op voor de leer van den wil Gods. Gelijk God en wereld onderscheiden
zijn en daarom de wil Gods voor ons in propensio in se en in creaturas
uiteenvalt, zoo is er ook in de wereld onder de schepselen weer
allerlei onderscheid. En dat onderscheid rust op eene verschillende
relatie, waarin God zich met zijn wezen, zijn kennen en willen,
tot de schepselen stelt. God wil niet alles op dezelfde wijze, in
denzelfden zin, met dezelfde energie van zijn wezen; dan toch zou er
geen verscheidenheid onder de schepselen mogelijk zijn, dan ware alles
een eenvormig eenerlei. Maar terwijl Hij alle creaturen wil propter
se ut media, wil Hij deze meer dan gene, naar de mate als zij meer
rechtstreeksche en geschikte media zijn tot zijne verheerlijking. God
is een Vader voor al zijne schepselen, maar Hij is het in bijzonderen
zin voor zijne kinderen. Zijne genegenheid tot alwat Hij schiep, staat
beneden die tot de gemeente, en tot deze beneden die tot Christus,
den Zoon zijns welbehagens. Er wordt eene providentia generalis,
specialis en specialissima onderscheiden. En zoo ook maken wij in den
wil Gods, die zich richt op de schepselen, weer zooveel onderscheid
als er schepselen zijn. Want even rijk als die gansche wereld is de
voluntas Dei libera. Deze is dus niet te denken als eene indifferente
potentie, als eene blinde kracht, maar als rijke, volle, levende,
Goddelijke ενεργεια, sprinkader van al dat rijke leven, dat de schepping
ons te aanschouwen geeft. Maar nu is er in die wereld één ding, dat
voor de leer van den wil Gods bijzondere moeilijkheid baart, en dat is
het kwade, beide als malum culpae en als malum poenae, in ethischen
en in physischen zin. Het kwade moge nog zoozeer onder Gods bestuur
staan, het kan toch niet in denzelfden zin en op dezelfde wijze object
van zijn wil zijn als het goede. Met het oog op die gansch verschillende
en lijnrecht tegenover elkander staande objecten moeten wij in den wil
Gods zelven weer onderscheid maken. De Schrift gaat ons daarin voor.
Er is een groot verschil tusschen den wil Gods, die ons voorschrijft,
wat wij te doen hebben, Mt. 7:21, 12:50, Joh. 4:34, 7:17, Rom. 12:2,
en den wil Gods, die zegt, wat Hij doet en doen zal, Ps. 115:3, Dan.
4:17, 25, 32, 35, Rom. 9:18, 19, Ef. 1:5, 9, 11, Op. 4:11. De bede,
dat Gods wil geschieden moge, Mt. 6:10, heeft een gansch anderen zin
dan het kinderlijk berustende: Uw wil geschiede, Mt. 26:42, Hd. 21:14.
En zoo zien we in de historie telkens dien wil Gods in tweeërlei zin
optreden. God beveelt Abraham zijn zoon te offeren en laat het toch niet
geschieden, Gen. 22. Hij wil dat Pharao Israel late trekken en verstokt
toch zijn hart, dat hij alzoo niet doe, Ex. 4:21. Hij laat aan Hizkia
aanzeggen, dat hij sterven zal en voegt toch vijftien jaren aan zijn
leven toe, Jes. 38:1, 5. Hij verbiedt den onschuldige te veroordeelen
en toch is Jezus overgegeven naar den bepaalden raad en voorkennis
Gods, Hd. 2:23, 3:18, 4:28. God wil de zonde niet, Hij is verre van
goddeloosheid, Hij verbiedt en straft ze strengelijk, en toch bestaat
ze en staat ze onder zijn bestuur, Ex. 4:21, Joz. 11:20, 1 Sam. 2:25,
2 Sam. 16:10, Hd. 2:23, 4:28, Rom. 1:24, 26, 2 Thess. 2:11 enz. Hij
wil aller zaligheid, Ezech. 18:23, 32, 33:11, 1 Tim. 2:4, 2 Petr.
3:9, en ontfermt zich toch, wiens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil,
Rom. 9:18. Reeds spoedig kwam in de theologie de onderscheiding op
tusschen dezen tweeërlei wil Gods. Tertullianus spreekt al van een
verborgen, hoogeren en een lageren of minderen wil, de exhort. 2 sq.
Augustinus wijst er op, dat God zijn goeden wil menigmaal volbrengt door
den kwaden wil der menschen, Enchir. c. 101. Later kreeg deze tweeërlei
wil den naam van voluntas εὐδοκιας, beneplaciti, arcana, decernens,
decretiva en voluntas εὐαρεστιας, signi, revelata, praecipiens. De
naam voluntas signi is daaraan ontleend, dat deze wil ons significat
quid Deo gratum sit et nostri sit officii en door ons gekend wordt uit
de vijf signa: praeceptio, prohibitio, consilium, permissio, operatio.
Door de scholastiek in den breede uitgewerkt, Lombardus, Sent. I
dist. 45. Hugo Victorinus, de Sacram. Lib. 1 Pars 4. Id. Summa Sent.
tract. 1 cap. 13. Thomas, S. Theol. I qu. 19 art. 11, 12 enz., werd
ze door de Roomsche theologie algemeen overgenomen, Petavius, de Deo
lib. V c. 4, 6, Theol. Wirceb. III 160. Perrone, II 199. C. Pesch,
Prael. dogm. II 156 enz. Maar met bijzondere voorliefde werd ze toch
behandeld in de Geref. theologie, Calv. Inst. I c. 18 § 3, 4. Musculus,
Loci Comm. p. 978 sq. Martyr, Loci Comm. p. 63 b. sq. Ursinus, Tract.
theol. p. 237 sq. Zanchius, Op. II 251 sq. Polanus, Synt. theol. II
c. 19 enz. cf. Schweizer, Gl. der ev. ref. K. I 359-368. Heppe, Dogm.
der ev. ref. K. 68 f. Daarnaast kwamen nog andere onderscheidingen
van den wil Gods, vooral die in voluntas antecedens en consequens,
welke reeds bij Tertullianus, adv. Marc. II 11, Chrysostomus, Ep. ad.
Eph. 1:5 en Damascenus, de fide orth. II c. 29 voorkomt, en die in
voluntas absoluta en conditionata, efficax en inefficax, die al bij
Augustinus gevonden wordt, Enchir. c. 102 sq. de civ. XXII c. 1 en 2.
Ook deze onderscheidingen kunnen goed worden verstaan, in dezen zin
nl. dat God antecedenter en conditionate vele dingen wil, b. v. de
zaligheid aller menschen, die Hij toch consequenter en absolute niet
wil en daarom niet geschieden laat. Zanchius t. a. p. zegt dan ook dat
al deze onderscheidingen op hetzelfde neerkomen; en evenzoo oordeelen
Hyperius, Meth. theol. p. 155-159. Walaeus, Op. I 180. Voetius, Disp. V
88. enz. Maar ofschoon Luther in zijn boek de servo arbitrio zeer scherp
onderscheid had gemaakt tusschen den Deus absconditus en revelatus,
de Lutheranen verwierpen deze onderscheiding in voluntas beneplaciti
en signi, althans in calvinistischen zin, Gerhard, loc. 2 c. 8 sect.
15. Baier, Comp. theol. pos. I c. 1 § 22. Buddeus, Instit. theol.
dogm. II c. 1 § 29. De Arminianen volgden dat voorbeeld, Episcopius,
Instit. theol. IV sect. 2 c. 21. Limborch, Theol. Christ. II c. 9
§ 9. En de Roomsche theologen behielden de onderscheiding nog wel in
naam bij, maar verklaarden haar zoo, dat de wil Gods altijd was voluntas
beneplaciti, verdeeld in voluntas antecedens en consequens en dat de
voluntas signi niets was dan eene gedeeltelijke openbaring van dien wil,
Theol. Wirceb. III 160. C. Pesch, Prael. II 156. Kleutgen, Theol. d.
Vorz. I 564 f. Zoo is het geschied, dat eenerzijds de Roomschen enz.
eigenlijk alleen de onderscheiding in voluntas antecedens en consequens
(absoluta en conditionata) hebben behouden, en de Gereformeerden
alleen die in voluntas beneplaciti en signi (decernens en praecipiens,
arcana en revelata) met verwerping van die der voluntas antecedens en
consequens, Maccovius, Collegia theol. disp. 1-8. Nic. Gurtler, Instit.
theol. 1732 cap. 3 § 105. Moor I 576. Mastricht, Theor. pract. theol.
II c. 15 § 24 en 27 sq. Turretinus, Theol. El. III qu. 15, 16. Het
verschil komt hierop neer, dat de Roomschen, Lutherschen, Remonstranten
enz. uitgaan van de voluntas signi; deze is de eigenlijke wil, daarin
bestaande, dat God de zonde niet wil maar alleen wil toelaten, dat
Hij aller zaligheid wil, aan allen de genade aanbiedt enz.; en als de
mensch dan beslist heeft, schikt God zich daarnaar, bepaalt Hij wat Hij
wil, de zaligheid van wie gelooft, het verderf van wie niet gelooft. De
voluntas consequens volgt op de beslissing van den mensch, en is niet
de eigenlijke, wezenlijke wil Gods maar de handeling Gods naar aanleiding
van het gedrag van den mensch. Daarentegen gingen de Gereformeerden
uit van de voluntas beneplaciti en hielden deze voor den eigenlijken,
wezenlijken wil Gods; die wil gaat altijd door, bereikt steeds zijn doel
en is eeuwig en onveranderlijk; de voluntas signi daarentegen is het
voorschrift Gods, in wet en evangelie, dat geldt als regel voor ons
gedrag.
Nu is het de doorgaande leer der Schrift, beide in 0. en N. Test.,
dat de wil van God eeuwig, onveranderlijk, onafhankelijk, krachtdadig
is. Niet nu en dan wordt dit uitgesproken, bijv. Ps. 33:11, 115:3,
Dan. 7:25, Jes. 46:10, Mt. 11:26, Rom. 9:18, Ef. 1:4, Op. 4:11 enz.
maar de gansche Schrift getuigt daarvan; alle deugden Gods eischen
dit; de gansche historie van kerk en wereld levert daarvoor bewijs. En
dienovereenkomstig leerde de christelijke theologie, vooral sedert
Augustinus, dat de wil Gods eenvoudig, eeuwig, onveranderlijk is, wijl
hij één is met zijn wezen, Aug. Conf. XII 15. De voluntas antecedens
is eigenlijk geen wil in God, magis potest dici velleitas quam
absoluta voluntas, Thomas, S. Th. I qu. 19 art. 6. De voluntas signi
heet maar in metaphorischen zin in God voluntas, sicut cum aliquis
praecipit aliquid, signum est quod velit illud fieri, ib. art. 11.
De eigenlijke wil in God is de voluntas beneplaciti, en deze is met
Gods wezen één, is onveranderlijk en wordt altijd volbracht, ib. art.
6 en 7. c. Gent. I 72 sq. Lombardus, Sent. I dist. 45-48 en de comm.
Thomas, Bonaventura e.a. Het pelagianisme heeft deze lijn ten onrechte
verlaten, en eene machtelooze begeerte, een onvervulden wensch in
God tot wil verheven. Daarmede heeft het aan heel ’t wezen, aan alle
deugden Gods te kort gedaan. Want indien de velleitas de eigenlijke
en wezenlijke wil van God is, dan wordt Hij van zijne almacht, wijsheid,
goedheid, onveranderlijkheid, onafhankelijkheid enz. beroofd; heel
het wereldbestuur wordt dan aan zijne voorzienigheid onttrokken; een
onverzoenbaar dualisme wordt er geschapen tusschen Gods bedoeling en
het resultaat der wereldgeschiedenis; de uitkomst is dan voor God eene
eeuwige teleurstelling; het wereldplan is mislukt, en Satan viert
aan het einde triumf. Nu beweert het pelagianisme wel, dat het zoo
handelt in het belang van Gods heiligheid, en dat het deze beter dan
Paulus en Augustinus, dan Thomas en Calvijn handhaaft, omdat God in hun
stelsel de auteur der zonde wordt. Maar dit is niet meer dan schijn;
de zonde blijft op het standpunt van Pelagius even onverklaarbaar als
op dat van Augustinus; ja, de heiligheid komt hier veel beter tot
haar recht. Want het is meer in overeenstemming met de Schrift en
heel het christelijk geloof, aan te nemen, dat God de zonde om wijze,
schoon voor ons onbekende redenen, in zekeren zin gewild heeft, dan
dat Hij, ze in geen enkel opzicht willende, toch duldt en toelaat. Dit
laatste toch komt juist zijne heiligheid en almacht te na, cf. later in
de leer van de zonde. Daarbij komt, dat de Schrift, schoon theologisch
de voluntas beneplaciti vooropstellende, toch tevens in de voluntas
signi handhaaft, hoe en op wat wijze Hij de zonde niet wil. In de signa
van verbod, vermaning, waarschuwing, kastijding, straf enz. daalt Hij
tot ons af, en zegt Hij wat Hij van ons verlangt. Omdat de mensch een
redelijk, zedelijk wezen is, handelt God met hem niet als met een stok
en een blok, maar spreekt en handelt met hem overeenkomstig zijn aard.
Gelijk een vader aan een kind het gebruik van een scherp mes verbiedt,
en toch zelf het zonder schade hanteert, zoo verbiedt God aan zijne
redelijke schepselen de zonde, die Hijzelf toch gebruiken kan en werkelijk
gebruikt tot verheerlijking van zijn naam. De voluntas beneplaciti en
de voluntas signi strijden daarom ook niet met elkaar, gelijk de gewone
tegenwerping luidt. Want vooreerst is de voluntas signi eigenlijk niet
de wil van God, maar slechts zijn bevel en voorschrift, dat geldt als
regel voor ons gedrag. In de voluntas signi zegt Hij niet, wat _Hij_
doen zal; zij is geen wet voor _zijn_ handelen; zij schrijft niet voor,
wat God moet doen; maar Hij zegt daarin, wat _wij_ hebben te doen; zij
is een regel voor _ons_ gedrag, Deut. 29:29. Zij heet dus slechts in
metaphorischen zin voluntas Dei. Wel wordt hiertegen ingebracht, dat
de voluntas signi toch alzoo heet, wijl zij is een signum voluntatis in
Deo, en dus met zijne voluntas beneplaciti moet overeenstemmen. Ten
tweede zij daarom opgemerkt, dat dit ook inderdaad zoo is; de voluntas
signi is een aanduiding van hetgeen God wil, dat wij zullen doen. De
voluntas beneplaciti en de voluntas signi staan niet lijnrecht tegenover
elkaar, zoodat God naar de eerste de zonde wel en naar de tweede de
zonde niet wil, naar de eerste niet aller zaligheid wil en naar de
tweede wel enz. Ook naar de voluntas beneplaciti toch schept God geen
behagen in de zonde, zij is geen voorwerp van zijn welgevallen, Hij plaagt
niet uit lust tot plagen. En omgekeerd wil Hij evenmin naar de voluntas
signi als naar de voluntas beneplaciti, dat _alle_ menschen, hoofd
voor hoofd, zalig worden; dat kan met het oog op de historie door
niemand in ernst worden geleerd; feitelijk wordt het _allen_ in 1 Tim.
2:4 door iedereen tot een grooteren of kleineren kring beperkt. Beide
staan zoo weinig tegenover elkaar, dat de voluntas signi juist de weg
is, waarin de voluntas beneplaciti wordt volbracht. In den weg van
vermaningen en waarschuwingen, verboden en bedreigingen, voorwaarden en
eischen voert God zijn raad uit. En de voluntas beneplaciti handhaaft
alleen, dat de mensch, Gods gebod overtredende, geen enkel oogenblik
van God onafhankelijk wordt, maar in datzelfde moment den raad Gods
dient en een zij het ook onwillig instrument wordt van zijn glorie.
Niet de voluntas signi alleen, maar ook de voluntas beneplaciti
is heilig en wijs en goed, en zal juist in den weg der wet en der
gerechtigheid aan het einde als zoodanig openbaar worden. Daarom, ten
slotte, dient de onderscheiding van beide ook te worden gehandhaafd.
Het is het probleem van recht en feit, van idee en historie, van het
zedelijke en het werkelijke, van wat behoort te geschieden en van wat
inderdaad geschiedt, dat ons hier tegemoet treedt. Wie de voluntas
signi loochent, doet te kort aan de heiligheid Gods, aan de majesteit
der zedewet, aan den ernst der zonde. Wie daarentegen de voluntas
beneplaciti ontkent, komt in strijd met de almacht, de wijsheid, de
onafhankelijkheid, de souvereiniteit Gods. Op beide standpunten loopt
men gevaar, om òf met een oppervlakkig optimisme de oogen voor de
werkelijkheid te sluiten, en al het werkelijke redelijk te noemen òf met
een eenzijdig pessimisme het bestaan te vervloeken en te wanhopen aan
wereld en lot. Het theisme echter zoekt geen oplossing in het schrappen
van een van beide termen van het probleem, maar erkent en handhaaft ze
beide; het ziet de lijnen van het redelijke en werkelijke ieder oogenblik
in de geschiedenis elkander snijden en kruisen; het leidt beide terug
tot de souvereiniteit Gods en heeft van deze de hooge gedachte, dat zij
ook door het onredelijke en zondige heen haar heiligen en wijzen raad tot
uitvoering zal brengen tot glorie van des Heeren naam. Hierin komt toch
schitterend uit zijne Goddelijke souvereiniteit, dat Hij in der menschen
dwaasheid zijne wijsheid, in hun zwakheid zijne kracht, in hun zonde zijne
gerechtigheid en genade verheerlijkt.
18. De souvereiniteit Gods openbaart zich ten slotte in zijne almacht,
die echter na het reeds gezegde minder uitvoerige behandeling behoeft.
In de Schrift wordt nooit en nergens aan de macht Gods een grens
gesteld. Reeds in de namen El, Elohim, El Schaddai, Adonai treedt het
denkbeeld van macht op den voorgrond. Voorts heet Hij אֵל גָּדוֹל
וְנוֹרָא, voor wiens aangezicht niemand kan bestaan, Deut. 7:21v.,
אָבִיר יִשׂרָאֵל, Jes. 1:24, הָאֵל הַגָּדוּל הַגִּבּוֹר,
wiens naam is Ihvh Zebaoth, Jer. 32:18, אַמִּיץ כֹּחַ Job 9:4,
כַּבִּיר, Job 36:5, עִזּוּז וְגִבּוֹר, Ps. 24:8, אָדוֹן,
κυριος, Mt. 11:25, Op. 1:8, 22:5, d. i. de Heer, de Eigenaar, de
Heerscher, die autoriteit en opperhoogheid bezit; de Koning, die
in eeuwigheid over alle dingen regeert, Ex. 15:18, 29:10, 93-99, 2
K. 29:15, Jer. 10:7, 10 enz., maar vooral Koning is over Israel en
als zoodanig het regeert, beschermt en tot de zaligheid leidt, Num.
23:21, Deut. 33:5, Richt. 8:23, 1 Sam. 8:7, Ps. 10:16, 24:7, 48:3,
74:12, Jes. 33:22, 41:21, 43:15 enz., en evenzoo in het N. T. de μεγας
βασιλευς, Mt. 5:33, 1 Tim. 1:17, de βασιλευς των βασιλευοντων και
κυριος των κυριευοντων, 1 Tim. 6:15, cf. Op. 19:16; παντοκρατωρ, 2 Cor.
6:18, Op. 1:8, 4:8, 11:17; μονος δυναστης, 1 Tim. 6:15; die beide de
ἐξουσια, ἀρχη, potestas, het recht, het gezag en de bevoegdheid, Mt.
28:18, Rom. 9:21 en de δυναμις, κρατος, potentia, de geschiktheid en
de macht tot handelen, Mt. 6:13, Rom. 1:20 bezit. Maar voorts blijkt
de almacht Gods uit al zijne werken. De schepping, de onderhouding, de
verlossing van Israel uit Egypte, de natuur met hare ordinantiën, de
geschiedenis van Israel met hare wonderen prediken luide en duidelijk
de almacht Gods. Psalmisten en profeten komen op deze groote daden
telkens terug en wenden ze aan tot vernedering voor den hoogmoedige en
tot troost voor den geloovige. Hij is sterk van vermogen, Jes. 40:26,
schept aarde en hemel, Gen. 1, Jes. 42:5, 44:24, 45:12, 18, 48:13,
51:13, Zach. 12:1, handhaaft hunne ordinantiën, Jer. 5:22, 10:10,
14:22, 27:5, 31:35, formeert regen en wind, licht en duisternis, het
goede en het kwade, Am. 3:6, 4:13, 5:8, Jes. 45:5-7, 54:16. Hij maakt
stom en sprekend, dood en levend, redt en verderft, Ex. 4:11, Deut.
32:39, 1 Sam. 2:6, 2 Kon. 5:7, Ex. 15, Deut. 26:8, 29:2, 32:12, 1 Sam.
14:6, Hos. 13:14, Mt. 10:28, Luk. 12:20. Hij heeft volstrekte macht over
alle dingen, zoodat niets Hem kan weerstaan, Ps. 8, 18, 19, 24, 29,
33, 104 enz. Job 5:9-27, 9:4v., 12:14-21, 34:12-15, 36:37. Niets is
Hem te wonderlijk, alle dingen zijn Hem mogelijk, Gen. 18:14, Zach. 8:6,
Jer. 32:27, Mt. 19:26, Luk. 1:37, 18:27; Hij kan uit steenen Abraham
kinderen verwekken, Mt. 3:9. Hij doet al zijn welbehagen, Ps. 115:3, Jes.
14:24, 27, 46:10, 55:10, en niemand kan Hem dagvaarden, Jer. 49:19,
50:44. En bovenal komt zijne δυναμις uit in de werken der verlossing,
in de opwekking van Christus, Rom. 1:4. Ef. 1:20, in de werking en
versterking des geloofs, Rom. 16:15, Ef. 1:19, in de uitdeeling der
genade boven bidden en denken, Ef. 2:20, 2 Cor. 9:8, 2 Petr. 1:3, in
den opstanding ten jongsten dage, Joh. 5:25v. enz. En deze macht Gods
is eindelijk ook de bron van alle macht en gezag, van alle kracht en
sterkte in de schepselen. Van Hem is de heerschappij des menschen, Gen.
1:26, Ps. 8, het gezag der overheid, Spr. 8:15, Rom. 13:1-16, de
krachts zijns volks, Deut. 8:17, 18, Ps. 68:36, Jes. 40:26 v. de sterkte
des paards, Job 39:22, het geweld des donders, Ps. 29:4, 68:34 enz. In
één woord, zijns is de sterkte. Ps. 62:12, en Hem komt toe de kracht en
de sterkte, Ps. 96:7, Op. 4:11, 5:12, 7:12, 19:1.
Geheel in overeenstemming met hunne leer over den wil en de vrijheid
Gods, cf. boven bl. 210v. omschreven nu de nominalisten de almacht
Gods zóó, dat God door haar alles kan wat Hij wil niet alleen, maar
ook alles willen kan. Onderscheidende tusschen de potentia absoluta
en ordinata, oordeelden zij, dat God naar gene ook zondigen, dwalen,
lijden, sterven, een steen of een dier worden kon, brood in het lichaam
van Christus kon veranderen, tegenstrijdige dingen kon doen, hetgeen
geschied was ongedaan kon maken, valsch kon maken wat waar was en waar
wat valsch was enz. Naar zijne potentia absoluta is God dus louter
willekeur, zuivere potentie zonder eenigen inhoud, die niets is en
alles worden kan, cf. Chamier, Panstr. Cath. II l. 2 c. 3 § 5. Voetius,
Disp. I 411, 427. Principieel is dit het standpunt van allen, die het
primaat van den wil huldigen, en daarom is dit gevoelen later telkens
teruggekeerd en komt het niet alleen in het Christendom maar ook onder
andere godsdiensten, vooral bij den Islam, voor. Aan de andere zijde
staan zij, die zeggen, dat God alleen kan wat Hij wil en dat Hij, hetgeen
Hij niet wil, ook niet kan. Het mogelijke valt met het werkelijke saam.
Wat geen werkelijkheid wordt, is ook niet mogelijk. God heeft zijne macht
ten volle uitgeput in de wereld. Dit was reeds de meening van Plato en
Plotinus, Zeller, Philos. d. Gr. II 928 V 496 f., en voorts van enkele
kerkvaders, Petavius, de Deo V c. 6, maar werd in de Middeleeuwen
vooral geleerd door Abaelard, Deus non potest facere aliquid praeter
ea quae facit, Introd. theol. III c. 5. En zoo oordeelden later de
Cartesiaansche theologen, Burmannus, Synopsis I c. 21 § 24, 26 c. 25
§ 10, 11. Braun, Doctr. foed. I 2 c. 3 § 7 sq. Wittichius, Theol. pacif.
§ 199 sq. voorts Spinoza, Cogit. metaph. II c. 9. Eth. I prop. 16, 17.
Schleiermacher, Gl. § 54. Strauss, Gl. I 582 f. Schweizer, Chr. Gl. I
246 f. Nitzsch, Ev. Dogm. 403-406. Hoekstra, Wijsg. Godg. II 112 v. enz.
De Schrift veroordeelt zoowel het eene als het andere standpunt. Zij
zegt ter eene zijde uitdrukkelijk, dat God vele dingen niet kan; Hij kan
niet liegen, geen berouw hebben, niet veranderen, niet verzocht worden,
Num. 23:19, 1 Sam. 15:29, Hebr. 6:18, Jak. 1:13, 17, ἀρνησασθαι γαρ
ἑαυτον οὐ δυναται, 2 Tim. 2:13; zijn wil is immers met zijn wezen één,
en de potentia absoluta, die de macht Gods losmaakt van zijne andere
deugden, is niets dan eene ijdele en ongeoorloofde abstractie. Aan
den anderen kant verklaart de Schrift even beslist, dat het mogelijke
veel verder zich uitstrekt dan het werkelijke, Gen. 18:14, Jer. 32:27,
Zach. 8:6, Mt. 3:9, 19:26, Luk. 1:37, 18:27. En hieraan hield zich
de christelijke theologie. Augustinus zegt eenerzijds, dat Gods wil en
macht niet van zijn wezen onderscheiden zijn. Homo aliud est quod est,
aliud quod potest.... Deus autem cui non est aliud substantia ut sit,
et alia potestas ut possit, sed consubstantiale illi est quidquid ejus
est et quidquid est, quia Deus est, non alio modo est et alio modo
potest; sed esse et posse simul habet, quia velle et facere simul
habet, tract. 20 in Ev. Joan. n. 4. Conf. XI 10, XII 15. Wel bestaat
Gods almacht daarin, dat Hij kan wat Hij wil, certe non ob aliud vocatur
omnipotens, nisi quoniam quidquid vult potest, de civ. XXI 7. Maar God
kan niet alles willen, Hij kan zichzelf niet verloochenen. Quia non vult
non potest, quia et velle non potest. Non enim potest justitia velle
facere quod injustum est, aut sapientia velle quod stultum est, aut
veritas velle quod falsum est. Unde admonemur Deum omnipotentem non
hoc solum, quod ait apostolus: negare se ipsum non potest, sed multa
non posse.... Deus omnipotens non potest mori, non potest mutari, non
potest falli, non potest fieri, non potest vinci, Serm. 214. Maar dan
verder betoogt Augustinus, dat dit geen gebrek aan macht is, maar
juist ware, volstrekte almacht. Het zou juist onmacht zijn, wanneer Hij
dwalen, zondigen kon enz. Serm. 213, 214, de civ. V 10. Vooral heldert
Augustinus dat op in betrekking tot de stelling, die dikwerf tegen de
almacht Gods wordt ingebracht, dat God het gedane niet ongedaan kan
maken. Deze uitspraak kan toch tweeërlei zin hebben. Vooreerst kan men
er mee bedoelen, dat God het feit, dat geschied is, te niet doet; maar
dit is geen zin, want een feit, dat geschied is, is niet meer en kan
niet en behoeft niet te niet worden gedaan. Maar ten tweede kan men
er mee bedoelen, dat God het feit, dat geschied is, in het menschelijk
bewustzijn ongedaan make, zoodat dit nu meenen gaat dat het niet is
geschied. Maar ook dit heeft geen zin, want God die de waarheid is
zou dan wat waar is onwaar moeten maken. Andere theologen hebben in
gelijken zin over Gods almacht gesproken en hebben slechts herhaald
wat Augustinus gezegd had. Lombardus, Sent. I dist. 42-44. Thomas, S.
Theol. I qu. 25. S. c. Gent. II c. 6-10. Bonaventura, Breviloquium
I c. 7. Petavius, de Deo V c. 7. Gerhard, II c. 8 sect. 9. Buddeus,
Instit. theol. dogm. II c. 1 § 30. Musculus, Loci Comm. p. 952 sq.
Polanus, Synt. theol. II c. 29. Zanchius, Op. II 159 sq. Voetius, Disp.
I 403 sq. V 113 sq. Alsted, Theol. schol. did. p. 93-96. Mastricht,
Theor. pract. theol. II c. 20. Chamier, Panstr. Cath. II l. 2 c. 1-3.
Leydecker, Fax Veritatis p. 163 sq. 233 sq. enz. Bepaaldelijk werd
door de Geref. theologen de onderscheiding in potentia Dei absoluta
en ordinata slechts tot op zekere hoogte erkend. De nominalisten
hadden deze misbruikt, om te beweren, dat God naar de eerste alles
doen kon, ook wat met zijne natuur in strijd was, en betoogden daarmede
ook vooral de leer der transsubstantiatie. Daartegen kwam Calvijn op
en hij verwierp zulk een commentum potentiae absolutae als profaan,
Inst. III c. 23 § 1, 5, cf. I 16, 3, II 7, 5, IV 17, 24. Comm. in Jes.
23:9, Luk. 1:18. De Roomschen beschuldigden daarom Calvijn, dat hij de
almacht Gods beperkte en alzoo loochende, Bellarminus, de gratia et
lib. arb. III c. 15. Maar Calvijn ontkende daarom niet, dat God meer kon
doen dan Hij feitelijk deed, maar hij bestreed alleen zulk eene potentia
absoluta, die niet gebonden ware aan zijn wezen en deugden en dus
ook allerlei tegenstrijdige dingen kon doen. Zoo opgevat, in den zin
van Augustinus en Thomas, werd genoemde onderscheiding ook algemeen
door de Geref. theologen aangenomen, Polanus, Synt. theol. II c. 29.
Alsted, Theol. schol. did. p. 96. Heidegger, Corpus theol. III 109.
Synopsis pur. theol. VI 36. Mastricht, II 20, 13. En zoo verstaan, is
deze onderscheiding ook goed te keuren. Het pantheisme zegt wel, dat
God en wereld correlata zijn, en dat God geen eigen zijn en leven, geen
eigen bewustzijn en wil heeft in onderscheiding van de wereld. Maar
het mengt alzoo alles op hopelooze wijze dooreen, en brengt ook in het
denken eene grenzelooze verwarring aan. God en wereld, eeuwigheid en
tijd, oneindigheid en eindigheid, zijn en worden, het mogelijke en het
werkelijke, het noodzakelijke en het toevallige enz., zijn geen woorden
van denzelfden inhoud en dezelfde beteekenis. De wereld is van dien
aard, dat ons denken haar het karakter van contingentie niet ontnemen
kan. De gedachte van haar niet-bestaan sluit niet de minste logische
tegenstrijdigheid in. Er kunnen motieven zijn, waarom God de wereld in
het aanzijn geroepen heeft; de kosmos kan in zijn geheel en in elk zijner
deelen belichaming van Goddelijke gedachten zijn; maar het is onmogelijk,
om het ontstaan der wereld logisch, zonder den wil van een almachtig
God, te verklaren. En daarom blijft er naast het werkelijke een gebied
voor het mogelijke over. God gaat in de wereld niet op, de eeuwigheid
stort zich niet leeg in den tijd, oneindigheid is niet identiek met
de som van al het eindige, de alwetendheid valt niet saam met den
gedachteninhoud der redelijke schepselen. En zoo is de almacht Gods
nog oneindig verheven boven de onbegrensde macht, welke in de wereld
tot openbaring komt. Cf. Weisse, Philos. Dogm. § 499 f. Dorner I 441
f. Ebrard § 179 f. Philippi II³ 59 f. Nitzsch, Ev. Dogm. S. 503-506.
Frank, Syst. d. chr. Wahrheit I² 249 f. Grétillat III 256 s. Hodge I
406 v. Shedd I 358 v.
§ 27. DE PERSONEELE NAMEN GODS.
1. Hooger nog dan in de wezensnamen stijgt Gods openbaring in de nomina
personalia, welke ons de onderscheidingen doen kennen, die er in de
eenheid van zijn wezen bestaan. Deze openbaring begint reeds in het O.
Test. Wel komt zij daar nog niet volledig voor, gelijk de kerkvaders en
latere theologen dikwerf met miskenning van het historisch karakter
der openbaring hebben geleerd; maar evenmin is het juist, dat zij daar
ganschelijk nog niet te vinden zou zijn, zooals na de Socinianen en de
Remonstranten, door Semler, Herder, Doederlein, Bretschneider, Dogm. I⁴
565 f. Hofmann, Schriftbeweis I² 90 f., e. a. werd geleerd, cf. Walch,
Bibl. theol. sel. II 687. Het O. T. doet het trinitarisch bestaan
van God slechts onduidelijk kennen, het is de oorkonde der wordende
triniteitsleer, Petavius, de trin. II c. 7. Lange, Dogm. II 124 f. 148
f. Maar het bevat toch, niet in enkele op zich zelf staande teksten
alleen maar vooral in het organisme zijner openbaring momenten, die
voor de leer der drieëenheid van de hoogste beteekenis zijn. Vooreerst
komt de naam Elohim in aanmerking. Dat deze in zijn pluralisvorm geen
bewijs is voor de triniteit, werd reeds vroeger, bl. 104, opgemerkt.
Maar toch is het opmerkelijk, dat deze naam bij de voorstanders van het
monotheisme om zijn vorm nooit bezwaar heeft ontmoet. Dit is alleen
daaruit te verklaren, dat hij geen reminiscentie aan het polytheisme
bevat, maar de Godheid aanduidt in haar volheid en rijkdom van leven.
De God der openbaring is geen abstracte eenheid, maar de levende,
waarachtige God, die in de oneindige volheid van zijn leven de hoogste
verscheidenheid insluit. Reeds terstond bij de schepping komt dat uit.
Elohim schept door te spreken en door het uitzenden van zijn Geest.
Het woord, dat God spreekt, is geen klank, maar eene kracht, zoo
groot, dat Hij daardoor de wereld schept en onderhoudt; Hij spreekt en
het is er, Gen. 1:3, Ps. 33:6, 9, 147:18, 148:8, Joël 2:11. Dat woord
door God gesproken, van Hem uitgaande en dus van Hem onderscheiden,
wordt later als wijsheid gehypostaseerd in Job 28:23-27, Spr. 8:22 v.
cf. Spr. 3:19, Jer. 10:12, 51:15. Die wijsheid is van eeuwigheid door
God bezeten, bereid, aangesteld, doorzocht, als zijn voedsterling en
werkmeesteres, waardoor Hij alle dingen schiep en onderhoudt. Maar
niet alleen door het woord en de wijsheid, ook door den Geest Gods
komt het werk der schepping en der onderhouding tot stand, Gen. 1:2,
Ps. 33:6, 104:33, 139:7, Job 26:13, 27:3, 32:8, 33:4. Jes. 40:7, 13,
59:19. Terwijl het woord de middelaar is, waardoor God alle dingen in
het aanzijn roept, is het zijn Geest, waardoor Hij immanent is in al het
geschapene, en het alles levend maakt en versiert. Zoo komt reeds
volgens de leer des O. T. in de schepping uit, dat alle dingen hun
ontstaan en voortbestaan danken aan eene drievoudige causa. Elohim en
kosmos staan niet dualistisch naast elkaar, maar de wereld, door God
geschapen, heeft zijn Woord tot objectief, zijn Geest tot subjectief
principe. De wereld is eerst door God gedacht en komt daarom door zijn
almachtig spreken tot stand, en als zij realiteit ontvangen heeft,
staat ze niet buiten en tegen Hem over maar blijft rusten in zijn Geest.
Nog duidelijker komt in het O. T. deze drievoudige oorzaak uit op het
terrein der bijzondere openbaring, in het werk der herschepping. Dan
is het niet meer Elohim alleen, maar Jahveh, die zich openbaart, die
zich kennen doet als den God des verbonds en des eeds, der openbaring
en der geschiedenis. Maar ook als zoodanig openbaart Hij zich niet
rechtstreeks en onmiddellijk, Ex. 33:20. Het is wederom door zijn Woord,
dat Hij zich kennen doet en zijn volk redt en bewaart, Ps. 107:20. En
drager van dat woord der heilsopenbaring is de Malak Ihvh, de Gezant
des Verbonds. Niet altijd, waar de uitdrukking Engel Gods of Engel des
Heeren in het O. T. voorkomt, is aan den angelus increatus te denken,
gelijk Hengstenberg meende. In 2 Sam. 24:16v., 1 Kon. 19:5-7, 2 Kon.
19:35, Dan. 3:25, 28, 6:23, 10:13, hebben we aan een gewonen engel te
denken, evenals ook in Mt. 1:20, 28, Luk. 1:11, 2:9, Hd. 5:19, 8:26,
10:3, 12:7, 23, 27:23, Jud. 9, Op. 12:7. Over andere plaatsen kan er
twijfel bestaan, zooals Num. 22:22v., Jos. 5:13, 14, Richt. 2:1-14,
6:11-24, 13:2-23. Maar in de plaatsen, deel I 250 genoemd, gaat het
subject, dat in den engel des Heeren spreekt en handelt, ver boven
een geschapen engel uit. De kerkvaders vóór Augustinus zagen eenparig
in dezen Engel des Heeren eene theophanie van den Logos, cf. de
aanhalingen bij Trip, Die Theophanien in den Geschichtsbüchern des A.
T. Leiden 1858 S. 20-41. Dikwerf werd deze opvatting echter verbonden
met de meening, dat de Vader eigenlijk onzichtbaar, ongenaakbaar,
onuitsprekelijk is maar dat de Zoon zich kan openbaren en het principe
aller openbaring is; zoo bij Justinus Martyr, Theophilus, Irenaeus,
Tertullianus. Maar deze scheiding en tegenstelling tusschen den Vader
en den Zoon werd door de latere kerkvaders, Athanasius, de drie
Cappadociërs enz. terecht bestreden. De Zoon was waarachtig God en dus
even onzichtbaar als de Vader. Zoo werd de opvatting van Augustinus
voorbereid, die ook de theophanieën Gods in het O. T. altijd door
geschapene engelen bemiddeld dacht, de trin. III 11, de civ. XVI
c. 29. De scholastieke en Roomsche theologen namen gewoonlijk deze
exegese van Augustinus over, Thomas, S. Theol. I qu. 51 art. 2 en 3
ad 5. I 2 qu. 98 art. 3. Sent. II dist. 8 qu. 1 art. 6. Petavius,
de trin. VIII c. 2. Scheeben, Kath. Dogm. I 784 f. C. Pesch, Prael.
dogm. II 245 enz. Luther en Calvijn dachten nu eens aan een geschapen,
dan aan den ongeschapen engel, Trip, 49-58; maar de latere Protest.
uitleggers verstonden die plaatsen meest van den Logos, vooral ook
in tegenstelling met de Socinianen, Remonstranten en Rationalisten,
die er niets dan angelophanieën in zagen. Terwijl Hofmann, Baumgarten,
Delitzsch bij de laatste opvatting zich aansluiten, is de oude opvatting
weer verdedigd door Stier, Hengstenberg, Keil, Kurtz, Ebrard enz.,
ook Philippi, Kirchl. Glaub. II³ 191-196. Het verschil tusschen deze
twee uitleggingen is niet zoo groot als het schijnt. De voorstanders
der oud-kerkelijke opvatting moeten immers erkennen, dat de Logos eene
menschelijke gedaante heeft aangenomen; en Augustinus en de zijnen
moeten toegeven, dat in dien geschapen engel de Logos zich op eene
gansch bijzondere wijze openbaarde, Rivetus bij Trip 65. En daarbij komt,
dat de plaatsen, waar van den engel des Heeren sprake is, niet alle
kunnen opgevat worden in denzelfden zin. Zooveel staat dan ook vast,
dat in den Malak Ihvh, die bij uitnemendheid dien naam draagt, God en
dan bepaaldelijk de Logos op geheel eenige wijze tegenwoordig was. Dat
blijkt duidelijk daaruit, dat Hij, schoon van Jehovah onderscheiden, toch
ook met Hem één is in naam, in macht, in verlossing en zegening, in
aanbidding en eere, deel I 250. Trip, t. a. p. 100 f. Deze exegese
wordt bovendien aanbevolen door heel de O. en N. T. Schrift, Job 33:23,
Ps. 34:8, 35:5, Spr. 8:22v., 30:4, Jes. 9:5, Hos. 12:5, 6, Mich. 5:6,
Zach. 1:8-14, 3:1v., 12:8, Mal. 3:1, Joh. 8:56, 58, cf. Joh. 1:1-5, 1
Cor. 10:4, 9; en Hd. 7:30, 35, 38, Gal. 3:19, Hebr. 2:2 zijn hiermede
niet in strijd. En gelijk Jahveh zich nu bij de herschepping objectief
openbaart door zijn woord, in den Malak Ihvh; zoo doet Hij dit subjectief
in en door zijnen Geest. De Geest Gods is het principe van alle leven
en heil, van alle gaven en krachten binnen het terrein der openbaring;
van moed, Richt. 3:10, 6:34, 11:29, 13:25, 1 Sam. 11:6, van lichamelijke
kracht, Richt. 14:6, 15:14, van kunstvaardigheid, Ex. 28:3, 31:3-5,
35:31-35, 1 Chr. 28:12, van regeerbeleid, Num. 11:17, 25, 1 Sam.
16:13, van verstand en wijsheid, Job 32:8, Jes. 11:2, van heiligheid
en vernieuwing, Ps. 51:13, Jes. 63:10, cf. Gen. 6:3, Neh. 9:20, 1
Sam. 10:6, 9, van profetie en voorspelling, Num. 11:25, 29, 24:2, 3,
Mich. 3:8 enz. In bijzondere mate zal Hij rusten op den Messias, Jes.
11:2, 42:1, 61:1, maar daarna ook uitgestort worden over alle vleesch,
Joel 3:1, 2, Jes. 32:15, 44:3, Ezech. 36:26, 27, 39:29, Zach. 12:10
en allen geven een nieuw hart en een nieuwen geest, Ezech. 36:26, 27.
Over den H. Geest in het O. T.: Kleinert, zur altt. Lehre vom Geiste
Gottes, Jahrb. f. d. Th. 1867 S. 3-60. Oehler, Theol. des A. T.² 178
f. 214 f. Smend, Altt. Religionsgesch. 459 f. Warfield, The Spirit of
God in the Old Test., Presb. and Ref. Rev. Oct. 1895 p. 665-687. Dit
drievoudig Goddelijk principe, dat aan schepping en herschepping ten
grondslag ligt, en heel de oeconomie der O. T. openbaring draagt, wordt
nu enkele malen ook saam vermeld. De drievoudige herhalingen in Dan.
9:19, Zach. 1:3, Jes. 6:3, 33:22 komen hiervoor niet in aanmerking;
alleen de hoogepriesterlijke zegenbede, Num. 6:24-26 wijst in het
drievoudig karakter van haar zegening op een drieërlei openbaring Gods
terug en is zoo het O. T. voorbeeld van den apostolischen zegen, 2
Cor. 13:13. De meervoudsvormen in Gen. 1:26, 27, 3:22, Jes. 6:8 enz.
missen genoegzame kracht, wijl zij op dezelfde wijze als de pluralis
Elohim te verklaren zijn, cf. boven bl. 104. Van meer beteekenis zijn
plaatsen als Gen. 19:24, Ps. 45:8, 110:1, Hos. 1:7, wijl zij op eene
zelfonderscheiding in het Goddelijk wezen wijzen. En het klaarst wordt
eene drievoudige zelfonderscheiding in het Goddelijk wezen aangeduid
in Ps. 33:6, Jes. 61:1, 63:9-12, Hagg. 2:5, 6. Velen hebben vroeger
ook in de drie mannen, die aan Abraham verschenen, Gen. 18, eene
openbaring der triniteit gezien, b. v. Witsius, Oec. foed. IV 3 § 3-8.
Anderen meenden, dat een van de drie de Logos was en de andere twee
gewone engelen waren, b.v. Calvijn, Kantt. Statenvert., Moor I 807.
Veel aannemelijker is echter de exegese van Augustinus, de civ. XVI 29,
volgens wien de drie mannen drie geschapen engelen waren, in wie Jahveh
echter op bijzondere wijze zich openbaarde en tegenwoordig was. Litt.
over de triniteit in het O. T. bij M. Vitringa I 213 sq. 218 sq.
2. Deze gedachten des O. T. zijn in velerlei richting vruchtbaar
geweest. Vooreerst zijn ze overgenomen en verder uitgewerkt in de
apocriefe litteratuur. In de Spreuken van Jezus Sirach neemt de wijsheid
eene breede plaats in. Zij is uit God en vóór alle dingen door Hem
geschapen, en ze blijft bij Hem tot in eeuwigheid. Zij is uitgespreid
over al Gods werken, maar heeft haar rustplaats toch vooral in Zion
en is te vinden in de wet, c. 1:1-40 en cap. 24, cf. ook Baruch, c.
3:9-4:4. Maar verder gaat het boek der Wijsheid, 6:22-9. Hier wordt
de wijsheid zoo gehypostaseerd, dat haar Goddelijke eigenschappen en
werken worden toegeschreven. Zij is duidelijk van God onderscheiden, want
zij is de adem zijner kracht, een uitvloeisel zijner heerlijkheid, een
afschijnsel van zijn licht, 7:25, 26. Maar zij is ook ten innigste met God
verbonden, leeft met Hem mede, is ingewijd in zijne kennis en kiest die
ideeën uit, welke uitgevoerd zullen worden, 8:3, 4. Zij is de παρεδρος
op zijn troon, kent al zijne werken en was bij de schepping der wereld
tegenwoordig, 9:4, 9. Ja, zij is het zelve, die alles schept en regeert
en vernieuwt, 7:27, 8:1, 5. Zij is identisch met Gods Woord, 9:1, 2, cf.
16:12, 18:15, 16 en met zijn Geest, 1:4-7, 9:17, 12:1. Reeds in dit boek
der Wijsheid is de invloed der Grieksche wijsbegeerte merkbaar, vooral
7:22v., maar veel sterker is dit het geval bij Philo. De verhouding Gods
tot de wereld werd reeds onderzocht door Plato. Uit de onderscheiding
en tegenstelling van δοξα en ἐπιστημη leidde Plato af, dat, evenals
gene een zinlijk object in de werkelijkheid, zoo deze een eeuwig en
onveranderlijk zijnde, d. i. eene idee, tot voorwerp moest hebben. Deze
ideeën, ofschoon eigenlijk niets anders dan algemeene begrippen, werden
door Plato verheven tot metaphysische principia, tot eigen substantiën,
tot een soort tusschenwezens, naar welke de δημιουργος den kosmos
gevormd heeft en die dus de παραδειγματα en de αἰτιαι der dingen zijn.
Hoewel Aristoteles deze ideeënleer aan eene scherpe kritiek onderwierp,
is toch de gedachte, dat aan alle dingen een intelligent, geestelijk
principe ten grondslag lag, niet meer uit de grieksche philosophie
verloren gegaan. Vooral de Stoa legde er nadruk op, dat een Goddelijke
rede de grond was van alle verschijnselen. Ze bezigde daarvoor den naam
λογος σπερματικος, omdat alle zijn en leven uit dien logos als uit een
zaad ontkiemt en sprak ook wel in plurali van λογοι σπερματικοι, om
daarmede naast de eenheid ook de verscheidenheid der alles scheppende
natuurkracht aan te duiden, Zeller, Philos. d. Gr. IV³ 159, 160, cf.
140 noot. Zelfs de later zoo veelbeteekenende onderscheiding van
λογος ενδιαθετος en προφορικος is aan de Stoa ontleend, ib. 67 noot.
Deze grieksche leer van de idee, den νους en den λογος was nu reeds
vóór Philo met de leer van het O. T. over het woord en de wijsheid
in verbinding gebracht, Zeller, ib. V 266. Maar toch is het vooral
Philo geweest, die al deze verschillende elementen, Platonische
ideeënleer, Stoische logosleer, Oudtest. wijsheidsleer enz. tot één
stelsel versmolten heeft. Hij gaat daarbij uit van het dualisme van God
en wereld. God is αποιος, onbeschrijfbaar; wij kunnen slechts zeggen,
dat Hij is, niet wat Hij is. Daarom kan Hij ook niet in onmiddellijke
aanraking met de materie staan. Voordat God de zinlijke wereld schiep,
maakte Hij een plan en beeldde Hij in zijn denken den κοσμος νοητος uit,
de ideeën, als παραδειγματα en δυναμεις aller dingen. Deze ideeën
worden nu door Philo voorgesteld als de krachten, waardoor God in de
wereld werken kan, en nu eens meer dan minder beeldrijk, nu eens meer
dan minder persoonlijk beschreven als dienaars, stadhouders, gezanten,
middelaars, als λογοι en krachten, als banden en zuilen, die door Mozes
engelen en door de Grieken daemonen werden genoemd, als gedachten, die
zich bevinden in het Goddelijk denken en ongeschapen en oneindig zijn
als God zelf. Deze ideeën zijn nu ook vele in aantal, maar ze vinden
hun eenheid in den logos, de idee, die alle ideeën, de kracht die alle
krachten, het boek dat alle gedachten in zich bevat, de κοσμος νοητος
zelf. En op dezelfde wijze als de Goddelijke ideeën, zoo wordt ook deze
logos beschreven, nu eens meer als eene eigenschap Gods en één met zijne
wijsheid en dan meer als een wezen, van God onderscheiden. Hij staat als
het ware tusschen God en wereld in en heeft aan beide deel; hij is niet
ongeschapen als God en toch ook niet geschapen als de eindige dingen;
hij is plaatsvervanger, gezant, tolk, stadhouder, engel, werktuig,
beeld, schaduw Gods, ja zijn eerstgeboren zoon, zijn oudste zoon in
onderscheiding van de wereld die zijn jongste zoon is; Philo noemt hem
zelfs God, maar δευτερος θεος. Zeller stelt helder in het licht, dat
de logos bij Philo, evenals de Goddelijke ideeën, dit dubbele karakter
draagt en dragen moet. Hij is een tusschenen daarom een dubbel wezen,
eene eigenschap Gods en toch een persoon, noch identisch met God noch
ook een schepsel als de wereld, eene idee in het denken Gods en eene
kracht in de wereld, heen en weer zwevend tusschen eene onpersoonlijke
eigenschap en eene persoonlijke zelfstandigheid, maar daarom juist
geschikt geacht als middelaar tusschen God en de wereld, cf. Zeller,
Philos. d. Gr. V³ 370-386, en litt. over Philo aldaar 338, daarbij ook
nog Max Heinze, Die Lehre v. Logos in der gr. Philos. 1872. Schürer,
Neut. Zeitgesch. 653 f. Meijer-Weiss, Ev. Joh. 6e Aufl. S. 52 f. Jean
Réville, La doctrine du Logos, Paris 1881. Kuenen, Volksgodsd. en
wereldgodsd. 163 v. Weiszäcker, Das apost. Zeitalter der chr. Kirche
1890 S. 549 f. Hatch, Griechentum and Christentum 1892 S. 129 f.
Schultz, Altt. Theol.⁴ S. 552 f. Kaftan, Das Verhältniss des evang.
Glaubens zur Logoslehre (Gottschick, Zeits. f. Th. u. K. VII 1897 1es
Heft S. 1-27) Anathon Aall, Geschichte der Logosidee in der griech.
Philosophie. Leipzig Reisland 1896. Theol. Stud. v. Dr. Danbanton, XI
1893 2e aflev. In de joodsche theologie is deze leer der tusschenwezens
nog verder ontwikkeld. Als volkomen transcendent kan God niet
onmiddelijk met de schepselen in verbinding treden. Hij heeft daartoe
allerlei tusschenwezens van noode. Als Hij niets anders wil doen dan de
aanwezige krachten in natuur en menschheid leiden, dan bedient Hij zich
van engelen. Maar indien Hij scheppend of herscheppend in de wereld wil
werken, treden er hypostasen op, die ofschoon schepselen zijnde toch
Goddelijke attributen dragen, omdat ze repraesentanten Gods zijn. Zulke
hypostasen zijn Metraton, de μεταθρονος Gods; Memra, het woord Gods;
Schechina, de tegenwoordigheid van Gods heerlijkheid; Bath Kol, de stem
Gods, die openbaringen geeft en orakels verkondigt; Ruach hakkodesch,
de geest die van God uitgaat en hoogere kennis meedeelt, Eisenmenger,
Entdecktes Judenthum, I 265 f. II 393 f. enz. Weber, System der altsyn.
paläst. Theol. 172-189. Herzog² 2, 230 f., 13, 458 f.
3. Hoewel de Spreuken van Jezus Sirach zich nog vrij eng aansluiten bij
de kanonische litteratuur, is er in het boek der Wijsheid, bij Philo en
in de joodsche theologie een invloed der philosophie te bespeuren,
die van de gedachten des O. T. hoe langer hoe verder afdwalen doet.
Vooreerst is er een verschil in beginsel. De leer der tusschenwezens
is bij Philo en de latere joodsche theologie geboren uit de platonische
tegenstelling van God en wereld, waarvan in de O. Test. boeken nog
geen spoor valt op te merken. Het woord en de wijsheid zijn in het
O. T. geen bemiddelende tusschenwezens tusschen God en wereld in,
maar ze staan geheel en al aan de zijde Gods, behooren Hem toe, en
zijn de principia der geschapene wereld. Bij Philo echter nemen de
tusschenwezens eene onmogelijke plaats in: zijn noch God noch schepsel,
noch persoon noch eigenschap, noch zelfstandigheid noch kracht, maar
hebben deel aan beide; ze wisschen de grenslijn uit, die in het O. T.
altijd het schepsel van den Schepper scheidt en bereiden de philosophie
van het gnosticisme en de kabbala voor. In de tweede plaats is er
een niet minder groot verschil in het karakter, dat de leer van het
woord en de wijsheid in de Schrift en dat de leer der tusschenwezens
bij Philo draagt. Bij Philo is de logos in zijne eerste beteekenis gelijk
met de rede, het denken, de gedachte in God en dus als zoodanig Gode
immanent, niets dan een eigenschap. Eerst in zijne tweede beteekenis
wordt die logos tot woord, dat van God uitgaat en eene bemiddelende
plaats tusschen God en wereld inneemt. In het O. Test. is echter
het woord niet eerst rede en gedachte Gods, veel minder een ideaal
wereldbeeld, een κοσμος νοητος, maar het gesproken woord, waardoor Hij
alle dingen schept en onderhoudt. En ook de wijsheid in Job en Spreuken
wordt voorgesteld niet als eene eigenschap Gods, maar persoonlijk als
door God van eeuwigheid bezeten en geordend en bij de schepping aller
dingen geraadpleegd en doorzocht. Ten derde hebben de tusschenwezens
bij Philo en de joodsche theologen geen soteriologische beteekenis. Wel
dienen ze tot verlichting en tot meedeeling van kennis, maar van een
verband tusschen die tusschenwezens en den Messias is geen sprake. Ze
dringen zelfs de leer van den Messias als openbaring der waarheid en
als verwerver des heils op den achtergrond. En nu is het wel waar, dat
ook in het O. T. de verbinding tusschen woord en wijsheid, knecht Gods
en Messias, Malak Ihvh en Davidide, nog niet duidelijk voltrokken wordt.
De lijnen loopen nog naast elkander. Maar ze naderen toch elkaar. Elohim
en Jahveh is dezelfde God. Hij, die als Elohim door Woord en Geest de
wereld schept en onderhoudt, is het ook die als Jahveh door zijn Malak
Israel geleid heeft, door den knecht van Jahveh zijn volk redden en
door den Messias uit Davids huis eeuwiglijk regeeren en hen allen door
zijn Geest vernieuwen en heiligen zal. En deze lijnen, die in het O. T.
hoe langer hoe meer elkander naderen, loopen uit op Hem, die de Logos
is, de profeet, priester en koning, in wien God tot zijn volk komt en
eeuwiglijk onder hen woont. Voor Philo ware eene menschwording van den
logos eene ongerijmde gedachte geweest. In het N. Test. is deze juist
de hoogste openbaring Gods. Eindelijk kan hier nog bijgevoegd, dat de
leer der tusschenwezens bij Philo enz. niet afgewerkt is en geen grens
heeft. Philo brengt wel eenige eenheid in de Goddelijke ideeën door ze
samen te vatten in den logos, maar hetzelfde wat hij van dezen zegt,
spreekt hij ook telkens van alle Goddelijke ideeën uit. In de joodsche
theologie neemt het aantal tusschenwezens hoe langer hoe meer toe. Het
is eene emanatie, als bij de aeonen in het gnosticisme. Het dualisme
wreekt zich ten einde toe. De tusschenwezens brengen geen gemeenschap
tusschen God en wereld tot stand, wijl ze feitelijk geen van beide
zijn. De wereld blijft toch altijd weer buiten en tegenover God staan.
De beteekenis van den Geest Gods wordt niet ingezien. In het O. T.
neemt deze leer des Geestes eene groote plaats in. In de apocriefe
litteratuur, bij Philo en in de joodsche theologie wordt ze schier
geheel verwaarloosd. De Geest is hoogstens alleen nog een Geest van
voorspelling, aan enkelen geschonken, Zeller, V 384, Weber, 184 f.,
maar niet meer de Geest des O. Test., die schepping en herschepping
afsluit en voltooit. Om al deze redenen is er een principieel
onderscheid tusschen de ontwikkeling, die de trinitarische gedachten
des O. T. gevonden hebben in de apocriefe litteratuur, bij Philo en de
Joden, en die, welke eraan gegeven is in het N. Test. Het N. Test.
moge eenige woorden met Philo enz. gemeen hebben en van Christus ook
spreken als λογος, εικων, απαυγασμα, υἱος, θεος enz.; verder gaat de
overeenstemming niet. Het N. T. is in het grieksch geschreven, in de
κοινη διαλεκτος, in de taal die bestond en allerwege gesproken werd.
Het schiep geen nieuwe taal. De gedachten Gods hebben aangenomen het
σαρξ der menschelijke taal. Maar in die woorden heeft God een nieuwen
inhoud gelegd. Er is overeenstemming in vorm, de inhoud verschilt.
Philo en Johannes hebben niet meer dan den naam van Logos gemeen. Meer
en meer wordt dit ingezien en erkend, Harnack, Dogmengesch. I² 85, 99.
Trip, Die Theophanien des A. T. 126-129. Dorner, Entw. der Lehre v. d.
Person Christi I² 30 f. Godet, Comm. sur l’Evang. de Saint Jean I² p.
212-221. Meijer-Weiss, Komm. über das Ev. des Joh. 6e Aufl. S. 50 f.
Weiss, Bibl. Theol. des N. T. 3te Aufl. S. 624. Orr, Christian View of
God and the world 510-512. Cremer, Wörterbuch der neut. Gräcität s. v.
λογος. Cf. ook Max Müller, Theosophie oder Psychol. Religion, Leipzig
Engelmann 1895, 12te Vorlesung.
4. Het N. Test. bevat de zuivere ontwikkeling van de trinitarische
gedachten des O. T. Maar nu treden deze in een veel helderder licht,
niet door abstracte redeneeringen over het wezen Gods, maar door de
zelfopenbaring Gods in verschijning, woord en daad. Even sterk als in
het O., wordt in het N. Test. de eenheid Gods uitgesproken. Er is maar
één wezen, dat God, θεος, Elohim heeten kan, Joh. 17:3, 1 Cor. 8:4,
maar deze ééne, waarachtige God openbaart zich in de oeconomie des
N. T., bepaaldelijk in de feiten van vleeschwording en uitstorting,
als Vader, Zoon en Geest. In die feiten treden geen absoluut nieuwe
principia uit. Het zijn dezelfde, die ook in de schepping en in de
oeconomie des O. T. werkzaam waren. De Vader, die meest in verhouding
tot den Zoon en tot zijne kinderen dezen naam draagt, is dezelfde, die
ook als Schepper aller dingen Vader heeten kan, Mt. 7:11, Luk. 3:38,
Joh. 4:21, Hd. 17:28, 1 Cor. 8:6, Hebr. 12:9; alle dingen zijn uit
Hem, 1 Cor. 8:6. De Zoon, die vooral in zijne geheel eenige verhouding
tot God alzoo genaamd wordt, is dezelfde, die als Logos met den Vader
alle dingen geschapen heeft, Joh. 1:3, 1 Cor. 8:6, Col. 1:15-17, Hebr.
1:3. En de Heilige Geest, die vooral met het oog op zijn werk in de
gemeente zijn naam ontvangen heeft, is dezelfde, die met Vader en Geest
in de schepping alle dingen versiert en voltooit, Mt. 1:18, 4:1, Mr.
1:12, Luk. 1:35, 4:1, 14, Rom. 1:4. Voorts is het de algemeene leer
der N. T. schrijvers, dat deze drie, Vader, Zoon en Geest, geen andere
zijn, dan die ook in de oeconomie des O. T. aan de vaderen in woord en
daad, in profetie en wonder zich hebben geopenbaard. De Oudtest. naam
Jahveh, door κυριος onvoldoende weergegeven, ontvouwt zijn inhoud ten
volle in den N. T. naam πατηρ, boven bl. 113. In den vleeschgeworden
Zoon van God wordt de vervulling gezien van alle Oudt. profetie en
schaduw, van profeet en koning, van priester en offerande, van knecht
Gods en Davidide, van Malak Ihvh en wijsheid. En in de uitstorting
des H. Geestes is tot stand gekomen wat het O. T. had beloofd, Hand.
2:16v. Maar het N. T., hoewel zich aansluitende bij het O. T., blijft
daarbij niet staan; het gaat er ver boven uit. Veel duidelijker dan in
het O. T. treedt nu aan het licht dat de God des Verbonds een drieëenig
God is en zijn moet, dat er drieërlei principe optreedt in het werk
der zaligheid. Niet enkele teksten, maar heel het N. Test. is in
dezen zin trinitarisch. Alle heil en zegen en zaligheid heeft haar
drievoudige oorzaak in God, Vader, Zoon en Geest. We zien deze drie
terstond optreden bij de geboorte van Jezus, Mt. 1:18v., Luk. 1:35 en bij
zijn doop, Mt. 3:16, 17, Mk. 1:10, 11, Luk. 3:21, 22. Jezus’ onderwijs
is geheel trinitarisch. Hij verklaart ons den Vader en beschrijft Hem
als Geest, die het leven heeft van zichzelf, Joh. 4:24, 5:26, en
in geheel eenigen zin zijn Vader is, Mt. 11:27, Joh. 2:16, 5:17. Hij
onderscheidt zichzelf van den Vader, maar is toch zijn eengeboren,
eigen, veelgeliefde Zoon, Mt. 11:27, 21:37-39, Joh. 3:16 enz., één
met Hem in leven, heerlijkheid, macht, Joh. 1:14, 5:26, 10:30. En Hij
spreekt van den H. Geest, die Hem zelf leidt en bekwaamt, Mk. 1:12,
Luk. 4:1, 14, Joh. 3:34, als van een anderen Paracleet, dien Hij van den
Vader zenden zal, Joh. 15:26 en die overtuigen, leeren, in de waarheid
leiden, troosten en eeuwig blijven zal, Joh. 14:16. En vóór hij heengaat,
trekt Jezus dit alles saam in το ὀνομα του πατρος και του υἱου και
του ἁγιου πνευματος, d. i. in den éénen Goddelijken naam, το ὀνομα in
sing., waarin zich toch drie onderscheidene subjecten, ὁ πατηρ, ὁ υἱος
en το πνευμα, allen opzettelijk met het artikel genoemd, openbaren.
Dit onderwijs wordt door de apostelen voortgezet en uitgebreid; allen
kennen en roemen eene drievoudige, Goddelijke oorzaak des heils. Het
welbehagen, de voorkennis, de verkiezing, de macht, de liefde, het
koninkrijk is des Vaders, Mt. 6:13, 11:26, Joh. 3:16, Rom. 8:29, Ef.
1:9, 1 Petr. 1:2 enz. Het middelaarschap, de verzoening, de zaliging,
de genade, de wijsheid, de gerechtigheid is des Zoons, Mt. 1:21, 1
Cor. 1:30, Ef. 1:10, 1 Tim. 2:5, 1 Petr. 1:2, 1 Joh. 2:2 enz. En
de wedergeboorte, vernieuwing, heiligmaking, gemeenschap is des H.
Geestes, Joh. 3:5, Joh. 14-16, Rom. 5:5, 8:15, 14:17, 2 Cor. 1:21,
22, 1 Petr. 1:2, 1 Joh. 5:6 enz. En evenals Jezus zijn onderwijs ten
slotte saamvat in den naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes,
zoo stellen ook de apostelen deze drie telkens naast elkander en
op ééne lijn, 1 Cor. 8:6, 12:4-6, 2 Cor. 13:13, 1 Petr. 1:2, 1 Joh.
5:4-6, Openb. 1:4-6. Cf. over de triniteit in ’t N. T. Baur, Dreiein.
u. Menschw. Gottes I 80 f. Hahn, Theol. des N. T. I 106 f. Philippi,
kirchl. Gl. II 200 f. Dorner, Chr. Gl. I 331 f. Sartorius, Christi
Person u. Werk I³ 44 f. Beck, Chr. Gl. II 40 f. enz. Ook Biedermann,
Chr. Dogm. II 37 erkent, dat de trinitarische leer van God wortelt in
de Schrift, cf. Strauss I 409-425. Lipsius, Dogm. § 241, 242. F. A. B.
Nitzsch, Ev. Dogm. 426. De tekst 1 Joh. 5:7 is om zijne twijfelachtige
echtheid boven niet genoemd. Hij ontbreekt in alle grieksche codices,
behalve in een paar uit de 16e eeuw; in alle latijnsche codices vóór de
8e eeuw; in bijna alle vertalingen. Voorts wordt hij nooit aangehaald
door de grieksche patres, ook niet in den ariaanschen strijd, en evenmin
door de lat. patres, Hilar. Ambros. Hieron. August, enz. _Indien_ hij
aangehaald of ondersteld wordt bij Tert., dan bestond hij ± 190. _Indien_
bij Cyprianus, dan was hij bekend ± 220. Indien hij voorkwam in de Afra,
volgens een H. S. uit de 5e en een uit de 7e eeuw, dan kan nog iets
hooger opgeklommen. De Afra ontstond ± 160 in Afrika en kwam ± 250 naar
Italië. Zeker komt de tekst voor bij Vigilius, einde 5e eeuw. In de 16e
eeuw werd hij opgenomen in de Compl. uitgave, Erasmus 3e ed., Stephanus,
Beza, textus receptus. In het verband wordt hij niet geeischt.
Verklaring van de weglating en verdwijning is zeer moeilijk. De echtheid
wordt echter nog door enkelen verdedigd, b.v. W. Koelling, Die Echtheit
von 1 Joh. 5:7. Breslau 1893.
5. De H. Schrift blijft echter bij deze gegevens niet staan; zij biedt
nog meer en doet ons ook iets kennen van de relatiën, waarin deze
drie onderscheidene subjecten, Vader, Zoon en H. Geest tot elkander
staan. Daarvoor komt allereerst de Vadernaam in aanmerking. Deze naam
duidt in den algemeensten zin God aan als Schepper van al zijne werken,
inzonderheid van den mensch, Num. 16:22, Mt. 7:11, Luk. 3:28, Joh.
4:21, Hd. 17:28, 1 Cor. 8:6, Ef. 3:15, Hebr. 12:9. In het O. Test.
krijgt deze naam theocratische beteekenis; God is de Vader van Israel,
wijl Hij het door zijne wondere mogendheid schiep en bewaarde, Deut.
32:6, Jes. 63:16, 64:8, Mal. 1:6, 2:10, Jer. 3:19, 31:9, Ps. 103:13,
Rom. 9:4; in het N. T. gaat deze beteekenis over in de ethische, in
welke God de Vader is van zijne kinderen, Mt. 6:4, 8, 9, Rom. 8:15 enz.
Maar in geheel eenigen, metaphysischen zin is God Vader van den Zoon.
Jezus maakt altijd een wezenlijk onderscheid tusschen de verhouding,
waarin Hijzelf en waarin anderen, de Joden, de discipelen, tot den
Vader staan, Mt, 11:25-27, Luk. 22:29, Joh. 2:16, 5:17, 20:17 enz.
Hij noemde God zijn eigen Vader, πατερα ἰδιον, Joh. 5:18. En duidelijk
wijst de Schrift aan, dat de Vadernaam niet in de eerste plaats geldt
van God in betrekking tot Israel en de geloovigen, maar integendeel
oorspronkelijk van de verhouding des Vaders tot den Zoon, Joh. 14:6-13,
17:26. God is in eigenlijken, oorspronkelijken zin Vader van den Zoon,
Hij heeft den Zoon lief, Joh. 5:19v., 10:17, 17:24, 26, en deze liefde
gaat van den Vader door den Zoon op anderen over, Joh. 16:27, 17:26.
Deze verhouding van den Vader tot den Zoon is niet geworden in den
tijd maar zij is van eeuwigheid, Joh. 1:14, 8:38, 17:5, 24. En daarom
wordt God door de apostelen telkens in bijzonderen zin genoemd de Vader
van onzen Heere Jezus Christus, Rom. 15:6, 1 Cor. 15:24, 2 Cor. 1:3,
Gal. 1:1, Ef. 1:3 enz. Het Vaderschap van den Zoon is zijne bijzondere,
personeele eigenschap. Hij alleen is van zichzelven, de eerste in orde
van bestaan, Joh. 5:26, en daarom ook de Vader beide in schepping en
herschepping, _uit wien_ alle dingen zijn, 1 Cor. 8:6. Zoo in Oud als
in Nieuw Testament is het de Vader, die de eerste plaats inneemt. Zijns
is het voornemen, Hd. 4:28, Ef. 1:11, het welbehagen, Mt. 11:26, Ef.
1:9, het initiatief in schepping en verlossing, Ps. 33:6, Joh. 3:16, de
ἐξουσια en de δυναμις, Mt. 6:13, Rom. 1:20, Ef. 1:19, de gerechtigheid,
Gen. 18:25, Deut. 32:4, Joh. 17:25, Rom. 3:26, 2 Tim. 4:8, de goedheid,
de wijsheid, de onsterfelijkheid, het ontoegankelijke licht, Mt. 19:17,
Rom. 16:27, 1 Tim. 6:16. Daarom draagt hij ook telkens den naam van God
in bijzonderen zin. Hij is Elohim, Jahveh Elohim, El Eljon, El Schaddai,
μονος ἀληθινος θεος, Joh. 17:3, εἱς θεος, 1 Cor. 8:6, 1 Tim. 2:5, die
als God en Vader genoemd wordt naast den Heere Jezus Christus en den H.
Geest, 1 Cor. 12:6, 2 Cor. 13:13, 1 Thess. 1:3, Op. 1:6. Zelfs noemt
Christus Hem niet alleen zijn Vader maar ook zijn God, Mt. 27:46, Joh.
20:17, Hebr. 1:9, 2:17, 5:1, 10:7, 9, en heet Hijzelf de Christus Gods,
Luk. 9:20, 1 Cor. 3:23, Op. 12:10. Ten onrechte is hieruit echter door
de Arianen van vroeger en later tijd afgeleid, dat alleen de Vader God
is, en Zoon en Geest, hoewel Gode na verwant, toch buiten het Goddelijke
wezen staan. Want vooreerst kent de Schrift, gelijk straks nader blijken
zal, aan Zoon en Geest evengoed Goddelijke namen, eigenschappen, werken
en eere toe als aan den Vader. En voorts verdient het opmerking, dat de
Schrift nergens zegt dat de _Vader alleen_ de waarachtige God is, maar
wel dat de Vader is de alleen waarachtige God, iets wat in de kerkelijke
triniteitsleer ten volle wordt erkend. Vervolgens maken alle die
plaatsen geen tegenstelling tusschen den Vader eenerzijds en den Zoon en
den Geest andererzijds, maar tusschen den Vader, als den eenigen God,
en de goden der Heidenen. Dan volgt uit de uitspraken, dat de Vader de
eenige waarachtige God, alleen wijs, alleen goed, alleen onsterfelijk is,
geenszins, dat niet ook Zoon en Geest deszelfden Goddelijken wezens zijn
en diezelfde eenheid, wijsheid, goedheid en onsterfelijkheid deelachtig
zijn, evenmin als uit 1 Cor. 8:6 volgt, dat alleen Christus en niet God
onze Heer is, door welken alle dingen zijn en wij door Hem. En eindelijk
kan de Vader daarom alleen wijs, alleen goed enz. genoemd worden,
wijl Hij alles van zichzelven bezit, πηγη θεοτητος is, Zoon en Geest
daarentegen hetzelfde wezen en dezelfde eigenschappen bezitten door
mededeeling. De naam van God, aan den Vader in het bijzonder toegekend,
duidt aan, dat Hij in de Goddelijke oeconomie de eerste is; het is als
het ware een ambtsnaam, aanduiding van zijn rang en plaats, gelijk er
onder de menschen, die allen dezelfde natuur deelachtig zijn, toch ook
onderscheid is van stand en van eere, August, de trin. I c. 6. VI c. 9.
Petavius, de trin. II c. 4. III c 1. 2. Mastricht, Theol. theor. pract.
II c. 25.
6. Verder wordt ons ook licht verspreid over de immanente verhoudingen
Gods door de namen, die de Zoon draagt in de Schrift. Deze namen zijn
zeer vele in getal, slaan meest op zijne historische verschijning en
komen daarom later in den locus de Christo ter sprake. Maar er zijn er
ook onder, die Hem toekomen vóór en afgedacht van zijne vleeschwording.
Vooreerst komt de naam Logos in aanmerking. Er zijn verschillende
redenen opgegeven, waarom Christus dezen naam draagt. Het woord is
vertaald door ratio, sermo, verbum, en dan weder opgevat als verbum
interius of exterius, Petavius, de trin. VI c. 1. Het uitgangspunt
voor de benaming ligt echter ongetwijfeld in de doorloopende leer der
Schrift, dat God zich in schepping en herschepping openbaart door
het woord. Door het woord schept, onderhoudt en regeert God alle
dingen, en door het woord vernieuwt en herschept Hij ook de wereld.
Het evangelie heet daarom ook het woord Gods, λογος του θεου.
Johannes noemt Christus den Logos, omdat Hij het is, in en door wien
God zich openbaart, zoowel in schepping als in herschepping, Joh.
1:3, 14. In het Oude Testament treedt echter het woord, waardoor God
zich openbaart, eerst op bij de schepping. De hypostase en het eeuwig
bestaan van dat woord wordt niet uitgesproken. In Spreuken 8 wordt
de wijsheid wel persoonlijk en eeuwig voorgesteld maar ook in nauw
verband gebracht met de schepping; met het oog op deze is zij door God
bereid, aangesteld, doorzocht, vs. 22, 23. De Arianen leidden uit het
קָנָנִי van vs. 22, LXX εκτισε με, Syr. Trg. בְּרָאנִי, cf.
Sirach 1:4, 9, 24:8 af, dat de Zoon niet eeuwig gegenereerd maar vóór
alle dingen geschapen was. En de kerkvaders beweerden daartegenover
dat קָנָנִי moest overgezet worden door ἐκτησατο, Aq. Symm., of
possedit, Hieron., of dat dit woord niet sloeg op het wezen des Zoons
maar op zijn ambt en waardigheid bij schepping en herschepping. Zonder
twijfel is het laatste het geval. Er is hier geen sprake van eene
eeuwige generatie, maar er wordt alleen gezegd, dat God de wijsheid
bereidde, קָנָנִי, en aanstelde, נִסַּכְתִּי, dat zij geboren
werd, חִלַּלְתִּי, vóór en met het oog op de schepping, Petavius,
de trin. II c. 1. Maar het N. Testament gaat hier ver boven uit.
Johannes zegt niet alleen, dat Hij, in en door wien God zich openbaart,
een persoon is, maar hij verklaart uitdrukkelijk, dat deze Logos in den
beginne was, ἐν ἀρχῃ ἠν ὁ Λογος. Hij _werd_ niet Logos, Hij is er niet
eerst toe bereid en aangesteld bij de schepping; Hij was als persoon
en van nature Logos, Logos van eeuwigheid. En voorts was Hij zelf
θεος, Hij stond in verkeer met God, ἠν ἐν ἀρχη προς τον θεον vs. 2,
είς τον κολπον του πατρος, vs. 18, voorwerp zijner eeuwige liefde en
zelfmededeeling, 5:26, 17:24. Daarom kon Hij ook den Vader volkomen
openbaren, omdat Hij zijne Goddelijke natuur, zijn Goddelijk leven, zijne
Goddelijke liefde enz. van eeuwigheid deelachtig en van nature Logos
was. God deelde zich mede aan Hem, daarom kan Hij God mededeelen aan
ons. De Logos is de absolute openbaring Gods, want God heeft zich met
al zijne volheid eeuwiglijk aan Hem medegedeeld.
Een andere naam is die van Zone Gods. In het O. Test. heeft deze naam
meestal theocratische beteekenis. Israel heet zoo, omdat het door
God verkoren, geroepen, aangenomen is, Ex. 4:22, 19:5, Deut. 1:31,
8:5, 14:1, 32:6, 18, Jes. 63:8, Jer. 31:9, 20, Hos. 11:1, Mal. 1:6,
2:10. In het N. Test. komt daarvoor de gemeente in de plaats, welke
bestaat uit υἱοι θεου door aanneming of τεκνα θεου door geboorte.
Bepaaldelijk is de titel zoon Gods ook menigwerf een ambtsnaam, voor
de rechters Ps. 82:6, voor de engelen, Job 38:7, en vooral ook voor
den koning, 2 Sam. 7:11-14, Ps. 89:27, 28. In Psalm 2:7 zegt Jahveh
tot den over Sion gezalfden Koning: אֲנִי הַיּוֹם יְלִדְתִּיךָ,
בְּנִי אַתָּה, LXX γεγεννηκα σε, Vulg. genui te; ten dage, toen
de Heere Hem zalfde en aanstelde tot koning, heeft Hij Hem tot Zoon
gegenereerd en Hem het recht gegeven op de wereldheerschappij. Ten
aanzien van David slaat dit terug op het besluit Gods in 2 Sam. 7, en
ten aanzien van den door David afgeschaduwden Messias wordt het in
Hebr. 1:5, 5:5 verklaard van de eeuwigheid, cf. vs. 2, 3, in welke
Christus als de Zoon door den Vader is gegenereerd, d. i. in welke
Hij voortgebracht is als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het
uitgedrukte beeld zijner zelfstandigheid. En dat Hij dit was, is nu
volgens Hd. 13:33, Rom. 1:3 krachtig bewezen in de opstanding. In Micha
5:1 is eene verwante gedachte uitgedrukt. De Heerscher over Israel, die
eens uit het kleine Bethlehem zal voortkomen, bestaat reeds van ouds.
Zijne uitgangen als Heerscher, van God uit, zijn reeds van de dagen der
eeuwigheid. Hij was Heerscher van eeuwigheid, Hij heeft dit getoond in
de geschiedenis van Israel en zóó komt Hij eens zichtbaar uit Bethlehem
te voorschijn. De benaming Zoon Gods, op den Messias toegepast, gaat
ongetwijfeld uit van de theocratische beteekenis dezer uitdrukking in
het O. Testament. Het is niet waarschijnlijk, dat de bezetenen, Mt.
8:29, cf. 4:3, de Joden, Mt. 27:40, de Hoogepriester, Mt. 26:63, of
ook zelfs de discipelen althans in den eersten tijd, Joh. 1:50, 11:27,
Mt. 16:16 den vollen inhoud van deze benaming hebben verstaan. Maar bij
Christus krijgt deze naam toch eene veel diepere beteekenis. Wel heet
Hij nu en dan als middelaar en koning Gods Zoon in theocratischen zin,
Luk. 1:35, ofschoon ook dan de adoptiaansche voorstelling, dat hij naar
zijne Goddelijke natuur Zoon is door generatie en naar zijne menschelijke
natuur door adoptie, gelijk beweerd werd door de Socinianen, Remonstr.
Conf. art. 3. Apol. Conf. art. 3. Limborch, Theol. Christ. II 17, 10.
B. S. Cremer, cf. Archief v. Kerk. Gesch. v. Ned. VIII 419-428, Calv.
Inst. II 14. 6. Moor, I 755 sq. enz., in de Schrift geen steun vindt.
Maar Christus is niet eerst als een koning onder Israel in den tijd tot
Zone Gods aangenomen. Hij heet niet Gods Zoon om zijne bovennatuurlijke
geboorte, gelijk de Socinianen leerden en Hofmann, Schriftbeweis I 116
f. nog tracht te betoogen. Hij draagt dien naam ook niet in ethischen
zin, zooals velen meenen, Weiss, Bibl. Theol. § 17. Ritschl, Rechtf. u.
Vers. II² 97. Scholten, L. H. K. II 206 e. a. Hij is het ook niet eerst
geworden door zijn middelaarschap en zijne opstanding, waarvoor men zich
beroept op Joh. 10:34-36, Hand. 13:32, 33, Rom. 1:4. Maar Hij is Zoon
Gods in metaphysischen zin, van natuur en van eeuwigheid. Hij is hoog
verheven boven engelen en profeten, Mt. 13:32, 21:27, 22:2, en staat in
geheel eenige verhouding tot God, Mt. 11:27. Hij is de geliefde Zoon, in
wien de Vader zijn welbehagen heeft, Mt. 3:17, 17:5, Mark. 1:11, 9:7,
Luk. 3:22, 9:35, de eengeboren Zoon, Joh. 1:18, 3:16, 1 Joh. 4:9 v.,
de eigen Zoon, Rom. 8:32, de eeuwige Zoon, Joh. 17:5, 24, Hebr. 1:5,
5:5, wien de Vader gaf ζωην ἐχειν ἐν ἑαυτῳ, Joh. 5:26, die den Vader
gelijk is in kennis, Mt. 11:27, in eer, Joh. 5:23, in macht bij schepping
en herschepping, Joh. 1:3, 5:21, 27, in werkzaamheid, Joh. 10:30, in
heerschappij, Mt. 11:27, Luk. 10:22, 22:29, Joh. 16:15, 17:10, en juist
om dit zijn Zoonschap veroordeeld is tot den dood, Joh. 10:33, Mt. 26:63
v.
In de derde plaats komt hier nog de naam Beeld Gods ter sprake. Wel
kan de mensch bij analogie zoo genoemd worden maar Christus is het in
volstrekten zin. Hij was vóór zijne menschwording als Logos, als Zoon,
Rom. 1:3, 4, 8:3, Gal. 4:4, εν μορφη θεου, Phil. 2:6, rijk, 2 Cor.
8:9, bekleed met heerlijkheid, Joh. 17:5, en is nu daarin door zijne
opstanding en hemelvaart teruggekeerd. Zoo was Hij dan en is Hij thans
nog εἰκων του θεου του ἀορατου, Col. 1:15, 2 Cor. 4:4, ἀπαυγασμα της
δοξης και χαρακτηρ της ὑποστασεως αὐτου, Hebr. 1:3, d.i. niet de
uitstraling zelve, ἀπαυγασμος, maar het door uitstraling, weerkaatsing
bewerkte of ontstane beeld, ἀπαυγασμα, van Gods heerlijkheid en de
uitdrukking, de afdruk van de zelfstandigheid, van het wezen des
Vaders. Als zoodanig is Hij πρωτοτοκος πασης κτισεως, Col. 1:15,
Op. 1:14, de in vergelijking met alle schepsel eerstgeborene en dus
bestaande vóór alle schepsel en niet gelijk de schepselen gemaakt of
geschapen, πρωτοκτιστος, πρωτοπλαστος, maar geboren, πρωτοτοκος, in
wien alles geschapen werd, ἐκτισθη; en is Hij tevens ἀρχη, πρωτοτοκος
ἐκ των νεκρων, ἐν πασιν πρωτευων, Col. 1:18, πρωτοτοκος ἐν πολλοις
ἀδελφοις, Rom. 8:29, naar wiens beeld de geloovigen worden vernieuwd, 2
Cor. 3:18, Phil. 3:21. De uitdrukking πρωτοτοκος sluit Christus niet bij
de schepselen in maar sluit Hem juist daarvan uit. Hij stond als eenig-
en eerstgeborene, als Zoon en Logos, als adaequaat beeld Gods tot
den Vader van eeuwigheid in eene geheel eenige relatie. En wel wordt
Christus nu als Middelaar voorgesteld als afhankelijk van den Vader
en staande onder den Vader, zoodat Hij een gezondene, een knecht, een
volbrenger van het werk des Vaders is, gehoorzaam tot den dood toe en
eens zijn koninkrijk aan den Vader overgevend, maar nooit wordt daarmede
aan zijne wezenseenheid te kort gedaan. In Joh. 14:28 zegt Jezus, dat
zijn heengaan tot den Vader voor de discipelen eene oorzaak van vreugde
is, ὁτι ὁ πατηρ μειζων μου ἐστιν. Daarmede drukt Hij niet uit, dat de
Vader grooter is aan macht, wat door Joh. 10:28-30 bepaald weersproken
wordt; maar Hij denkt aan de verhouding, waarin Hij thans in zijne
vernedering staat tot den Vader. Nu is deze grooter. Maar deze mindere
grootte van Jezus zal juist ophouden, wanneer Hij tot den Vader gaat, en
daarom kunnen zijne discipelen zich over zijn heengaan verblijden; Hij is
juist in wezen en natuur aan den Vader gelijk, ofschoon thans in ambt
en stand minder dan de Vader. Hij is geen schepsel, maar was en is en
blijft God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid, Joh. 1:1, 20:28,
Rom. 9:5, Hebr. 1:8, 9, 2 Petr. 3:18, 1 Joh. 5:20, Openb. 1:8, 11, cf.
ook misschien 2 Thess. 1:12, Tit. 2:13, 2 Petr. 1:1. De poging, vroeger
reeds door de Socinianen en thans door Ritschl, Schultz, Kaftan,
Pfleiderer e.a. aangewend, om den naam θεος, van Christus gebezigd,
niet als wezens- maar als ambtsnaam op te vatten, vereischt later in
de leer over Christus breedere bespreking. Thans zij alleen opgemerkt,
dat deze benaming bij Christus onwaar is, indien Hij niet werkelijk ook de
Goddelijke natuur deelachtig is, Lipsius, Theol. Jahresbericht X 378.
7. Ten slotte geeft de H. Schrift ons ook eenig inzicht in de immanente
relatiën Gods door den naam des Heiligen Geestes. Vooraf verdient het
opmerking, dat de leer des H. Geestes door al de Schriften van Oud
en Nieuw Verbond dezelfde is. Hoewel in het N. Test. veel klaarder
geopenbaard, is zij in beginsel ook in het O. T. aanwezig. Het N. T.
is zich bewust geen andere leer des Geestes te geven, dan die in het
O. T. gevonden werd; het was dezelfde H. Geest, die eertijds door de
profeten sprak, Mt. 22:43, Mk. 12:36, Hd. 1:16, 28:25, Hebr. 3:7,
10:15, 1 Petr. 1:11, 2 Petr. 1:21, in Noachs dagen getuigde, 1 Petr.
3:19, door Israel werd weerstaan, Hd. 7:51, die het geloof werkte, 2
Cor. 4:13, die op den Messias neerdalen en in de gemeente wonen zou,
Mt. 12:18, Luk. 4:18, 19, Hd. 2:16. Hoewel nu het Goddelijk wezen Geest
is, Joh. 4:24, en heilig is, Jes. 6:3, zoo is de Heilige Geest toch in
de Schrift eene aanduiding van een bijzonder persoon in het Goddelijk
wezen, onderscheiden van Vader en Zoon. Hij draagt dezen naam om zijn
bijzonderen modus subsistendi. Geest beteekent eigenlijk wind, adem. De
H. Geest is de adem des Almachtigen, Job 33:4, de Geest zijns monds, Ps.
33:6, die door Jezus vergeleken wordt bij den wind, Joh. 3:8 en geblazen
wordt op zijne discipelen, Joh. 20:22, cf. 2 Thess. 2:18. De Geest is
God als het immanente levensprincipe in al het geschapene. En heilig
heet Hij, omdat Hij zelf in eene bijzondere relatie tot God staat en alle
dingen in eene bijzondere relatie tot God stelt. Hij is niet de Geest
van een mensch, van een schepsel, maar de Geest van God, de Heilige
Geest, Ps. 51:13, Jes. 63:10, 11. Gelijk de adem uit onzen mond, zoo
gaat de Geest uit van God en houdt alle schepsel levend. Daarom heet
Hij de Geest Gods, de Geest des Heeren, de Geest des Vaders, Gen. 1:2,
Jes. 11:2, Mt. 10:20, en ook de Geest van Christus, de Geest des Zoons,
Rom. 8:2, 9, 1 Cor. 2:6, 2 Cor. 3:17, 18, Phil. 1:19, Gal. 3:2, 4:6, 1
Petr. 1:11, staande voor den troon Gods en des Lams, Op. 1:4, 3:1, 4:5,
5:6. Deze uitgang des Geestes wordt in de Schrift met verschillende
namen aangeduid. Meestal wordt het zoo uitgedrukt, dat de Geest door
God of door Christus gegeven, Num. 11:29, Neh. 9:20, Jes. 42:1, Ezech.
36:27, Joh. 3:34, 1 Joh. 3:24, 4:13, gezonden of uitgezonden, Ps.
104:30, Joh. 14:26, 15:26, 16:7, Gal. 4:6, Op. 5:6, uitgegoten of
uitgestort, Jes. 32:15, 44:3, Joel 2:28, Zach. 12:10, Hd. 2:17, 18,
van God nedergedaald, Mt. 3:16, in het midden van Israel gesteld, Jes.
63:11, Hagg. 2:6, op iemand gelegd, Mt. 12:18, op iemand geblazen
is, Joh. 20:22 enz. Maar er wordt ook gezegd, dat de Geest uitgaat,
ἐκπορευεται παρα του πατρος, Joh. 15:26. Dit had bepaaldelijk plaats op
den Pinksterdag. Daarom treedt de persoonlijkheid des H. Geestes ook
thans eerst duidelijk op. In het O. Test. is er wel onderscheid tusschen
God en zijn Geest. Maar de aard van dat onderscheid blijft duister. Οἰπω
γαρ ἠν πνευμα, ὁτι Ιησους οὐδεπω ἐδοξασθη, Joh. 7:39. Maar nu wordt
van Hem als van een persoon gesproken. Hij wordt aangeduid als εκεινος,
Joh. 15:26, 16:13, 14, παρακλητος, Joh. 15:26, cf. 1 Joh. 2:1, ἀλλος
παρακλητος, Joh. 14:16, die van zichzelven spreekt in den eersten
persoon, Hd. 13:2, wien allerlei persoonlijke vermogens en werkzaamheden
worden toegeschreven, als onderzoeken, 1 Cor. 2:10, 11, oordeelen,
Hd. 15:28, hooren, Joh. 16:13, spreken, Hd. 13:2, Op. 2:7 enz. 14:13,
22:17, willen, 1 Cor. 12:11, leeren, Joh. 14:26, bidden, Rom. 8:27,
getuigen, Joh. 15:26, enz. en die met Vader en Zoon gecoordineerd en
op ééne lijn wordt geplaatst, Mt. 28:19, 1 Cor. 12:4-6, 2 Cor. 13:13,
Op. 1:4. Dit nu kan niet, tenzij Hij ook waarachtig God zij. Gelijk zijne
persoonlijkheid, zoo komt ook de Godheid des H. Geestes eerst in het N.
T. duidelijk aan het licht. Zij blijkt allereerst daaruit, dat in weerwil
van het onderscheid, hetwelk tusschen God en zijn Geest bestaat, het
toch volkomen hetzelfde is, of God dan of zijn Geest iets zegt, in ons
woont, door ons veracht wordt, Jes. 6:9 en Hd. 28:25, Jer. 31:31 en
Hebr. 10:15, Ps. 95:7, 8 en Hebr. 3:7-9, Hd. 5:3 en 4, Rom. 8:9 en
10, 1 Cor. 3:16 en 6:19, Ef. 3:22. Dit komt dan alleen tot zijn volle
recht, wanneer met het personeele onderscheid de wezenseenheid gepaard
gaat. Voorts worden allerlei Goddelijke eigenschappen even goed aan
Gods Geest als aan God zelven toegeschreven: bijv. eeuwigheid, Hebr.
9:14, alomtegenwoordigheid, Ps. 139:7, alwetenheid, 1 Cor. 2:10,
11, almacht, 1 Cor. 12:4-6, en wederom onderstelt dit dat de Geest
wezenséén is met God zelven. Hetzelfde is het geval met de Goddelijke
werken van de schepping, Gen. 1:2, Ps. 33:6, Job. 33:4, Ps. 104:30,
en van de herschepping. Ja, in deze komt vooral zijne Godheid duidelijk
uit. Hij is het, die Christus door zijne zalving heeft bekwaamd tot zijn
ambt, Jes. 11:2, 61:1 en Luk. 4:18, Jes. 42:1 en Mt. 12:18, Luk. 1:35,
Mt. 3:16, 4:1, Joh. 3:34, Mt. 12:28, Hebr. 9:14, Rom. 1:4, die de
apostelen toerust tot hun bijzondere taak, Mt. 10:20, Luk. 12:12, 21:15,
24:49, Joh. 14:16 v., 15:26, 16:13 v., enz. die aan de geloovigen
allerlei gaven en krachten uitdeelt, 1 Cor. 12:4-11, en die bovenal
in de gemeente wonen doet de volheid van Christus. De H. Geest staat
tot Christus in dezelfde verhouding als Christus tot den Vader. Gelijk
de Zoon niets heeft en niets doet en niets spreekt van zichzelven
maar alles ontvangt van den Vader, Joh. 5:26, 16:15, zoo neemt de H.
Geest alles uit Christus, Joh. 16:13, 14. Gelijk de Zoon van den Vader
getuigt en den Vader verheerlijkt, Joh. 1:18, 17:4, 6, zoo op zijne
beurt de H. Geest den Zoon, 15:26, 16:14. Gelijk niemand tot den Vader
komt dan door den Zoon, Mt. 11:27, Joh. 14:6, zoo kan niemand zeggen
Jezus den Heere te zijn dan door den H. Geest, 1 Cor. 12:3. Er is geen
gemeenschap met God dan door den Geest. Maar die Geest schenkt dan ook
al de weldaden, die Christus verworven heeft, de wedergeboorte, Joh.
3:3, de overtuiging van zonde, Joh. 16:8-11, het kindschap, Rom. 8:15,
de vernieuwing, Tit. 3:5, de liefde Gods, Rom. 5:5, allerlei geestelijke
vruchten, Gal. 5:22, de verzegeling, Rom. 8:23, 2 Cor. 1:22, 5:5, Ef.
1:13, 4:30, de opstanding, Rom. 8:10. Ja, door den Geest hebben wij met
niemand minder dan met den Zoon en den Vader zelven rechtstreeksche,
onmiddellijke gemeenschap. De H. Geest is God zelf in ons, Joh. 14:23
v., 1 Cor. 3:16, 6:19, 2 Cor. 6:16, Gal. 2:20, Col. 3:11, Ef. 3:17,
Phil. 1:8, 21. Wie kan dat alles ons schenken, wie kan God zelven in
onze harten doen wonen, dan een, die zelf God is? Daarom komt Hem ook
Goddelijke eer toe. Hij staat naast Vader en Zoon als oorzaak van alle
heil, Mt. 28:19, 1 Cor. 12:4-6, 2 Cor. 13:13, Op. 1:4. In zijn naam
worden wij gedoopt, Mt. 28:19. Van Hem is alle leven en kracht. Hij is
de auteur onzer gebeden, Zach. 12:10, Rom. 8:15, 16. En daartegenover
wordt de gemeente gewaarschuwd Hem te bedroeven, Jes. 63:10, Ef. 4:30;
zelfs is de lastering tegen den H. Geest onvergefelijk, Mt. 12:31, 32.
Oudere litteratuur over den H. Geest wordt opgegeven door Walch, Bibl.
theol. sel. I 75 sq. 241, waaronder vooral Owen, Discourse on the Holy
Spirit 1674, holl. 1746, de aandacht verdient, en door Dr. Kuyper, Het
werk van den H. Geest, 1888 in de voorrede; nieuwere litteratuur vooral
bij M. Beversluis, de H. Geest en zijne werkingen volgens de Schriften
des N. V. 1896 bl. VII, waaronder vooral in aanmerking komen J. Gloël,
Der H. Geist in der Heilsverkündigung des Paulus 1888. H. Gunkel, Die
Wirkungen des H. Geistes u.s.w. Gött. 1888. Voorts nog Synopsis der
dogm. moraltheol. Lehre von der Wirksamkeit des H. Geistes zunächst
nach dem h. Thomas von Aquin, von Dr. I. E. Pruner, Lycealprogramm für
das Jahr 1891 Eichstätt. W. Koelling, Preumatologie oder die Lehre von
der Person des H. Geistes, Gütersloh 1894. Dr. G. Smeaton, The doctrine
of the Holy Spirit 1882.
8. In al deze openbaringsmomenten biedt de H. Schrift ons natuurlijk
nog geen uitgewerkt dogma over de triniteit. Maar zij leert toch, dat
de ééne naam Gods zich eerst ten volle in dien van Vader, Zoon en
Geest ontvouwt. Zij spreekt het klaar en duidelijk uit, dat alle werken
Gods naar buiten, beide in schepping en herschepping, eene drievoudige
Goddelijke causa hebben. Zij laat er geen twijfel over bestaan, dat
deze drievoudige causa drie onderscheidene subjecten zijn, welke in
persoonlijke verhouding tot elkander staan. En zij bevat daarmede al de
gegevens, waaruit de theologie het dogma der triniteit opgebouwd heeft.
De philosophie had er niets wezenlijks aan toe te voegen; zelfs de
logosleer is nieuwtestamentisch. Alleen wachtte het alles op den tijd,
dat de ratio christiana genoegzaam ontwikkeld zou zijn, om het heilig
mysterie, dat hier voorlag, in te denken. Bij de apostolische vaders
is daarvan nog geen sprake. Zij spreken de H. Schrift na, zonder nog
den diepen zin en het onderling verband der waarheden te verstaan, en
ze bezigen uitdrukkingen, die in lateren tijd niet meer te verdedigen
zouden zijn. Toch zijn ze ook voor het dogma der triniteit van ’t hoogste
belang, inzoover ze beide de ebionietische en de docetische richting
bestrijden en in sterker of zwakker bewoordingen uitspreken de hooge,
boven de engelen verhevene natuur van den Christus. Het dogma der
triniteit, zoo blijkt reeds bij den aanvang, is niet geboren uit eene
philosophische redeneering over het wezen Gods, maar uit het nadenken
over de feiten der openbaring, over den persoon en het werk van
Christus. In het dogma der triniteit ging het van den aanvang af om de
Godheid van Christus, om het absoluut karakter van het Christendom,
om de waarheid der openbaring Gods, om de waarachtige verzoening der
zonden, om de volstrekte zekerheid der zaligheid. Bij de apost. vaders
nu neemt Christus eene geheel eenige plaats in; praedicaten worden Hem
toegekend, die geen schepsel toekomen. Hij heet Zoon, eigen, eenige,
eengeboren Zoon Gods, Clemens, 1 Cor. 36. Ignat., Rom. 1. Eph. 20.
Smyrn. 1. Diogn. 9. 10. Barn. 7. 12., afschijnsel van Gods majesteit,
scepter zijner majesteit, Clemens, 1 Cor. 16. 36. Heer der aarde, wien
alles onderworpen is, Schepper aller dingen, Rechter van levenden en
dooden, Barn. 7. 12. Diogn. 7. Did. Apost. 16. Polyc. Phil. 1. 2. 6.
12, heilige, onbegrijpelijke Logos, die als een God, ὡς θεος, op aarde is
gezonden, Diogn. 7. en θεος heeten mag, Clemens, 2 Cor. 1. Ign., Rom.
3. Smyrn. 1. 10. Eph. 1. 18. 19. En Vader (God), Zoon (Christus) en
Geest worden samen genoemd, Clemens, 1 Cor. 46. Ign. Eph. 9. Magn. 13.
Van den H. Geest is weinig sprake bij de apost. vaders, maar Hij wordt
toch van Vader en Zoon onderscheiden en naast deze gesteld; alleen ten
aanzien van den Pastor van Hermas, Sim. V 5. 6. is er verschil, of hij
den H. Geest met den Zoon vereenzelvigt of daarvan onderscheidt, Baur,
Dreiein. u. Menschw. I 134 en daartegen Dorner, Entwicklungsgesch. I
191-205. Als in de tweede eeuw de gnosis optreedt, ontwaakt ook het
christelijk denken. De Godheid van Christus krijgt dogmatisch belang en
wordt daarom ook veel duidelijker uitgesproken. Justinus Martyr geeft
aan Christus meermalen den naam van God, zelfs van ὁ θεος, c. Tryph.
34. 56. 58. 113. 126 enz. en kent Hem allerlei verheven praedicaten
toe. Hij is de eerstgeborene der schepping, de aanvang van een ander
geslacht, toegerust niet met een enkel charisma maar met al de krachten
des Geestes, in het bezit niet van een σπερμα van den logos, maar van
den ganschen logos, λογικου το ὁλον, machtig om het menschelijk geslacht
te vergoddelijken en daarom zelf God, c. Tr. 87. 138. Apol. II 10.
12. Duidelijk leert hij voorts het voorbestaan van Christus, niet als
kracht slechts maar als persoon, c. Tr. 128. Wijl de Vader verborgen,
onuitsprekelijk, boven tijd en ruimte verheven is, c. Tr. 127. Apol. II
6., zijn alle openbaringen onder het O. T. en ook in de Heidenwereld
openbaringen van den Logos, c. Tr. 127. Apol. I 46. 61. 63. Apol. II
10. 13. Zelfs bestond Hij bij de schepping; het woord Gen. 1:26 is tot
Hem gesproken, c. Tr. 62. Maar de immanente verhouding tusschen Vader
en Zoon is bij Justinus nog niet duidelijk. Het schijnt, dat de Logos, die
wel een ander is dan de Vader ἀριθμῳ ἀλλ’ οὐ γνωμῃ, door den Vader
eerst voor en ten behoeve van de schepping is gegenereerd, en wel
niet door deeling ontstond, maar toch voortgebracht werd δοναμει και
βουλῃ des Vaders, gelijk het eene licht ontstoken wordt aan het ander
en gelijk het woord uit onzen mond uitgaat, Apol. II 6. c. Tr. 61. 100.
128. Daarom heet hij πρωτογονος, πρωτοτοκος του θεου, Apol. I 46. 58.
De generatie wordt genoemd προβαλλειν, maar meest γενναν, c. Tr. 62.
76. 129. Apol. I 23. 2. 6, en de Logos heet in zoover een γεννημα of
ἐργασια, c. Tr. 62. 114. 129. De eenheid Gods zoekt Justinus daardoor
te handhaven, dat de Zoon wel een ander is dan de Vader ἀριθμῳ ἀλλ’
ού γνωμη, c. Tr. 56 en ondergeschikt is aan den Vader. De Zoon is ἡ
πρωτη δυναμις μετα τον πατερα, Apol. I 32; Hij neemt de tweede plaats,
δευτερα χωρα, in, Apol. I 13; Hij heeft alles van den Vader ontvangen,
c. Tr. 86, is God en Heer, wijl de Vader het gewild heeft, c. Tr. 127,
en is ὑπο τῳ πατρι και κυριῳ τεταγμενος, c. Tr. 126. Justinus heeft
dus op onderscheidene punten nog eene gebrekkige voorstelling. Het
verborgen wezen des Vaders in tegenstelling met den Zoon, de generatie
des Zoons door den wil des Vaders en ten behoeve der schepping, de
subordinatie des Zoons aan den Vader zijn later door de kerk verworpen.
Sommigen hebben Justinus daarom een Ariaan genoemd, maar ten onrechte.
Want vooreerst bestond deze kwestie nog niet ten tijde van Justinus;
en voorts zijn er bij hem onderscheidene elementen, die vlak tegen het
gevoelen van Arius ingaan; hij leert beslist en duidelijk de Godheid van
den Zoon, hij zegt dat de Zoon niet geschapen maar gegenereerd is en
heldert dit op met de later zeer gewone beelden van woord en licht;
hij ziet het belang van de Godheid van Christus voor heel het werk der
zaligheid, voor de waarheid van het Christendom helder in. Daarom
noemt hij ook meermalen den Vader, den Zoon en den Geest samen als
het voorwerp onzer aanbidding, Apol. I 6. 13. 60. 61. 65. 67; en al
is het dat hij aan den Zoon de δευτερα χωρα en aan den Geest de τριτη
ταξις toekent, Justinus spreekt de persoonlijkheid des H. Geestes en
zijne onderscheidenheid van den Zoon in deze plaatsen duidelijk uit.
Wel heeft men hiertegen zich beroepen op Apol. I 33, maar deze plaats
leert niets anders dan dat Justinus onder το πνευμα in Luk. 1:35
niet den persoon des H. G. maar den Logos verstond, eene exegese,
die ook bij anderen voorkomt. Voorts staat ook vast, dat Justinus
niet den Geest tot de engelen of in het algemeen tot de schepselen
rekent. Maar over de Goddelijke natuur van den H. Geest en over zijne
ontologische verhouding tot Vader en Zoon vinden wij bij Justinus zoo
goed als niets. Het religieus belang van de leer des H. Geestes werd
nog niet gevoeld. De Geest wordt nog alleen opgevat als Geest der
profetie, die de profeten en apostelen heeft geinspireerd en Christus
heeft bekwaamd. Maar van eene voortdurende noodzakelijke werking des
H. Geestes in de gemeente heeft Justinus geen besef. De objectieve
openbaring Gods in den Logos schijnt voldoende; de subjectieve
illuminatie wordt in hare noodzakelijkheid niet doorzien, cf. Semisch,
II 305-333. Schwane, Dogmengesch. I² 79 f. Eindelijk komt bij Justinus
Martyr zeer duidelijk uit, van welken aard de invloed der grieksche
philosophie in de christelijke theologie is geweest. Dat er zulk een
invloed is geoefend en niet het minst bij Justinus, wordt door niemand
ontkend. Maar die invloed is juist het meest merkbaar in die elementen
van Justinus’ leer, welke later door de kerk zijn uitgebannen, n.l. in
zijne onderscheiding tusschen den λογος ἐνδιαθετος en προφορικος, in
zijne voorstelling van den Zoon als δευτερος θεος, in zijne leer van den
verborgen God, in zijn stellen van den Zoon buiten het Goddelijk wezen.
Alle andere elementen, de Logosnatuur van Christus, de praeëxistentie,
de generatie, de schepping aller dingen door den Logos, het Zoonschap,
de Godheid van Christus zijn door Justinus met bewustheid aan de Schrift
ontleend en uit de Schrift betoogd, cf. Semisch, Justin der Martyrer
II 295 f. De gebreken, die der triniteitsleer bij Justinus aankleven,
worden door de volgende apologeten, Theophilus, Tatianus, Athenagoras
niet vermeden. Tatianus, Or. c. Gr. 5, zegt wel, dat, inzoover alle
dingen in God hun grond hebben, ze alle idealiter, als Logos, in Hem
bestaan, maar deze Logos wordt voortgebracht door den wil Gods en
is ἐργον πρωτοτοκον του πατρος; κατα μερισμον, οὐ κατα ἀποκοπην. Bij
Theophilus bestaat de Logos wel vóór de schepping als λογος ἐνδιαθετος,
wijl Hij is θεου νους και φρονησις, maar Hij wordt toch door den Vader
tot λογος προφορικος gegenereerd ten behoeve der schepping, ad Autol.
II 10. 22. Athenagoras, Leg. pro Chr. c. 10, leert evenzoo, dat de
Logos wel eeuwig bestond, wijl God de eeuwige νους is, maar Hij is toch
het eerste γεννημα des Vaders, wijl Hij als de idee en de energie der
dingen van God uitging. Gelijk Theophilus het eerst van eene τριας in
God sprak, ad Autol. II 26, zoo verbindt ook Athenagoras God Vader,
God Zoon en den H. Geest, die in de profeten werkzaam was en een
uitvloeisel Gods is, uit God uitgaat en in Hem terugkeert, zooals de
straal uit de zon, en noemt ze het voorwerp der christelijke vereering,
ib. c. 10. 12. Maar bij het onderscheid der drie personen wordt hun
eenheid niet voldoende gehandhaafd. De Vader is de ééne, ongeworden,
eeuwige, onzichtbare God, en Zoon en Geest zijn met Hem één niet in
wezen, maar in geest en macht, ib. c. 24.
De eerstvolgende ontwikkeling van de triniteitsleer, vooral bestaande
in uitbanning der philosophische elementen, is te danken aan drie
mannen, die elk het zijne hebben bijgedragen tot den bouw van het
christelijk dogma. Irenaeus is de krachtige bestrijder van het gnostisch
Godsbegrip en van de opvatting van den Logos als wereldidee. Nu
en dan toont ook hij de oude voorstelling niet geheel te hebben
overwonnen; hij noemt den Vader nog den onzichtbaren, verborgen God in
tegenstelling met den Zoon, adv. haer. IV 20, 10. Maar toch bestrijdt
hij de opvatting van God als βυθος en de emanatie der aeonen zoo kras
mogelijk, en handhaaft het schriftuurlijk onderscheid van Schepper en
schepsel. De Logos wordt als het ware van zijne tweeslachtige natuur
ontdaan en geheel naar de zijde Gods overgebracht. De Logos is geen
schepsel, maar een hypostatisch woord, III 8, praeëxistent, II 6. IV
12, waarachtig God, IV 10. 14 enz. Ook de onderscheiding van λογος
ἐνδιαθετος en προφορικος is te verwerpen II 17. 18. Want behalve dat
deze onderscheiding aan de persoonlijkheid van den Logos tekort doet
en zijne generatie in verband brengt met de schepping, de Logos mag
niet voorgesteld worden als het verstand en de rede Gods. God toch
is eenvoudig, geheel geest, geheel verstand, geheel gedachte, geheel
logos, II 16. 48, zoodat èn de Zoon èn de Vader waarachtig God zijn.
De eenheid van Vader, Zoon en Geest wordt door Irenaeus zeer duidelijk
uitgesproken, hun Goddelijke natuur wordt nadrukkelijk gehandhaafd, ze
worden telkens samen genoemd, IV 6. 20, 33. De generatie des Zoons
geschiedde niet in den tijd, de Zoon heeft geen begin gehad, Hij bestond
eeuwig met God II 18. III 22. IV 37. Maar Irenaeus schiet tekort
in de aanwijzing, hoe in de eenheid toch de drieheid bestaat en hoe
Vader Zoon en Geest, ofschoon ééne Goddelijke natuur deelachtig,
toch onderscheiden zijn. Hier wordt hij door Tertullianus aangevuld en
verbeterd. Wel staat deze bij Irenaeus achter in de overwinning van
het gnostisch dualisme. Hij maakt tusschen Vader en Zoon onderscheid
als tusschen een Deus invisibilis et invisus en een Deus visibilis et
visus, adv. Prax. 14. 15. Op allerlei wijze en met allerlei argumenten
betoogt hij dat onderscheid, met den naam Logos, met de menschwording,
met de theophanieën enz. Ja, de Logos komt bij Tertullianus eerst tot
het volle zoonschap en tot zelfstandige persoonlijkheid door de drie
momenten van het spreken Gods, de generatie, en de menschwording heen,
adv. Pr. 6. 7, zoodat er een tijd was waarin de Zoon niet was, adv.
Hermog. 3. Maar al is het, dat hij tegen het patripassianisme in de
onderscheiding der personen te ver gaat, aan de andere zijde tracht
hij juist daarom te meer in de drieheid de eenheid en in de eenheid
de drieheid vast te houden. De drie personen zijn unius substantiae,
unius status, unius potestatis, unus Deus. Zij zijn onderscheiden, wat
de ordo en de oeconomia aangaat, Oeconomiae sacramentum unitatem
in trinitatem disponit. Ze zijn drie non statu, sed gradu, en toch
de ééne God, ex quo et gradus isti et formae et species in nomine
Patris, Filii et Spiritus Sancti deputantur. Gelijk een straal der
zon ook zon is, zoo zijn er verschillende species, formae, effigies,
moduli in de ééne en ongedeelde substantie. De drie personen zijn dus
unum, niet unus. De Zoon is een ander dan de Vader en de Geest is
weder een ander, maar de naam God en Heer is hun gemeen. Ze zijn unus
Deus, ze zijn niet te scheiden. Zooals stam en tak, bron en stroom,
zon en straal niet gescheiden kunnen worden, zoo ook niet de Vader
en de Zoon. De trinitas doet dus de monarchia niet te niet. De Zoon
is wel een ander dan de Vader maar niet divisus, separatus. Er is
distinctio, distributio, geen diversitas en divisio. Het is eene
unitas ex semetipsa derivans trinitatem, adv. Prax. 2 sq. Zoo kneedt
Tertullianus de stroeve latijnsche taal, om en de unitas en de trinitas
in God gelijkelijk te handhaven; zoowel formeel als materieel is hij
voor het dogma der triniteit van de grootste beteekenis geweest. In
weerwil dat hij het subordinatianisme niet altijd te boven komt en het
ontologische, kosmologische en soteriologische in de triniteitsleer te
weinig onderscheidt, hij heeft de begrippen en de woorden aan de hand
gedaan, die het dogma der triniteit ter uitdrukking van zijne ware
meening van noode had. Hij heeft de Logos-speculatie door de filiatio
vervangen en daardoor de ontologische triniteit voor goed van de
kosmologische speculatie losgemaakt. En hij is de eerste geweest, die
beproefd heeft, om de triniteit der personen af te leiden niet uit
den persoon des Vaders, maar uit het wezen Gods. Terwijl Tertullianus
echter de ontologische triniteit nog niet van het kosmologische en
soteriologische proces vrij maakt, is het Origenes, die ze geheel en al
opvat als een eeuwig proces in het wezen Gods zelf. De generatie is
eene αἰωνιος γεννησις, de princ. I 2, 4. Het licht kan niet zijn zonder
te schijnen; zoo kan de Vader niet wezen zonder den Zoon, ib. I 2. 2.
4. 7. 10. Er was geen tijd, waarin de Zoon niet was, ib. I 2. 2. 4. c.
Cels. VIII 12. De Vader is niet Vader vóór den Zoon maar per filium, de
princ. I 2. 10. Er is geen scheiding, ἀχωριστος ἐστι του υἱου ὁ πατηρ,
c. Cels. IV 14. 16. Alle Goddelijke eigenschappen zijn Vader en Zoon
gemeen; de Zoon is één met den Vader; niet naast maar in God vereeren
wij den Zoon, c. Cels. VIII 12. 13. De Zoon heeft dezelfde wijsheid,
waarheid, rede als de Vader, Hij is αὐτοσοφια, αὐτοαληθεια, αὐτολογος,
c. Cels. V 41. Maar om nu in deze eenheid en gelijkheid het onderscheid
vast te houden, roept Origenes het subordinatianisme te hulp en gaat
achter Tertullianus terug in het afleiden der triniteit niet uit ’t
wezen Gods maar uit den persoon des Vaders. En zoo kwam Origenes er
toe, om den Vader voor te stellen als ὀ θεος, αὐτοθεος, πηγη of ριζα
θεοτητος, μεγιστος ἐπι πασι θεος, als κρειττων dan de Zoon, als de ééne
gansche Godheid, boven alle zijn verheven, onzienlijk, onbegrijpelijk; en
den Zoon als θεος zonder artikel, als ἑτερος του πατρος κατ’ οὐσιαν,
zooveel minder dan de Vader als de wereld minder is dan de Zoon, cf.
Dorner, Entw. I 652 f. Vergelijk over de leer der triniteit vóór Nicea
behalve de dogmengesch. v. Münscher, Harnack, Schwane, Thomasius ook
nog Dr. C. P. Caspari, Der Glaube an die Trinität Gottes in der Kirche
der 3 ersten Jahrh. nachtgewiesen, Leipzig Faber 1894. Scheeben I 796
f. Petavius, de trinitate, appendix 1. Forbesius a Corse, Instit. hist.
theol. 1645 Lib I c. 1-5. G. Bull, Defensio fidei Nicaenae, 1703.
9. De kerk volgde echter Origenes niet. Zij verwierp zijn
subordinatianisme en sprak te Nicea de ware, volle Godheid des Zoons
uit. Deze belijdenis droeg geheel en al een religieus karakter. Zij
handhaafde het soteriologisch principe van ’t Christendom. Maar van
nu aan veranderde de beteekenis der triniteitsleer. Nicea sprak het
onderscheid uit in God, en leerde dat Vader, Zoon (en Geest) God
waren; ’t kwam er nu voorts op aan om in dit onderscheid de eenheid
te handhaven. Vóór Nicea had men moeite om uit de eenheid Gods tot
een drieheid te komen; nu is het omgekeerd. Van nu aan krijgt ’t
trinitarisch dogma een eigen, zelfstandige waarde, eene theologische
beteekenis. Athanasius met de drie Cappadociërs en Augustinus zijn het,
die op deze wijze het dogma uitwerken en voltooien. Athanasius heeft
beter dan iemand in zijn tijd begrepen, dat met de Godheid van Christus
en de drieëenheid het Christendom stond of viel. Aan de verdediging
dezer waarheid heeft hij zijn gansche leven en al zijne krachten gewijd.
Hij streed voor geen philosophisch probleem maar voor de christelijke
religie zelve, voor de openbaring Gods, de leer der apostelen, het
geloof der kerk. De triniteit is het hart van het Christendom.
Daardoor is het principiëel van het Jodendom, dat het onderscheid
in God loochent, en van het Heidendom, dat de eenheid Gods ontkent,
onderscheiden, Athan. ad Serap. I 28. Bij Athanasius wordt dan ook de
philosophische vermenging van ontologie en kosmologie geheel verbannen.
Hij verwerpt het gnostisch dualisme tusschen God en de wereld, dat door
Arius werd overgenomen, en alle soort van tusschenwezens, c. Ar. II 26.
De triniteit heeft, zegt hij, niets vreemds met zich gemengd, ze bestaat
niet uit den Schepper en iets gewordens, maar ze is geheel en volmaakt
Goddelijk, ibid. Daarom is de triniteit ook eene eeuwige. Er is in God
niets toevalligs; Hij wordt niets, Hij is alles eeuwiglijk. Gelijk de
triniteit altijd was, zoo is en blijft ze, en in haar de Vader, de Zoon
en de Geest, ad Serap. III 7. c. Ar. I 18. De Vader was altijd Vader;
het behoort, anders dan bij ons, tot zijne natuur om Vader te zijn, de
decr. nic. syn. 12. Evenals de zon niet te denken is zonder licht en de
bron niet zonder water, zoo is de Vader niet te denken zonder Zoon; God
is niet ἀγονος; Hij spreekt altijd, c. Ar. II 2. ad Serap. II 2. Wie de
triniteit loochent, maakt God tot een levenloos principe of komt tot de
leer van de eeuwigheid der wereld, c. Ar. I 14. En eeuwig is daarom ook
de generatie en de existentie des Zoons. Er was noch voor den Vader
noch voor den Zoon een tijd dat Hij niet was, c. Ar. I geheel. Deze Zoon
kan geen schepsel zijn en is niet voortgebracht door den wil Gods maar
is gegenereerd uit zijn wezen, c. Ar. I 25. En datzelfde wordt, hoewel
minder dikwerf en breedvoerig, gezegd van den H. Geest, ad Serap. I
20, 21 enz. Deze drie personen zijn waarlijk onderscheiden; ze zijn niet
drie deelen van één geheel, niet drie namen voor ééne zaak. De Vader
is alleen Vader en de Zoon is alleen Zoon en de Geest is alleen Geest,
c. Ar. III 4. IV 1. ad Serap. IV 4, 6, 7. Maar daarbij handhaaft hij
de eenheid zoo, dat zij alle drie ὁμοουσιοι zijn en ééne ὑποστασις (bij
Athanasius nog zooveel als οὐσια) en dezelfde eigenschappen hebben, c.
Ar. III 3, 4, de decr. nic. syn. 19-25; dat de Vader de ἀρχη en de πηγη
θεοτητος is, c. Ar. IV 1.; dat de drie personen in elkander bestaan,
ad Serap. I 14 III 6, c. Ar. III 6, en één zijn in hunne werking, ad
Serap. I 28. Cf. Fr. Lauchert, Die Lehre des h. Athan. d. Gr. Leipzig
1895 S. 10-65. Schwane, Dogmengesch. II² 83-108. Deze triniteitsleer
van Athanasius vinden we ook in hoofdzaak, alleen nader door namen,
beelden, vergelijkingen opgehelderd, bij Basilius in zijn Libri V tegen
Eunomius, in zijn geschrift de Spiritu Sancto en in vele van zijne
brieven en homiliën, bij Gregorius Nyss. in zijne Libri XII c. Eunomium
en in zijne oratio catechetica, en bij Gregorius Naz. in zijne 5 Orationes
theologicae. Johannes Damasc. vat het resultaat saam en sluit zich
vooral aan bij Greg. Naz., de fide orthod. I c. 8. Heel de Grieksche
kerk heeft deze leer op de conciliën, waarvan zij de eerste zeven
erkent, aanvaard en wijkt van het Westen alleen in het filioque af.
10. In het Westen werd na Tertullianus en Cyprianus de leer der
triniteit vooral krachtig verdedigd en uit de Schrift bewezen door
Hilarius in zijn 12 boeken de trinitate, die echter zeer weinig bevatten
over den H. Geest en daarom waarschijnlijk vroeger den titel droegen:
de fide contra Arianos; en dan meer speculatief en diepzinnig door
Augustinus. Zijne 15 boeken de trinitate zijn het diepste wat over
dit dogma geschreven is. Hij vat daarin niet alleen saam, wat door
vroegere patres over dit onderwerp gezegd is, maar hij behandelt het
ook zelfstandig en brengt er belangrijke wijzigingen in. Vooreerst gaat
Augustinus uit, niet van den persoon des Vaders maar van het ééne
eenvoudige, alle samenstelling uitsluitende wezen (essentia) Gods
en spreekt daarom de volstrekte eenheid der drie personen sterker
uit, dan ooit vóór hem is geschied. Elke persoon is zoo groot als de
gansche triniteit, de trin. VIII 1. 2. In elken persoon is het geheele,
zelfde, Goddelijke wezen, zoodat er niet drie Goden, drie almachtigen
enz. zijn maar slechts één God, één almachtige enz. V 8. Het onderscheid
der personen kan daarom ook niet liggen in attributen of accidentiën,
die de eene persoon zou hebben en de andere niet, maar alleen in de
relaties onderling. Vader is en heet de eerste persoon, omdat Hij in
eene bijzondere verhouding staat tot Zoon en Geest enz. V 5. evenals ook
de benaming Heer, Schepper enz. de relatie Gods tot schepselen aanduidt
maar geen verandering in Hem teweegbrengt, ib. 16. 17. In de tweede
plaats moest Augustinus nu elke tegenstelling verwerpen, die er vroeger
tusschen den Vader en den Zoon werd gemaakt. De Zoon is als waarachtig
God niet minder verborgen en onzichtbaar dan de Vader en is volkomen
den Vader gelijk. Elk subordinatianisme wordt gebannen. Augustinus gaat
nog verder dan Athanasius. Deze liet nog eenige ondergeschiktheid
gelden, c. Ar. I 59, maar Augustinus heeft alle gedachte overwonnen,
alsof de Vader de eigenlijke, oorspronkelijke God ware. Hij gaat uit van
de essentia Dei, die in alle drie gelijkelijk woont. Ofschoon hij de
uitdrukking fons of principium deitatis nog voor den Vader gebruikt,
de trin. IV 20, ze heeft toch bij hem een anderen zin. Ze duidt niet
aan, dat de Godheid logisch eerst in den Vader bestond en door Hem
aan den Zoon en den Geest werd medegedeeld, maar de Vader kan alleen
zoo heeten, omdat Hij niet als God maar als persoon Vader is van den
Zoon. En in dezen zin wordt ook de formule van Nicea Deus de Deo door
hem verklaard, de trin. VII 2. 3. Daarom kwam Augustinus ook tot eene
andere opvatting van de theophanieën in het O. Test. Vroeger had men
daarin altijd en uitsluitend openbaringen van den Logos gezien, omdat
de Vader verborgen was, maar Augustinus schrijft ze ook aan den Vader
en den Geest toe, die evengoed als de Zoon zich kunnen openbaren en
immers niet van die des Zoons zijn te scheiden, de trin. II en III.
En eindelijk heeft Augustinus meer dan eenig kerkvader vóór hem naar
beelden, gelijkenissen der triniteit, vestigia trinitatis gezocht,
en alzoo den samenhang der leer van God met die van den ganschen
kosmos in het licht gesteld, de trin. IX-XV. Cf. Schwane, II 173-194.
Gangauf, Des h. Augustinus specul. Lehre v. Gott dem Dreieinigen,
Augsburg 1883 S. 209 f. Münscher- v. Coelln, Dogmengesch. I 245 f.
Harnack, D. G. II 294 f. enz. Zoo heeft Augustinus voltooid, wat
Tertullianus begonnen had. Er is in het Westen eene andere opvatting
van de triniteit dan in het Oosten en daarom kon men later in het
filioque niet tot overeenstemming komen. Het Westen sloot zich bij
Augustinus aan en heeft zijne leer van de triniteit overgenomen en op
verschillende punten, dikwerf op spitsvondige wijze uitgewerkt. Het
symbolum, dat ten onrechte naar Athanasius heet, is grootendeels in zijn
geest en door het Oosten nooit aangenomen, Harnack, D. G. II 298 f.
Karl Müller, Symbolik, Erl. Deichert 1896 S. 51 f. De triniteitsleer
is later in de West. Kerk vooral nog behandeld door Dionysius, de div.
nom. c. 2. Erigena, de div. nat. I 62. II 32. 35. Alcuinus, de fide
sanctae et individuae trinitatis, Migne CI col. 9-64, en voorts door de
scholastici, Anselmus, Monol., de incarnatione verbi en de processione
Sp. S. Hugo Vict. de Sacramentis, lib. I pars 3. Lombardus, Sent. lib.
I en de commentaren op dat werk, Richard Vict., Libri 6 de trinitate.
Thomas, S. Theol. I qu. 27-43. c. Gent. IV c. 2-26. Bonaventura,
Brevil. I c. 2-6 enz. En op denzelfden Augustiniaanschen grondslag
rust de triniteitsleer in de Roomsche, Petavius, de trinitate, libri
VIII; in de Luthersche, Gerhard, Loci Loc. III enz., Schmid, Dogm. der
ev. luth. K. S. 87 f.; en in de Geref. theologie, Calv. Inst. I 13.
Zanchius, de tribus Elohim, Op. I 1-564. Polanus, Synt. theol. lib. 3.
Heppe, Dogm. der ev. ref. K. 80-98. In den nieuweren tijd is de leer der
triniteit wel meest zeer vereenvoudigd maar in kerkelijken zin geleerd
en verdedigd door Philippi, Kirchl. Gl. II 117-224. Ebrard, Chr. Dogm.
§ 95-154, Böhl, Dogm. 113-123. Hodge, Syst. Theol. I 462. Shedd, Dogm.
Theol. I 249. Aug. Hopkins Strong, System. Theology, 3 ed. New-York
Armstrong 1890 p. 144-170 enz.