorzaak, εἰς μιαν αἰτιαν
ἀναφερονται, de fide orthod. I 8. 12. En dit is de leer der grieksche
kerk gebleven, Conf. orthod. qu. 9. 71. Schaff, Creeds of Christ. II
282. 350. Het Oosten bleef bij de theologie der patres staan. Het
Westen ging echter verder. Tertullianus was reeds begonnen, om de
triniteit niet uit den Vader maar uit het wezen Gods af te leiden, en
hij zeide ook al: spiritum non aliunde puto quam a Patre per filium,
adv. Prax. c. 4. 25. Hilarius stelt den Geest in dezelfde verhouding
tot den Zoon als den Zoon tot den Vader, en zegt, dat de Geest van den
Vader uitgaat en van den Zoon gezonden en uitgedeeld wordt, ja den
Zoon tot auctor heeft, de trin. II 4. VIII 20. Maar vooral Augustinus
ging boven de grieksche patres uit. Hij vat de drie personen op als
relaties in de ééne, eenvoudige Godheid en moest den Geest daarom
in relatie stellen niet alleen tot den Vader maar ook tot den Zoon.
Duidelijk leert Augustinus dan ook, dat H. Geest in verhouding staat,
refertur, tot Vader en tot Zoon, dat Hij is ineffabilis quaedam patris
filiique communio. In de namen Vader en Zoon ligt wel is waar alleen de
wederkeerige relatie uitgedrukt en niet die tot den Geest; onze taal
is er te arm toe. Maar de Geest heet toch eene gave des Vaders en des
Zoons. Hij heeft beide tot principium; fatendum est patrem et filium
principium esse spiritus sancti. Maar deze zijn dan geen twee principia,
evenmin als Vader, Zoon en Geest drie principia der schepping zijn.
Neen, Vader en Zoon zijn unum principium van den Geest. De Zoon heeft
ook dit, dat Hij mede den Geest van zich doet uitgaan, van den Vader
ontvangen; want de Zoon kan in niets van den Vader onderscheiden zijn
dan daardoor dat Hij Zoon is, de trin. V 11-15. XV 17. 26. de Symb. II
9. Deze leer van den uitgang des H. Geestes wordt dan na Augustinus
gevonden in het symbool der synode van Toledo ± 400, in den brief van
Leo I aan Turribius, in het Athanasianum n. 22, en in het symbool van
de derde synode van Toledo 589, die het filioque inlaschte in den tekst
van het Constantinopolitanum, Denzinger n. 98. 113. 136. De kerk en de
theologie in het Westen volgde Augustinus, en nam het filioque telkens
weer tegen het Oosten in bescherming, Denzinger, n. 224. 242. 294. 355.
382. 385. 586. 598. 868. 873. Alcuinus, de processione Sp. S. Anselmus,
de processione Sp. S. Lombardus, Sent. I dist. 11. Thomas, S. Theol. I
qu. 36. Petavius, de trin. VII; en de Reformatie sloot zich hierbij aan.
Maar het Oosten bleef in weerwil van alle pogingen tot overeenstemming
op het oude standpunt staan, tot zelfs op de conferentie der
Oud-Katholieken te Bonn in 1875 toe, Harnack, D. G. II 275 f. 285 f.
Schwane, Dogm. II 198 f. III 146 f. Schaff, Creeds of Christ. II
545 sq. De vruchteloosheid van al deze pogingen is te opmerkelijker,
omdat het verschil zoo gering schijnt te zijn. De Grieken leeren niet
subordinatiaansch en erkennen de volle homoousie der drie personen;
zij stellen den H. Geest ook wel ter dege in eene zekere relatie tot
Christus, die Hem zendt en uitdeelt; zij hebben er ook geen bezwaar
in, om te zeggen dat Hij van den Vader uitgaat door den Zoon, δια του
υἱου, per filium. Omgekeerd heeft de Westersche kerk uitgesproken, dat
de uitgang van Vader en Zoon niet verstaan mocht worden als van twee
principia uitgaande en in twee spirationes bestaande maar als ex uno
principio en unica spiratione, Denzinger n. 382. 586. Paus Leo erkende,
dat de opname der uitdrukking filioque in het oude symbool formeel
onjuist was, Schwane II 209; zelfs de formule ex patre per filium vond
als zoodanig in het Westen geen bezwaar, Denzinger, 586. 868. Schaff,
Creeds II 552. En toch is geen overeenstemming verkregen. De Grieken
behielden altijd het eene groote bezwaar, dat, als de H. Geest ook
uitging van den Zoon, er in de Godheid twee principia, twee αἰτιαι
kwamen. Dat wijst terug op eene andere leer van God en op eene andere
practijk der godzaligheid. De bestrijding van het filioque is in de
grieksche kerk nog het laatste overblijfsel van het subordinatianisme.
Hoezeer de drie personen ook volkomen één en gelijk worden gedacht, die
eenheid en gelijkheid komt aan Zoon en Geest slechts toe uit den Vader.
Deze is πηγη και ἀρχη της θεοτητος. Indien de H. Geest dus ook uitgaat
van den Zoon, komt deze naast den Vader te staan, en wordt het beginsel
der eenheid gebroken en een soort van ditheisme gehuldigd. Voor de
Grieken ligt de eenheid des wezens en de wortel der triniteit niet in
de Goddelijke natuur als zoodanig maar in den persoon des Vaders. Hij is
de eenige αἰτια. De drie personen zijn geen drie relatiën in het wezen,
geen zelfontvouwing der Godheid, maar de Vader is het, die zijn wezen
meedeelt aan Zoon en Geest. Maar daaruit volgt, dat Zoon en Geest nu
ook naast elkander komen te staan en beiden op gelijke wijze hun αἰτια,
hun principium hebben in den Vader. In beiden openbaart zich de Vader.
De Zoon doet Hem kennen, de Geest doet Hem genieten. De Zoon openbaart
den Vader niet in en door den Geest, de Geest leidt niet tot den Vader
door den Zoon. Maar beiden zijn tot op zekere hoogte zelfstandig; beiden
openen een weg tot den Vader. Orthodoxie en mysticisme, verstand en
wil staan dualistisch naast elkaar. En deze eigenaardige verhouding van
orthodoxie en mysticisme is het kenmerk der grieksche vroomheid. De
leer staat buiten, boven het leven; zij dient alleen voor het hoofd; zij
is een geschikt object voor theologische speculatie. Daarnaast is er
eene andere bron voor het leven in de mystiek des Geestes; deze welt
niet op uit de kennis maar heeft haar eigen oorsprong, en voedt het
gemoed. Hoofd en hart staan niet in de rechte verhouding; voorstelling
en aandoening zijn totaal gescheiden; de ethische verbinding
ontbreekt. Cf. deel I 70. Harnack D. G. II 285 f. Kattenbusch, Vergl.
Confessionskunde I 318 f. Schmid, Symbolik S. 30 f. K. Müller, Symbolik
220.
23. Deze immanente verhoudingen der drie personen in het Goddelijk
wezen treden ook naar buiten in hunne openbaringen en werken. Wel
zijn alle opera ad extra aan de drie personen gemeenschappelijk eigen.
Opera Deitatis ad extra sunt indivisa, servato ordine et discrimine
personarum. Het is altijd de ééne en zelfde God, die in schepping en
herschepping optreedt. Maar in die eenheid wordt de orde der drie
personen bewaard. De ontologische triniteit spiegelt zich ook in de
oeconomische af. En daarom worden aan elk der drie personen bijzondere
eigenschappen en werken toegeschreven, niet met uitsluiting der beide
andere personen, gelijk Abaelard meende, Introd. ad theol. I c. 7-14,
maar zoo dat daarin de orde uitkomt, welke ook in de ontologische
triniteit tusschen de personen bestaat. Deze eigenschappen zijn hun
dus niet propriae maar appropriatae, en de H. Schrift gaat daarin
voor, boven bl. 238. 240. Met beroep op Mt. 28:19 en 1 Cor. 8:6 zegt
Hilarius, dat de Vader is de auctor, uit wien alles is; de Zoon, de
Eengeborene, door wien alles is; en dat de H. Geest eene gave in allen
is. Er is dus ééne macht, één zoon, ééne gave. Niets ontbreekt aan
deze volmaaktheid. In den Vader is de aeternitas, in den Zoon is de
species in imagine, in den Geest is de usus in munere, de trin. II 1.
Hilarius kent deze eigenschappen aan de drie personen toe, omdat de
Vader de ἀρχη is en zonder principium; de Zoon het beeld des Vaders,
die Hem openbaart in zijne heerlijkheid; de H. Geest eene gave van Vader
en Zoon, die ons de gemeenschap met God deelachtig maakt. Augustinus
maakte hiertegen eenig bezwaar, de trin. VI 10 en gaf het onderscheid
anders aan: in Patre unitas, in Filio aequalitas, in Spiritu Sancto
unitatis aequalitatisque concordia; et tria haec unum omnia propter
Patrem, aequalia omnia propter Filium, connexa omnia propter Spiritum
Sanctum, de doctr. christ. I 5. In zijn werk de trinitate ontwikkelde hij
deze distinctie nog breeder. Hier schrijft hij aan den Vader de macht,
aan den Zoon de wijsheid, aan den H. Geest de goedheid of liefde toe.
Dit mag echter niet zoo verstaan worden, dat de Vader eerst wijs en goed
werd door de wijsheid des Zoons en de goedheid des H. Geestes. Want
Vader, Zoon en Geest zijn allen dezelfde Goddelijke natuur en dezelfde
Goddelijke eigenschappen deelachtig. Maar toch is het geoorloofd, de
genoemde eigenschappen in oeconomischen zin aan de drie personen toe te
kennen, de trin. VII 1 sq. XV 7. Latere theologen namen deze distinctie
over, Erigena, de div. nat. I 13. Thomas, S. Theol. I qu. 39 art. 7. 8.
Bonaventura, Brevil. I c. 6. Sent. I dist. 31 art. 1 qu. 3 en art. 2
qu. 3. Hugo Vict. de Sacr. I pars 3 c. 27.
Daaraan beantwoordt ook een oeconomisch onderscheid in de opera ad
extra. Deze zijn wel alle wezenswerken, maar elk der drie personen
neemt daarbij toch die plaats in, welke beantwoordt aan de orde van zijn
bestaan in het Goddelijk wezen. De Vader werkt van zichzelven door den
Zoon in den Geest. De H. Schrift duidt dit onderscheid duidelijk aan in
de zoogenaamde praepositiones distinctionales ἐκ, δια en ἐν, 1 Cor.
8:6, Joh. 1:3, 14; de dikwerf hiervoor bijgebrachte tekst Rom. 11:36
is niet trinitarisch in te deelen, en Col. 1:16 is slechts schijnbaar
in strijd met dit gebruik der praeposities. Men zag dit onderscheid,
dat de Schrift tusschen de drie personen maakt, reeds vroeg in en
wees er met nadruk op, Iren. adv. haer. V 18. Athanasius beroept zich
meermalen op Ef. 4:6 en zegt dat God als Vader is boven allen, en als
Zoon door allen en als Geest in allen, en dat de Vader alle dingen
schept en herschept door den Zoon in den Geest, Ep. ad Serap. I 14.
28. II 6. 7. Basilius werd aangeklaagd, omdat hij in zijn gebed nu eens
den Vader dankte μετα του υἱου συν τῳ πνευματι τῳ ἁγιῳ en dan weer
δια του υἱου ἐν τῳ ἁγιῳ πνευματι. Hij verdedigt in zijn geschrift de
Spiritu Sancto de eerste uitdrukking, omdat Zoon en Geest ééns wezens
zijn met den Vader en daarom dezelfde eere moeten ontvangen en spreekt
breedvoerig over het onderscheid der praeposities, de Sp. S. 3 sq.
Tegen de Arianen betoogt hij, dat de ongelijke praeposities niet de
ongelijkheid der personen bewijzen, maar eene bepaalde orde aanduiden
in hun bestaan en werkzaamheid. De Vader is de αἰτια προκαταρκτικη,
de Zoon de αἰτια δημιουργικη, de Geest de αἰτια τελειωτικη, de Spir.
S. n. 21. 22. 38. Deze zelfde onderscheiding keert bij alle latere
theologen terug, cf. ook Schelling, Werke II 3 S. 341 f. Alle werken
Gods naar buiten hebben één principium, nl. God, maar ze komen tot
stand door de cooperatie der drie personen, die zoowel in de werken
der schepping als in die der verlossing en der heiligmaking een eigen
plaats innemen en een eigen taak vervullen. Alles gaat uit van den
Vader, wordt volbracht door den Zoon, en voltooid in den H. Geest. Ja,
tot op zekere hoogte worden ook de werken naar buiten onder de drie
personen verdeeld. Gregorius van Nazianz verklaarde, gelijk boven reeds
gezegd is, het groote verschil van meening over den H. Geest in zijn tijd
daaruit, dat deze eerst door zijne inwoning in de gemeente zich duidelijk
bekend maakte, Orat. theol. V 26. Er is door het pantheisme in zijne
verschillende vormen van de waarheid, door Gregorius uitgesproken,
veel misbruik gemaakt. Telkens is van Montanus af tot Hegel toe de
meening opgekomen, dat de drie personen drie successieve perioden
vertegenwoordigden in de geschiedenis der kerk. Daardoor werd de
oeconomische triniteit losgemaakt van haar metaphysischen grondslag,
het wezen Gods neergetrokken in den stroom van het worden en de
kosmogonie omgezet in eene theogonie. Het is juist de strijd der patres
geweest, om in de christelijke theologie dit paganistisch, pantheistisch
element uit te bannen, God als den Zijnde los te maken uit de evolutie
van het worden, en de triniteit dus op te vatten als eene eeuwige
levensbeweging in het Goddelijk wezen zelf. Ook Gregorius van Nazianz
leert in bovengenoemde woorden niet, dat de Godheid des Zoons en des H.
Geestes eerst later is geworden; hij tracht beide zoo beslist mogelijk
uit de Schrift te bewijzen. Maar God is wel in zijne zelfopenbaring te
rade gegaan met de vatbaarheid der menschen. Het was gevaarlijk, zoo
zegt Gregorius t. a. p., om zoolang de Godheid des Vaders nog niet werd
erkend, die des Zoons te leeren, en de Godheid des H. Geestes ons als
het ware op te leggen, zoolang die des Zoons nog niet werd beleden.
Hij heeft ons niet willen overladen met spijze en niet in eens door het
volle licht der zon onze oogen willen verblinden. Alle werken naar
buiten, schepping, onderhouding, regeering, vleeschwording, voldoening,
vernieuwing, heiligmaking enz. zijn werken der gansche triniteit. Maar
desniettemin wordt in oeconomischen zin de schepping meer bepaald aan
den Vader, de verlossing aan den Zoon, de heiligmaking aan den H. Geest
toegeschreven. Gelijk in de ontologische triniteit de Vader in orde de
eerste is, en de Zoon de tweede en de H. Geest de derde; zoo is ook
in de historie der openbaring de Vader gegaan vóór den Zoon en deze
wederom vóór den H. Geest. De oeconomie des Vaders was inzonderheid
die des O. Testaments, Hebr. 1:1; de oeconomie des Zoons begon met
de vleeschwording; en de oeconomie des H. Geestes trad in met den
Pinksterdag, Joh. 7:39, 14:15. De Vader komt van zichzelven, maar de
Zoon komt niet dan gezonden door den Vader, Mt. 10:40, Mk. 9:37, Luk.
9:48, Joh. 3:16, 5:23, 30, 37, 6:38v. enz., en wederom komt de H.
Geest niet, dan gezonden door beiden, Joh. 14:26, 16:7, August. tract.
VI in Joann., de trin. II 5. IV 20. Lombardus, Sent. I dist. 14-17.
Thomas, S. Theol. I qu. 43. Petavius, de trin. VIII c. 1. Maar deze
zending in den tijd is eene afspiegeling van de immanente verhouding
der drie personen in het wezen Gods, en heeft haar grondslag in de
generatie en spiratie. De vleeschwording des Woords heeft haar eeuwige
archetype in de generatie des Zoons, en de uitstorting des H. Geestes
is zwakke analogie van de processie uit Vader en Zoon. Daarom besloten
de kerkvaders uit de relatiën, die er tusschen de drie personen in den
tijd voor der menschen oog zich vertoonden, tot hunne eeuwige immanente
verhoudingen. En dit volkomen terecht. Want zegt Augustinus, de Zoon
kan niet daarom gezonden heeten omdat hij vleesch geworden is, maar Hij
is en heet gezonden, opdat Hij vleesch worden zou. Er is door den Vader
niet in den tijd een woord gesproken, dat de eeuwige Zoon gezonden
zou worden. Sed utique in ipso Dei verbo quod erat in principio apud
Deum et Deus erat, in ipsa scilicet sapientia Dei sine tempore erat,
quo tempore illam in carne apparere oporteret. Itaque cum sine ullo
initio temporis in principio esset verbum, et verbum esset apud Deum et
Deus esset verbum; sine ullo tempore in ipso verbo erat, quo tempore
verbum caro fieret et habitaret in nobis. Quae plenitudo temporis cum
venisset, misit Deus filium suum, factum ex muliere, id est, factum
in tempore, ut incarnatum verbum hominibus appareret, quod in ipso
verbo sine tempore erat, in quo tempore fieret. Ordo quippe temporum
in aeterna Dei sapientia sine tempore est. Cum itaque hoc a patre et
filio factum esset, ut in carne filius appareret, congruenter dictus
est missus ille qui in ea carne apparuit, misisse autem ille qui
in ea non apparuit. Quoniam illa quae coram corporeis oculis foris
geruntur, ab interiore apparatu naturae spiritalis existunt; propterea
convenienter missa dicuntur. En ditzelfde geldt van de zending des H.
Geestes. Facta est enim quaedam creaturae species ex tempore in qua
visibiliter ostenderetur spiritus sanctus.... Haec operatio visibiliter
expressa et oculis oblata mortalibus missio Spiritus Sancti dicta est,
non ut ita appareret ejus ipsa substantia, qua et ipse invisibilis
et incommutabilis est sicut pater et filius, sed ut exterioribus
visis hominum corda commota a temporali manifestatione venientis ad
occultam aeternitatem semper praesentis converterentur, de trin. II
c. 5 cf. Petavius, de trin. VIII c. 1 § 7-12. De H. Geest was reeds
gave, voordat Hij aan iemand geschonken werd. Quia sic procedebat ut
esset donabile, jam donum erat et antequam esset cui daretur. Aliter
enim intelligitur cum dicitur donum, aliter cum dicitur donatum. Nam
donum potest esse et antequam detur, donatum autem nisi datum fuerit,
nullo modo dici potest, ib. V c. 15. De zending in den tijd staat dus
in het nauwst verband met de eeuwige processie in het Goddelijk wezen.
En terwijl nu Zoon en Geest in vleeschwording en uitstorting onder
zichtbare gedaante verschenen zijn, voltooit zich deze hunne zending in
hun onzichtbaar komen in de harten aller geloovigen, in de gemeente des
Zoons, in den tempel des H. Geestes. De Zoon en de Geest zijn eeuwiglijk
uitgegaan van den Vader, opdat Hij zelf door en in Hen zou komen tot zijn
volk en God ten slotte wezen zou alles in allen.