D. God als de Heilige.

11. Onder de ethische deugden komt de eerste plaats toe aan de goedheid

Gods. Ook uit de natuur is deze bekend. Bij Plato was de idee van het

goede met de Godheid één. Maar het woord goed heeft verschillenden

zin. De oorspronkelijke en eerste beteekenis van goed schijnt geen

innerlijke qualiteit maar eene relatie tot iets anders aan te duiden.

Bij Socrates was het goede identisch met het nuttige, met wat goed,

bruikbaar, nuttig was voor een ander, Xen., Memor. IV 6, 8 v.; een

absoluut goed is er dus niet, er is alleen een relatief goed; nut en

schade zijn de maatstaf van goed en kwaad. De grieksche ethiek bleef

op dit standpunt staan; de vraag naar het hoogste goed valt saam met

die naar het geluk; goed is dat, wat allen begeeren, Plato, Symp. 204

E. v. Arist. Nic. Eth. I 2. Vandaar de gewone definitie: bonum est id

quod omnia appetunt, b. v. bij Dionys., de div. nom. c. 4. Thomas, S.

Theol. I qu. 5 art. 1. qu. 16 art. 1 en 3. S. c. Gent. I c. 38. 40.

Sent. I dist. 8 art. 3. De utilistische moraal houdt zich aan deze

beteekenis van het woord goed, en grondt daarop hare leer, cf. Paulsen,

System der Ethik 1889 S. 171 f. Wundt, Ethik 1886 S. 18 f. En Fr.

Nietzsche heeft daarop heel zijne revolutie der moraal gebouwd; goed was

oorspronkelijk zooveel als voornaam, sterk, machtig, schoon, en slecht

was de benaming van den schlichten, gemeinen Mann, Zur Genealogie der

Moral S. 6. Nu heeft het woord goed inderdaad dikwerf deze beteekenis,

als wij spreken van een goed huis, een goede vriend enz., en daarmede

aanduiden, dat een persoon of zaak zekere eigenschappen bezit en ergens

voor deugt. Goed heeft dan geen eigen inhoud, maar ontvangt dien

van het doel, waartoe iemand of iets dienen moet, en wisselt daarom

bij de verschillende volken in beteekenis. De Griek denkt er bij aan

schoonheid, καλοκαγαθια, de Romein aan voorname geboorte en rijkdom, de

Germaan aan wat passend en tüchtig is; en daarmee in verband verschilt

ook de beteekenis van ἀρετη, virtus, deugd. Dit goede in algemeenen

zin bevat onder zich het nuttige, het aangename, het aesthetisch en

het ethisch goede, bonum utile, bonum delectabile en bonum honestum,

Thomas, S. Theol. I qu. 5 art. 6, I 2 qu. 99 art. 5 enz. In al deze

beteekenissen is goed nog een relatief begrip en duidt aan id quod

omnia appetunt. Maar toch gaat het woord in deze beteekenis niet op.

Wij spreken ook van een bonum in se. De beteekenis van goed als bonum

morale of honestum vormt daartoe den overgang. Het zedelijk goede is

op zichzelf goed, afgedacht van alle voor- of nadeelige gevolgen; het

heeft absolute waarde. Volgens de Schrift is God het inbegrip van alle

volmaaktheden. Alle deugden zijn in absoluten zin in Hem aanwezig. De

Schrift noemt Hem slechts enkele malen goed in absoluten zin, Οὐδεις

ἀγαθος ¡ει μη εἱς ὁ θεος, Mr. 10:18, Luk. 18:19; Hij is τελειος, Mt.

5:48. Maar welke deugd zij Gode ook toeschrijft, zij gaat altijd van de

onderstelling uit, dat deze Hem toekomt in volstrekten zin. Kennis,

wijsheid, macht, liefde, gerechtigheid enz. komen Hem toe op geheel

eenige, d. i. Goddelijke wijze. Deze zijne goedheid is dus één met zijne

absolute volmaaktheid. In Hem is idee en realiteit één. Hij is louter

εἰδος, actus purissimus. Hij behoeft niets te worden, maar is wat Hij

is eeuwiglijk. Hij heeft geen doel buiten zich, maar is zelfgenoegzaam,

ἐξαρκης, παναρκης, αὐταρκης, Ps. 50:9 v., Jes. 40:28 v., Hab. 2:20.

Hij ontvangt niets maar geeft alleen. Alles heeft Hem, Hij heeft niets

of niemand van noode. Hij bedoelt altijd zichzelf, omdat Hij in iets

minder dan zichzelf niet rusten kan. Wijl Hijzelf is de absoluut-goede,

de volmaakte, kan en mag Hij iets anders niet beminnen dan in en om

zichzelven. Hij kan en mag met minder dan de absolute volmaaktheid niet

tevreden zijn. Waar Hij anderen bemint, bemint Hij in hen zichzelven, zijn

eigen deugden, werken, gaven. Over de goedheid Gods, in den zin van

volmaaktheid, cf. August., de nat. boni c. Manich. 1, de trin. VIII 3.

Pseudodion., de div. nom. c. 13. Thomas, S. Th. I qu. 4-6, c. Gent. I

28. Petavius, de Deo VI c. 1 sq. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 10. 17.

Zanchius, Op. II 138 sq. 326 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 9 enz.

Daarom is Hij ook absoluut zalig in zichzelven, als het inbegrip van

alle goed, van alle volmaaktheid. Aristoteles zeide reeds, dat God

daarom de zalige was, wijl Hij de eenheid was van denken en gedachte en

boven alle begeeren, streven, willen, volkomen verheven was, Zeller

III³ 367 f. En ten allen tijde hebben zij, die het primaat stelden in

het verstand, bij Aristoteles zich aangesloten en de zaligheid in het

denken, het kennen, de contemplatie gezocht, cf. Thomas S. Theol. I

2 qu. 3 art. 4. Er lag hierin waarheid, inzoover absolute zaligheid

een toestand is van rust, met geen streven naar een doel vereenigbaar

is en ook het bewustzijn onderstelt. Zaligheid is alleen eigen aan

redelijke wezens. Het onbewuste bij von Hartmann, is, evenals de wil

bij Schopenhauer, absolute onzaligheid, die zelf verlossing behoeft,

Hartmann, Philos. des Unbew. II⁹ 434. Religionsphilosophie II 152 f.

Drews zegt dan ook, dat de eigenschap der volmaaktheid Gode niet kan

worden toegekend; een volmaakte God ware een totes Abstraktum en zou

de wereld niet kunnen verklaren; een God, die alles had, die volkomen

zalig en zichzelf genoeg was, heeft geen verandering, geen wereld

van noode, Die deutsche Spekulation seit Kant, II 593 f. Maar juist

deze leer van de absolute onzaligheid Gods maakt behoedzaam, om bij

God en mensch het primaat toe te schrijven aan den wil, gelijk Duns

Scotus en velen na hem deden. Veel juister is daarom het standpunt

van Bonaventura, die de zaligheid stelde in beide, in verstand en

wil, Sent. IV dist. 49 pars 1 art. 1 qu. 4, 5. Gelijk de zaligheid des

menschen ziel en lichaam en al zijne vermogens omvatten zal, zoo bestaat

ze bij God niet alleen in zijne volmaakte kennis maar eveneens in zijne

volmaakte macht, goedheid, heiligheid enz. Beatitudo status est omnium

bonorum aggregatione perfectus, Boethius, de cons. philos. 4. Over de

zaligheid Gods, August. de civ. Dei XII 1. Thomas, S. Theol. I qu. 26,

Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 19. Zanchius, II 155 sq. Polanus, II c. 17.

Maar wat goed is in zichzelf, is goed ook voor anderen. En God is als

de volmaakte en zalige het hoogste goed voor zijne schepselen, bonum

summum quod omnia appetunt; fons bonorum omnium; bonum omnis boni;

bonum unum necessarium et sufficiens, finis bonorum omnium, Ps. 4:7, 8,

73:25, 26. Hij alleen is het bonum quo sit fruendum, maar schepselen zijn

bona, quibus sit utendum, August. de doctr. chr. I c. 3 sq. de trin. X

10. Lombardus, Sent. I dist. 1. Bonaventura, Sent. I dist. 1. Vooral

Augustinus heeft God dikwerf zoo als summum bonum voorgesteld, de trin.

VIII 3, Enarr. in Ps. 26, de doctr. chr. I 7, cf. Anselmus, Prosl. c.

23-25. In Hem is alles en in Hem is alleen, wat alle schepselen zoeken

en noodig hebben. Hij is het summum bonum voor alle schepselen, schoon

voor deze in verschillende mate, naar gelang ze meer of minder aan zijne

goedheid deel hebben, Hem meer of minder genieten kunnen. Hij is het,

naar wien alle schepselen bewust of onbewust, willens of onwillens

streven, het voorwerp van aller begeeren. En het schepsel vindt geen

rust dan in God alleen, August. Conf. I 1. Zoo werd het hoogste goed

door de christelijke theologie ten allen tijde in God gesteld, en het

kwam in de gedachte niet op, om dat hoogste goed te zoeken in eenige

zedelijke daad of deugd van het schepsel, in den plicht (Kant), in het

rijk Gods (Ritschl), in de liefde (Drummond) of in eenig ander creatuur.

Maar voorts als summum bonum is God ook de overvloedige fontein van

alle goeden, Ned. Gel. art. 1. Deus, cum perfecte bonus sit, perpetuo

beneficus est, Athenagoras, Leg. pro christ. n. 26. Er is geen goed

in eenig schepsel dan uit en door Hem. Hij is de causa efficiens,

exemplaris et finalis van alle goed, hoe onderscheiden dit ook in de

schepselen moge zijn. Al het natuurlijk, zedelijk en geestelijk goed heeft

zijn oorsprong in Hem. De H. Schrift is een lofzang op de goedheid des

Heeren. Uit haar wordt de schepping afgeleid, en alle leven en zegen

voor mensch en voor beest, Ps. 8, 19, 36:6-8, 65:12, 147:9, Mt. 5:45,

Hd. 14:17, Jak. 1:17. Zij breidt zich uit over al zijne werken, Ps.

145:9 en duurt in eeuwigheid, Ps. 136. Telkens wordt heel de schepping

opgeroepen, om Gods goedheid te loven, 1 Chr. 16:34, 2 Chr. 5:13, Ps.

34:9, 106:1, 107:1, 118:1, 136:1, Jer. 33:11 enz. Schultz, Altt. Theol.

545 f. Dionysius, de div. nom. c. 4, die de goedheid Gods op verheven

wijze schildert en vergelijkt bij de zon, die alles verlicht, Thomas, S.

Theol. I qu. 6, vooral art. 4. c. Gent. I c. 40, 41. Petavius, de Deo

VI c. 3. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 10. Polanus, Synt. Theol. II c.

20. Zanchius, Op. II col. 326-342 enz. Deze goedheid Gods treedt in

verschillende vormen op, naar gelang van de objecten, waarop zij zich

richt. Nauw verwant met haar is de _goedertierenheid_, ‎‏חֶסֶד‏‎ a.

v. ‎‏חסד‏‎, stringere, binden, χρηστοτης, verwant met πραυτης, 2 Cor.

10:1. Soms wordt ze in algemeenen zin gebruikt, 1 Chr. 16:34, maar

meest duidt ze aan Gods bijzondere gunst tot zijn volk, de genegenheid,

waarmee Hij gebonden is aan zijne gunstgenooten, aan Jozef, Gen. 39:21,

Israel, Num. 14:19, David, 2 Sam. 7:15, 22:51, Ps. 18:51, 1 Chr. 17:13,

de vromen, Ps. 5:8. Zij staat in verband met Gods verbond, Neh. 1:5,

is principe van vergeving, Ps. 6:5, 31:17, 44:27, 109:26, Klaagl.

3:22, van genade, Ps. 51:3, van troost, Ps. 119:76, duurt eeuwig,

Jes. 54:8, 10 en is beter dan het leven, Ps. 63:4. In al haar rijkdom

heeft zij zich geopenbaard in Christus, Rom. 2:4, 2 Cor. 10:1, Ef. 2:7,

Col. 3:12, Tit. 3:4 en betoont zich nu aan de geloovigen, leidende

hen tot bekeering, Rom. 2:4, 11:22, Gal. 5:22, cf. Delitzsch op Ps.

4:4. Cremer s. v. ἐλεος. De goedheid Gods heet, als ze bewezen wordt

aan ellendigen, barmhartigheid, ‎‏רָחֲמִים‏‎, σπλαγχνα, viscera,

misericordia, N. T. ἐλεος, οἰκτιρμος. Van deze barmhartigheid Gods

maakt de Schrift ieder oogenblik gewag, Ex. 34:6, Deut. 4:31, 2 Chr.

30:9, Ps. 86:15, 103:8, 111:4, 112:4, 145:8 enz., in tegenstelling met

de menschen, 2 Sam. 24:14, Spr. 12:10, Dan. 9:9, 18. Zij is veelvuldig,

2 Sam. 24:14, Ps. 119:156, groot, Neh. 9:19, Ps. 51:13, zonder einde,

Klaagl. 3:22, teeder als van een vader, Ps. 103:13, wordt bewezen

aan duizenden, Ex. 20:6 en keert na kastijding weer, Jes. 14:1, 49:13

v., 54:8, 55:7, 60:10, Jer. 12:15, 30:18, 31:20, Hos. 2:22, Mich.

7:19 enz. In het N. T. heeft God, de Vader der barmhartigheid, 2 Cor.

1:3, zijne barmhartigheid geopenbaard in Christus, Luk. 1:50 v., die

een barmhartig hoogepriester is, Mt. 18:27, 20:34 enz. Hebr. 2:17

en Hij toont voorts den rijkdom zijner barmhartigheid, Ef. 2:4 in de

behoudenis der geloovigen, Rom. 9:23, 11:30, 1 Cor. 7:25, 2 Cor. 4:1,

1 Tim. 1:13, Hebr. 4:16, enz., cf. Thomas, S. Theol. I qu. 21 art. 3.

Zanchius, Op. II 370 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 23. Gerhard, Loc.

II c. 8 sect. 11. De sparende goedheid Gods tegenover strafwaardigen

heet _lankmoedigheid_, ‎‏רוּחַ‏‎ of ‎‏אֹרֶך אַפַּיִם‏‎, μακροθυμια,

ἀνοχη, χρηστοτης. Meermalen is ook van deze deugd Gods sprake in de

Schrift, Ex. 34:6, Num. 14:18, Neh. 9:17, Ps. 86:15, 103:8, 145:8,

Jon. 4:2, Joel 2:13, Nah. 1:3. Zij heeft zich betoond in heel den tijd

vóór Christus, Rom. 3:25, en wordt ook nu nog naar het voorbeeld van

Christus, 1 Tim. 1:16, 2 Petr. 3:15, menigmaal aan zondaren bewezen,

Rom. 2:4, 9:22, 1 Petr. 3:20, Polanus, Synt. Theol. II c. 24. Veel

rijker is de goedheid Gods, waar ze bewezen wordt aan zulken, die niets

goeds maar alle kwaads hebben verdiend; dan draagt ze den naam van

_genade_, ‎‏חֵן‏‎, ‎‏תְחִנָּה‏‎ a. v. ‎‏חָנַן‏‎ zich buigen, neigen,

χαρις, v. χαριζομαι Dit woord duidt ook aan de gunst, welke door den

eenen mensch bij den ander gevonden of aan den ander geschonken wordt,

Gen. 30:27, 33:8, 10, 47:29, 50:4 enz., Luk. 2:52. Van God gebezigd,

heeft ze echter nooit de schepselen in het algemeen noch ook de

Heidenen maar alleen zijn volk tot object. Zij wordt bewezen aan Noach,

Gen. 6:8, Mozes, Ex. 33:12, 17, 34:9, Job, cap. 8:5, 9:15, Daniel, cap.

1:9, aan de zachtmoedigen en ellendigen, Spr. 3:34, Dan. 4:27, en dan

vooral aan Israel als volk. Zijne verkiezing en leiding, zijne uitredding

en verlossing en al de weldaden die het in onderscheiding van andere

volken ontving, zijn alleen aan Gods genade te danken, Ex. 15:13, 16,

19:4, 33:19, 34:6, 7, Deut. 4:37, 7:8, 8:14, 17, 9:5, 27, 10:14 v.

33:3, Jes. 35:10, 42:21, 43:1, 15, 21, 54:5, 63:9, Jer. 3:4, 19, 31:9,

20, Ezech. 16, Hos. 8:14, 11:1 enz. In historie en wet, in psalmodie en

profetie is altijd de grondtoon: niet ons, o Heer, maar Uwen naam geef

eer, Ps. 115:1. Hij doet alles om zijns naams wil, Num. 14:13 v., Jes.

43:21, 25 v., 48:9, 11, Ezech. 36:22 enz. En daarom wordt die genade

ook telkens geroemd en verheerlijkt, Ex. 34:6, 2 Chron. 30:9, Neh. 9:17,

Ps. 86:15, 103:8, 111:4, 116:5, Jon. 4:2, Joel 2:13, Zach. 12:10. In

het N. Test. blijkt die genade nog rijker en dieper van inhoud te zijn.

Χαρις beteekent in objectieven zin schoonheid, bevalligheid, gratie,

Luk. 4:22, Col. 4:6, Ef. 4:29, en subjectief gunst, genegenheid van de

zijde van den gever en dank, vereering van de zijde van den ontvanger. In

God duidt zij aan zijne vrijwillige, ongehoudene, onverdiende genegenheid,

die bewezen wordt aan schuldige zondaren en in plaats van het vonnis

des doods hun de δικαιοσυνη en de ζωη schenkt. Als zoodanig is zij een

deugd en eigenschap Gods, Rom. 5:15, 1 Petr. 5:10, die zich betoont

in de zending van Christus, die vol is van genade, Joh. 1:14 v.,

1 Petr. 1:13 en voorts in de schenking van allerlei geestelijke en

lichamelijke weldaden, die alle gaven der genade en zelve genade zijn,

Rom. 5:20, 6:1, Ef. 1:7, 2:5, 8, Phil. 1:2, Col. 1:2, Tit. 3:7 enz.

en alle verdiensten van ’s menschen zijde ten eenenmale uitsluiten,

Joh. 1:17, Rom. 4:4, 16, 6:14, 23, 11:5 v., Ef. 2:8, Gal. 5:3, 4,

Schultz, Altt. Theol. 425 f. Cremer s. v. De leer der genade werd in

de christelijke kerk het eerst ontwikkeld door Augustinus, maar men

dacht daarbij gewoonlijk niet aan de genade als deugd Gods, maar aan de

weldaden, die door God uit genade in Christus aan de gemeente werden

geschonken. Onder de eigenschappen Gods wordt de genade gewoonlijk niet

behandeld. Wel ontbreekt dit begrip der genade, nl. als virtus Dei

niet; Thomas zegt b. v. quandoque tamen gratia Dei dicitur ipsa aeterna

dilectio, secundum quod dicitur etiam gratia praedestinationis, in

quantum Deus gratuito et non ex meritis aliquos praedestinavit sive

elegit, S. Theol. II 1 qu. 110 art. 1., cf. Schwetz, Theol. dogm.

cath. I 1851 p. 193. Gerhard, Loc. II c. 8 sect. 11 qu. 4. Musculus,

Loci Communes 1567 p. 317 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 21. Zanchius

Op. II 342-358, maar terstond wordt de genade toch genomen in ruimer

zin, gelijk ze eerst later in de dogmatiek, in den locus de salute

ter sprake moet komen. Cf. ook Lange, art. Gnade in Herzog², Dogm.

II § 18. Voorts treedt de goedheid Gods als _liefde_ op, als zij niet

enkele weldaden slechts, maar zichzelve geeft. In het O. Test. is er

nog niet zoo dikwerf van deze liefde als eigenschap Gods sprake, maar

toch ontbreekt ze volstrekt niet, Deut. 4:37, 7:8, 13, 10:15, 23:5, 2

Chron. 2:11, Jes. 31:3, 43:4, 48:14, 63:9, Jer. 31:3, Hos. 11:1, 4,

14:5, Zef. 3:17, Mal. 1:2. En niet alleen deugden en eigenschappen,

zooals het recht en de gerechtigheid, Ps. 11:7, 33:5, 37:28, 45:8,

maar ook personen zijn haar object, Ps. 78:68, 146:8, Spr. 3:12, Deut.

4:37, 7:8, 13, 23:5, 2 Chron. 2:11, Jer. 31:3, Mal. 1:2. Veel klaarder

treedt deze liefde Gods in het N. T. aan het licht, nu God zichzelven

gegeven heeft in den Zoon zijner liefde. Het Hebr. ‎‏אַהֲבָה‏‎ wordt

niet weergegeven door ἐρως, hetwelk de gewone naam voor de zinnelijke

liefde is, noch ook door φιλια, het woord voor de liefde tusschen

bloedverwanten, maar door ἀγαπη, hetwelk aan het gewone grieksch vreemd

is en ook bij Philo en Josephus niet voorkomt maar juist geschikt is om

de volle, reine, Goddelijke liefde aan te duiden, evenals het latijnsche

caritas (dilectio) in onderscheiding van amor. De verhouding van Vader

en Zoon wordt als een leven der liefde geteekend, Joh. 3:35, 5:20,

10:17, 14:31, 15:19, 17:24, 26. Maar in Christus, die zelf liefheeft

en zijne liefde bewezen heeft in zijne overgave, Joh. 15:13, openbaart

die liefde zich ook jegens de menschen, niet alleen de wereld of de

gemeente in het algemeen, Joh. 3:16, Rom. 5:7, 8:37, 1 Joh. 4:9, maar

ook individueel en persoonlijk, Joh. 14:23, 16:27, 17:23, Rom. 9:13,

Gal. 2:20. Ja, God heeft niet lief, maar Hij is liefde, 1 Joh. 4:8, en

zijne liefde is grondslag, bron, voorbeeld van de onze, 1 Joh. 4:10.

Nu kan er wel van Gods liefde in het algemeen tot de schepselen en

tot de menschen gesproken worden, φιλοκτισια, amor complacentiae en

φιλανθρωπια, amor benevolentiae, maar de Schrift bezigt daarvoor toch

meest het woord goedheid, en spreekt in den regel van Gods liefde

evenals van zijne genade alleen in betrekking tot het volk of de

gemeente, die Hij verkoren heeft, ἐλεκτοφιλια, amor amicitiae, Oehler,

Theol. des Alt. Test. § 81. Schultz, Altt. Theol. 545 f. Smend, Altt.

Religionsgesch. 197 f. Cremer, s. v. Deze liefde is nu wel niet in dien

zin het wezen Gods, dat zij het middenpunt en het hart daarin uitmaakt

en de andere eigenschappen hare modi zijn, Schleiermacher, Chr. Gl.

§ 167. Schoeberlein, Princip u. System der Dogm. 1881 S. 129. Dorner,

Glaub. I 437. Oosterzee, Dogm. § 50, want alle eigenschappen zijn zijn

wezen in gelijken zin; in God is geen hooger en lager, geen minder en

meer, Lange, Dogm. II 203. Thomasius, Christi Person und Werk, I³ S.

105. Doedes, Leer van God 231. Maar toch is de liefde zeer zeker met

het Goddelijk wezen identisch. Zij is onafhankelijk, eeuwig, onveranderlijk

als God zelf. Zij heeft in Hem haar oorsprong en keert ook door de

schepselen heen tot Hem weder. Pseudodionysius sprak daarom van de

Goddelijke liefde tamquam sempiternus circulus, propter bonum, ex bono,

in bono, et ad bonum indeclinabili conversione circumiens, in eodem et

secundum idem et procedens semper et manens et remeans, de div. nom.

c. 4 § 14. Cf. Augustinus, de trin. VIII 6-12. IX 6. X 1. Conf. IV 12.

Solil. I 2. de vera relig. c. 46. Lombardus, Sent. III dist. 32, 1.

Thomas, S. Theol. I qu. 20. S. c. Gent. I c. 91. Scheeben, Dogm. I 692

f. Gerhard, Loci theol. loc. II c. 8 sect. 11 qu. 2. Zanchius, Op. II

359 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 22.

12. Met de goedheid ten nauwste verwant is de heiligheid Gods. Vroeger

werd zij omschreven als ab omni scelere libera et omnino perfecta et

omni ex parte immaculata puritas, Pseudodion., de div. nom. c. 12

§ 2, cf. verder Suicerus, s. v. ἁγιος. Dikwerf wordt ze naast de

bonitas, perfectio en pulchritudo Dei niet afzonderlijk behandeld; noch

Lombardus, noch Thomas brengen haar ter sprake. Bij de Protestantsche

theologen was de omschrijving der heiligheid Gods wezenlijk dezelfde;

zij bestond in moralis perfectio, puritas, Polanus, Synt. theol. II

c. 28. Synopsis, VI 40. Mastricht, Theor. pract. theol. II c. 19. L.

Meyer, Verh. over de Goddel. eigensch. III 115 v. en werd nu eens

meer met de gerechtigheid, dan met de goedheid, en ook wel met de

waarachtigheid en wijsheid Gods in verband gebracht, Heppe, Dogm. der

ev. ref. K. S. 73, cf. Bretschneider, Syst. Entw. 382 f. Hase, Hutt.

Rediv. § 63. Het onderzoek van het bijbelsch begrip heilig heeft echter

allengs eene andere opvatting doen opkomen. Allen erkennen thans, dat

het begrip heiligheid in O. en N. T. eene verhouding van God tot de

wereld uitdrukt. Maar er is verschil over, van wat aard en karakter

die relatie is. Menken dacht daarbij met het oog op teksten als Hos.

11:9, Jes. 57:15, Ezech. 20:9 v. aan Gods nederbuigende goedheid en

genade, Versuch einer Anleitung zum eigenen Unterricht in den Wahrh.

der h. S. 3te Aufl. 1833 cap. 1 § 9. Baudissin meende echter, dat in

de heiligheid Gods veeleer zijne volstrekte verhevenheid en macht boven

alle creaturen werd uitgedrukt, Stud. zur semit. Religionsgesch., 2tes

Heft, Leipzig 1878 S. 3-142, en werd in dit gevoelen gesteund door

Ritschl, Rechtf. u. Vers. II² 89 f., en ook door Prof. H. P. Smith,

Presb. and Ref. Rev. Jan. 1890 p. 42 etc. met beroep op plaatsen als

Num. 20:13, Jes. 5:16, Ezech. 20:41, 28:25, 36:20-24, en de verbinding

van heerlijk, verheven met heilig in plaatsen als Jes. 63:15, 64:11,

Jer. 17:12, Ezech. 20:40 enz. Verwant is daarmede de opvatting van

Schultz, die bij de heiligheid Gods denkt aan Gods verterende majesteit,

aan zijne ongenaakbaarheid en onschendbaarheid, aan den oneindigen

afstand, die hem scheidt van alle schepsel, en daarvoor verwijst naar

Ex. 15:11, 1 Sam. 2:2, 6:20, Jes. 6:3, 8:14, 10:17, Altt. Theol.⁴ 554

f., cf. ook Kuenen, G. v. Isr. I 47 v. Hofmann, Schriftbeweis I² 83,

in hoofdzaak ook Smend, Altt. Religionsgesch. 333 f. Omdat er zoo

het grootste verschil over was, welke eigenschap Gods er toch wel

door de heiligheid werd aangeduid, hebben anderen gemeend, dat dit

begrip hoegenaamd geen innerlijke, wezenlijke qualiteit, maar alleen

eene relatie aanduidt, en dus zuiver en alleen een Verhältnissbegriff

is. Het eerst werd de heiligheid zoo opgevat door Diestel, Jahrb. f.

d. Theol. 1859 S. 3-62, en sedert wordt zij door velen als de juiste

aangenomen, vooral door Otto Schmoller, Die Bedeutung von ‎‏קדשׁ‏‎ im

A. T., in Festgruss an Rudolf von Todt zum Dr. jubiläum, von seinen

Freunden u. Schülern, Stuttgart 1893 S. 39-43, cf. ook Delitzsch art.

Heiligkeit in Herzog². Cremer, Wörterbuch s. v. Issel, Der Begriff

der Heiligkeit im N. T. Leiden, 1887. R. Schröter, Der Begriff der

Heiligkeit im A. u. N. T. Leipzig, Fock 1892. Hoekstra, Wijsg. Godsd. II

260-280.

De stam ‎‏קדשׁ‏‎, verwant met ‎‏הדשׁ‏‎, wordt meest afgeleid van den

wortel ‎‏קד‏‎ met de beteekenis van snijden, scheiden en drukt dus

uit: afgesneden, afgezonderd zijn. Het verb. komt voor in ni. pi. hi.

hithp., het adj. is ‎‏קָדוֹשׁ‏‎ en het subst. ‎‏קֹדֶשׁ‏‎; het oppositum

is ‎‏חֹל‏‎, κοινος van ‎‏חִלֵּל‏‎, κοινον facere, Lev. 10:10, 1 Sam.

21:5, 6, Ezech. 48:14, 15. Het is verwant met maar toch ook duidelijk

onderscheiden van ‎‏טָהוֹר‏‎, rein, dat tot oppositum heeft ‎‏טָמֵא‏‎,

Lev. 10:10. Het woord heilig wordt nu allereerst gebezigd van allerlei

personen en zaken, die van het algemeen gebruik zijn afgezonderd en

in eene bijzondere relatie tot God en zijn dienst zijn gesteld. Zoo is

er sprake van heilig land, Ex. 3:5, heilige verzameling, Ex. 12:16,

heilige sabbat, Ex. 16:23, heilig volk, Ex. 19:6, heilige plaats,

Ex. 29:31, heilige zalf, Ex. 30:25, heilige rok, Lev. 16:4, heilig

jubeljaar, Lev. 25:12, heilig huis, Lev. 27:14, heilige akker, Lev.

27:21, heilige tiende, Lev. 27:30, heilig water, Num. 5:17, heilige

vaten, Num. 16:37, heilige koe, Num. 18:17, heilig leger, Deut. 23:14,

heilig goud, Jos. 6:19, heilig brood, 1 Sam. 21:4, heilige ark, 2

Chron. 35:3, heilig zaad, Ezra 9:2, heilige stad, Neh. 11:1, heilig

verbond, Dan. 11:28, heilig woord, Ps. 105:42, van den tempel als

heiligdom, Ex. 15:17 met zijn heilige en heilige der heiligen, en ook

van de engelen of de kinderen Israels als de heiligen, Deut. 33:2,

3, Job 5:1, 15:15, Ps. 16:3, 10, 32:6, 89:6, 8, 20, Spr. 9:10, 30:3,

Dan. 4:17, 7:18, 22, 25, 27, 7:21, Hos. 12:1, Zach. 14:5. In al deze

gevallen drukt het begrip heilig nog niet eene inwendige, zedelijke

eigenschap uit, maar duidt slechts aan, dat de zoo aangeduide personen

of voorwerpen aan den Heere zijn gewijd en in eene bijzondere verhouding

staan tot zijn dienst, en dus van het gemeene terrein zijn afgezonderd.

In deze eigenaardige verhouding tot God staan de personen en zaken, die

heilig worden genoemd, echter niet vanzelf. Er is veeleer van nature

een afstand en verwijdering, een onderscheid en tegenstelling tusschen

God en zijn schepsel. In zichzelve is heel de wereld ‎‏חֹל‏‎, profaan,

niet staande in de gemeenschap met God en niet geschikt tot zijn dienst.

Ook kunnen de personen en zaken zichzelven niet heiligen en in die

bijzondere relatie tot God zich stellen, welke door het woord heilig

wordt uitgedrukt. De heiliging gaat alleen van God uit. Hij is het, die

Israel, priesterschap, tempel, altaar, bijzondere plaatsen, personen

en voorwerpen heiligt, in zijn dienst en gemeenschap overbrengt, en

van het onheilige afzondert. Ik ben de Heere, die u heilig, Ex.

31:13, Lev. 20:8, 21:8, 15, 23, 22:9, 16, 32, Ezech. 20:12, 37:28.

Deze heiliging van personen of zaken door den Heere geschiedt nu op

tweeërlei wijze: negatief door een volk, persoon, plaats, dag, voorwerp

uit te verkiezen en van alle andere af te zonderen, en positief door

deze personen of zaken naar bepaalde regelen te wijden en te doen

leven. God heiligt den sabbat, niet alleen door hem af te zonderen

van de andere dagen der week maar ook door daarop te rusten en hem te

zegenen, Gen. 2:2, 3, Ex. 20:11, Deut. 5:12. Hij heeft het gansche

volk van Israel geheiligd, door het te verkiezen uit alle volken der

aarde, door het op te nemen in zijn verbond en het zijne wetten bekend

te maken, Ex 19:4-6. De heiligheid Gods is het principe van heel de

wetgeving, van de zedelijke en van de ceremonieele geboden, van de

gansche heilsopenbaring aan Israel, want deze bedoelt niet anders dan

dat Israel heilig zij, Ex. 19:4-6, Lev. 11:44, 45, 19:2, 20:26. Israel

is heilig, doordat God het tot zijn eigendom neemt, tot het volk komt,

onder hen woont en hun tot een God is, Ex. 19:4-6, 29:43-46. En binnen

dezen kring heiligt Hij nu weer in het bijzonder de eerstgeborenen, door

ze zich toe te eigenen, Ex. 13:2, het volk, doordat ze zich wasschen

en alzoo zich voorbereiden, om God te ontmoeten, Ex. 19:10, 14, den

berg, door hem af te palen, Ex. 19:23, de priesterschap door zalving,

offerande, bloedsprenging en bijzondere kleeding, Ex. 28:3, 41, 29:1 v.

21, den tabernakel en het altaar door zalving, Ex. 29:37, 40:9 v. Lev.

8:10, 11, Num. 7:1, de zalfolie, door ze op bijzondere wijze te laten

bereiden, Ex. 30:22 v., de Nazireers, door hen naar bepaalde regelen te

doen leven, Num. 6:2 v. enz. En wat zoo heilig is, deelt in een eigen

leven, draagt een eigen karakter, is van ’t gemeene leven en de gemeene

wet onderscheiden; het mag b. v. niet aangeroerd, Ex. 19:23, 24, niet

gegeten, Ex. 29:33, niet gebruikt worden, Ex. 30:32 v., het heiligt

datgene, wat er mede in aanraking komt, Ex. 30:29, Lev. 10:2 v., Num.

1:51, 53, 3:10, 38, Jes. 8:14. Nu is de positieve handeling, waardoor

iets heilig wordt, niet altijd uitgedrukt; soms schijnt de heiliging in

niets anders te bestaan dan in afzondering, Lev. 25:10, 27:14, Joz.

7:13, 20:7, Rich. 17:3, 1 Sam. 7:1, 2 Sam. 8:11, 1 Chron. 18:11 enz.

Maar heiligen is toch iets meer dan alleen afzonderen, het is door

middel van wassching, zalving, offerande, bloedsprenging enz. iets

ontdoen van dat karakter, hetwelk het met alle dingen gemeen heeft, en

er een anderen, eigen stempel op drukken, dien het overal dragen en

vertoonen moet. Nu wijzen de ceremoniën, die ter heiliging noodig waren,

duidelijk aan, dat ook de onreinheid en zondigheid van het schepsel

hierbij in aanmerking komt, welke juist op die wijze moest weggenomen

worden. Wassching, offerande, bloedsprenging, zalving dienden ter

ontzondiging en toewijding, Lev. 8:15, 16:16, Job 1:5 enz. Heilig en

rein zijn daarom synoniemen, Ex. 30:35, Lev. 16:19. Maar daarom gaat

het begrip heilig in die zedelijke reinheid niet op. Wel is deze niet

uitgesloten, maar zij is niet de eenige noch zelfs de eerste beteekenis.

Heilig is in het O. T., vooral in de wet, veel ruimer van zin. Heel de

onderscheiding en tegenstelling van uitwendige en inwendige reinheid

enz. is van uit een later standpunt op dat der Mozaische wetgeving

overgedragen. Maar heilig is datgene, wat door Ihvh verkoren en

afgezonderd is, wat door bijzondere ceremoniën van het gemeen karakter

is ontdaan en een eigen karakter heeft ontvangen, en nu in dezen

nieuwen toestand naar de daarvoor gestelde wetten leeft. Israel is een

heilig volk, omdat het door God is verkoren en afgezonderd, in een

verbond is opgenomen en nu naar al zijne wetten, ook de ceremonieele

enz. heeft te leven. Heilig is datgene, dat in alles beantwoordt aan

de speciale wetten, die God daarvoor heeft gegeven; heiligheid is

volkomenheid, niet in zedelijken zin alleen, maar in dien ganschen zin,

waarin de eigenaardige wetgeving van Israel ze opvat, in religieusen,

ethischen, ceremonieelen, in- en uitwendigen zin.

Dit begrip der heiligheid wordt echter dan eerst ten volle duidelijk

wanneer we nagaan, in welken zin het op God wordt toegepast. Cremer

heeft er terecht op gewezen, dat de heiligheid niet allereerst eene

verhouding aanduidt van beneden naar boven, maar van boven tot beneden,

en dat ze in de eerste plaats Gode toekomt en daarna in afgeleiden

zin ook aan schepselen. Schepselen zijn niet heilig in zichzelf. Zij

kunnen ook zichzelf niet heiligen. Alle heiliging en alle heiligheid

gaat van God uit. Ihvh is heilig, en daarom wil Hij een heilig volk,

eene heilige priesterschap, eene heilige woning enz., Ex. 19:6, 29:43,

Lev. 11:44, 45, 19:2, 20:26, 21:8, Deut. 28:9, 10. Meermalen wordt

aan Ihvh dit praedikaat toegekend, Lev. 11:44, 45, 19:2, 20:26, 21:8,

Joz. 24:19, 1 Sam. 2:2, 6:20, Ps. 22:4, 99:5, 9, Jes. 5:16, 6:3 enz.

Jesaia gebruikt dikwerf den naam van Heilige Israels, cap. 29:23,

40:25, 43:15, 49:7, 62:12, cf. 2 Kon. 19:22, Ezech. 39:7, Hab. 1:12,

3:3. En voorts wordt er ook gesproken van Gods heiligen naam, Lev.

20:3, 22:32, 1 Chron. 16:35, Ps. 99:3, 103:1, 111:9 enz., heiligen

arm, Jes. 52:10, heilige majesteit, 2 Chr. 20:21. Nu heet Ihvh in de

eerste plaats zoo, wijl Hij zich in eene bijzondere relatie tot Israel

gesteld heeft; heilig is ook bij God allereerst een Verhältnissbegriff.

Jahveh’s heiligheid openbaart zich daarin, dat hij Israel tot zijn volk

heeft aangenomen, zichzelf aan Israel gaf en onder hen wonen ging, Ex.

29:43-46, Lev. 11:44, 45, 20:26, Ps. 114:1, 2. Doch deze relatie is

geen abstractie, maar is rijk van inhoud. God heeft zelf deze relatie

geregeld in de wetten, die Hij aan Israel gaf. Heel de wetgeving van

Israel heeft haar principe in de heiligheid van Ihvh en haar doel

in de heiliging des volks. Wat de heiliging van Ihvh inhoudt, wordt

openbaar in de gansche wet; en het volk is heilig, wanneer het daaraan

beantwoordt. Als Heilige is Hij degene, die zich aan Israel gaf en

onder Israel woont, maar nu ook verder zich houdt aan zijn woord, trouw

blijft aan zijn verbond, Ps. 89:35 v. en Israel telkens weer uitredt

en verlost. God is de Heilige Israels, die Israel toebehoort en die

zoo is, als zijne wet Hem kennen doet. Uit zijne heiligheid vloeit voor

Israel voort: redding, Ps. 22:4, 5, 89:19, 98:1, 103:1, 105:3, 145:21,

gebedsverhooring, Ps. 3:5, 20:7, 28:2, troost, Jes. 5:16, Hab. 1:12,

vertrouwen, Ps. 22:4, 5, 33:21, Jes. 10:20. Zijne heiligheid laat

niet toe, dat Hij Israel verderve. Als de Heilige is Hij de Schepper,

Verlosser en Koning Israels, Jes. 43:14, 15, 49:7, 54:5, 62:12. En

zoo wordt Hij door zijn volk, dat verlost is, als de Heilige gedankt en

geprezen, Ps. 30:5, 71:22, 97:12, 1 Chron. 16:10, 35. Maar tegelijk is

deze heiligheid Gods ook principe van straf en kastijding. Als Israel

zijn verbond verbreekt, zijn naam ontheiligt, zijne wetten overtreedt,

dan is het juist de heiligheid Gods, die Hem tot straf aanspoort; zijne

heiligheid eischt dat Israel heilig zij en Hem heilige, Lev. 11:44, 45,

19:2, 20:7, 26, 21:8. Ingeval van ongehoorzaamheid, kastijdt Hij Israel,

1 Kon. 9:3-7, 2 Chron. 7:16-20. Dezelfde heiligheid, die principe is

van verlossing en voorwerp van lof, is voor de overtreders beginsel van

verderving en voorwerp van vreeze. Heilig is dan synoniem van ijverig,

Joz. 24:19, groot en vreeselijk, Ex. 15:11, Ps. 99:3, 111:9, van heerlijk

en verheven, Jes. 6:3, 57:15. Niemand is Hem als Heilige gelijk, Ex.

15:11, 1 Sam. 2:2, Jes. 40:25. Hem heiligen is Hem vreezen, Jes. 8:13,

29:23. Als menschen zijn naam en zijn verbond ontheiligen, dan heiligt

Hij zichzelf door recht en gerechtigheid, Jes. 5:16, Ezech. 28:22.

Maar ook dan vergeet Hij zijn volk niet. Zijne heiligheid blijft voor

Israel de oorzaak der verlossing, Jes. 6:13, 10:20, 27:13, 29:23, 24,

43:15, 49:7, 52:10 enz. Jer. 51:5, Hos. 11:8, 9, en zal zich eindelijk

daarin openbaren, dat Hij de Heidenen zal doen weten dat Hij de Heere

is, Jer. 50:29, Ezech. 36:23, 39:7 en Israel verlost en reinigt van

alle ongerechtigheden, Ezech. 36:25 v., 39:7. Dit laatste leidt nu

rechtstreeks henen naar de heiligheid in Nieuw-Testamentischen zin.

Reeds de keuze van het grieksche woord is van beteekenis. Σεμνος van

σεβομαι, duidt aan wat eerwaardig is, Phil. 4:8, 1 Tim. 3:8, 11, Tit.

2:2; ἱερος drukt alleen eene relatie uit tot de Godheid, 1 Cor. 9:31,

2 Tim. 3:15, Hebr. 8:2, 9:8 enz.; ἁγνος heeft de beteekenis van rein,

kuisch, 2 Cor. 11:2, Tit. 2:5 enz. Deze woorden worden nimmer van God

gebruikt. God wordt in het N. T. alleen genoemd ὁσιος, Op. 15:4, 16:5,

cf. Hebr. 7:26 en vooral ἁγιος, Luk. 1:49, Joh. 17:11, 1 Joh. 2:20,

1 Petr. 1:15, 16, Op. 4:8, 6:10. In het O. Test. is de heiligheid

Gods nog niet duidelijk naast en in onderscheiding van alle andere

volmaaktheden Gods bepaald. Zij duidt daar nog aan de gansche relatie,

waarin de Heere tot Israel en Israel tot den Heere staat. Daarom kan

Ihvh de Heilige Israels heeten, die zich geheel en al aan Israel

gegeven heeft en het langs allerlei wegen als zijn eigendom handhaaft

en bewaart. Daarom is ook van de zijde des volks de heiliging niet

alleen religieus en ethisch maar ook ceremonieel, burgerlijk, politiek

van aard. Gelijk de heiligheid in God nog niet naast andere deugden is

begrensd, zoo is zij ook aan de zijde van Israel heel het volk naar alle

zijden omvattend. Maar als in het N. T. ὁ ἁγιος του θεου verschijnt,

Mk. 1:24, Luk. 4:34, Hd. 3:14, 4:27, die met de wereld de diepste

tegenstelling vormt, Joh. 15:18 en zichzelven in absoluten zin Gode

heiligt en wijdt, Joh. 17:19, dan houdt de heiligheid Gods op beginsel

van straf en kastijding te wezen, en wordt zij in den Heiligen Geest, die

in het O. T. nog maar enkele malen zoo heet, Ps. 51:13, Jes. 63:10,

doch thans geregeld dien naam draagt, het principe van de heiliging

der gemeente. Deze is thans het ἐθνος ἁγιον, 1 Petr. 2:5, 9, Ef. 2:19,

5:27, bestaande uit ἐκλεκτοι, ἁγιοι, ἀμωμοι, Ef. 1:1, 4, Col. 1:2, 22,

3:12, 1 Cor. 7:24, geheel en al van de zonde bevrijd en gereinigd en

eeuwiglijk met ziel en lichaam Gode gewijd. De heiligheid, welke Ihvh

zich geven doet aan Israel en Israel geheel en al opeischt voor zijn

dienst, openbaart zich ten slotte het hoogste daarin, dat God zich

in Christus aan de gemeente geeft en deze verlost en reinigt van alle

ongerechtigheden.

13. Bij de heiligheid Gods behoort ook zijne heerlijkheid. De Schrift

bezigt daarvoor de woorden ‎‏כָּבוֹד‏‎ en δοξα; ‎‏כָּבוֹד‏‎ van het

verbum ‎‏כבד‏‎, zwaar, gewichtig zijn, is de verschijning van hem, die

gewichtig, voornaam is; daarnaast is ook in gebruik ‎‏הוֹד‏‎, dat

de heerlijke verschijning aanduidt van hem, wiens naam wijd verbreid

is, en ‎‏הָדָר‏‎, hetwelk die verschijning aanduidt in haar glans en

schoonheid, Delitzsch op Ps. 8:6. Het grieksche woord daarvoor in

LXX en N. T. is δοξα, de erkenning, die iemand geniet of waarop hij

aanspraak heeft, subjectief dus de erkenning, die iemand toekomt of

feitelijk geschonken wordt, de roem of eer, waarin hij deelt, syn. met

τιμη en εὐλογια, Op. 5:12, opp. ἀτιμια, 2 Cor. 6:8; en objectief de

verschijning, gestalte, het aanzien, de pracht, glans, heerlijkheid van

een persoon of zaak, die zich vertoont, of de persoon of zaak zelf in

hunne heerlijke verschijning, en dan verwant met εἰδος, εἰκων, μορφη,

Jes. 53:2, 1 Cor. 11:7. De ‎‏כָּבוֹד יהוה‏‎, δοξα του θεου geeft daarom

te kennen de glans en heerlijkheid, die van alle deugden Gods en van

heel zijne zelfopenbaring in natuur en bovenal in genade onafscheidelijk

is, de heerlijke gestalte, waarin Hij allerwege tegenover schepselen

optreedt. Deze heerlijkheid en majesteit, waarmede God bekleed is en

die al zijn doen kenmerkt, 1 Chron. 16:27, Ps. 29:4, 96:6, 104:1,

111:4, 113:4 enz., openbaart zich in de gansche schepping, Ps. 8,

Jes. 6:3, maar wordt toch vooral gezien op het terrein der genade.

Zij verschijnt aan Israel, Ex. 16:7, 10, 24:16, 33:18 v. Lev. 9:6, 23,

Num. 14:10, 16:19 enz. Deut. 5:24. Zij vervulde den tabernakel en

den tempel, Ex. 40:34, 1 Kon. 8:11 en deelde zich mede aan heel het

volk, Ex. 29:43, Ezech. 16:14 enz. Bovenal wordt ze aanschouwd in

Christus, den Eeniggeborene, Joh. 1:14 en door Hem in de gemeente,

Rom. 15:7, 2 Cor. 3:18, welke verwacht de zalige hope en verschijning

der heerlijkheid van den grooten God en van haren Zaligmaker Jezus

Christus, Tit. 2:13. Meermalen wordt zij met de heerlijkheid Gods in

verband gebracht. Ex. 29:43, Jes. 6:3 en daarom ook beschreven als een

vuur, Ex. 24:17, Lev. 9:24 en als eene wolk, 1 Kon. 8:10, 11, Jes. 6:4.

Zonder twijfel denkt de Schrift bij die wolk en dat vuur aan zinnelijk

waarneembare, creatuurlijke vormen, waaronder zich Gods tegenwoordigheid

kenbaar maakte, cf. deel I 249. Iets anders is het echter met het

licht, waarmede de heerlijkheid Gods dikwerf vergeleken en waaronder

ze telkens voorgesteld wordt. Licht is in de Schrift het beeld van

waarheid, heiligheid en zaligheid, Ps. 43:3, Jes. 10:17, Ps. 97:11.

Deze vergelijking is zoo eenvoudig en natuurlijk, dat er waarlijk de

onderstelling niet voor noodig is, dat Ihvh oorspronkelijk een zonnegod

was, Kuenen, G. v. I. I 48 v. 240 v. 249. 267, evenmin als de benaming

rotssteen op eene vroegere periode van steendienst behoeft te wijzen,

Kuenen, I 392-395. Het licht der zon en het vuur des hemels leveren

aan den Israeliet de stof voor de beschrijving der deugden van Iahveh,

maar hij is zich duidelijk daarbij bewust, in beeld te spreken. Gelijk de

donder zijne stem is, Ps. 104:7, Am. 1:2, Jes. 30:30, zoo is het licht

der natuur zijn kleed, Ps. 104:2. Wat het licht in de natuur is, bron

van kennis, van reinheid, van vreugde, dat is God in het geestelijke. Hij

is het licht der vromen, Ps. 27:1, zijn aangezicht, zijn woord verspreidt

licht, Ps. 44:4, 89:16, 119:105, in zijn licht alleen zien zij het licht,

Ps. 36:10. Hij zelf is louter licht, zonder duisternis en vader van

al wat licht is, 1 Joh. 1:5, 1 Tim. 6:16, Jak. 1:17, en is naar de

belofte, Jes. 9:1, 60:1, 19, 20, Mich. 7:8, in Christus als het licht

verschenen, Mt. 4:16, Luk. 2:32, Joh. 1:4, 3:19, 8:12, 1 Joh. 2:20,

zoodat nu zijne gemeente licht is in Hem, Mt. 5:14, Ef. 5:8, 1 Thes.

5:5, en het volle licht tegemoet gaat, Op. 21:23 v. 22:5, Col. 1:12.

De Joden dachten later bij deze ‎‏כָּבוֹד יהוה‏‎ aan een geschapen,

zichtbaren glans, aan een Lichtleib, waardoor Hij zijne tegenwoordigheid

in de schepping kenbaar maakte en vatten haar in de schechina zelfs op

als een persoonlijk subject, Weber, System der altsyn. pal. Theol. 1880

S. 160, 179-184. Uit de Joodsche theologie is deze meening overgegaan

in de theosophie. Böhme beschrijft de heerlijkheid Gods als een Leib des

Geistes, als een Reich der Herrlichkeit Gottes, das ewige Himmelreich,

worin die Kraft Gottes wesentlich ist, tingiert vom Glanz und Kraft

des Feuers und des Lichts, als een ongeschapen hemel, een paradijs,

Joh. Claassen, Jakob Böhme, sein Leben und seine theos. Werke I 157,

II 61, en zoo ook Baader, Joh. Claassen, Fr. v. Baaders Leben u.

theos. Werke II 90 f. Oetinger, Die Theol. aus der Idee des Lebens,

herausgeg. von J. Hamberger 1852 S. 113 f. 117 f. Delitzsch, Bibl.

Psych². S. 49 f. Keerl, Der Mensch das Ebenbild Gottes II 17 f. 113.

Id. Die Lehre des N. T. von der Herrlichkeit Gottes, Basel 1863. Onder

de Luthersche theologen was er vroeger reeds strijd over, of God in

eigenlijken (Dannhauer, Chemniz) dan wel in oneigenlijken (Musaeus e. a.)

zin licht werd genoemd, M. Vitringa, Doctr. chr. relig. I 139. In de

Oostersche kerk hechtte zelfs het concilie van Constantinopel in 1431

zijne goedkeuring aan de leer van een ongeschapen, Goddelijk licht, dat

van het wezen Gods onderscheiden was, Kurtz, Lehrb. der Kirchengesch.

§ 69, 2. Toch kan deze meening niet worden goedgekeurd. De Schrift leert

duidelijk de geestelijkheid en de onzichtbaarheid Gods. Het aannemen van

een heerlijkheid Gods, als eene plaats, ‎‏מקום‏‎, gestalte, ‎‏תמונה‏‎,

εἰδος, μορφη, als een ‎‏פנים‏‎, van een lichaam, een rijk, een hemel,

die zij het dan ook ongeschapen, toch van zijn wezen onderscheiden zou

zijn, is met bovengenoemde eigenschappen en evenzoo met de eenvoudigheid

Gods in strijd. Ook als de Schrift van Gods aangezicht, heerlijkheid en

majesteit gewaagt, spreekt ze in beeld. Maar gelijk alle volmaaktheden,

zoo komt ook deze in zijne schepselen uit. Zij is mededeelbaar. Er is in

het geschapene een zwakke glans van de onuitsprekelijke heerlijkheid en

majesteit, die God bezit. Gelijk de schepselen ons opleiden, om van Gods

eeuwigheid en alomtegenwoordigheid, van zijne gerechtigheid en genade te

spreken, zoo doen zij ons iets kennen van de heerlijkheid Gods. Toch is

ook hier de analogie geen identiteit. Reeds in de taal komt dit uit. Bij

de schepselen spreken we van mooi, schoon, fraai; maar de Schrift heeft

voor de schoonheid Gods een eigen naam, dien van heerlijkheid. Daarom

verdient het ook geen aanbeveling, om met de kerkvaders, scholastici

en Roomsche theologen van de pulchritudo Dei te spreken. Augustinus

sprak reeds in dien zin. Hij ging uit van de grondstelling: Omne quod

est, in quantum est, verum, bonum, pulchrum est. Nu is er in het zijn

en dus ook in het ware, goede en schoone onderscheid, rangordening,

opklimming. Naarmate iets meer zijn heeft, heeft het ook meer waarheid,

goedheid en schoonheid. Alles is schoon in zijn soort. Singula opera

Dei.... inveniuntur habere laudabiles mensuras et numeros et ordines

in suo quaeque genere constituta, de Gen. c. Manich. I 21. Inest enim

omnibus quoddam naturae sui generis decus, de Gen. ad litt. III 14.

Alle schepselen dragen daarom bij tot de schoonheid van het geheel.

Maar alle schoonheid der schepselen is vergankelijk en veranderlijk;

ze zijn niet schoon door zichzelve, maar door participatie aan eene

hoogere, absolute schoonheid. Ondervraag alle schepselen: Respondent

tibi omnia: ecce, vide, pulchra sumus. Pulchritudo eorum, confessio

eorum, Serm. 241. Die hoogste schoonheid, waarheen alle schepselen

wijzen, is God. Hij is summum esse, summum verum, summum bonum en ook de

hoogste onveranderlijke schoonheid. Ista pulchra mutabilia quis fecit,

nisi incommutabilis pulcher? ib. God is de hoogste schoonheid, wijl in

zijn wezen absolute eenheid en maat en orde is. Hem ontbreekt niets,

en er is niets overtolligs in Hem, de ord. I 26. II 51. de beata vita

34. c. Acad. II 9. Ritter, Gesch. der christl. Philos. II 289 f. Ook

in deze opvatting van Augustinus is de invloed van het neoplatonisme

niet te miskennen, dat de Godheid eveneens beschouwde als de hoogste

schoonheid en de oorzaak van al het schoone, Zeller V² 483 f. Maar zoo

heeft deze gedachte van Augustinus toch ingang gevonden bij Dionysius,

de div. nom. c. 4 § 7. Bonaventura, Breviloquium Pars I c. 6. Petavius,

Theol. dogm. VI c. 8. Scheeben, Kath. Dogm. I 589 f. enz. Daarentegen

spraken de Prot. theologen liefst van de majestas en gloria Dei,

Gerhard, Loci theol. I c. 8 sect. 18. Polanus, Synt. theol. II c. 31.

Mastricht, Theor. pract. theol. II c. 22. Synopsis pur. theol. VI 43.

In de heerlijkheid Gods komt zijne grootheid en verhevenheid uit, gelijk

ze zoo menigmaal in de psalmen en profeten geschilderd wordt, Ps.

104, Jes. 40, Hab. 3. Ze heet grootheid en verhevenheid, inzoover ze

in het schepsel eerbiedige bewondering en aanbidding wekt. Ze wordt

heerlijkheid genoemd, in zoover ze stemt tot dank en roem en eere.

Ze wordt majesteit geheeten, inzoover zij in verband staat met zijne

absolute dignitas en onderwerping eischt van alle creatuur.

14. Aan God als den Heilige komt ten slotte nog toe de deugd der

gerechtigheid. De woorden ‎‏צַדִּיק‏‎, ‎‏צֶדֶק‏‎, ‎‏צְדָקָה‏‎ duiden

aan den staat van iemand, die met eene wet overeenkomt. De eerste

beteekenis schijnt eene forensische te wezen; ‎‏צַדִּיק‏‎ is hij, die in

een proces voor den rechter gelijk heeft en daarom vrijgesproken moet

worden, ‎‏הִצְדִּיק‏‎ oppos. ‎‏הִרְשִׁיעַ‏‎ Deut. 25:1. Het is ook het

woord voor hem, die gelijk heeft in een twist of woordenstrijd, Job 11:2,

33:12, 32, Jes. 41:26; en het substantief kan daarom ook aanduiden de

juistheid of waarheid van eene bewering of uitspraak, Ps. 52:5, Spr.

16:13, Jes. 45:23. Vervolgens beteekent het dan in het algemeen, dat

iemand gelijk heeft, al komt er ook geen proces en geen rechtbank bij

te pas; dat hij het recht aan zijne zijde heeft, rechtvaardig en goed

is en met de wet overeenstemt, Gen. 30:33, 38:26, 1 Sam. 24:18, Ps.

15:2. Van hier wordt het ook op religieus terrein overgebracht en

op God toegepast. In den Pentateuch wordt God nog slechts tweemaal

‎‏צַדִּיק‏‎ genoemd, Ex. 9:27, Deut. 32:4. Gods gerechtigheid komt

eerst uit in de geschiedenis, in zijne regeering der wereld en in zijne

leiding van Israel, en wordt daarom ook het meest door de psalmisten

en profeten ontwikkeld. Zij openbaart zich over heel de wereld, tot

zelfs in de dieren des velds, Ps. 36:7. God is een Rechter der gansche

aarde, Gen. 18:25. Zij bestaat daarin, dat God een iegelijk vergeldt

naar zijn werk, den rechtvaardige en den goddelooze onderscheiden

behandelt, Gen. 18:25. Maar nu is het opmerkelijk, dat de eene zijde

dezer gerechtigheid, n.l. die, naar welke God den goddelooze straft,

de justitia vindicativa, in de Schrift veel minder op den voorgrond

treedt dan die andere, waarnaar Hij den rechtvaardige bevestigt. Diestel

in zijn artikel, Die Idee der Gerechtigheit vorzüglich im A. T., Jahrb.

f. deutsche Theol. V 1860, 2tes Heft, S. 173-253 heeft hierop terecht

de aandacht gevestigd en heeft bij velen, vooral bij Ritschl, Rechtf.

u. Vers. II² 102-119, instemming gevonden. De zaak zelve, die later

in de dogmatiek als justitia vindicativa werd uitgedrukt, ontbreekt

niet. Integendeel, God houdt den schuldige geenszins onschuldig, Ex.

20:7, Nah. 1:3. Hij verschoont niet, Ezech. 7:4, 9, 27, 8:18, 9:10.

Hij neemt geen persoon en geen geschenk aan, Deut. 10:17, en oordeelt

onpartijdig, Job 13:6-12, 22:2-4, 34:10-12, 35:6, 7. Hij is rechtvaardig

en al zijne oordeelen zijn recht, Ps. 119:137, 129:4; ook wordt het

straffen der goddeloozen meer dan eenmaal met zijne gerechtigheid in

verband gebracht, Ex. 6:5, 7:4, Ps. 7:12, 9:5-9, 28:4, 62:13, 73,

96:10, 13, 2 Chron. 12:5-7, Neh. 9:33, Kl. 1:18, Jes. 5:16, 10:22,

Dan. 9:14, Rom. 2:5, 2 Thess. 1:5-10. Maar toch is het waar, dat het

straffen der goddeloozen meest uit den toorn Gods wordt afgeleid en

dat de gerechtigheid in de Schrift vooral optreedt als principe

des heils voor het volk Gods. De toorn Gods wordt in het hebr. door

vele woorden aangeduid, ‎‏אַף‏‎, ‎‏הָרוֹן‏‎, ‎‏כַּעַס‏‎, ‎‏זַעַם‏‎,

‎‏רֹגֶז‏‎, ‎‏קֶצֶף‏‎, meest vertaald door toorn, toornigheid, ‎‏חֵמָה‏‎

meest weergegeven door grimmigheid, ‎‏עֶבְרָם‏‎ meest overgezet door

verbolgenheid, LXX en N. T. door θυμος, den inwendigen, en ὀργη,

den naar buiten zich openbarenden toorn, samen verbonden, Rom. 2:8.

Deze toorn, waarvan de grondwoorden deels met het begrip branden

samenhangen, deels eene heftige, niet te bedwingen beweging des gemoeds

uitdrukken, wordt dikwijls vergeleken bij een vuur, Lev. 10:6, Deut.

32:22, Ps. 21:10, een brand, Deut. 32:22, 2 Kon. 23:26, Ps. 2:12, Jes.

30:27, Jer. 15:14, 17:4, en wordt daarom heet, hittig, Ps. 58:10,

Deut. 13:17, 2 Chron. 28:11, Job 20:23, Jes. 13:9, 13, en rookende

genoemd, Deut. 29:30, Ps. 74:1. Hij wordt opgewekt en ontstoken door

Israels theocratische zonden tegen het verbond Gods, zooals eedbreuk,

Jos. 9:20, ontheiliging van den dienst Gods, Lev. 10:6, Num. 1:53,

16:46, 18:5, afgoderij, Deut. 9:19, de zonde van Manasse, 2 Kon. 23:26,

David, 1 Chron. 27:24, en vooral door de zonden, waaraan het volk zich

schuldig maakte en waardoor het allerlei straffen heeft verdiend,

Jes. 42:24, 25, Jer. 7:20, 21:5, 32:31 enz. Kl. 2:2 v., 3:43, Ezech.

5:13 v., 7:3, 13:13 enz. Zach. 7:12 v. Deze toorn is schrikkelijk, Ps.

76:8, en werkt schrik, Ps. 2:5, 90:7, smart, Job 21:17, Ps. 102:11,

straf, Ps. 6:2, 38:2, Jer. 10:24, verwoesting, Jer. 42:18, 2 Chron.

29:8 enz. cf. Job 9:5, Ps. 21:10, 56:8, 85:5. Blijkens Deut. 6:15,

29:20, 32:21, Job 16:9, Nah. 1:2 is met dien toorn de haat, de wraak

en de ijver verwant. De haat heeft bijna altijd de zondige daden, Deut.

16:22, Ps. 45:8, Spr. 6:16, Jer. 44:4, Hos. 9:15, Am. 5:12, Zach.

8:17, Op. 2:6, en slechts enkele malen de zondige personen, Ps. 5:6,

Mal. 1:3, Rom. 9:13, tot object. De wraak ‎‏נְקָמָה‏‎, ἐκδικησις, die

Gode wordt toegeschreven, Nah. 1:2, 1 Thess. 4:6 en Hem uitdrukkelijk

wordt voorbehouden, Deut. 32:35, Rom. 12:19, Hebr. 10:30, openbaart

zich ook nu soms wel in oordeel en gericht, Num. 31:2, 3, Richt.

5:2, 11:36, 16:28, 2 Sam. 4:8, 22:48, Ps. 18:48, 99:8, maar zal zich

toch eerst in al haar kracht openbaren in de toekomst, in den dag

der wrake, Deut. 32:41, 42, Ps. 94:1, 149:7, Jes. 34:8, 35:4, 59:17,

61:2, 4, Jer. 46:10, 50:15, 28, 51:11, Ezech. 25:14v., Micha 5:14.

De ijver Gods, ‎‏קִנְאָה‏‎ ζηλος, die meermalen voorkomt, Ex. 20:9,

34:14, Deut. 4:24, 5:9, 6:15, Jos. 24:19, Nah. 1:2 wordt daardoor

opgewekt, dat Israel, de bruid van Ihvh, zijne rechten als bruidegom

en man krenkt door andere goden na te hoereeren, Deut. 32:16, 21,

2 Kon. 14:22, Ps. 78:58, Ezech. 8:3, 5 en openbaart zich daarin,

dat Ihvh nu ook zijnerzijds Israel tot jaloerschheid verwekt door een

ander volk te verkiezen, Deut. 32:21, Ps. 79:5, Ezech. 5:13, 16:38,

23:25, Rom. 10:19. Naast al deze deugden wordt nu de gerechtigheid

Gods meestentijds in bonam partem opgevat en naar die zijde beschreven,

naar welke zij de rechtvaardigen in het gelijk stelt en tot eere en

heil verheft. Daarin bestaat vooral de ‎‏צְדָקָה‏‎ van Ihvh, dat Hij

de gerechtigheid der rechtvaardigen erkent, in het licht stelt en

triumfeeren doet. Hij is rechtvaardig omdat Hij heil beschikt aan de

vromen, hen bevestigt, Ps. 7:10, uithelpt, 31:2, antwoordt, 65:6,

verhoort, 143:1, uitredt, 143:11, levend maakt, 119:40, vrijspreekt,

34:23, recht doet, 35:23 enz., terwijl de goddeloozen niet komen tot

zijne gerechtigheid, 69:28, 29. De gerechtigheid van Ihvh vormt daarom

geen tegenstelling met zijne goedertierenheid, gelijk de toorn doet, Ps.

69:25v., maar is daarmede verwant en synoniem, Ps. 22:32, 33:5, 35:28,

40:11, 51:16, 89:15, 145:7, Jes. 45:21, Jer. 9:24, Hos. 2:18, Zach.

9:9. De betooning der gerechtigheid Gods is tegelijk betooning van zijne

genade, Ps. 97:11, 12, 112:4, 116:5, 119:15-19. Zelfs de vergeving der

zonden is aan die gerechtigheid Gods te danken, Ps. 51:16, 103:17, 1

Joh. 1:9. De openbaringen van die gerechtigheid, ‎‏צִדְקוֹת‏‎, zijn

daarom heilsweldaden, daden van redding en verlossing, Richt. 5:11,

1 Sam. 12:7, Ps. 103:6, Jes. 45:24, 25, Micha 6:5. Vooral bij Jesaia

komt dit soteriologisch karakter der gerechtigheid Gods treffend

uit. Israel is wel een zondig volk en is daarom ook zwaar gestraft,

43:26, 48:1, 53:11, 57:12, 59:4, 64:5, maar desniettemin is Israel

tegenover de Heidenen in zijn recht; het heeft in weerwil van al zijne

overtredingen eene rechtvaardige zaak voor, het heeft toch ten slotte

het recht aan zijne zijde. Als het dan ook genoeg is gekastijd, zal Gods

gerechtigheid opwaken en Israel in dit zijn recht erkennen en uit al

zijn ellende verlossen, 40:1v., 54:5, 7v., 57:15v., 61:1v. enz. En zoo

is het met alle vromen. Persoonlijk zijn ze zondaren, staan ze schuldig

aan allerlei ongerechtigheid en zijn ze een arm en ellendig volk. Maar

ze staan eene rechtvaardige zaak voor, zij vertrouwen op den Heere,

en zij maken er staat op, dat God hun recht doen zal, hun twistzaak

zal twisten en hen kronen zal met zijn heil, Ps. 17:1v. 18:21, 22,

34:16, 103:6, 140:13. En ook in het N. Test. bestaat Gods δικαιοσυνη

bepaaldelijk daarin, dat ze in Christus een zoenmiddel biedt, waardoor

Hij zoowel zelf δικαιος blijkt als ook kan δικαιουν τον ἐκ πιστεως, en

voorts aan de zijnen vergeving schenkt, 1 Joh. 1:9 en heil beschikt,

Joh. 17:25, 2 Tim. 4:8. Meer nog, ten slotte wordt zelfs de toorn

en ijver, de haat en wraak aan de redding en verlossing van zijn volk

dienstbaar. Zijn toorn is na een weinig tijds volbracht, Ps. 30:6,

78:38, 85:4, 103:9, Jes. 10:25, 48:9, 51:22, 54:8, Jer. 3:12v. 32:37,

Ezech. 43:7-9, Dan. 9:16, Hos. 14:5, Micha 5:18, en zijn ijver tegen

Israel heeft een einde, Ezech. 16:42, 36:6v. Zach. 8:2v. Dan zal zijn

toorn en ijver en wraak zich tegen de vijanden zijns volks keeren in den

grooten dag des toorns en der wrake, Deut. 32:41, 42. Jes. 13:2v.,

26:11, 30:27v., 34:8, 35:4, 42:11, 59:17, 61:2, 4, 63:3v., Jer. 10:25,

46:10, 50:15, 28, 51:11, Klaagl. 3:66, Ezech. 25:14v., 38:19, 39:25,

Micha 5:14, Nah. 1:2, Hab. 3:12, Zef. 1:15v., 2:2 enz., en daardoor

voor Israel ten zegen en ter verlossing verstrekken, 2 Kon. 19:31,

Jes. 9:6, 37:32, Joel 2:18, Zach. 1:14, 8:2. En evenzoo zegt het N.

T., dat, al rust Gods toorn nu reeds op de goddeloozen, Joh. 3:36, Ef.

2:3, 1 Thess. 2:16, toch die toorn in al zijne schrikkelijkheid eerst

openbaar worden zal in de toekomst, Mt. 3:7, Luk. 3:7, 21:23, Rom. 5:9,

1 Thess. 1:10, 5:9, Ef. 5:6, 3:6, Openb. 6:16, 17, 11:18, 14:10, 16:19,

19:15. Over de gerechtigheid Gods in de Schrift, cf. behalve Diestel en

Ritschl t. a. p., Ortloph in eene verhandeling over de gerecht. Gods,

Zeits. f. luth. Theol. u. Kirche 1860. Kautzsch, Ueber die Derivata

des Stammes ‎‏צדק‏‎ im altt. Sprachgebrauch, Tübingen 1881. Koenig,

De vi vocis ‎‏צדקה‏‎ in libris prophetarum, Paris 1894. Cremer, s.

v. Köstlin, in Herzog² 5, 311 en Stud. u. Krit. 1892, 3tes Heft S.

423-425. Oehler, Theol. des A. T. § 47. Schultz, Altt. Theol.⁴ S. 540

f. Smend, Altt. Religionsgesch. 363 f. 410 f. Kuenen, G. v. Isr. I 65v.

A. Fricke, Der paulin. Grundbegriff der δικαιοσυνη θεου, erörtert auf

Grund von Rom. 3:21-26. Leipzig Böhme 1888. H. Beck, Die δικ. θεου

bei Paulus, Neue Jahrb. f. deutsche Theol. 1895, 2tes Heft S. 249-261,

en verdere litt. later in den locus de justificatione. Over den toorn

Gods: Lactantius, de ira Dei. Tertull. de ira Dei. Bartholomäi, Vom

Zorne Gottes, Jahrb. f. d. Theol. 1861 v. 256-277. Weber, Vom Zorne

Gottes 1862. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II² S. 119-156. Diestel, t. a.

p. S. 193 f. Lange art. in Herzog¹, Kübel in Herzog². Oehler § 48.

Schultz, S. 560 f. Smend S. 99 f. Cremer s. v. enz.

In de dogmatiek kreeg het begrip gewoonlijk een ruimer zin. Soms werd

het zoo breed genomen, dat er ook de volmaaktheid of heiligheid Gods

onder viel; gerechtigheid was dan de deugd zelve en inbegrip van

alle deugden; bij God bestaande in de volmaakte overeenstemming met

zichzelven, justitia divina. Maar gewoonlijk werd zij toch in navolging

van Aristoteles in enger zin opgevat. Deze omschreef ze in zijne ethiek

als ἀρετη, δι’ ἡν τα αὑτων ἑκαστοι ἐχουσιν; ze is slechts mogelijk in

eene maatschappij van wezens, die eene grootere of kleinere hoeveelheid

goederen kunnen bezitten; onder de goden bestaat zij niet, omdat er geen

mate is voor hun bezit, en onder de redelooze schepselen evenmin, omdat

er onder hen van geen eigendom sprake is. De justitia onderstelt dus

allereerst, dat er rechten bestaan, die door den wetgever geschonken

zijn, justitia dominica, legislativa, dispositiva; vervolgens, dat die

rechten over en weer bij verdragen, contracten worden geëerbiedigd,

justitia commutativa; en eindelijk dat die rechten, welke er bestaan,

worden gehandhaafd, justitia distributiva, en wel door loon, justitia

remunerativa, of door straf, justitia vindicativa; in al die deelen

was de gerechtigheid constans et perpetua voluntas jus suum cuique

tribuendi. Dit alles werd overgedragen op God; en zoo kreeg het begrip

der gerechtigheid in de dogmatiek een veel ruimer zin dan in de

Schrift. Nu is hiertegen geen overwegend bezwaar, mits het onderscheid

in het spraakgebruik maar in het oog gehouden wordt, want de zaken

zelve, die in de dogmatiek onder de justitia Dei worden behandeld,

komen alle klaar in de H. Schrift voor. Zelfs is er een voordeel aan

verbonden, omdat zij gelegenheid biedt, om de gerechtigheid Gods in heel

haar omvang tegen hare bestrijders te handhaven. De Gnostieken in het

algemeen en vooral Marcion maakten eene scherpe tegenstelling tusschen

wet en evangelie, werken en geloof, vleesch en geest, en zoo ook

tusschen den God des toorns, der wrake, der gerechtigheid, die zich in

het O. T. openbaarde, en den God der liefde en der genade, die in het

N. T. in Christus zich bekend had gemaakt, Harnack, D. G. I 228 f.; en

later is wezenlijk in denzelfden zin de gerechtigheid, bepaaldelijk de

straffende gerechtigheid, als in strijd met zijne liefde, door velen aan

God ontzegd. Nu doen zich bij de justitia Dei vele moeilijkheden voor; bij

God is er toch geen recht denkbaar, dat boven Hem staat en waaraan Hij

zich te houden heeft, want zijn wil is de hoogste wet; rechten hebben

schepselen tegenover Hem niet, want zij hebben alles van Hem ontvangen

en Hem niets wedervergolden; op belooning kunnen zij geen aanspraak

maken, want ook, wanneer zij alles gedaan hebben wat zij schuldig waren

te doen, zijn zij onnutte dienstknechten; en ook schijnt niets in zijne

natuur Hem tot straffen te dwingen; waarom zou Hij, die de Almachtige

is, niet kunnen vergeven zonder voldoening of straf? Om echter niet

te ver van het bijbelsch begrip der gerechtigheid af te dwalen, is

het verkieslijk, om al deze vragen niet hier maar straks bij den wil

en de vrijheid Gods ter sprake te brengen. De gerechtigheid is in de

H. Schrift geen eigenschap van het dominium absolutum Gods maar rust

op zedelijken grondslag. Al is het toch, dat een schepsel uitteraard

geen rechten tegenover God hebben kan, Rom. 11:35, 1 Cor. 4:7 en al

is er van eene justitia commutativa geen sprake, Thomas, S. Theol. I

qu. 21 art. 1, het is toch God zelf, die aan zijne schepselen als het

ware rechten geeft. Ieder schepsel heeft in de creatie een eigen aard

ontvangen; er zijn wetten en ordinantiën voor alle geschapene dingen;

er zijn rechten, die in het bestaan en in de natuur van al het zijnde

liggen opgesloten. Bovenal zijn er zulke rechten gegeven aan de redelijke

schepselen, en onder deze wederom voor alle terreinen, waarop zij zich

bewegen, voor verstand en hart, ziel en lichaam, kunst en wetenschap,

gezin en maatschappij, godsdienst en zedelijkheid. En als die rechten

door den mensch verbeurd en verzondigd zijn, dan richt God bij Noach een

foedus naturae en bij Abraham een foedus gratiae op, waarin Hij wederom

aan zijne schepselen uit genade allerlei rechten toekent en zichzelven

onder eede tot handhaving dier rechten verbindt. Zoo is er door Gods

genade eene gansche rechtsorde gesteld, beide in natuur en genade,

met allerlei inzettingen, ordinantiën en wetten, die Hijzelf handhaaft

en heerschen doet. Deze inzettingen en rechten worden echter in de

Schrift niet uit Gods gerechtigheid afgeleid,--welke gerechtigheid zou

Hem daartoe ook verplichten?--maar uit zijne heiligheid en genade. En

zeker is dit juister, dan dat ze met den naam van justitia legislativa

worden aangeduid. Toch is dit niet verkeerd, als er maar niet bij

gedacht wordt, dat God krachtens eene of andere gerechtigheid alle die

rechten aan zijne schepselen gaf en geven moest. Dit is er echter juist

in, dat God de Hoogste Wetgever is, en dat heel de rechtsorde op alle

gebied wortelt in Hem. Alle recht, wat het ook zij, heeft zijn laatsten

en diepsten grond, niet in een contrat social noch in een zelfstandig

natuurrecht, noch in de historie, maar alleen in den wil Gods, en in

dien wil, niet als dominium absolutum gedacht, maar als een wil van

goedheid en genade. Gods genade is de bron van alle recht. Maar voorts

handhaaft God die rechtsorde ook op alle terrein des levens; Hij, die

de gerechtigheid zelve en de bron van alle recht is, is ook de judex,

de vindex justitiae. Zijne justitia legislativa sluit de justitia

judicialis in. Recht is geen recht, wanneer het niet gehandhaafd wordt,

desnoods met dwang en straf. Wel is deze niet vanzelf met de rechtsorde

gegeven. Zonder zonde zou toch de rechtsorde hebben bestaan; maar

ze zou zonder dwang door alle schepsel vrijwillig en uit liefde zijn

gehoorzaamd. Het is de zonde, die het recht noodzaakt, overeenkomstig

zijne natuur, zich met geweld en dwang te doen eerbiedigen. Niet het

recht op zichzelf maar wel het karakter van dwang, dat het thans dragen

moet, is door de zonde noodzakelijk geworden. Maar zoo weinig is dit

karakter van dwang toevallig of willekeurig, dat er thans geen recht

zonder dat karakter denkbaar is en ons eigen geweten daaraan zelf

getuigenis geeft. De zedelijke orde is zoo weinig met de rechtsorde in

strijd, dat zij deze veeleer draagt, eischt en steunt. Het recht is een

belangrijk stuk der moraal. De gerechtigheid is juist de weg, waarin de

genade en liefde Gods gehandhaafd en tot triumf verheven wordt. Zij,

die met Marcion tusschen gerechtigheid en genade eene tegenstelling

aannemen, miskennen het verband tusschen zedelijke en rechtsorde, en

verstaan niet de majesteit en de heerlijkheid van het recht. De justitia

Dei moet daarom krachtens haar aard eene justitia judicialis en dus

eenerzijds eene justitia remunerativa en andererzijds eene justitia

vindicativa zijn. Niet alsof het schepsel ooit uit zichzelf op eenig

loon zou kunnen aanspraak maken of in zichzelf niet zonder straf

vergeving zou kunnen ontvangen; maar God is het aan zijn verbond, aan

het eenmaal door Hem ingestelde recht, aan zijn naam en eere verplicht,

om zijn volk tot heil te brengen en de goddeloozen te straffen. Zoo kan

alleen het recht tot heerschappij en triumf komen. Er ligt waarheid in

het fiat justitia, pereat mundus; maar de Schrift stelt toch schooner

deze gedachte op den voorgrond, dat er recht geschieden moet, opdat

de wereld behouden worde. Cf. Irenaeus, adv. haer. III 25 IV 39 sq.

Tertullianus, adv. Marc. passim. Orig. de princ. II 5, 3. Pseudodion.

de div. nom. 8 § 7. Anselmus, Prosl. c. 9 sq. Lombardus, Sent. IV 46

en de comm. van Thomas en Bonaventura, Thomas, S. Theol. I qu. 21.

Gerhard, Loc. II c. 8 Sect. 12. Quenstedt I 292. Hollaz 268. Zanchius,

Op. II 394 sq. Polanus, Synt. II c. 26. Voetius, Disp. I 339-402. Owen,

on div. justice, Works 1862 X 481-624. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. V. Moor

I 674 sq. 996 sq. Meijer, De Godd. eigensch. IV 89v.

E. God als Souverein.

15. Bij al de behandelde deugden komen ten slotte nog die, welke Gode

eigen zijn als Souverein. God is de Schepper, en dus de Eigenaar,

Bezitter, Heer van alles; niets bestaat of bezit iets buiten Hem;

Hij alleen heeft absolute zeggenschap; Zijn wil beslist altijd en over

alles. Van dien souvereinen wil, ‎‏חֵפֶץ‏‎, ‎‏צְבוּ רָצוֹן‏‎, Dan.

4:35, 6:18, θελημα, βουλημα is dan ook in de H. Schrift telkens

sprake. Die wil is de laatste oorzaak aller dingen, van hun zijn en hun

zoo-zijn. Daaruit wordt alles afgeleid, de schepping en onderhouding,

Op. 4:11, de regeering, Spr. 21:1, Dan. 4:35, Ef. 1:11, het lijden van

Christus, Luk. 22:42, de verkiezing en verwerping, Rom. 9:15 v., de

wedergeboorte, Jak. 1:18, de heiligmaking, Phil. 2:13, het lijden der

geloovigen, 1 Petr. 3:17, ons leven en lot, Jak. 4:15, Hd. 18:21,

Rom. 15:32, zelfs de kleinste en nietigste dingen, Mt. 10:29 enz. En

dienovereenkomstig werd ook in de christelijke theologie en zichzelven

onder eede tot handhaving dier rechten verbindt. Zoo is er door Gods

genade eene gansche rechtsorde gesteld, beide in natuur en genade,

met allerlei inzettingen, ordinantiën en wetten, die Hijzelf handhaaft

en heerschen doet. Deze inzettingen en rechten worden echter in de

Schrift niet uit Gods gerechtigheid afgeleid,--welke gerechtigheid zou

Hem daartoe ook verplichten?--maar uit zijne heiligheid en genade. En

zeker is dit juister, dan dat ze met den naam van justitia legislativa

worden aangeduid. Toch is dit niet verkeerd, als er maar niet bij

gedacht wordt, dat God krachtens eene of andere gerechtigheid alle die

rechten aan zijne schepselen gaf en geven moest. Dit is er echter juist

in, dat God de Hoogste Wetgever is, en dat heel de rechtsorde op alle

gebied wortelt in Hem. Alle recht, wat het ook zij, heeft zijn laatsten

en diepsten grond, niet in een contrat social noch in een zelfstandig

natuurrecht, noch in de historie, maar alleen in den wil Gods, en in

dien wil, niet als dominium absolutum gedacht, maar als een wil van

goedheid en genade. Gods genade is de bron van alle recht. Maar voorts

handhaaft God die rechtsorde ook op alle terrein des levens; Hij, die

de gerechtigheid zelve en de bron van alle recht is, is ook de judex,

de vindex justitiae. Zijne justitia legislativa sluit de justitia

judicialis in. Recht is geen recht, wanneer het niet gehandhaafd wordt,

desnoods met dwang en straf. Wel is deze niet vanzelf met de rechtsorde

gegeven. Zonder zonde zou toch de rechtsorde hebben bestaan; maar

ze zou zonder dwang door alle schepsel vrijwillig en uit liefde zijn

gehoorzaamd. Het is de zonde, die het recht noodzaakt, overeenkomstig

zijne natuur, zich met geweld en dwang te doen eerbiedigen. Niet het

recht op zichzelf maar wel het karakter van dwang, dat het thans dragen

moet, is door de zonde noodzakelijk geworden. Maar zoo weinig is dit

karakter van dwang toevallig of willekeurig, dat er thans geen recht

zonder dat karakter denkbaar is en ons eigen geweten daaraan zelf

getuigenis geeft. De zedelijke orde is zoo weinig met de rechtsorde in

strijd, dat zij deze veeleer draagt, eischt en steunt. Het recht is een

belangrijk stuk der moraal. De gerechtigheid is juist de weg, waarin de

genade en liefde Gods gehandhaafd en tot triumf verheven wordt. Zij,

die met Marcion tusschen gerechtigheid en genade eene tegenstelling

aannemen, miskennen het verband tusschen zedelijke en rechtsorde,

dezen heen naar de kabbala en het neoplatonisme. Hier had Plotinus al

geleerd, dat God causa sui, product was van zijn wil en macht en dat dus

de wil het laatste zijn was en voorafging aan het verstand. En evenzoo

maakte nu Schelling den wil tot het laatste principe zoowel van het

bestaan van het oneindige als van het eindige zijn. Reeds in zijne

philosophische onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid

van het jaar 1809 nam hij dit standpunt in. Es gibt, zeide hij, in der

letzten und höchsten Instanz gar kein anderes Seyn als Wollen. Wollen

ist Urseyn und auf dieses allein passen alle Prädicate desselben:

Grundlosigkeit, Ewigkeit, Unabhängigkeit von der Zeit, Selbstbejahung.

Die ganze Philosophie strebt nur dahin, diesen höchsten Ausdruck zu

finden, Werke I 7 S. 350. In God en in de schepselen moet onderscheiden

worden tusschen het wezen, zoover het bestaat, en het wezen, zoover

het alleen grond van bestaan is, ib. 357. God heeft den grond van

zijn bestaan in zichzelven, d. i. in eene van God zelf onderscheidene

natuur, ib. 358. Deze natuur is als het ware die Sehnsucht, die das

ewige Eine empfindet, sich selbst zu gebären; zij is wil, aber Wille

in dem kein Verstand ist, und darum auch nicht selbständiger und

vollkommener Wille, indem der Verstand der Wille in dem Willen ist.

Dennoch ist sie ein Willen des Verstandes, nämlich Sehnsucht und

Begierde desselben; nicht ein bewusster, sondern ein ahnender Wille,

dessen Ahndung der Verstand ist, ib. 359. Maar zoo is het nu ook met

alle dingen. Zij zijn iets anders dan God en kunnen toch niet buiten

God zijn. Deze tegenspraak is alleen zoo op te lossen, dass die Dinge

ihren Grund in dem haben, was in Gott selbst nicht Er selbst ist, d. h.

in dem, was Grund seiner Existenz ist, ib. 359. De dingen hebben hun

grond in deze donkere natuur, in dezen onbewusten wil Gods. Wel is er

nu in de wereld regel, orde en vorm op te merken, evenals in God ook

uit de donkere natuur het licht van den geest en van de persoonlijkheid

is opgegaan. Aber immer liegt noch im Grande das Regellose, als könnte

es einmal wieder durchbrechen, und nirgends scheint es, als wären

Ordnung und Form das Ursprüngliche, sondern als wäre ein anfänglich

Regelloses zur Ordnung gebracht worden, ib. 359. Heel het wereldproces

wordt door Schelling afgeleid uit de tegenstelling van natuur en

geest, van duisternis en licht, van het reëele en het ideale principe,

die samen van alle eeuwigheid in God zelven aanwezig zijn. Door dit

standpunt is Schelling het rationalisme van Hegel te boven gekomen en

is hij van de grootste beteekenis geworden voor de latere philosophie.

Hij heeft de gedachten, die hij in zijn onderzoek over de menschelijke

vrijheid reeds had uitgesproken, in zijn latere geschriften, Stuttgarter

Privatvorlesungen van 1812, Werke I 7 S. 417 f., Denkmal der Schrift

von den göttlichen Dingen des Herrn F. H. Jacobi van 1812, Werke I 8

S. 19 f. en vooral in zijne Philosophie der Offenbarung, Werke II 3ter

u. 4ter Band, wel nader en in theistischen zin uitgewerkt. Maar hij

is aan zijn primaat van den wil getrouw gebleven en is daarin gevolgd

door Schopenhauer en von Hartmann. Nu is het waar, dat de wil bij deze

wijsgeeren geen wil in eigenlijken zin is, maar niets dan een onbewust

begeeren, een blinde drang, eene donkere natuur. Maar ten deele

werd dit door henzelven erkend. Schelling zegt uitdrukkelijk, dat de

wil zonder verstand geen zelfstandige en volkomen wil is, indem der

Verstand der Wille in dem Willen ist, Werke I 7, 359. Schopenhauer

rekende het bewustzijn wel tot de verschijning van den wil en achtte het

gebonden aan individualiteit en hersens, Die Welt als Wille u. Vorst.

II⁶ 370, maar schoof toch tusschen den wil en de verschijningswereld de

ideeën in, die de eeuwige vormen en voorbeelden der dingen waren, ib.

I 154. En von Hartmann spreekt van het Onbewuste ook weer als subject

en als überbewusst, Philos. des Unbew. II⁹ 186. De existentie der

dingen wordt bepaald door den wil, maar de essentie door het intellect,

Schelling, Werke, II 3 S. 57-62. Hartmann, Philos. des Unbew. I

100 f. II 435 f. 446 f. Doch ook afgedacht van deze erkentenis, is

hunne philosophie voor het theisme van groote beteekenis. Zij heeft

de onhoudbaarheid aangetoond van het rationalistisch en idealistisch

pantheisme. God is niet te denken zonder wil, vrijheid en macht. Wel

is daartegen ingebracht, dat alle willen een begeeren en streven was

en dus een bewijs van onvolkomenheid, van onbevredigdheid, van onrust,

die in God niet vallen kan. En de mystiek heeft daarom gezongen: Wir

beten, es geschehe, mein Herr und Gott, dein Wille; Und siehe, Er hat

nicht Wille, Er ist eine ewige Stille (Angelus Silesius). Maar deze

tegenwerping berust op eene verkeerde opvatting van den wil. Zeker,

willen is dikwijls een streven naar iets, dat niet bezeten wordt; maar

als de wil nu dat begeerde verkregen heeft en daarin rust en geniet,

dan is ook dat rusten en genieten eene daad en werkzaamheid van den

wil, ja de hoogste en krachtigste werkzaamheid, cf. later de leer van

den wil. Zulk een wil nu, die in het verkregene rust en geniet, is

er ook in schepselen en is niets dan de liefde, die haar voorwerp

omhelst en daarin zalig is. Indien zulk een rust en genieting niet tot

den wil gerekend wordt, is ze òf voor het schepsel onbereikbaar, d. i.

dan is er geen zaligheid voor het schepsel mogelijk; òf indien die

zaligheid toch wel eenmaal aan het schepsel geschonken zal worden, kan

ze niet anders bestaan dan in vernietiging van den wil, in verdooving

van het bewustzijn en in algeheele onderdrukking der persoonlijkheid. In

de pantheistische mystiek wordt daarom de zaligheid gedacht als een

verzinken, een opgaan, een verslonden worden der ziel in God, d. i. in

een nirvana. Zoo leert echter de Schrift en de christelijke theologie

niet. De zaligheid doodt den wil niet maar brengt hem tot zijne hoogste

activiteit; want liefde is de rijkste, krachtigste energie van den wil.

Zoo nu is er ook een wil in God. Zijn willen is niet een streven naar

een goed, dat Hij missen zou en zonder hetwelk Hij niet zalig kan zijn.

Want Hij is de Algenoegzame en de Volzalige in zichzelven. Hij is zelf

het hoogste goed, voor zijne schepselen en ook voor zichzelven. Hij kan

in niets anders rusten dan in zichzelven; wijl Hij God is, kan Hij niet

zalig zijn dan door en in zichzelven. Zijne liefde is zelfliefde en

daarom absolute, Goddelijke liefde. En die absolute zelfliefde is niets

anders dan een willen van zichzelven, de hoogste, volstrekte, Goddelijke

energie van zijn wil. Object van Gods wil is dus God zelf. Niet in dien

zin, alsof Hij product ware van zijn wil, alsof Hij zichzelven veroorzaakt

had en causa sui ware, cf. boven bl. 124, want dat bracht weer in God

het worden en streven en dus het onvolmaakte over. Maar wel alzoo, dat

God zichzelven eeuwiglijk wil met eene voluntas complacentiae, dat Hij

eeuwig zichzelf met Goddelijke liefde mint en in zichzelven volkomen

zalig is. Zijn wil is sapientissima ejus propensio in se ipsum tanquam

summum bonum; hij is ook geen vermogen of kracht in God, maar subject,

actie en object van dien wil is met Gods wezen één; θελημα θελητικον,

θελησις en θελημα θελητον vallen met zijn wezen saam, Lombardus, Sent.

I dist. 45. Thomas, S. Th. I qu. 19 art. 1. c. Gent. I 72 sq. Zanchius,

Op. II 246. Polanus, Synt. theol. II c. 19 enz.

De Schrift spreekt echter ook van een wil Gods in betrekking tot het

geschapene. Gelijk de kennisse Gods tweeërlei is, scientia necessaria

en libera, zoo is ook de wil Gods als propensio in se ipsum en als

propensio in creaturas te onderscheiden. Maar evenals de scientia

libera God niet van de schepselen afhankelijk maakt maar Hem uit zijn

eigen wezen bekend is, zoo is ook de wil Gods, die zich richt op de

creaturen, niet dualistisch te stellen naast den wil, die zijn eigen

wezen tot object heeft. De Schrift leert uitdrukkelijk, dat God alia a

se wil en spreekt telkens van zijn wil in betrekking tot de schepselen,

maar zij voegt er als in één adem bij, dat God die schepselen niet wil

uit behoefte, maar alleen om zijns zelfs, om zijns naams wil, Spr.

16:4. De schepping is dus niet te denken als een object, dat buiten

en tegenover Hem staat, dat Hij mist en waarnaar Hij streeft om het te

bezitten, of waardoor Hij iets hoopt te verkrijgen, wat Hij niet heeft.

Want uit Hem en door Hem en ook tot Hem zijn alle dingen. Hij vindt zijn

doel niet in de schepselen, maar deze vinden hun doel in Hem. Quae

extra se vult, ea etiam quodam modo sunt in Deo, in quo sunt omnia,

Zanchius, II 246. Hij wil de schepselen niet om iets, dat zij zijn of dat

in hen is, maar Hij wil ze om zichzelven. Hij blijft zijn eigen doel. Hij

richt zich nooit op de creaturen als zoodanig maar door deze heen op

zichzelven. Uit zichzelven gaande, keert Hij tot zichzelven weer. Het is

ééne propensio in se ipsum tanquam summum finem et in creaturas propter

se ut media; zijne liefde tot zichzelven neemt die tot de schepselen in

zich op en keert door deze heen weer tot zichzelve terug. Daarom is zijn

willen, ook in betrekking tot de schepselen, nooit een streven naar

eenig nog te verkrijgen goed, en dus ook geen teeken van onvolmaaktheid

en onzaligheid; maar zijn willen is altijd ook in en door de schepselen

heen, volstrekte zelfgenieting, volkomen zaligheid, Goddelijke rust.

Rust en arbeid is in God één; zijne zelfgenoegzaamheid is tevens

absolute actuositeit, Thomas, S. Th. I qu. 19 art. 2. c. Gent. I 75, 76.

16. Ofschoon God echter met ééne en dezelfde eenvoudige daad

zichzelven en de schepselen wil, toch dient de wil Gods door ons met

het oog op de verschillende objecten onderscheiden te worden. In het

pantheisme is deze onderscheiding onmogelijk, omdat de wereld daar

het wezen Gods zelf is. Maar de Schrift kent aan de schepselen een

wel niet onafhankelijk maar toch eigen, van Gods wezen onderscheiden,

zijn toe; en daarom kunnen de schepselen niet in denzelfden zin en

op dezelfde wijze object van zijn wil zijn, als Hij dat zelf met zijn

wezen is. De wil Gods, waarmede God zichzelven wil, is propensio in

se tanquam _finem_; de wil, die de schepselen tot object heeft, is

propensio in creaturas tanquam _media_. Gene is necessaria evenals de

scientia simplicis intelligentiae; God kan niet anders dan zichzelf

beminnen; Hij verlustigt zich in zichzelven eeuwiglijk en met Goddelijke

noodzakelijkheid. Deze wil Gods is daarom boven alle willekeur verheven,

maar zoo toch niet onvrij en gedwongen; vrijheid en noodzakelijkheid

vallen hier saam. Geheel anders staat het echter met den wil Gods, die

de schepselen tot object heeft. De Schrift spreekt van dezen wil zoo

absoluut mogelijk. God doet al wat Hem behaagt, Ps. 115:3, Spr. 21:1,

Dan. 4:35. Hij is aan niemand rekenschap schuldig en verantwoordt geene

van zijne daden, Job 33:13. Menschen zijn in zijne hand als leem in de

hand des pottebakkers, Job 10:9, 33:6, Jes. 29:16, 30:14, 64:8, Jer.

8:1v., volken zijn als een druppel, een stofje, als niets geacht, Jes.

40:15v. Het is even dwaas, dat een mensch tegen God zich verheft, als

dat een bijl zich beroemt tegen dien, die er mede houwt, of dat eene

zaag pocht tegen dien, die ze trekt, Jes. 10:15! Er is geen recht van

den mensch bij God; niemand kan Hem vragen: Wat doet Gij? Zal ook het

leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt Gij, Job 9:2v., 11:10, Jes.

45:9? Zoo zwijge dan de mensch en legge de hand op den mond, Job 39:37.

En het N. T. leert niet anders. God kan met het zijne doen wat Hij wil,

Mt. 20:15. Het zijn en zóó-zijn hangt enkel af van Gods wil, Openb.

4:11. Deze is laatste grond van alles. Ontferming en verharding hebben

daarin haar oorzaak, Rom. 9:15-18. In de gemeente deelt de H. Geest

gaven uit, gelijk Hij wil, 1 Cor. 12:11. En een mensch heeft tegen Gods

vrije beschikkingen niets in te brengen, Mt. 20:13v., Rom. 9:20, 21.

Op deze gronden werd in de christelijke theologie, evenals de scientia

visionis, zoo ook de voluntas Dei, welke de schepselen tot object had,

steeds libera genoemd. Augustinus zeide, dat de wil Gods de laatste en

diepste grond van alle dingen was, de civ. XXI 8. de trin. III 7. 19;

een diepere grond is er niet. Op de vraag, waarom God de wereld schiep,

is er maar één antwoord: quia voluit; wie dan nog verder vraagt naar

eene oorzaak voor dien wil, majus aliud quaerit, quam est voluntas

Dei; nihil autem majus inveniri potest, de gen. c. Man. I 2. de civ.

V 9; en zoo sprak met hem heel de christelijke kerk en theologie, bijv.

Thomas, S. Th. I qu. 19 art. 5. Calvijn, Inst. III 23, 2. Allen leerden,

wel niet dat God plus en melius handelen kon dan Hij deed, want Hij

handelt altijd op Goddelijke, volmaakte wijze; maar dat Hij toch de dingen

plura en majora en meliora had kunnen maken, dan Hij ze gemaakt heeft,

Lombardus, Sent. I dist. 44. Thomas, S. Theol. I qu. 25 art. 5 en 6.

Zanchius, Op. II 184-187. Voetius, Disp. I 426. 564. V 151. Burmannus,

Synopsis I 41, § 41. De zedewet werd door sommigen wel eeuwig en

natuurlijk genoemd, en beschouwd als uitdrukking van Gods wezen; maar er

werd daarin toch ook weer onderscheid gemaakt tusschen het wezenlijke

en toevallige en van vele geboden kon in bijzondere omstandigheden

dispensatie worden verleend, Voetius, Disp. I 347 sq. Moor II 614

sq. De vleeschwording en voldoening was volgens velen niet volstrekt

noodzakelijk; God had ook wel, indien Hij gewild had, kunnen vergeven

zonder voldoening en moet niet noodzakelijk de zonde straffen, Athan. c.

Ar. III. Gregorius Naz. Or. 9. Damasc. de fide orth. III 18. Aug., de

trin. XIII 10. Lombardus, Sent. III dist. 20. Thomas, S. Th. III qu. 1

art. 2. Petavius, de incarn. II c. 13. Calvijn, Inst. II 12, 1. Comm. op

Joh. 15:13. Zanchius, VIII 144-146. Martyr, Loci, cl. 2 c. 17. Pareus

op Rom. 5. Twissus, Vindic. gr. 1652 I 153 sq. e. a. zooals Vossius,

Roell, Vogelsang, B. S. Cremer, cf. M. Vitringa I 170. Schultens,

Waersch. op den catech. van Comrie, bl. 198-222. Nog sterker kwam deze

wijsheid Gods uit in de verkiezing en verwerping, waarvoor geen enkele

grond is aan te geven en die alleen rust in het souvereine welbehagen

Gods. Van een recht van eenig schepsel tegenover God kan geen sprake

zijn; eene justitia commutativa is er niet, Thomas, S. Th. I qu. 21 art.

1. Polanus, Synt. II c. 26. Voetius, Disp. II 358. Wijl een schepsel bij

God geen verdiensten kan hebben, is er ook geen justitia remunerativa

in eigenlijken zin, Thomas, I qu. 21 art. 1. Ned. Geloofsbel. art.

24. Conf. Westm. c. 16. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. X 288. Zelfs stelden

sommigen, dat God, ofschoon Hij van dit recht nooit gebruik maakt, den

onschuldige tijdelijk of eeuwig zou kunnen straffen, Perkins, Werken I

772. Twissus, Vind. I 165. 179. 324 sq. Amyraldus, Synt. thesium I 237.

Zoo kwamen vele theologen, uitgaande van de absolute vrijheid Gods, op

de lijn van het middeleeuwsch nominalisme. Duns Scotus was het, die

het pelagiaansch begrip der wilsvrijheid als absolute indifferentie

consequent op God toepaste. In Sent. I dist. 8 qu. 5 betoogt hij tegen

Aristoteles en Avicenna, dat er behalve God niets noodzakelijk is. De

wereld is in haar geheel en in haar deelen contingent, zij is voor

God onnoodig. Op de vraag, waarom God dit nu gewild heeft en het

eene liever heeft gewild dan het andere, geeft Scotus ten antwoord:

indisciplinati est quaerere omnium causas et demonstrationem....

Principii enim demonstrationis non est demonstratio; immediatum autem

principium est voluntatem velle hoc ita quod non est aliqua causa media

inter ista; sicut immediatum est, calorem esse calefactivum, licet hoc

sit naturalitas, ibi autem libertas, et ideo hujus, quare voluntas

voluit hoc, nulla est causa, nisi quia voluntas est voluntas. Sicut

hujus, quare calor est calefactivus, nulla est causa, nisi quia calor

est calor, quia nulla est prior causa, Sent. I dist. 8 qu. 5 n. 24.

Men moet blijven staan bij dit woord: Voluntas Dei vult hoc; er is geen

oorzaak prior ratione voluntatis, ib. Aan dit beginsel blijft Scotus

getrouw bij al hetgeen in den tijd is en geschiedt. Als heel de wereld

toevallig is, dan kan dit haar karakter alleen daardoor bewaard worden,

dat God, de eerste oorzaak, haar toevallig veroorzaakt. Nu veroorzaakt

God de wereld door verstand en wil. Het toevallige kan echter niet

liggen in Gods verstand, inzoover het aan den wil voorafgaat, want dit

verstand intelligit mere naturaliter et necessitate naturali. Het moet

dus liggen in den wil, Sent. I dist. 39 qu. 5 n. 14. Deze Goddelijke

wil nihil aliud respicit necessario pro objecto ab essentia sua; ad

quodlibet igitur aliud contingenter se habet, ita quod posset esse

oppositi, ib. n. 22. Nu erkent Scotus wel, dat de kennis Gods aan den

wil voorafgaat en dat de ideeën in God, ofschoon onderscheiden van

zijne essentia, zijn vóór zijn besluit, Sent. I dist. 35 qu. unic. n. 7

sq. Maar de wil is het toch, die uit al die mogelijke ideeën kiest en

bepaalt, welke realiteit zullen erlangen. De wil is de oorzaak aller

werkelijkheid. En eerst tengevolge van deze wilsbeslissing weet ook het

verstand, wat werkelijk worden zal, ib. dist. 39 qu. 5 n. 23 sq. God

heeft dus de wereld geschapen met absolute vrijheid, al is het ook dat

Hij het besluit daartoe van eeuwigheid genomen heeft, ib. II dist. 1 qu.

2 n. 5. Natuurlijk werd de menschelijke wilsvrijheid daarom door Scotus

ook zoo volstrekt mogelijk opgevat; de wil is vrij ad oppositos actus

en ad opposita objecta, ib. I dist. 39 qu. 5 n. 15 sq.; hij wordt door

niets gedetermineerd, hij kan evengoed een lager als een hooger goed

kiezen, hij is zelf alleen de volkomene oorzaak van zijne handelingen;

non autem bonitas aliqua objecti causat necessario assensum voluntatis

sed voluntas libere assentit cuilibet bono et ita libere assentit

majori bono sicut minori, ib. I dist. 1 qu. 4 n. 16. Nihil aliud a

voluntate est causa totalis volitionis in voluntate, II dist. 25 qu.

1 n. 22. Zelfs gaat de wil aan het verstand vooraf, want al is het

dat het verstand aan den wil het object van zijn streven biedt, de wil

richt toch het verstand op het object; en de zaligheid ligt formeel

niet in het verstand maar in den wil, IV dist. 49 qu. 4. Voorts erkent

Scotus wel, dat de liefde tot God, voorgeschreven in de eerste tafel

der wet, noodzakelijk en natuurlijk is, maar de geboden der tweede tafel

zijn positief en hadden ook anders kunnen zijn, III dist. 37 qu. unica.

In betrekking tot de incarnatie leert Scotus, dat de Logos, indien Hij

wilde, ook wel eene andere natuur dan de menschelijke kon aannemen, b.

v. die van een steen, III dist. 2 qu. 1 n. 5 sq. De incarnatie zou

waarschijnlijk ook buiten de zonde hebben plaats gehad en was ook in den

toestand der zonde niet volstrekt noodig; God had ook op andere wijze

kunnen verlossen, III dist. 7 qu. 3 n. 3. III dist. 20 qu. unica. De

verdiensten van Christus waren niet voldoende in zichzelve, maar werden

als zoodanig door God aangenomen, III dist. 19 qu. unica. Op zichzelf

beschouwd, naar Gods potentia absoluta gerekend, zou God den zondaar

ook buiten de verdiensten van Christus de zaligheid hebben kunnen

schenken, en zou de zondaar ook voor zichzelven hebben kunnen voldoen,

als God zijne werken maar voor voldoende had willen rekenen, IV dist. 15

qu. 1 n. 4 sq. cf. ook IV dist. 1 qu. 6 n. 4 sq. De transsubstantiatie

is mogelijk, quia una substantia potest totaliter incipere et alia

totaliter desinere, IV dist. II qu. 1 n. 4. Zelfs kan God een persoon

of zaak gedurende een tempus intermedium in zijn bestaan doen ophouden,

zonder dat daarmede de identiteit verloren gaat, IV dist. 43 qu. 1

n. 4. Toch ging Scotus nog niet zoover als sommige mohammedaansche

theologen, die alle dingen van oogenblik tot oogenblik lieten geschapen

worden door den wil Gods zonder onderling verband, zonder natuurwetten,

zonder substanties en qualiteiten, Ritter, Gesch. der christl. Philos.

III 732 f. Hij erkent ideeën in God, die aan den wil voorafgaan; acht

de liefde tot God noodzakelijk en natuurlijk; gelooft aan eene natuurlijke

kennis van God, aan eene wereldorde en natuurwet, en zegt ook, dat

menschwording en voldoening naar de potentia Dei ordinata noodzakelijk

waren. Maar toch verheft Scotus de vrijheid en almacht zoozeer, dat

althans de middelen, die leiden moeten tot het doel, geheel willekeurig

worden, Ritter, Gesch. d. christl. Philos. IV 388 f. Stöckl, Gesch.

der Philos. des M. A. II 832 f. Baur, Dreiein. u. Menschw. Gottes II

642 f. Ritschl, Jahrb. f. d. Th. 1865 S. 298 f. Dorner, in Herzog²

3, 735 f. Door anderen werd dit principe der vrijheid en almacht Gods

nog verder ontwikkeld. Geheel in den geest van Scotus, beweerde b.v.

Occam, dat God naar zijne potentia absoluta de zaligheid schenken

kan zonder wedergeboorte en den wedergeborene kan verdoemen; dat Hij

vergeven kan zonder voldoening en werken van den zondigen mensch als

voldoende kan aanmerken; dat de Vader mensch had kunnen worden in

plaats van den Zoon, en dat de Zoon ook wel de natuur van een steen

of een ezel had kunnen aannemen; dat God van alle geboden der zedewet

dispensatie kan verleenen enz., Stöckl, Philos. des M. A. II 1018 f.

Dit nominalistisch standpunt werd later ingenomen in de eerste plaats

door de Jezuiten maar dan voorts door de Socinianen, Fock, Der Socin.

416 f., de Remonstranten, Apol. Conf. c. 24. Episc., Instit. theol. V

sect. 5 c. 3, door Cartesius, Resp. sextae, Amst. 1654 p. 160 sq., door

Cartesiaansche theologen, zooals Burmannus, Synopsis I c. 20 § 6. c. 21

§ 19 sq., en in deze eeuw o.a. nog door Charles Sécrétan, Philosophie

de la liberté 1849 I 305 S. Op dit standpunt is de wil in God geheel

losgemaakt van zijn wezen en van al zijne deugden; hij bestaat in niets

anders dan formeele willekeur. Schepping, vleeschwording, voldoening,

goed en kwaad, waar en onwaar, loon en straf, alles had evengoed anders

kunnen zijn dan het feitelijk is. Er is niets natuurlijk meer, alles is

positief. Maar juist dit nominalisme deed de christelijke theologie op

hare hoede zijn. Al zeide zij ook met Augustinus, dat de wil Gods de

laatste grond aller dingen was, zij wachtte zich toch dezen wil van

alle natuur te ontdoen en in pure willekeur te laten opgaan. Vooreerst

nam zij bij de leer van God haar uitgangspunt niet in de voluntas maar

in de essentia Dei. De scientia simplicis intelligentiae ging logisch

aan de scientia visionis vooraf, evenals de voluntas necessaria

aan de voluntas libera. De zelfkennis en de zelfliefde was in God

volstrekt noodzakelijk; en de kennis en de wil, die de schepselen tot

object hebben, zijn daarvan niet dualistisch gescheiden, maar staan

er mede in het nauwste verband. De scientia visionis is gebonden aan

de scientia simplicis intelligentiae en de voluntas libera aan de

voluntas necessaria. Volgens het consequente nominalisme is niet alleen

de existentie maar ook de essentie der dingen uitsluitend door den

formeelen wil in God bepaald en vastgesteld; eigenlijk is er dus in

God geen scientia simplicis intelligentiae, waarin alle mogelijkheden

begrepen zijn, er is alleen in Hem eene scientia visionis, die volgt op

den wil. Maar volgens de christelijke theologie lagen alle mogelijkheden

in de scientia simplicis intelligentiae opgesloten, en daaruit put de

scientia visionis en brengt de wil ze tot realiteit. De existentie

der dingen hangt dus wel af van den wil Gods, maar de essentie van

zijn verstand. Leibniz bouwde hierop voort en zeide, dat God wel vrij

was, om al of niet de wereld, den mensch, de dieren, de planten te

scheppen, maar als Hij ze schiep moest Hij ze scheppen naar de idee, die

zijn bewustzijn zonder en vóór den wil daarvan zich gevormd had. Gegeven

de wil Gods om te scheppen, moet de wereld juist zoo zijn als ze is. Zij

is daarom de best mogelijke en hangt in alle deelen zoo innig saam, dat

qui unum bene novit, omnia novit, Theod. I 7. 52 II 169 s. Pichler, Die

Theol. des Leibniz I 239 s. cf. ook Schelling, Werke II 3 S. 57-62.

Hartmann, Philos. des Unb. I⁹ 100 f. II 435 f. 446 f. Weisse, Philos.

Dogm. I § 460 f. Vervolgens leerde de Schrift allerwege, dat God de

wereld door het woord, door den Logos schiep en onderhield. Zij berustte

dus op gedachten Gods. God handelde niet willekeurig en toevallig maar

met de hoogste wijsheid. Al konden dus ook door ons de redenen voor zijn

handelen niet worden opgespoord, zij waren toch voor Hem aanwezig. En

naar die redenen werd dan ook door de christelijke theologie gezocht.

De schepping had haar oorzaak in zijne goedheid of liefde; voor de

toelating der zonde werden allerlei redenen opgegeven; vleeschwording

en voldoening waren misschien niet absoluut noodzakelijk maar deze weg

van verlossing was toch de geschiktste en uitnemendste, Petavius, de

incarn. II c. 5 sq.; en al durfden velen de potestas absoluta niet

beperken, allen erkenden toch, dat Hij van dit volstrekte recht geen

gebruik maakte en kwamen dus in de potestas ordinata weer geheel met

elkaar overeen. En eindelijk werd op concrete punten het nominalisme

beslist verworpen; de zedewet kan geen anderen inhoud hebben dan ze

heeft, Thomas, S. Theol. I 2 qu. 100 art. 8. Becanus, de lege naturae

III c. 3 qu. 4. Suarez, de lege I c. 15. Voetius, Disp. I 364-402.

Maresius, Syst. theol. VII 4. Turretinus, Theol. El. III qu. 18 en XI

qu. 2. Heidegger, Corp. Theol. III 89, 90; het straffen der zonde is

noodzakelijk, Can. Dordr. II 1. Voetius, Disp. I 358 sq. II 240 sq. Moor

I 683 sq. 996-1034, en evenzoo de vleeschwording en voldoening, Iren.

adv. haer. III 20. Anselmus, Cur Deus homo. Heid. Cat. vr. 11. 40.

Avondmaalsform. der Ned. Ger. Kerken. Trigland, Antapol. c. 4. Voetius,

Disp. II 238 sq. Turretinus, de satisf. Christi II § 16 sq. Owen, de

justitia divina. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. V enz.; en de macht Gods werd

zoo omschreven, dat zij het doen van tegenstrijdige dingen uitsloot, zie

straks bij n. 18.

Op deze wijze is het nominalisme in de christelijke theologie zoo niet

overwonnen dan toch teruggedrongen en beperkt. Als de voluntas libera

omschreven werd als propensio in creaturas propter se ut media, dan lag

daarin ook reeds een principiëel verzet tegen den wil Gods als absolute

willekeur opgesloten, want het karakter der middelen is door den aard

van het einddoel bepaald. Vandaar dan ook, dat de theologie, ofschoon

den wil Gods voorop stellende en daartoe steeds terugkeerende, toch

altijd ook weer gezocht heeft naar motieven voor dien wil. Het realisme

streefde ernaar, om de wereld te begrijpen als één harmonisch geheel,

waarin niets willekeurig was en alles zijne plaats had, tot zelfs de

zonde toe, en dat als geheel dienstbaar was aan de verheerlijking van

Gods naam. Als de aard eener wetenschap bestaat in het rerum cognoscere

causas, kan de theologie ook aan zulk een onderzoek zich niet

onttrekken. Alleen, voor elk beoefenaar der wetenschap, en inzonderheid

voor den theoloog, is ootmoed en bescheidenheid een eerste plicht. Hij

mag niet wijs zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn. Alle wetenschap

is gebonden aan haar voorwerp; zij mag de verschijnselen, die zij

waarneemt, niet ter wille van eenige vooropgezette theorie vervalschen

of ontkennen. Zoo is ook de theologie ten strengste gebonden aan de

feiten en getuigenissen, welke God in natuur en Schrift haar kennen

doet. Zij moet deze laten staan, onverzwakt en onverminkt. Als zij ze

niet verklaren kan, heeft zij hare onwetendheid te belijden. De wil van

God, die in die feiten zich uitspreekt, is voor haar het einde van

alle redeneering. Zij berust ten slotte in zijne souvereiniteit. In dien

zin blijft het woord van Augustinus waarachtig: voluntas Dei cujusque

creaturae natura est. Zij laat zich noch door het pantheisme verleiden,

dat de wereld noodzakelijk maakt, want er is onderscheid tusschen God

en wereld, tusschen zijne voluntas necessaria en voluntas libera; noch

ook door het deisme, dat de wereld maakt tot een product van het

toeval, want heel die wereld is eene openbaring van Gods wijsheid. En zij

houdt tegen beide staande, dat de wereld eene daad is van Gods vrijen,

souvereinen wil en dat God voor dezen wil zijne wijze en goede redenen

heeft gehad. Voor ons is iets goed enkel en alleen, omdat God het wil;

God zelf kan nooit iets willen, dan omdat het op zichzelf of om iets

anders goed is, Voetius, Disp. I 387. Wij zien bijna nooit in, waarom God

het eene gewild heeft en het andere niet, en wij moeten het daarom zoo

voorstellen, dat Hij het eene evengoed als het andere had kunnen willen.

Maar in God valt eigenlijk geen keuze, die immers altijd onzekerheid,

weifeling, beraadslaging onderstelt. Hij weet eeuwiglijk, vast,

onveranderlijk wat Hij wil. In zijn wil valt geen willekeur, geen toeval,

geen onzekerheid, maar enkel eeuwige bepaaldheid en onveranderlijkheid.

Het contingente is eigen aan het schepsel, en met eerbied gezegd is het

God zelfs niet mogelijk, om dit karakter aan het schepsel te ontnemen.

In God alleen is existentia en essentia één; alle creatuur sluit als

zoodanig, krachtens haar eigen aard, de mogelijkheid in, dat zij niet

bestond. Maar God heeft met eeuwigen en onveranderlijken wil alle

schepselen als contingent gewild. Daarom is het ons niet mogelijk en

zelfs ook niet geoorloofd, hooger dan tot den wil Gods op te klimmen.

Want alle pogen daartoe loopt er op uit, om voor het schepsel een grond

in Gods wezen te zoeken, het dus noodzakelijk en eeuwig en Goddelijk te

maken, en van zijn creatuurlijk, d. i. contingent karakter te ontdoen.

In zoover heet de wil Gods, die het geschapene tot object heeft, vrij.

Maar deze vrijheid sluit de andere deugden Gods, zijne wijsheid, goedheid,

gerechtigheid enz. niet uit. Immers, dat is ook onder schepselen niet

de ware vrijheid van wil, welke langen tijd van twijfel, overleg en

beslissing noodig heeft; maar dat is de hoogste vrijheid, welke in eens,

uno intuitu, èn het doel èn de middelen vaststelt en van geen aarzeling

weet. En zulk eene vrijheid is er ook in God; eene vrijheid, die niet

als door de andere deugden Gods gebonden of daarvan op nominalistische

wijze onafhankelijk te denken is, maar zulk eene vrijheid, die daarom in

absoluten zin vrij is wijl zij de vrijheid is van een wijs, rechtvaardig,

heilig, barmhartig en almachtig God. Als Augustinus, Thomas, Calvijn

enz. dan ook zeiden, dat er geen causa was voor den wil Gods, dan

bedoelden zij daarmede, dat de wil Gods, als één met zijn wezen, geen

causa achter of boven zich heeft, waarvan die wil afhankelijk ware.

Maar zij wilden daarmede geenszins zeggen, dat die wil zonder ratio

was, dat hij in den zin van Schopenhauer een blinde, alogische wil was.

Integendeel, de wil Gods is met zijn wezen, met zijne wijsheid, goedheid

en al zijne deugden één, Thomas, S. Th. I qu. 19 art. 5. En daarom

kan hart en hoofd des menschen in dien wil berusten, want het is de

wil, niet van een blind noodlot, van een onberekenbaar toeval, van

eene duistere natuurmacht, maar de wil van een almachtig God en van

een goedertieren Vader. Zijne souvereiniteit is eene souvereiniteit

van onbegrensde macht, maar ook eene souvereiniteit van wijsheid en

genade. Hij is Koning en Vader tegelijk. Cf. Kleutgen, Theol. der Vorz. I

452-585. Scheeben I 681 f. Dorner I 410 f. Id. Gesammelte Schriften 341

f. Müller, Lehre v. d. Sünde II⁵ 180 f. Ebrard, Dogm. § 71 f. Frank,

Syst. d. chr. Wahrh. I² 283 f. Hodge, I 402.

Gereformeerde dogmatiek. Tweede deel. · 第 11 / 19 题